Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/IV.4.4
IV.4.4 Toch een kleine bijrol
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS378570:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Art. 997a Rv luidt:`1. Een afschrift van het exploit van dagvaarding waarbij een vordering bij de rechtbank wordt ingesteld als bedoeld in de artikelen 336, 342 en 343 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt onverwijld door de eiser aan de vennootschap betekend. 2. Binnen twee weken na de betekening stelt de vennootschap de niet gedagvaarde aandeelhouders schriftelijk in kennis van de inhoud van de dagvaarding. 3.Van ieder vonnis wordt een afschrift door de griffier behalve aan partijen tevens aan de vennootschap toegezonden. Een afschrift van het onherroepelijk geworden vonnis als bedoeld in artikel 340 lid 1 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt onverwijld door de eiser aan de gedaagden en de vennootschap betekend. 4Tegen het vonnis is geen verzet van derden mogelijk als bedoeld in artikel 376 van dit wetboek.
Volgens de toelichting (Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 28) is 'onverwijld' synoniem met `onmiddellijk'.
Zie § VI.3.8 voor de uitsluiting van het verzetsrecht (art. 997a lid 4 Rv) en § VI.2.4 voor de afwijzing van de optie de vordering met gesloten deuren te behandelen. De regels en ratio van art. 997a Rv zijn ontleend aan het ontwerp van de Commissie Vennootschapsrecht uit 1975, zie een soortgelijk art. 9 in het Rapport Cie Vennootschapsrecht (1975) p. 17 en p. 23-24 (toelichting op art. 9).
Hof Den Bosch 18 juli 2002, JOR 2002/202 (HenZon), ro. 4.4. Het hof stelde dat de ratio van de betekening van de dagvaarding aan de vennootschap gelegen lag in het in kennis stellen van de aandeelhouders die nog niet bij de procedure betrokken waren. In de BV in casu waren de eiser en de gedaagde de enige twee aandeelhouders, dus dit belang ontbrak. De procedure was overigens een uitstoting in kort geding, zie hierover § VH.5.
Aldus Gerretsen (2005), p. 48. Hij is tevens van mening dat de dagvaardingsprocedure beter een verzoekschriftprocedure kan zijn. In zijn voorstel krijgt de vennootschap dan de positie van belanghebbende.
Zie Asser (1997), p. 71-72. Zie over de levering en overdracht § V.4.
Van Schilfgaarde (2001), nr. 114. Hij schreef: 'Deze wat merkwaardige opzet (van de uitstotingsprocedure, CB) brengt mee dat over het belang van de vennootschap wordt gediscussieerd in een procedure waar de vennootschap buiten staat.' Van Schilfgaarde verwees overigens naar art. 285 Rv (oud). De regeling voor voeging en tussenkomst is sinds 2002 verplaatst naar het gelijkluidende art. 217 Rv. Over de partijpositie van de vennootschap bij uittreding zweeg hij.
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 29.
Asser (1997), p. 72-73; en Leijten (1997), p. 80, nt. 17.
Zie Asser-Maeijer 2-111 (2000), nr. 494. In dezelfde zin ook Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* (2009), nr. 704.
In België is voor de eenvoudige oplossing gekozen. Er geldt dat de vennootschap zowel bij de uitstotings- als de uittredingsprocedure worden gedagvaard, zie art. 335 (jo. 340) en 637 (jo. 642) W.Venn. Haar taak is wettelijk omschreven: 'De vennootschap verwittigt op haar beurt de overige vennoten.'
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 21.
Idem: Asser (1997), p. 72. Ik merk op dat art. 195 Rv inzake de betaling door de vennootschap van een voorschot voor de deskundige in bijzondere gevallen geldt. Als de statuten of een overeenkomst de betaling door de vennootschap expliciet vermelden, dan is mijns inziens een uitzondering op de hoofdregel 'de eiser betaalt het voorschot' toegestaan. Is er geen andersluidende afspraak, maar refereert de vennootschap zich aan het oordeel van de rechter, dan is een veroordeling ex art. 195 Rv eveneens mogelijk. Voert de vennootschap echter gemotiveerd verweer en is geen regeling voorhanden, dan zullen partijen (de aandeelhouders) een voorschot moeten dragen. Zie ook Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 105.
Zie § V.4.3 voor de bespreking van de overdracht en levering van de aandelen.
Ook de aanvaarding geschiedt schriftelijk, zie de uitgebreide regeling van art. 2:343 lid 4 BW.
Zie Handboek (1992), nr. 357 en 359.
Zie ook de Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 23 (art. 2:341 lid 2 BW); en p. 27 (art. 2:343 lid 4 BW).
