Vgl. ook de conclusie van de Advocaat-Generaal W.D.H. Asser voor HR 16 augustus 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2123, onder 3.15-3.16.
HR, 24-02-2023, nr. 22/03342, nr. 22/03432
ECLI:NL:HR:2023:316
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24-02-2023
- Zaaknummer
22/03342
22/03432
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:316, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑02‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:25, Gevolgd
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:1085, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2023:25, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 06‑01‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:316, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2022:1085, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 21‑11‑2022
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:316, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑09‑2022
Beroepschrift, Hoge Raad, 09‑09‑2022
- Vindplaatsen
Burgerlijk procesrecht.nl BPR-2023-0011
GZR-Updates.nl 2023-0069
NJ 2023/187 met annotatie van J. Legemaate
JGz 2023/22 met annotatie van mr. M.A.J.M. van Sprundel-Jansen
BPR-Updates.nl 2023-0011
Uitspraak 24‑02‑2023
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummers 22/03342 en 22/03432
Datum 24 februari 2023
BESCHIKKING
In de zaken met nummers 22/03342 en 22/03432 van
[betrokkene],
verblijvende te [verblijfplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: G.E.M. Later,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT ROTTERDAM,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van de gedingen in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar
a. de beschikking in de zaak C/10/638464 / FA RK 22-3443 van de rechtbank Rotterdam van 31 mei 2022;
b. de beschikking in de zaak C/09/630084 / FA RK 22-3419 van de rechtbank Den Haag van 9 juni 2022;
c. de beschikking in de zaak C/10/638464 / FA RK 22-3443 van de rechtbank Rotterdam van 22 juni 2022.
Betrokkene heeft tegen de onder b en c vermelde beschikkingen beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschriften ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent (in zaak 22/03342) strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 9 juni 2022 en tot hetgeen onder 3.24 in de conclusie over de verdere afdoening is vermeld.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers (in zaak 22/03432) strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 22 juni 2022 en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad op de wijze als vermeld in de conclusie onder 3.9.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In deze uitspraak staat centraal de relatieve bevoegdheid van de rechter in Wvggz-zaken op grond van art. 1:6 lid 1 Wvggz en de mogelijkheid om de zaak te verwijzen naar een andere rechter.
2.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Op 13 december 2021 heeft de rechtbank Rotterdam een zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene verleend voor de duur van zes maanden, tot en met 13 juni 2022.
(ii) Op 19 mei 2022 heeft de officier van justitie een verzoekschrift bij de rechtbank Rotterdam ingediend strekkende tot het verlenen van een aansluitende zorgmachtiging.
(iii) De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 31 mei 2022 de zaak in de stand waarin deze zich bevond, verwezen naar de rechtbank Den Haag. Daartoe overwoog de rechtbank Rotterdam:
“2.1. Betrokkene verbleef ten tijde van het indienen van het verzoekschrift thuis te [plaats]. Op 30 mei 2022 heeft de rechtbank het bericht ontvangen dat betrokkene op 30 mei 2022 is opgenomen bij [verblijfplaats].
2.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:6 lid 1 Wvggz is uitsluitend bevoegd de rechter van de woonplaats van de betrokkene, of de plaats waar hij hoofdzakelijk of daadwerkelijk verblijft. Betrokkene verblijft inmiddels daadwerkelijk in de genoemde accommodatie in Delft. De rechtbank zal het verzoek daarom op grond van artikel 270 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor behandeling verwijzen naar de rechtbank Den Haag.”
(iv) De rechtbank Den Haag heeft het verzoek op 9 juni 2022 mondeling behandeld. Betrokkene is niet ter zitting verschenen. Ter zitting is gebleken dat betrokkene niet meer in het arrondissement Den Haag verbleef, maar in het arrondissement Rotterdam. Op 4 juni 2022 was hij met ontslag gegaan uit [verblijfplaats] en vanaf dat moment verbleef hij vermoedelijk in [plaats]. De advocaat van betrokkene heeft primair aangevoerd dat niet de rechtbank Den Haag maar de rechtbank Rotterdam bevoegd is en subsidiair dat betrokkene niet behoorlijk voor deze zitting is opgeroepen.
2.3
Bij beschikking van 9 juni 2022 heeft de rechtbank Den Haag een zorgmachtiging verleend met een geldigheidsduur tot en met 23 juni 2022 alsmede de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden en verwezen naar de rechtbank Rotterdam. De rechtbank Den Haag overwoog daartoe:
“Na indiening van het verzoek en verwijzing door de rechtbank Rotterdam naar de rechtbank Den Haag is de rechtbank gebleken dat betrokkene niet meer in arrondissement Den Haag verblijft, maar in arrondissement Rotterdam. Betrokkene is met ingang van 4 juni 2022 met ontslag gegaan vanuit [verblijfplaats] en verblijft vermoedelijk in [plaats]. De rechtbank is daarom op grond van artikel 1:6 van de Wvggz niet bevoegd en zal de zaak voor behandeling verwijzen naar de rechtbank Rotterdam. Het – geheel – passeren van deze onbevoegdheid acht de rechtbank, gelet op het door de advocaat namens de betrokkene ingenomen standpunt, niet mogelijk.
Gelet op de zeer zorgelijke situatie voor betrokkene en zijn omgeving en nu de uiterste beslisdatum op het verzoek voor de rechtbank 9 juni 2022 is, ziet de rechtbank zich genoodzaakt om wel te beslissen op het verzoek. De rechtbank zal de zorgmachtiging verlenen voor korte duur, te weten voor de duur van twee weken. Het verzoek zal voor het overige worden aangehouden zodat betrokkene de gelegenheid krijgt om alsnog te worden gehoord op het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging. Voor het overige verklaart de rechtbank zich onbevoegd en zal zij de zaak in de stand waarin deze zich bevindt verwijzen naar de rechtbank Rotterdam.
De rechtbank overweegt daartoe dat vooralsnog uit de stukken blijkt dat is voldaan aan de criteria en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De rechtbank zal de vormen van verplichte zorg zoals verzocht door de officier van justitie in de zorgmachtiging opnemen. Binnen de periode van twee weken kan de rechtbank Rotterdam betrokkene behoorlijk oproepen en voor het aflopen van de zorgmachtiging de zaak op zitting plannen.”
2.4
Vervolgens heeft de rechtbank Rotterdam het verzoek behandeld op 22 juni 2022. Betrokkene was niet ter zitting aanwezig, maar is met zijn instemming telefonisch door de rechtbank gehoord. Bij beschikking van 22 juni 2022 heeft de rechtbank Rotterdam ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend met een geldigheidsduur tot en met 22 juni 2023 en het meer of anders verzochte afgewezen.
3. Beoordeling van het middel in zaak 22/03342 (Den Haag)
3.1
Het middel in zaak 22/03342 komt op tegen de hiervoor in 2.3 genoemde beschikking van 9 juni 2022 van de rechtbank Den Haag.
3.2.1
Onderdeel 1.1 van het middel neemt tot uitgangspunt dat de rechtbank Den Haag terecht heeft geoordeeld dat zij op grond van art. 1:6 lid 1 Wvggz niet de relatieve bevoegdheid had om op het verzoek te beslissen nu betrokkene sinds 4 juni 2022 niet meer in het arrondissement Den Haag, maar in het arrondissement Rotterdam verbleef. Het onderdeel klaagt dat de rechtbank Den Haag, gelet op haar onbevoegdheid, geen zorgmachtiging had mogen verlenen, ook niet voor een korte duur op de grond dat de situatie voor betrokkene en zijn omgeving zeer zorgelijk is en de uiterste beslisdatum op het verzoek was aangebroken.
