Einde inhoudsopgave
Faillissementspauliana, Insolvenzanfechtung & Transaction Avoidance in Insolvencies (R&P nr. InsR1) 2010/2.3.1.0
2.3.1.0 Inleiding
mr. R.J. de Weijs, datum 15-03-2010
- Datum
15-03-2010
- Auteur
mr. R.J. de Weijs
- JCDI
JCDI:ADS409041:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
De doctrine werd ook m.m. toegepast op andere rechtspersonen.
Artikel 32 a GmbHG bepaalde het volgende: 1) Hat ein Gesellschafter der Gesellschaft in einem Zeilpunkt, in dem ihr die Gesellschafter als ordentliche Kaufleute Eigenkapital zugeführt hätten (Krise der Gesellschaft), start dessen ein Darlehen gewährt, so kann er den Anspruch auf Rückgewähr des Darlehens im Insolvenzverfahren über das Vermögen der Gesellschaft nur als nachrangiger Insolvenzgläubiger geltend machen. (2) Hat ein Dritter der Gesellschaft in einem Zeilpunkt, in dem ihr die Gesellschafter als ordentliche Kaufleute Eigenkapital zugeführt hätten, statt dessen ein Darlehen gewährt und hat ihm ein Gesellschafter für die Rückgewähr des Darlehens eine Sicherung bestellt oder hat er sich dafür verbürgt, so kann der Dritte im Insolvenzverfahrent über das Vermögen der Gesellschaft nur für den Betrag verhältnismäßige Befriedigung verlangen, mit dem er bei der Inanspruchnahme der Sicherung oder des Bürgen ausgefallen ist. (3) Diese Vorschnften gelten sinngemäß für andere Rechtshandlungen eines Gesellschafters oder eines Dritten, die der Darlehensgewährung nach Absatz 1 oder 2 wirtschaftlich entsprechen. Die Regeln über den Eigenkapitalersatz gelten nicht für den nicht geschäftsführenden Gesellschafter, der mit zehn vom Hundert oder weniger am Stammkapital beteiligt ist. Erwirbt ein Darlehensgeber in der Krise der Gesellschaft Geschäftsanteile zum Zweck der Überwindung der Krise, führt dies für reine bestehenden oder neugewährten Kredite nicht zur Anwendung der Regeln über den Eigenkapitalersatz. .
De Bra gaf de volgende toelichting (Insolvenzordnung Kommentar, p. 878): Ordentliche Kaufleute als Gesellschafter hätten der Gesellschaft jedenfalls immer dann Eigenkapital zugeführt, wenn die Gesellschaft nicht mehr kreditwürdig war und deshalb ohne das Gesellschafterdarlehen hätte liquidiert werden müssen.'
Arm 's length is een term die wordt gebruikt om aan te geven dat partijen tegen marktcondities op gepaste afstand (dus zonder druk of wens de ander te bevoordelen) met elkaar handelen.
Dauernheim (Das Anfechtungsrecht in der Insolvenz, p. 97): 'Beim Vorliegen einer Zahlungsunfühigkeit der Gesellschaft im Zeitpunkt der Darlehensgewährung und der drohende Zahlungsunfähigkeit (§18 InsO) ist die Kreditwürdigkeit nicht mehr gegeben.'
Dauernheim, Das Anfechtungsrecht in der Insolvenz, p. 98, met verwijzing naar BGH ZIP 1541 (1542).
Dauernheim (Das Anfechtungsrecht in der Insolvenz, p. 90) schreef met verwijzing naar BGH ZIP 1980, 361 (363); ZIP 1984, 572 (575): 'Das Risiko des Fortbestandes eines solchen Unternehmens in der Krise ist dann für Gesellschaftgläubiger nur noch akzeptabel, wenn das Risiko des Fortbestandes des Unternehmens vorrangig von den finanzierenden Gesellschaftern getragen wird.'
De regels inzake kapitaalvervangende leningen bleken een fnuikend effect te hebben op herstructureringspogingen, met name wanneer deze (mede) bestonden uit een debt for equity swap. Artikel 32a lid 3 GmbHG, derde zin, sloot in verband hiermee nieuwe aandeelhouders, die hun aandelen middels een debt for equity swap hadden verkregen, uit van de regels van kapitaalvervangende leningen.
Dauernheim schreef met verwijzing naar BGH ZIP 1995, 280 (281) (Das Anfechtungsrecht in der Insolvenz, p. 101): 'Der BGH stellt sogar anheim, das Kreditverhältnis durch Liquidation zu beenden wobei er sogar die Einleitung des Konkursvelfahrens als einzigen Ausweg zur Vermeidung des Eigenkapitalersatzes sieht.'