Pres. Rb. Haarlem 8 mei 1990, KG 1990, 247 (Keijzer Papier).
Ook al wordt de procedure over het hoofd van de vennootschap gevoerd, de vennootschap moet wel worden geïnformeerd. De invoering van een nieuwe afdeling van titel 8 van boek 2 BW ging om deze reden vergezeld van een nieuw art. 997a Rv, op grond waarvan, kort gezegd, de vennootschap afschriften van de dagvaarding en alle vonnissen ontvangt.1 De vennootschap stelt vervolgens eventuele niet-gedagvaarde aandeelhouders binnen twee weken schriftelijk in kennis van de inhoud van de dagvaarding, zie lid 2 van art. 997a Rv. Alle aandeelhouders weten nu van de gestarte procedure en kunnen zich eventueel voegen. Bij de uitstoting voegt men zich aan de kant van de eiser (art. 2:341 lid 1 BW jo. art. 217 Rv), terwijl het bij de uittreding de kant van de gedaagde aandeelhouders is (art. 2:343 lid 3 BW jo. art. 217 Rv). De vennootschap blijft intussen door de afschriften van de vonnissen, die de griffier haar ingevolge art. 997a lid 3 Rv stuurt, op de hoogte van de voortgang van de procedure. Bij toewijzing van de vordering ontvangt de vennootschap zelfs tweemaal een afschrift van het 'eindvonnis' ofwel de uitspraak waarin de prijs van de aandelen wordt vastgesteld. Naast de griffier betekent ook de eisende aandeelhouder dit in art. 2:340 lid 1 BW genoemde vonnis aan de vennootschap, en wel 'onverwijld' als het onherroepelijk is geworden.2 Vanaf het moment van betekening gaan de termijnen lopen voor het door de vennootschap aanbieden van aandelen aan de andere aandeelhouders, zie 2:341 lid 2 BW (uitstoting) en 2:343 lid 4 BW (uittreding).3
Een sanctie op de niet-naleving van de voorschriften van art. 997a Rv is er niet, aldus het hof Den Bosch in 2002. Het oordeelde in een kort gedingprocedure waarin de eiser overdracht krachtens de geschillenregeling vorderde, dat niet-nakoming niet tot niet-ontvankelijkheid leidt. De wet stelt immers geen sanctie op het achterwege laten van de betekening aan de vennootschap.4
Gerretsen pleit er voor art. 997a Rv naar de geschillenregelingafdeling van boek 2 BW over te hevelen. Volgens hem is het voor de argeloze lezer die niet in de `mandarijnenwetenschap van het formele wetgevingsproces' is ingevoerd ondoorgrondelijk waarom de vennootschap haar betrokkenheid aan het burgerlijk procesrecht ontleent.5
De vraag rijst of de vennootschap partij is of kan zijn bij de procedure. Op grond van art. 997a Rv is de vennootschap volgens Asser in ieder geval een 'derde met een bijzondere status'. De status brengt mee dat zij op de hoogte is van het verloop van de procedure, omdat zij, zoals gezegd, een afschrift van ieder vonnis ontvangt. Daarnaast is de vennootschap ook gebonden aan de uitspraak. Zij moet eventueel de overdracht coordineren en medewerking verlenen aan de uitvoering van het vonnis. Art. 2:341 lid 2 en 2:343 lid 4 BW, die zien op de situatie waarin de statuten een aanbiedingsregeling bevatten, vormen een eigen verplichting van de vennootschap, die uit de wet voortvloeit. Een tweede eigen verplichting staat in art. 2:341 lid 4 en 2:343 lid 6 BW: de vennootschap levert de aandelen namens de weigerachtige aandeelhouder.6
Een aantal auteurs vond dat de vennootschap partij kan zijn bij de procedure. Van Schilfgaarde was van oordeel dat de vennootschap in ieder geval bij uitstoting zich kan voegen of kan tussenkomen.7 Asser twijfelde aan de juistheid van Van Schilfgaardes opvatting. Door voeging of tussenkomst te accepteren, wordt de vennootschap toch partij terwijl de wet haar deze positie juist wil onthouden. Voeging of tussenkomst teneinde de overdracht van de aandelen aan de vennootschap te bewerkstelligen, was niet toegestaan in Assers visie. Tegen `meeprocederen' had hij echter geen bezwaar. De vennootschap kan bijvoorbeeld aangeven hoe schadelijk het gedrag van de uit te stoten aandeelhouder is. Een ander argument vond hij in de toelichting, die aangeeft dat alle betrokkenen op de hoogte van de procedure worden gebracht, 'zodat zij zich tijdig kunnen voegen'. Onder 'zij' valt ook de vennootschap, aldus Asser.8 Tot slot is het minder eenvoudig voor de vennootschap eventuele schade van de uitgestoten aandeelhouder vergoed te krijgen, indien zij langs de lijn moet blijven staan. Zonder de status van procespartij heeft het uitstotingsvonnis geen gezag van gewijsde voor de vennootschap. Is zij wel partij, dan staat schade aan haar belang (al) vast.