3.2.2
Art. 1:6 lid 1, eerste zin, Wvggz bepaalt dat in zaken betreffende deze wet, uitgezonderd hoofdstuk 5, paragraaf 6 en hoofdstuk 10, uitsluitend bevoegd is de rechter van de woonplaats van de betrokkene, of van de plaats waar hij hoofdzakelijk of daadwerkelijk verblijft. In de parlementaire geschiedenis is deze bepaling inhoudelijk niet toegelicht.In de Wet Bopz (oud) werd de relatieve bevoegdheid van de rechter geregeld door art. 7 van die wet. Volgens art. 7 lid 1 Wet Bopz (oud) was bevoegd de rechtbank van de woonplaats van de betrokkene of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van zijn werkelijk verblijf dan wel, indien het verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging wordt gedaan ten aanzien van een betrokkene die reeds vrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, de rechtbank van het arrondissement waarin het ziekenhuis gelegen is.Art. 7 lid 2 Wet Bopz (oud) bood de laatstgenoemde rechter de mogelijkheid om, indien de betrokkene na indiening van het verzoek wordt overgebracht naar een psychiatrisch ziekenhuis in een ander arrondissement, de behandeling van het verzoek te verwijzen naar de rechter van dat andere arrondissement. In de praktijk werd ook in andere gevallen wel verwezen naar, dan wel direct als bevoegde rechter aangemerkt de rechter van de werkelijke verblijfplaats van de betrokkene. Deze praktijk berustte kennelijk op overwegingen van doelmatigheid in verband met de aard van de procedure tot gedwongen opneming en verblijf en het daarmee gemoeide belang dat de rechter de betrokkene zo spoedig mogelijk hoort en beslist.1.Bij gebreke van een inhoudelijke toelichting op art. 1:6 Wvggz kan niet worden aangenomen dat de wetgever bij invoering van de Wvggz een einde heeft willen maken aan deze praktijk, die ook onder de Wvggz doelmatig is.
3.2.3
Gelet op het hiervoor in 3.2.2 overwogene moet art. 1:6 lid 1, eerste zin, Wvggz als volgt worden uitgelegd. Op grond van deze bepaling is de rechter van de woonplaats van de betrokkene of de rechter van de plaats waar hij hoofdzakelijk of daadwerkelijk verblijft, bevoegd in zaken betreffende de Wvggz (uitgezonderd hoofdstuk 5, paragraaf 6, en hoofdstuk 10). Daarbij is het tijdstip van indiening van het verzoek bepalend. In het geval dat de betrokkene na de indiening van het verzoekschrift zijn woonplaats of de plaats waar hij hoofdzakelijk of daadwerkelijk verblijft, heeft verplaatst naar een ander arrondissement, kan de rechter, zo nodig ambtshalve, de zaak in de stand waarin zij zich bevindt, verwijzen naar de rechter van dat arrondissement. Verwijzing moet op een zodanig tijdstip plaatsvinden dat de bij wet voor de beslissing van de rechter gestelde termijn kan worden gehaald.2.Overeenkomstig art. 270 lid 3 Rv is tegen de beslissing om de zaak naar een andere rechter te verwijzen geen hogere voorziening toegelaten.3.Opmerking verdient nog dat het voorgaande onverlet laat de mogelijkheid om de zaak op de voet van art. 40 lid 2 RO te laten behandelen en beslissen door een rechter van het arrondissement waar de betrokkene inmiddels verblijft.
3.2.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.3 is overwogen, was de rechtbank Rotterdam niet gehouden, maar wel bevoegd om de zaak te verwijzen naar de rechtbank Den Haag en was de rechtbank Den Haag bevoegd om op het verzoek te beslissen. Onderdeel 1.1 kan dus niet tot cassatie leiden.
3.3.1
Onderdeel 1.2 klaagt dat de rechtbank Den Haag is voorbij gegaan aan het uitdrukkelijk gevoerde verweer dat betrokkene niet deugdelijk is opgeroepen voor de mondelinge behandeling. Gelet op het recht om te worden gehoord had de rechtbank niet over een vrijheidsbenemende maatregel mogen beslissen, ook niet voor twee weken, zonder dat betrokkene daar voldoende van op de hoogte was gesteld door middel van een deugdelijke oproeping, aldus de klacht.
3.3.2
3.3.3
Uit de bestreden beschikking en de overige stukken van het geding valt niet op te maken dat betrokkene bekend was met de tijd en de plaats van de mondelinge behandeling. In aanmerking genomen dat de rechtbank niets heeft overwogen omtrent oproeping van betrokkene, moet het in cassatie ervoor worden gehouden dat betrokkene niet is opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 9 juni 2022. Betrokkene was bij de mondelinge behandeling niet aanwezig en zijn advocaat heeft verklaard dat betrokkene in staat en bereid is gehoord te worden alsook dat hij bij de zitting aanwezig wilde zijn. Bij deze stand van zaken kan de enkele door de rechtbank genoemde omstandigheid dat de situatie voor betrokkene en zijn omgeving zeer zorgelijk is en de uiterste beslisdatum 9 juni 2022 is, niet rechtvaardigen dat een zorgmachtiging wordt verleend zonder dat betrokkene is opgeroepen en gehoord.5.Dat geldt ook voor de overweging van de rechtbank dat het verzoek voor het overige zal worden aangehouden zodat betrokkene de gelegenheid krijgt om alsnog (door de rechtbank Rotterdam) te worden gehoord op het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging.De hierop gerichte klacht slaagt dus.
3.3.4
Onderdeel 1.3 slaagt voor zover het voortbouwt op onderdeel 1.2.
3.4
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beoordeling van het middel in zaak 22/03432 (Rotterdam)
4.1
Het middel in zaak 22/03432 komt op tegen de hiervoor in 2.4 genoemde beschikking van 22 juni 2022 van de rechtbank Rotterdam.
4.2.1
Onderdeel 1.1 van het middel klaagt dat als ervan moet worden uitgegaan dat de rechtbank Den Haag een zorgmachtiging heeft verleend voor een periode van twee weken (namelijk van 9 juni 2022 tot en met 23 juni 2022), de rechtbank Rotterdam in strijd met art. 6:5 onder b Wvggz een zorgmachtiging heeft verleend voor de duur van twaalf maanden na 22 juni 2022 (namelijk tot en met 22 juni 2023).
4.2.2
Ten tijde van de beschikking van de rechtbank Rotterdam (22 juni 2022) had de rechtbank Den Haag op het verzoek van 19 mei 2022 van de officier van justitie strekkende tot het verlenen van een aansluitende zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene voor de duur van twaalf maanden, reeds op 9 juni 2022 een (deel)beschikking gegeven waarin een zorgmachtiging is verleend voor twee weken (tot en met 23 juni 2022). De rechtbank Rotterdam diende daarvan uit te gaan.Vervolgens heeft de rechtbank Rotterdam bij beschikking van 22 juni 2022 op hetzelfde verzoek een zorgmachtiging verleend voor twaalf maanden (tot en met 22 juni 2023). Aldus zijn naar aanleiding van één verzoek zorgmachtigingen verleend met een totale duur van twaalf maanden en twee weken. Dat is in strijd met het in deze zaak toepasselijke art. 6:5 onder b Wvggz, dat bepaalt dat de maximale duur voor een aansluitende zorgmachtiging twaalf maanden is. Onderdeel 1.1 slaagt dus.