Dauernheim schreef het volgende ten aanzien van de vraag of de bewindvoerder bepaalde subjectieve criteria moet bewijzen (Das Anfechtungsrecht in der Insolvenz, p. 100): `Besondere subjektive Tatbestandsmerkmale, etwa daβ der Gesellschafter das Aufbringen Haftungskapitales vermeiden wollte oder eine Täuschungsabsicht gegenüber den Gläubiger hegte, sind nicht zu überprüfen. Selbst die Kreditunwürdigkeit des Gesellschafter muß diesem nicht bekannt sein. Weitere subjektive Voraussetzungen hinsichtlich der Kenntnis der Krise müssen nicht gegeben sein.'
V Rtimermann, `Insolvenzrecht im MoMiG', NZI 2008/11, p. 644: 'Die Komplexität lag vor allem darin begründet, dans der BHG über viele Jahre schon mit einer Analogie zu den §§ 30, 31 GmbHG gearbeitet harte, wenn ein Unternehmer Darlehen oder andere Leistungen in der Krise der Gesellschaft zuführte, während der BGH ihn als verpflichtet ansah, entweder die GmbH vom Markt zu nehmen — sie zu liquidieren — oder sie mit Eigenkapital auszustatten.'
Regeringstoelichting (`Gesetz zur Modernisierung des GmbH-Rechts und zur Bekknpfimg von Missbeáuchen', /VZ/ 2008, Heft 11, p. 41): 'Der Anwendungsbereich wird rechtsformneutral festgelegt. Damit sind die deutschen Gesellschaftsrechtsformen, und zwar die Gesellschaft mit beschränkter Haftung, die Aktiengesellschaft, die Kommanditengesellschaft auf Aktien und die Genossenschaft ebenso wie die Kommanditengesellschaft und die offene Handelsgesellschaft, bei der kein persönlich haftender Gesellschafter eine natürliche Person ist und zu deren persönlich haftenden Gesellschaftern auch keine Gesellschaft mit einer natürlichen Person als persönlich haftender Gesellschafter gehört, sowie die Europäische Gesellschaft (SE) erfasst.'
Zie ten aanzien van de systematische inbedding van het leerstuk, Regeringstoelichting, in: `Gesetz zur Modernisierung des GmbH-Rechts und zur Bekämpfung von Missbräuchen', /VZ/ 2008/11, p. 29.
In het Duitse recht was een uitgebreid leerstuk van kapitaalvervangende aandeelhoudersleningen tot ontwikkeling gekomen. Het leerstuk van kapitaalvervangende leningen was oorspronkelijk tot stand gekomen in de jurisprudentie. Het leerstuk was vervolgens in 1980 ten dele gecodificeerd in artikel 32 a GmbHG, welk artikel zag op leningen verstrekt door een aandeelhouder aan een GmbH.1 Ondanks de pogingen het leerstuk te codificeren, bleef de jurisprudentie naast de wettelijke bepaling een belangrijke rol spelen. De achtergrond hiervan was dat het leerstuk, zoals dat tot stand was gebracht in de jurisprudentie, een grotere reikwijdte had dan het gecodificeerde recht. Daarenboven werden de niet gecodificeerde onderdelen ook na 1980 steeds verder doorontwikkeld in de rechtspraak.
