NJB 2020/3060
Het ‘als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000’, art. 197 Sr: vervolg op HR 27 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2192, en HvJ EU 17 september 2020, ECLI:EU:C:2020:724, zaak C806/18 inzake vooral art. 11 van Terugkeerrichtlijn 2008/115/EG. Volgens het HvJ EU verzet de Terugkeerrichtlijn zich niet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat die bepaalt dat een gevangenisstraf kan worden opgelegd aan een illegaal verblijvende derdelander jegens wie de stappen van de bij die richtlijn ingestelde terugkeerprocedure zijn doorlopen zonder dat de betrokkene het grondgebied van de lidstaten daadwerkelijk heeft verlaten, wanneer het strafbaar gestelde gedrag is omschreven als illegaal verblijf terwijl de betrokkene kennis heeft van een inreisverbod dat is uitgevaardigd met name vanwege de strafrechtelijke antecedenten van de betrokkene of vanwege het gevaar dat hij vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid, mits het strafbaar gestelde gedrag niet is omschreven door verwijzing naar schending van dat inreisverbod en deze regeling voldoende toegankelijk en nauwkeurig is en de toepassing ervan voldoende voorzienbaar is, teneinde willekeur te voorkomen. De Hoge Raad overweegt over art. 197 Sr: deze bepaling ziet op illegaal verblijf in weerwil van de uitvaardiging van een inreisverbod en niet slechts op illegaal verblijf na schending van dat verbod. Dat in de wetsgeschiedenis daarnaast ten onrechte ook enkele malen wordt gesproken over ‘overtreding van het inreisverbod’ doet daaraan niet af. Het hiervoor bedoelde verblijf is strafbaar wanneer de verdachte weet, of ernstige reden heeft te vermoeden, dat tegen hem het inreisverbod is uitgevaardigd. In het bijzonder stelt artikel 197 Sr niet als voorwaarde voor strafrechtelijke aansprakelijkheid dat de verdachte na het uitgevaardigde inreisverbod het grondgebied van de EU heeft verlaten zodat het inreisverbod ook daadwerkelijk is ingegaan. Evenmin stelt deze bepaling als voorwaarde dat het gegeven inreisverbod is geschonden doordat de verdachte – na het verlaten van de EU – in strijd met het inreisverbod de EU weer is binnengekomen. Deze uitleg van art. 197 Sr is niet in strijd met de Terugkeerrichtlijn zoals uitgelegd door het HvJ EU
HR 01-12-2020, ECLI:NL:HR:2020:1893
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
1 december 2020
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, E.S.G.N.A.I. van de Griend, A.L.J. van Strien, M.J. Borgers, A.E.M. Röttgering
- Zaaknummer
17/03472
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht / Algemeen
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Vreemdelingenrecht / Verblijf
EU-recht / Instituties
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Staatsrecht / Rechtspraak
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2020:1893, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 01‑12‑2020
ECLI:NL:PHR:2020:935, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 13‑10‑2020
Beroepschrift, Hoge Raad, 07‑11‑2019
ECLI:NL:HR:2018:2192, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 27‑11‑2018
ECLI:NL:PHR:2018:1019, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 18‑09‑2018
ECLI:NL:PHR:2018:612, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 12‑06‑2018
Beroepschrift, Hoge Raad, 04‑05‑2017
- Wetingang
(art. 197 Sr)
Essentie
Het ‘als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000’, art. 197 Sr: vervolg op HR 27 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2192, en HvJ EU 17 september 2020, ECLI:EU:C:2020:724, zaak C806/18 inzake vooral art. 11 van Terugkeerrichtlijn 2008/115/EG. Volgens het HvJ EU verzet de Terugkeerrichtlijn zich niet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat die bepaalt dat een gevangenisstraf kan worden opgelegd aan een illegaal verblijvende derdelander jegens wie de stappen van ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.