4.3
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4.4
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. De bestreden beschikking zal worden vernietigd maar uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat de machtiging geldt tot en met 22 juni 2023. De Hoge Raad zal de geldigheidsduur van de machtiging bekorten met twee weken.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
in de zaak met nummer 22/03342:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 9 juni 2022;
- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing;
in de zaak met nummer 22/03432:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 22 juni 2022 maar uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat de machtiging geldt tot en met 22 juni 2023;
- bepaalt dat de zorgmachtiging geldt tot en met 9 juni 2023.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 24 februari 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 24‑02‑2023
Vgl. onder de Wet Bopz (oud): Kamerstukken II 1990/91, 21239, nr. 6, p. 15-16.
Vgl. onder de Wet Bopz (oud): HR 16 augustus 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2123, rov. 3.2.
Vgl. onder de Wet Bopz (oud): HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1616, rov. 3.2.
Vgl. HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3335, rov. 3.5; HR 14 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:18, rov. 3.1.2.
Conclusie 06‑01‑2023
Inhoudsindicatie
Wvggz. Samenhang met ECLI:NL:PHR:2022:1085 over(relatieve) onbevoegdheid. Duur machtiging na B rb Den Haag over relatieve bevoegdheid en verwijzing naar rb Rotterdam na een zorgmachtiging te hebben gegeven voor twee weken. Kon een (aansluitende) zorgmachtiging voor een jaar worden verleend?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/03432
Zitting 6 januari 2023
CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[betrokkene]
tegen
de Officier van Justitie in het arrondissement Rotterdam
Partijen worden hierna verkort aangeduid als betrokkene respectievelijk de officier van justitie.
1. Inleiding en samenvatting
1.1
In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank Rotterdam een aansluitende zorgmachtiging verleend, nadat de rechtbank Den Haag vanwege haar relatieve onbevoegdheid de zaak naar deze rechtbank had verwezen en een zorgmachtiging voor twee weken had verleend. In cassatie wordt geklaagd over de geldigheidsduur van de verleende machtiging, de motivering van het oordeel dat sprake is van een psychische stoornis en de verwerping van het betoog dat de medische verklaring verouderd was.
2. Feiten en procesverloop
2.1
Bij beschikking van 13 december 2021 heeft de rechtbank Rotterdam ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden, tot en met 13 juni 2022.
2.2
Op 19 mei 2022 heeft de officier van justitie bij de rechtbank Rotterdam een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot verlening van een aansluitende zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene. Bij dit verzoekschrift is onder meer een medische verklaring overgelegd, op 3 mei 2022 opgemaakt door een niet bij de behandeling betrokken psychiater.
2.3
De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 31 mei 2022 de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank Den Haag verwezen.
2.4
Bij beschikking van 9 juni 2022 heeft de rechtbank Den Haag een zorgmachtiging verleend met een geldigheidsduur tot en met 23 juni 2022, de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden en naar de rechtbank Rotterdam verwezen.1.
2.5
De rechtbank Rotterdam heeft het verzoek behandeld op 22 juni 2022. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de (waarnemer van de) advocaat van betrokkene, de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige (de behandelaar), en de moeder van betrokkene. Betrokkene was niet ter zitting aanwezig, maar is met zijn instemming telefonisch door de rechtbank gehoord.
2.6
Bij op 22 juni 2022 mondeling gegeven beschikking heeft de rechtbank Rotterdam ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend met een geldigheidsduur tot en met 22 juni 2023 en het meer of anders verzochte afgewezen.
2.7
Namens betrokkene is tijdig2.cassatieberoep ingesteld van de beschikking van 22 juni 2022. De officier van justitie heeft geen verweer gevoerd.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het middel omvat twee onderdelen. Het eerste onderdeel betreft de geldigheidsduur van twaalf maanden waarvoor de rechtbank de zorgmachtiging heeft verleend. Het tweede onderdeel betreft het oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis en de verwerping van het verweer dat de medische verklaring verouderd is.
3.2
Het eerste onderdeel bevat twee klachten die betrekking hebben op de gevolgen van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 9 juni 2022 voor de geldigheidsduur van de zorgmachtiging die bij de bestreden beschikking door de rechtbank Rotterdam is verleend. De rechtbank Den Haag heeft op 9 juni 2022 een deelbeschikking gegeven waarin zij reeds gedeeltelijk op het verzoek van de officier van justitie heeft beslist door een zorgmachtiging tot en met 23 juni 2022 te verlenen, zij zich op grond van art. 1:6 lid 1 Wvggz relatief onbevoegd heeft verklaard, en de behandeling van het verzoek voor het overige naar de rechtbank Rotterdam heeft verwezen (zie ook hiervoor onder 2.4).
3.3
De eerste klacht, onder 1.1, houdt in dat als ervan moet worden uitgegaan dat de rechtbank Den Haag een zorgmachtiging met een geldigheidsduur van twee weken heeft verleend, de rechtbank Rotterdam in strijd met art. 6:5 onder b Wvggz een zorgmachtiging voor de duur van één jaar na 22 juni 2022 heeft verleend.
3.4
De tweede klacht, onder 1.2, betoogt dat als moet worden uitgegaan van de onbevoegdheid van de rechtbank Den Haag, deze rechtbank ook niet een zorgmachtiging voor twee weken heeft kunnen verlenen, en dat daarom de rechtbank Rotterdam na de verwijzing op het volledige verzoek moet beslissen. Op de datum dat de rechtbank Rotterdam de bestreden beschikking heeft gegeven, 22 juni 2022, was de wettelijke termijn om op het verzoek te beslissen per 10 juni 2022 verstreken en was de geldigheidsduur van de vorige zorgmachtiging per 14 juni 2022 verstreken. Dat betekent volgens de klacht dat de rechtbank Rotterdam niet een aansluitende zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden heeft kunnen verlenen. Ter zitting heeft de advocaat ook aangevoerd dat wettelijk gezien slechts een zorgmachtiging voor een half jaar zou kunnen worden verleend maar de rechtbank heeft niet op dit verweer gereageerd, aldus de klacht.
3.5
Op grond van art. 6:5 Wvggz aanhef en onder a en b Wvggz verleent de rechter een zorgmachtiging voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren, maar maximaal voor twaalf maanden indien het een zorgmachtiging betreft die aansluit op een zorgmachtiging als bedoeld in onderdeel a van deze bepaling (te weten: een zorgmachtiging, verleend voor de duur van maximaal zes maanden).
3.6
Art. 6:6 lid 2 Wvggz bepaalt dat indien uiterlijk vier weken voor het verstrijken van de geldigheidsduur van een zorgmachtiging een verzoek om een aansluitende zorgmachtiging is ingediend, de eerdere machtiging vervalt als de rechter op het verzoek heeft beslist of door het verstrijken van de beslistermijn van art. 6:2 lid 1 onder e Wvggz (drie weken). Is deze vier weken-termijn niet in acht genomen dan vervalt de zorgmachtiging wanneer de geldigheidsduur daarvan is verstreken (art. 6:6 lid 1 onder a Wvggz). Wanneer de rechtbank op het verzoek beslist nadat de eerdere zorgmachtiging is vervallen dan kan bij toewijzing niet meer sprake zijn van een ‘aansluitende zorgmachtiging’ als bedoeld in art. 6:5 aanhef en onder b Wvggz. In zo’n geval kan de rechtbank nog wel een ‘gewone’, niet op de vorige zorgmachtiging aansluitende nieuwe zorgmachtiging verlenen voor de duur van zes maanden.3.
