Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/3.2.2.3:3.2.2.3 Vertegenwoordigingsregeling
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/3.2.2.3
3.2.2.3 Vertegenwoordigingsregeling
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946201:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In art. 65 Sr is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden een wettelijke vertegenwoordiger van de persoon die op grond van art. 64 Sr het klachtrecht toekomt een klacht kan indienen. Zo bepaalt het eerste lid dat de klacht door de wettelijke vertegenwoordiger in burgerlijke zaken geschiedt in het geval dat de primair klachtgerechtigde de leeftijd van 16 jaren nog niet heeft bereikt, onder curatele is gesteld of gestoord is. In het tweede lid zijn bepaalde nabestaanden aangewezen als klachtgerechtigde, indien de in art. 64 Sr bedoelde persoon is overleden. Die nabestaanden komt echter geen klachtrecht toe, indien blijkt dat de overledene geen vervolging wenste. In het derde lid zijn specifieke familieleden als klachtgerechtigden aangemerkt, indien het feit is gepleegd door (en de klacht dus betrekking heeft op) de wettelijke vertegenwoordiger in burgerlijke zaken van de in art. 64 Sr bedoelde persoon. Tot slot is in het vierde lid een voorziening getroffen voor de (uitzonderlijke) situatie dat een persoon op grond van art. 65 lid 2 of 3 Sr is aangewezen als klachtgerechtigde, maar die persoon de leeftijd van 16 jaren nog niet heeft bereikt, onder curatele is gesteld of gestoord is. In die gevallen verschuift het klachtrecht naar diens wettelijke vertegenwoordiger in burgerlijke zaken.
In de in art. 65 Sr beschreven situaties wordt het klachtrecht niet gedeeld met de primair klachtgerechtigde, maar verschuift dit recht van de in art. 64 Sr genoemde persoon naar de in art. 65 Sr aangewezen vertegenwoordigers. Op grond van art. 165a Sv dient de vertegenwoordigde in de gelegenheid te worden gesteld zijn mening over de wenselijkheid van de vervolging kenbaar te maken, indien een vertegenwoordiger op grond van art. 65 lid 1 Sr klaagt namens een minderjarige van tenminste twaalf jaren oud of namens een onder curatele gestelde. In hoofdstuk 2 is er reeds op gewezen dat het nut van deze bepaling kan worden betwijfeld. Het horen van de vertegenwoordigde is met het oog op de vervolgingsbeslissing overbodig als zijn of haar mening overeenkomt met het handelen van de vertegenwoordiger. Daarnaast is het de vraag in hoeverre bij de vervolgingsbeslissing rekening moet worden gehouden met het standpunt van de vertegenwoordigde indien dit verschilt van dat van de vertegenwoordiger. De vertegenwoordigingsregeling vindt zijn legitimatie immers in het feit dat de vertegenwoordigde onvoldoende zijn eigen belangen kan overzien en behartigen. Deze gedachte achter de vertegenwoordigingsregeling is in 1985 onderstreept door – bij de invoering van art. 64 Sr en verschuiving van de vertegenwoordigingsregeling naar art. 65 Sr – de wet zo te wijzigen dat de leeftijd van de vertegenwoordigde ten tijde van het indienen van de klacht leidend is en niet diens leeftijd op het moment dat het strafbare feit is gepleegd.1 Het gaat er immers om dat de persoon (die al dan niet moet worden vertegenwoordigd) ten tijde van het doen van de klacht het vermogen heeft te beoordelen of hij of zij is gebaat bij een vervolging.2