De basisregel die definieerde wat kapitaalvervangende leningen waren, was te vinden in artikel 32a lid 1 GmbHG.2 Het artikel bepaalde dat indien een aandeelhouder een lening verstrekt op een tijdstip waarop een redelijke koopman additioneel kapitaal zou hebben verstrekt, de lening als kapitaalvervangend kwalificeert. Deze kwalificatie leidde er onder meer toe dat de lening van de aandeelhouder in een formele insolventieprocedure werd achtergesteld bij die van de concurrente schuldeisers. De regel was alleen van toepassing indien de aandeelhouder meer dan 10% van de uitstaande aandelen had of leiding gaf aan de onderneming. De vraag of een redelijk handelend koopman additioneel kapitaal verschaft zou hebben, diende bevestigend beantwoord te worden indien de vennootschap niet langer kredietwaardig was en zonder lening geliquideerd zou moeten worden.3 De onderneming werd geacht niet meer kredietwaardig te zijn als een arm 's length4 financier niet langer tegen marktcondities geld zou lenen. Dit werd weer verondersteld het geval te zijn indien de vennootschap materieel insolvent was in de zin dat de schulden meer bedroegen dan de activa. Ook indien de vennootschap in betalingsonmacht verkeerde, werd veelal aangenomen dat de vennootschap niet langer kredietwaardig was.5 Een lening die verstrekt was om een tijdelijke liquiditeitskrapte te overbruggen rechtvaardigde echter niet de sanctie dat een lening als kapitaalvervangend werd aangemerkt. In dergelijke gevallen kon niet gezegd worden dat volgens redelijke kooplieden additioneel kapitaal nodig is. Een vennootschap is immers nog steeds kredietwaardig indien het voldoende zekerheidsrechten kan verschaffen om alle bestaande kredietbehoeften te dekken, zo werd geleerd.6
Onder het leerstuk van kapitaalvervangende leningen werd daarmee veel waarde gehecht aan het moment waarop en de omstandigheden waaronder een lening door een aandeelhouder verstrekt werd. De gedachte was dat een aandeelhouder niet verplicht is om extra geld in de vennootschap te steken. Als er onvoldoende geld is dan, zo was de gedachte, zou de onderneming geliquideerd moeten worden. Indien de aandeelhouder echter het leven van de vennootschap wenste te verlengen, dan mocht dit, maar stond het de aandeelhouder niet vrij om te kiezen op welke wijze hij dit wenste te doen. Indien de aandeelhouder het voortbestaan van de vennootschap wenste, dan diende de aandeelhouder extra kapitaal ter beschikking te stellen. Het risico verbonden aan het voortzetten van de activiteiten binnen de vennootschap werd geacht slechts dan voor de schuldeisers acceptabel te zijn indien dit risico in de eerste plaats door de aandeelhouder zelf wordt gedragen.7
Het werkingsgebied van kapitaalvervangende leningen was echter niet beperkt tot leningen die verstrekt waren op een moment waarop de vennootschap in financiële nood verkeerde.8 Leningen die verstrekt waren op een moment dat er geen financiële problemen waren, konden namelijk veranderen in kapitaalvervangende leningen. Dit kon gebeuren wanneer de lening op het moment van opeisbaar worden niet werd opgeëist maar binnen de vennootschap bleef. Dit werd het 'laten staan' van een lening genoemd (stehenlassen). Het laten staan van een krediet kan economisch gezien hetzelfde effect hebben als het verstrekken van nieuw krediet. Wilde een lening die niet opgeëist werd 'verkleuren' en de status van kapitaalvervangend krijgen, dan was wel vereist dat de aandeelhouder had kunnen weten van de financiële crisis binnen de vennootschap. De regel dat het laten staan van een lening resulteerde in de herkwalificatie als kapitaalvervangend, had als gevolg dat de aandeelhouder dit soms slechts kon voorkomen door zelf de formele insolventie van de vennootschap aan te vragen 9 Zodra de aandeelhouder geconfronteerd werd met de financiële crisis bij de vennootschap, werd deze een korte periode gegund om zich te beraden; of deze bleef aandringen op betaling en forceerde daarmee mogelijk insolventverklaring of hij liet de lening staan met als gevolg dat de lening geherkwalificeerd werd als kapitaalvervangend.
De vraag of het verstrekken van een lening als het verstrekken van een kapitaal-vervangende leningen gekwalificeerd moest worden, was in principe niet afhankelijk van enig subjectief criterium.10 Dit was dus slechts anders voor zover het laten staan van een lening betrof, waarbij de aandeelhouder wel moest kunnen weten van de crisis. Hoewel het basisconcept van kapitaalvervangende leningen relatief eenvoudig was, kon dit niet gezegd worden van het doorgronden en bepalen van de exacte reikwijdte van het begrip.11
Het leerstuk van Kapitalersatz was al met al zeer gecompliceerd geworden. Dit leidde er mede toe dat stappen genomen werden om het recht terzake te vereenvoudigen. De operatie heeft plaatsgevonden door middel van het Gesetz zur Modernisierung des GmbH-Rechts und zur Bekämpfung von Missbräuchen, in de regel afgekort tot MoMiG. De belangrijkste wijzigingen door MoMiG, voor zover hier relevant, bestonden eruit dat de regels inzake het recht van kapitaalvervanging vereenvoudigd werden en rechtsvorm overstijgend werden.12 Leningen van aandeelhouders worden nu automatisch achtergesteld zonder dat nog vereist is dat deze verstrekt zijn op een moment dat de vennootschap reeds in een crisis verkeerde. De oude artikelen 32a en 32b GmbHG zijn geheel komen te vervallen, waarbij onderdelen ten dele zijn teruggekomen in bepalingen in de Insolvenzordnung, met name in artikel 39 en 135 Ins0.13