3.7
Onder de Wet Bopz is in een beschikking van de Hoge Raad uit 2001 de vraag aan de orde gekomen of de rechter in een ‘deelbeschikking’4.een machtiging kan verlenen voor een deel van de verzochte geldigheidsduur onder aanhouding van iedere verdere beslissing wat betreft het restant van deze geldigheidsduur. De beslissing over de resterende geldigheidsduur zal dan doorgaans buiten de wettelijke beslistermijn vallen. De Hoge Raad overwoog dat de rechter in beginsel binnen de in art. 17 lid 2 Wet Bopz gestelde termijn dient te beslissen op de vordering zoals die door de officier van justitie is ingesteld, doch dat hij op grond van bijzondere omstandigheden de beslissing met betrekking tot de totale duur van de periode van voortgezet verblijf voor een korte termijn kan aanhouden, omdat geen wettelijke bepaling zich daartegen verzet.5.In de feitenrechtspraak en literatuur is hieruit opgemaakt dat de beslissing op één verzoek kan worden gesplitst in twee of meer (deel)beschikkingen ten aanzien van verschillende perioden.6.De vraag of een deelbeschikking ook onder de Wvggz toelaatbaar is - en dan met name in het licht van de regeling van de beslistermijn in art. 6:2 Wvggz - is door de Hoge Raad nog niet beantwoord.7.Deze vraag wordt volgens mij als zodanig echter niet door het middel aan de orde gesteld en kan daarom hier verder onbesproken blijven.
3.8
De eerste klacht slaagt naar mijn mening. Op het verzoek van de officier van justitie van 19 mei 2022 heeft de rechtbank Rotterdam bij de bestreden beschikking een zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden, tot 22 juni 2023, verleend nadat de rechtbank Den Haag bij beschikking van 9 juni 2022 reeds gedeeltelijk op hetzelfde verzoek had beslist door een zorgmachtiging voor de duur van twee weken, tot 22 juni 2022, te verlenen. Indien naar aanleiding van één verzoek bij (deel)beschikkingen meerdere zorgmachtigingen voor opeenvolgende tijdvakken worden verleend, dan mag m.i. de totale duur van deze machtigingen niet het wettelijk maximum van twaalf maanden overschrijden.8.De bestreden beschikking is daarom in strijd met art. 6:5 Wvggz.
3.9
De Hoge Raad zou de zaak zelf kunnen afdoen door, na vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de geldigheidsduur van de verleende zorgmachtiging met twee weken te bekorten.
3.10
De tweede klacht slaagt niet. Op 22 juni 2022 was de situatie aldus dat op grond van de door de rechtbank Den Haag gegeven beschikking van 9 juni 2022 een aansluitende zorgmachtiging is verleend voordat de vorige zorgmachtiging was vervallen. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank Rotterdam van die situatie uit kunnen gaan. Wie een beschikking van de burgerlijke rechter wil bestrijden, dient het rechtsmiddel aan te wenden dat volgens de wet tegen die beschikking open staat. Het is niet mogelijk, althans zinloos, bezwaren in te brengen tegen de voorafgaande rechterlijke machtiging. In de woorden van Dijkers: “De rechter die tot taak heeft te beslissen of hij tot (continuering van) een dwangopneming of tot ambulante drang machtigt zal moeten beslissen of - op het tijdstip van zijn beslissing - nog steeds aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan (…). Die beoordeling vindt in beginsel plaats onafhankelijk van de formele en materiële aspecten van de voorafgaande beschikking(en).”9.
Een beschikking tot verlening van een aansluitende zorgmachtiging voor een deelperiode heeft dus zelfstandige betekenis en verliest haar rechtskracht niet in geval van vernietiging van de voorafgaande beschikking.10.
3.11
Het tweede onderdeel is gericht tegen rov. 2.2 van de bestreden beschikking. Na te hebben vastgesteld dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten een psychotische stoornis, gerelateerd met middelengebruik, heeft de rechtbank in rov. 2.2 overwogen:
“2.2. Anders dan de advocaat tijdens de mondelinge behandeling bepleit acht de rechtbank voldoende gebleken dat het gedrag van betrokkene als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstige psychische schade, ernstige verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang en bedreiging van de veiligheid van betrokkene al dan niet doordat hij onder invloed van een ander raakt.
Betrokkene heeft een persisterende middelenverslaving, waardoor hij uiteenlopende psychische klachten heeft. Bij betrokkene is er tijdens een psychose sprake van paranoïde en psychotische belevingen die mogelijk door het drugsgebruik worden versterkt. Betrokkene is intussen uit zijn huis gezet, omdat hij drugsdealers in zijn woning toeliet. Hij verwaarloosde en vervuilde zijn woning. Ook liet betrokkene in ruil voor drugs mensen in zijn woning slapen. Volgens de moeder van betrokkene is betrokkene fysiek mishandeld door één van deze mensen. Betrokkene is vermagerd en zorgt slecht voor zichzelf. Hij slaapt momenteel in een park in [plaats].
De behandelaar verklaart tijdens de mondelinge behandeling dat er veel zorgen om betrokkene zijn. Betrokkene is ambivalent in zijn beslissingen. Hij heeft al enige tijd geen antipsychoticatabletten ingenomen. Hierdoor is er een groot risico op een psychose. Ook werkt de orale medicatie tot op heden niet naar wens, waardoor de behandelaar betrokkene opnieuw op een depot wil instellen. Betrokkene wil niet in een vrijwillig kader hieraan meewerken. De behandelaar acht het noodzakelijk dat betrokkene zo snel mogelijk voor een klinische behandeling wordt opgenomen, omdat betrokkene elk moment een terugval kan krijgen
De moeder verklaart tijdens de mondelinge behandeling dat betrokkene beter af is met een depot. De moeder heeft in het verleden aanzienlijk verbetering in het psychotisch toestandsbeeld van betrokkene gezien. Betrokkene is sinds het depotmedicatie niet meer psychotisch geweest. Volgens de moeder zal betrokkene zijn tabletten niet consequent innemen.
De advocaat stelt tijdens de mondelinge behandeling dat de rechtbank onbevoegd is om een beslissing op het verzoek te nemen. Ook is er volgens de advocaat sprake van een verouderde medische verklaring.
De rechtbank is van oordeel dat zij bevoegd is om een beslissing op het verzoek van de officier te nemen, omdat betrokkene dak- en thuisloos is en niet mag worden benadeeld Verder is de rechtbank van oordeel dat volgens de Hoge Raad een medische verklaring als verouderd wordt gezien als deze meer dan 8 weken oud is. Dit is in de situatie van betrokkene niet het geval en er geen aanleiding is een kortere periode in dit geval aan te houden.”
3.12
Ik lees in het onderdeel drie klachten.
3.13
Volgens de eerste klacht (onder I en 2.1) heeft de rechtbank onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd dat sprake is van een psychische stoornis. Daartoe wordt erop gewezen dat de advocaat ter zitting heeft aangevoerd dat betrokkene niet psychotisch is en dat de behandelaar heeft gezegd dat betrokkene al enige tijd geen antipsychoticamedicatie heeft ingenomen. Het risico op een psychose is volgens de klacht geen grond om aan te nemen dat sprake is van een psychotische stoornis.