Zowel Asser als Leijten was de mening toegedaan dat bij uittreding de vennootschap ook een belang heeft om zich te voegen, echter aan de kant van de gedaagde(n) in plaats van de eiser. Het gedrag van de vennootschap kan namelijk een rol spelen bij het debat rondom de uittredingsvordering. Dit debat werpt vervolgens zijn schaduw vooruit bij een mogelijke enquêteprocedure.9 Tot slot achtte Maeijer, onder verwijzing naar Asser, het aannemelijk dat de vennootschap zich zou kunnen voegen.10
De vennootschap behoort dus de mogelijkheid te hebben om in een geschillenregelingprocedure voor haar eigen belangen op te komen. In mijn ogen is de vennootschap een partij met een bijzondere status.11 Haar status is bijzonder, omdat een veroordeling tot overname van de aandelen wettelijk is uitgesloten. De hiervoor aangehaalde schrijvers waren dezelfde mening toegedaan. Hun redenen acht ik valide. Een andere reden voor mijn standpunt om de vennootschap te beschouwen als 'bijzondere partij' ontleen ik aan art. 2:340 lid 1 BW. Op grond van dit artikel kan de vennootschap worden veroordeeld tot het geheel of gedeeltelijk dragen van de kosten van het deskundigenbericht. Deze kostenveroordeling geldt zowel bij de uitstoting als de uittreding. Volgens de wetsgeschiedenis ligt het op de weg een deel van de kosten voor rekening van de vennootschap te laten komen, als de statuten een bepaling hieromtrent bevatten.12 De rechter is verplicht de vennootschap eerst te horen. De vennootschap is in zo'n geval zeker partij bij de procedure. Tegen de beslissing staat voor haar hoger beroep open.13
Als de rechter de vordering toewijst, dan bepalen de statutaire blokkeringregeling en het uitgebreide lid 2 van art. 2:341 BW de praktische gang van zaken rond de overdracht bij uitstoting. De uittreding bevat een identieke regeling in art. 2:343 lid 4 BW, met dien verstande dat het de eiser is die overdraagt en niet de gedaagde. Bij een aanbiedingsregeling moet de vennootschap in actie komen.14 Lid 4 schrijft voor dat zij namens de uittredende aandeelhouder de aandelen schriftelijk aanbiedt aan de gegadigden, veelal de overige aandeelhouders. Vervolgens is binnen een maand aanvaarding nodig.15 De vennootschap deelt de betrokkenen het aantal aanvaarde aandelen mee. De uittredende aandeelhouder moet nu leveren, maar blijft hij in gebreke, dan is de vennootschap ingevolge lid 6 van art. 2:343 BW bevoegd namens hem te leveren. De vennootschap vertegenwoordigt krachtens de wet de aandeelhouder die weigert te leveren.16
De mogelijkheid bestaat dat de blokkeringsregeling de vennootschap als gegadigde aanwijst. Lid 7 van art. 2:195 BW bepaalt dat de vennootschap slechts met instemming van de aanbiedende aandeelhouder zo'n gegadigde kan zijn. De reden hiervoor is het mogelijke fiscale nadeel dat de aandeelhouder loopt. Omdat de aandelenoverdracht in de geschillenregeling de statutaire aanbiedingsregeling volgt, is het mogelijk dat de vennootschap ook hier 'gegadigde' is. Het fiscale nadeel kan dan natuurlijk eveneens opdoemen. De regel van art. 2:195 lid 7 BW geldt daarom ook bij de geschillenregeling: de vennootschap kan slechts met instemming van de gedaagde (bij uitstoting) of de eiser (bij uittreding) zijn aandelen aanvaarden.17 Met de invoering van het nieuwe belastingregime lijkt het fiscale nadeel voor de overdragende aandeelhouder overigens verdwenen.
De vennootschap heeft in de geschillenregeling dus slechts een bijrol. Haar rest voornamelijk stilzitten. Wat zij uitdrukkelijk niet mag, is het uitgeven van aandelen teneinde een aanhangig gemaakte uitstotingsvordering te frustreren. Een dergelijke poging van Keijzer Papier BV strandde, toen de rechter het bestuur een halt toeriep.18