3.14
Deze klacht faalt. In de medische verklaring onder 6.b. heeft de rapporterend psychiater vermeld: “Er is terugkerend sprake van paranoïde en psychotische belevingen welk op zijn minst door het drugsgebruik versterkt worden”. Dat betrokkene ten tijde van de mondelinge behandeling niet psychotisch zou zijn hoewel hij al enige tijd geen antipsychotica had ingenomen, doet in het licht van deze passage niet af aan de begrijpelijkheid van het oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis die leidt tot ernstig nadeel. Overigens blijkt uit de bestreden beschikking noch het procesdossier dat tijdens de mondelinge behandeling namens betrokkene een beroep op deze omstandigheid is gedaan.
3.15
Volgens de tweede klacht (onder 2.2) overweegt de rechtbank dat betrokkene een persisterende middelenverslaving heeft waardoor hij uiteenlopende klachten heeft, maar verzuimt zij daarbij de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot verslavingsproblematiek te betrekken.
3.16
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat verslaving aan middelen als alcohol en drugs op zichzelf niet tot toepassing van de Wvggz kan leiden. Er moet om tot toepassing van de Wvggz te komen sprake zijn van een psychische stoornis van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat de betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst. Deze psychische stoornis kan voortvloeien uit of samenhangen met de verslaving aan middelen. Het kan ook gaan om een van de verslaving losstaande psychische stoornis van andere aard (‘comorbiditeit’).11.
3.17
Naar mijn mening heeft de rechtbank deze rechtspraak niet miskend. Aan het oordeel dat sprake is van een psychische stoornis heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat betrokkene lijdt aan een psychotische stoornis, gerelateerd met middelengebruik. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat betrokkene een persisterende middelenverslaving heeft, waardoor hij uiteenlopende psychische klachten heeft, en dat bij betrokkene tijdens een psychose sprake is van paranoïde en psychotische belevingen die mogelijk door het drugsgebruik worden versterkt. In dit een en ander ligt m.i. besloten dat de psychische stoornis van betrokkene voortvloeit of samenhangt met zijn middelenverslaving en de gevaarvolle daden van betrokkene overwegend beheerst. De tweede klacht faalt daarom.
3.18
Volgens de derde klacht (onder 2.1 en 2.3) heeft de rechtbank haar beslissing gebaseerd op een verouderde medische verklaring. Betoogd wordt dat de medische verklaring dateert van 3 mei 2022 en op 22 juni 2022 vijftig dagen oud was. Betrokkene gebruikt kennelijk geen antipsychotische medicatie en is niet psychotisch. “Het kan zo zijn dat medische informatie soms niet als verouderd kan worden beschouwd als deze minder dan acht weken oud is, maar in dit geval is de situatie van betrokkene op 22 juni 2022 een heel andere dan in de stukken staat en dan kan niet volstaan worden met de gegevens die voorhanden waren en zelfs niet hebben geleid tot een gedwongen opname die onder de vorige zorgmachtiging gewoon mogelijk was”, aldus nog steeds de klacht.
3.19
Uit art. 5:8 lid 1 Wvggz in verbinding met art. 5:17 lid 3 Wvggz en art. 6:4 Wvggz volgt dat een rechter slechts een zorgmachtiging mag verlenen indien uit een medische verklaring van een psychiater over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene blijkt dat uit diens gedrag als gevolg van zijn psychische stoornis ernstig nadeel voortvloeit. De rechter dient uit te gaan van de toestand ten tijde van zijn beslissing (toetsing ‘ex nunc’).12.Volgens het EHRM moet de medische beoordeling zijn gebaseerd op “the actual state of mental health of the person concerned and not solely on past events. A medical opinion cannot be seen as sufficient to justify deprivation of liberty if a significant period of time has elapsed.”13.
3.20
De ‘houdbaarheid’ van een medische verklaring is niet alleen afhankelijk van het enkele tijdsverloop sinds het onderzoek waarop de verklaring is gebaseerd, maar ook van andere omstandigheden zoals de consistentie van het ziektebeeld en de aard van de ziekte.14.Als er twijfel rijst over de actuele waarde van de resultaten van een medische onderzoek en daarbij een beroep wordt gedaan op nieuwe feiten of omstandigheden, zal de rechter nadere informatie moeten opvragen. Dezelfde werkwijze kan worden gevolgd wanneer weliswaar geen beroep op nieuwe feiten is gedaan, maar inmiddels zoveel tijd is verstreken sinds het afgeven van de medische verklaring dat de rechter betwijfelt of de medische verklaring nog steeds bruikbaar is als bewijs van de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene.
3.21
In dit geval zijn zeven weken verstreken tussen het opmaken van de medische verklaring op 3 mei 2022 en de beslissing van de rechtbank op 22 juni 2022. Dat dit tijdsverloop op zichzelf voor de rechtbank geen reden is geweest om de actualiteit van de verklaring in twijfel te trekken, is volgens mij niet onbegrijpelijk. Uit de bestreden beschikking en de overige processtukken blijkt niet dat het namens betrokkene gevoerde verweer dat de verklaring is verouderd met concrete feiten en omstandigheden is onderbouwd. Dat ter zitting door de advocaat is opgemerkt dat betrokkene niet psychotisch is terwijl de behandelaar heeft gezegd dat betrokkene al enige tijd geen antipsychoticatabletten heeft ingenomen, dwong de rechtbank ook niet om nader te motiveren waarom zij niet twijfelt over de actuele waarde van de medische verklaring. Hierop stuit de derde klacht naar mijn mening af.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 22 juni 2022 en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad op de wijze als vermeld onder 3.9.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 06‑01‑2023
Van deze beschikking is eveneens namens betrokkene cassatieberoep ingesteld. In deze cassatieprocedure, met zaaknummer 22/03342, heeft A-G Wesseling-van Gent op 21 november 2022 een conclusie genomen die strekt tot vernietiging van de beschikking van 9 juni 2022 (ECLI:PHR:2022:1085). Ten tijde van het nemen van de conclusie in de onderhavige zaak heeft de Hoge Raad nog niet beslist.
De procesinleiding is op 15 september 2022 ingediend in het portaal van de Hoge Raad.
Vgl. de conclusie van Plv. P-G Langemeijer (onder 3.5-3.7) voor HR 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:818, NJ 2021/234 m.nt. J. Legemaate; de redactionele noot bij deze beschikking in JGz 2021/60; W.J.A.M. Dijkers, SDU Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:6 Wvggz, aant 1.3.
Onder een deelbeschikking wordt verstaan een beschikking waarin door een uitdrukkelijk dictum een einde wordt gemaakt aan een deel van het verzochte en de zaak voor het overige wordt aangehouden (deels eindbeschikking en deels tussenbeschikking); zie Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/113.
HR 22 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2240, NJ 2001/437, BJ 2001/37 m.nt. W.J.A.M. Dijkers, rov. 3.4.
Zie W.J.A.M. Dijkers, SDU Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:4 Wvggz, aant. C.7.6; dezelfde, SDU Commentaar Gezondheidsrecht, commentaar art. 2 t/m 35 Wet Bopz, aant. C.10.
Vgl. W.J.A.M. Dijkers, SDU Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:4 Wvggz, aant. C.7.6; de conclusie van plv. P-G Langemeijer (onder 2.7) voor HR 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1048, RvdW 2021/735, JGz 2021/76 m.nt. F. Westenberg (art. 81 lid 1 RO); Westenberg in zijn noot bij JGz 2021/76.
Vgl. de conclusie van plv. P-G Langemeijer (onder 2.14) voor HR 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1048, RvdW 2021/735; W.J.A.M. Dijkers, SDU Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:4 Wvggz, aant. C.7.6.
W.J.A.M. Dijkers, SDU Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:4 Wvggz, aant. C.2.4. Vgl. de conclusie van plv. P-G Langemeijer (onder 2.3) voor HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1114, NJ 2018/320, JGz 2018/36 m.nt. red. en de conclusie (onder 2.5) voor HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1612, RvdW 2019/1080.
Vgl. Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/420 (slot) onder verwijzing naar HR 22 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1112, NJ 1994/66, betreffende de verlenging van de uithuisplaatsing van een onder toezicht gestelde minderjarige; de conclusie van A-G Langemeijer (onder 2.18) voor HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2017, NJ 2007/261; HR 13 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:33, NJ 2017/49, rov. 3.5.3; HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1314, NJ 2020/311, rov. 3.2.
HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:559, NJ 2022/161, JGz 2022/21; HR 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1433, RvdW 2022/975.
Vgl. HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1017, NJ 2020/348 m.nt. J. Legemaate, rov. 3.3.2.
EHRM 5 oktober 2000, ECLI:NL:XX:2000:AS7846 (Varbanov t. Bulgarije), BJ 2001/36 m.nt. W. Dijkers, punt 47.
Zie de conclusie van plv. P-G Langemeijer (onder 2.2) voor HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3251, NJ 2018/47; de conclusie (onder 2.6) voor HR 13 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA747; W.J.A.M. Dijkers, SDU Commentaar Gezondheidsrecht, 2016, art. 5 Wet Bopz, aant. 1.2.2. Volgens J.F. Biesma, SDU Commentaar Gedwongen zorg, art. 5:8 Wvggz, wordt in jurisprudentie een medische verklaring die op het moment van beoordeling meer dan zes weken oud is, niet meer als actueel beschouwd, maar hij vermeldt niet op welke jurisprudentie dit is gebaseerd. Zie ook mijn conclusie voor HR 16 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1216 onder 2.11- 2.16 waar geklaagd werd over de actualiteit van een medische verklaring die meer dan drie maanden oud was (afgedaan met art. 81 lid 1 RO).
Conclusie 21‑11‑2022
Inhoudsindicatie
Wvggz. Procesrecht. Heeft rechtbank zorgmachtiging voor twee weken kunnen verlenen hoewel betrokkene niet is opgeroepen voor verhoor en rechtbank in dezelfde beschikking zich relatief onbevoegd heeft verklaard ex art. 1:6 lid 1 Wvggz met verwijzing verzoek voor het overige naar wel bevoegde rechtbank?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/03342
Zitting 21 november 2022
CONCLUSIE
E.M. Wesseling-van Gent
In de zaak
[betrokkene]
tegen
de Officier van Justitie in het Arrondissementsparket Rotterdam
Partijen worden hierna verkort aangeduid als betrokkene respectievelijk de officier van justitie.
1. Inleiding en samenvatting
1.1
In deze Wvggz-zaak wordt geklaagd dat de rechtbank Den Haag in een deelbeschikking een zorgmachtiging heeft verleend voor de duur van twee weken, hoewel de rechtbank in dezelfde beschikking vanwege haar relatieve onbevoegdheid de zaak naar de rechtbank Rotterdam heeft verwezen en betrokkene niet is opgeroepen om te worden gehoord.
2.Feiten1. en procesverloop2.
2.1
Bij beschikking van 13 december 2021 heeft de rechtbank Rotterdam ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden, tot en met 13 juni 2022.
2.2
Op 19 mei 20223.heeft de officier van justitie bij de rechtbank Rotterdam een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot het verlenen van een aansluitende zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene.
2.3
De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 31 mei 2022 de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank Den Haag verwezen op grond van de volgende overwegingen:
“2.1. Betrokkene verbleef ten tijde van het indienen van het verzoekschrift thuis te [plaats] . Op 30 mei 2022 heeft de rechtbank het bericht ontvangen dat betrokkene op 30 mei 2022 is opgenomen bij [verblijfplaats] .
2.2. Op grond van het bepaalde in artikel 1:6 lid 1 Wvggz is uitsluitend bevoegd de rechter van de woonplaats van de betrokkene, of de plaats waar hij hoofdzakelijk of daadwerkelijk verblijft. Betrokkene verblijft inmiddels daadwerkelijk in de genoemde accommodatie in Delft. De rechtbank zal het verzoek daarom op grond van artikel 270 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor behandeling verwijzen naar de rechtbank Den Haag.”
2.4
De rechtbank Den Haag heeft het verzoek op 9 juni 2022 mondeling behandeld in het gebouw van de rechtbank. Daarbij zijn gehoord: de advocaat van betrokkene, de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige en de maatschappelijk werker. Betrokkene is niet ter zitting verschenen. De sociaal-psychiatrisch verpleegkundige heeft verklaard dat betrokkene op 4 juni 2022 met ontslag is gegaan uit [verblijfplaats] , dat hij momenteel dakloos is omdat hij uit huis is gezet, en dat hij sinds het ontslag in een park in [plaats] bivakkeert.De advocaat van betrokkene heeft, voor zover thans van belang, primair aangevoerd dat niet de rechtbank Den Haag maar de rechtbank Rotterdam bevoegd is om het verzoekschrift te behandelen en subsidiair dat betrokkene niet behoorlijk voor deze zitting is opgeroepen.4.
2.5
Bij beschikking van 9 juni 2022 heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend met een geldigheidsduur tot en met 23 juni 2022 en de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden zodat betrokkene de gelegenheid krijgt om alsnog te worden gehoord op het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging. Daarnaast heeft de rechtbank zich voor het overige onbevoegd verklaard en de behandeling van het verzoek naar de rechtbank Rotterdam verwezen.
2.6
Namens betrokkene is tijdig5.cassatieberoep ingesteld van deze beschikking.De officier van justitie heeft geen verweer gevoerd.6.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het middel, dat drie klachten (subonderdelen) bevat, is gericht tegen de beslissing van de rechtbank om ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging voor twee weken te verlenen. De rechtbank heeft daartoe het volgende geoordeeld7.:
“Na indiening van het verzoek en verwijzing door de rechtbank Rotterdam naar de rechtbank Den Haag is de rechtbank gebleken dat betrokkene niet meer in arrondissement Den Haag verblijft, maar in arrondissement Rotterdam. Betrokkene is met ingang van 4 juni 2022 met ontslag gegaan vanuit [verblijfplaats] en verblijft vermoedelijk in [plaats] . De rechtbank is daarom op grond van artikel 1:6 van de Wvggz niet bevoegd en zal de zaak voor behandeling verwijzen naar de rechtbank Rotterdam. Het - geheel - passeren van deze onbevoegdheid acht de rechtbank, gelet op het door de advocaat namens de betrokkene ingenomen standpunt, niet mogelijk.
Gelet op de zeer zorgelijk situatie voor betrokkene en zijn omgeving en nu de uiterste beslisdatum op het verzoek voor de rechtbank 9 juni 2022 is, ziet de rechtbank zich genoodzaakt om wel te beslissen op het verzoek. De rechtbank zal de zorgmachtiging verlenen voor korte duur, te weten voor de duur van twee weken. Het verzoek zal voor het overige worden aangehouden zodat betrokkene de gelegenheid krijgt om alsnog te worden gehoord op het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging. Voor het overige verklaart de rechtbank zich onbevoegd en zal zij de zaak in de stand waarin deze zich bevindt verwijzen naar de rechtbank Rotterdam.
De rechtbank overweegt daartoe dat vooralsnog uit de stukken blijkt dat is voldaan aan de criteria en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De rechtbank zal de vormen van verplichte zorg zoals verzocht door de officier van justitie in de zorgmachtiging opnemen. Binnen de periode van twee weken kan de rechtbank Rotterdam betrokkene behoorlijk oproepen en voor het aflopen van de zorgmachtiging de zaak op zitting plannen.”
3.2
Het middel klaagt in subonderdeel 1 (onder I en 1.1) dat het – terechte – oordeel van de rechtbank dat zij op grond van art. 1:6 lid 1 Wvggz niet de relatieve bevoegdheid had om op het verzoek te beslissen, meebrengt dat zij ook niet de bevoegdheid had om een zorgmachtiging voor twee weken te verlenen. Volgens de klacht is de bevoegdheid die de rechtbank zich toekent om een tijdelijke machtiging af te geven dan ook in strijd met de wet dan wel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. De overwegingen van de rechtbank dat zij zich genoodzaakt voelde om de zorgmachtiging voor korte duur te verlenen omdat sprake is van een zeer zorgelijke situatie voor betrokkene en zijn omgeving en dat 9 juni 2022 de uiterste datum was om op het verzoek te beslissen, maken dit volgens de klacht niet anders. Daarbij wordt aangevoerd – verkort weergegeven – dat het verzoek op 31 mei 2022 door de rechtbank Rotterdam naar de rechtbank Den Haag werd verwezen en dat betrokkene toen in Delft bij de [verblijfplaats] verbleef. Als de rechtbank voor 4 juni 2022 had beslist, dan was zij bevoegd geweest, aldus het subonderdeel.
3.3
Subonderdeel 2 (middel onder 1.2) is gericht tegen het door de rechtbank voorbijgaan aan het uitdrukkelijk gevoerde verweer dat betrokkene niet deugdelijk is opgeroepen voor de mondelinge behandeling. Volgens het subonderdeel kan niet over een vrijheidsberoving worden beslist, ook niet als dat twee weken betreft, zonder dat de betrokkene daar voldoende van op de hoogte is gesteld via een oproeping die aan de wettelijke eisen voldoet, “gelet op het heel klemmende hoorrecht sedert de beslissing van het EHRM in de zaak Winterwerp.” In de beschikking heeft de rechtbank geen overweging gewijd aan de oproeping. Ook daarom komt de beschikking, aldus het subonderdeel, voor vernietiging in aanmerking.
3.4
Het middel richt zich in subonderdeel 3 (middel onder 1.3) tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een zeer zorgelijke situatie voor betrokkene en zijn omgeving. Betoogd wordt dat [verblijfplaats] het kennelijk niet nodig heeft gevonden om betrokkene gedwongen op te nemen aangezien hij op 4 juni 2022 met ontslag heeft kunnen gaan. Evenals in subonderdeel 1 wordt ook in subonderdeel 3 aangevoerd dat de rechtbank direct na de eerste verwijzingsbeschikking een zitting had kunnen bepalen zodat betrokkene nog bij [verblijfplaats] gehoord had kunnen worden, in plaats van te wachten tot de laatste dag van de beslistermijn.
3.5
Ik zal eerst de subonderdelen 2 en 3 behandelen. Daarbij neem ik het volgende tot uitgangspunt.
3.6
Art. 6:1 lid 1 Wvggz bepaalt dat de rechter de betrokkene hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet in staat is of niet bereid is zich te doen horen. In de parlementaire toelichting op deze bepaling is benadrukt dat de rechter betrokkene moet horen tenzij deze dat niet wil of daartoe niet in staat is en dat de rechter zelf moet vaststellen dat betrokkene niet kan of wil gehoord worden.8.
3.7
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad gaat het hier om meer dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt. Ook dient immers zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat aan iemand niet zijn vrijheid kan worden ontnomen zonder dat hij, zo hij dit wenst, zelf door de rechter wordt gehoord. Het is tegen deze achtergrond dat de onderzoeksplicht van de rechter naar de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen en de motivering van zijn vaststelling dat die bereidheid niet aanwezig was, moeten worden beoordeeld.9.
3.8
De Hoge Raad heeft verder geoordeeld dat de rechter die van oordeel is dat de bereidheid om te worden gehoord ontbrak, dit in zijn beschikking dient vast te stellen en de gronden waarop dat oordeel berust, moet vermelden.10.
3.9
De locatie van de hoorzitting is ingevolge de leden 2 en 3 van art. 6:1 Wvggz het woon- of verblijfadres van de betrokkene indien hij in Nederland verblijft en redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd dat hij in het gerechtsgebouw wordt gehoord, dan wel als de betrokkene in een accommodatie verblijft, aldaar.
3.10
Teneinde te worden gehoord, moet betrokkene voor de hoorzitting worden opgeroepen.De Wvggz bevat zelf geen voorschriften voor een dergelijke oproeping, zodat op de voet van art. 6:1 lid 10 Wvggz de algemene bepalingen van de verzoekschriftprocedure van toepassing zijn.11.Volgens de Hoge Raad dient de betrokkene behoorlijk voor het verhoor te worden opgeroepen overeenkomstig de voorschriften van de art. 272-276 en 279 Rv.12.Art. 272 Rv bepaalt dat de oproeping van een persoon van wie de woon- of verblijfplaats onbekend is, door plaatsing van de oproeping in de Staatscourant geschiedt en dat de rechter tevens een andere wijze van oproeping kan bepalen. Is de woon- of verblijfplaats bekend, dan geschiedt de oproeping door de griffier bij aangetekende brief, tenzij de rechter anders bepaalt. Als de betrokkene moeilijk per post te bereiken is, kan er voor de rechter reden zijn om van deze bevoegdheid gebruik te maken en (ook) een andere wijze van uitreiking te bepalen.13.Ook kan de rechter een oproeping op een kortere termijn dan een week voorschrijven (art. 276 lid 1 Rv).14.
3.11
Voor het oordeel dat behoorlijk is opgeroepen, behoeft de rechter niet te onderzoeken of de oproeping de betrokkene daadwerkelijk heeft bereikt, maar of de oproeping heeft plaatsgevonden overeenkomstig de wettelijke eisen.15.
3.12
Dat een betrokkene geen bekende verblijfplaats heeft, moeilijk te achterhalen is, dat het aan hemzelf is te wijten dat hij niet kon worden bereikt en dat hem rechtsmiddelen ten dienste staan om tegen de verleende machtiging op te komen, zijn omstandigheden die in twee beschikkingen van de Hoge Raad uit 2010 en 2019 onder de Wet Bopz niet zijn geaccepteerd als reden om een oproeping achterwege te laten.16.
3.13
In de rechtspraak van de Hoge Raad is één keer een uitzondering aangenomen op het vereiste dat betrokkene wordt opgeroepen, namelijk in de beschikking van 20 november 2015.17.In de zaak die tot die beschikking leidde, was de verblijfplaats van de betrokkene onbekend, nadat hij was weggelopen uit het ziekenhuis waarin hij op grond van een inbewaringstelling was opgenomen. De rechtbank had een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verleend zonder dat betrokkene was opgeroepen en gehoord. Wel was de duur van de machtiging beperkt tot twee weken. De Hoge Raad heeft de cassatieklacht dat betrokkene niet is opgeroepen om te worden gehoord als volgt verworpen:
“3.5 Bij de beoordeling van het middel is uitgangspunt dat betrokkene voor het verhoor behoorlijk dient te zijn opgeroepen door de griffier overeenkomstig het bepaalde in art. 261 in verbinding met de art. 272 e.v. Rv (…). Ook dient echter in aanmerking te worden genomen dat de stoornis van betrokkene, naar de rechtbank heeft vastgesteld, meebracht dat hij een acuut en zeer ernstig gevaar opleverde. De rechtbank heeft immers overwogen dat sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar dat betrokkene ‘een ander van het leven zal beroven of hem ernstig letsel zal toebrengen’. Daarbij verdient opmerking dat betrokkene kort tevoren op grond van een inbewaringstelling in een psychiatrisch ziekenhuis was geplaatst en zich aan die plaatsing had onttrokken, terwijl de lopende inbewaringstelling zou eindigen door de afloop van de termijn voor het geven van de onderhavige beschikking (…). Bovendien gold in dit geval een zeer korte beslistermijn van drie dagen (…) en was de verblijfplaats van betrokkene onbekend, waarbij hij zich mogelijk, maar niet zeker, in het buitenland bevond. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft de rechtbank onder deze omstandigheden geen reële mogelijkheid gezien om betrokkene voorafgaand aan de behandeling van het verzoek een oproeping te doen toekomen en heeft zij de voorrang gegeven aan beteugeling van het gevaar. Dit getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.
Opmerking verdient dat in een geval als hier aan de orde betrokkene alsnog moet worden gehoord onmiddellijk na hervatting van de vrijheidsbeneming.”
3.14
Annotator Legemaate neemt aan dat de bescherming tegen een acuut en zeer ernstig gevaar en de korte beslistermijn van art. 29 Wet Bopz doorslaggevend zijn geweest voor het oordeel van de Hoge Raad dat de rechtbank heeft kunnen beslissen zonder oproeping en horen van betrokkene. Ook Langemeijer acht deze twee omstandigheden doorslaggevend, in samenhang met het gegeven dat de verblijfplaats van betrokkene onbekend was. Dijkers en Reijntjes-Wendenburg spreken in dit verband over “klemmende omstandigheden”.18.Volgens Dijkers behoeft deze uitzondering een stevige motivering; de enkele vermelding van ‘de ernst van de toestand’ van betrokkene is onvoldoende.19.Het lijkt mij dat deze rechtspraak zijn betekenis voor de toepassing van art. 6:1 Wvggz heeft behouden.20.
3.15
Uit de stukken blijkt niet dat betrokkene (behoorlijk) is opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 9 juni 2022. De rechtbank heeft daaromtrent ook niets overwogen. In cassatie moet er daarom van worden uitgegaan dat deze oproeping niet heeft plaatsgevonden.21.De beslissing van de rechtbank geeft op grond van het voorgaande dan ook hetzij blijk van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij is deze beslissing onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Voor zover de rechtbank met haar beslissing aansluiting heeft gezocht bij HR 20 november 2015 heeft zij onvoldoende gemotiveerd dat in dit geval sprake was van (klemmende) omstandigheden als in bedoelde beschikking genoemd (zie hierboven onder 3.13 en 3.14). De enkele overweging dat de rechtbank zich genoodzaakt ziet om op het verzoek te beslissen “gelet op de zeer zorgelijke situatie voor betrokkene en zijn omgeving en (…) de uiterste beslisdatum [van] 9 juni 2022”, is m.i. daartoe ontoereikend.
3.16
De bestreden beschikking dient reeds op grond van het voorgaande te worden vernietigd.
3.17
Gelet op de samenhang van deze zaak met het cassatieberoep van betrokkene van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 22 juni 2022 (de beslissing op het verzoek na de verwijzing door de rechtbank Den Haag)22.ga ik tevens kort in op subonderdeel 1.
Relatieve bevoegdheid
3.18
Het huidige art. 1:6 lid 1 Wvggz voorziet in een eigen regeling van de relatieve bevoegdheid van de Wvggz-rechter, zodat een aanvullende toepassing van de regels van de verzoekprocedure op de voet van art. 6:1 lid 10 Wvggz niet aan de orde is. In de parlementaire geschiedenis is de bepaling inhoudelijk niet nader toegelicht.23.
3.19
Voorheen werd in de Wet Bopz, met betrekking tot verzoeken om een voorlopige machtiging de relatief bevoegde rechter in art. 7 Wet Bopz als volgt aangewezen:
“1. Bevoegd is de rechtbank van de woonplaats van de betrokkene of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van zijn werkelijk verblijf dan wel, indien het verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging wordt gedaan in een geval als bedoeld in artikel 2, vierde lid, de rechtbank van het arrondissement waarin het ziekenhuis waarin de betrokkene verblijft, gelegen is.
2. Indien, in een geval als bedoeld in artikel 2, vierde lid, de betrokkene, nadat de verklaring bedoeld in artikel 5, eerste lid, ter kennis van het openbaar ministerie is gekomen, is overgebracht naar een ziekenhuis in een ander arrondissement, kan de oorspronkelijk bevoegde officier van justitie dan wel - na het verzoek van de officier van justitie - de oorspronkelijk bevoegde rechter besluiten de behandeling van de zaak voort te zetten. De rechter kan evenwel verwijzing van de behandeling van het verzoek naar de rechter van dat andere arrondissement bevelen.”
3.20
In de praktijk werd doorgaans, zo nodig in afwijking van deze wettelijke regeling, als bevoegd aangemerkt de rechtbank van het arrondissement waarin de betrokkene zijn of haar werkelijke verblijfplaats heeft.24.Daarbij speelde een rol dat het niet doelmatig is dat de rechter en griffier zich voor het horen van de betrokkene op de voet van art. 8 lid 1 Wet Bopz naar diens verblijfplaats begeven indien deze verblijfplaats buiten het arrondissement is gelegen.25.Daarnaast gaf het tweede lid van art. 7 Wet Bopz een regeling voor het geval dat sprake is van een tussentijdse overplaatsing naar een psychiatrisch ziekenhuis in een ander arrondissement. De oorspronkelijk bevoegde rechtbank had dan de vrijheid om te kiezen tussen voortzetting van de behandeling of verwijzing naar de inmiddels bevoegde rechtbank.
3.21
3.22
Art. 1:6 lid 1 Wvggz luidt als volgt:
“In zaken betreffende deze wet, uitgezonderd hoofdstuk 5, paragraaf 6 en hoofdstuk 10, is uitsluitend bevoegd de rechter van de woonplaats van betrokkene, of van de plaats waar hij hoofdzakelijk daadwerkelijk verblijft. Zaken met betrekking tot minderjarige personen worden behandeld door de kinderrechter of door een meervoudige kamer waarvan de kinderrechter deel uitmaakt.”
3.23
Gelet op het woordgebruik “uitsluitend” heeft de wetgever klaarblijkelijk gekozen voor een territoriale verdeling van de rechtsmacht over de rechtbanken en is de relatieve bevoegdheid in zoverre gelijkgesteld met de regeling van de absolute bevoegdheid.27.Een dergelijke attributie van rechtsmacht is van openbare orde. Dat brengt mee dat op een relatief onbevoegde rechtbank een ambtshalve plicht tot verwijzen rust.Daarenboven blijkt uit de bestreden beschikking dat tevens namens betrokkene een beroep op de onbevoegdheid van de rechtbank is gedaan.
3.24
Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd.Gelet op de samenhang met het in voetnoot 22 genoemde cassatieberoep, stel ik met betrekking tot de verdere afdoening voor dat de Hoge Raad de beslissing neemt die hem geraden voorkomt.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 9 juni 2022 en tot hetgeen onder 3.24 over de verdere afdoening is vermeld.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 21‑11‑2022
Zie de beschikking van de rechtbank Den Haag van 9 juni 2022 (hierna: de bestreden beschikking) p. 2 onder het kopje “Beoordeling” en de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 31 mei 2022, p. 1.
Zie p. 1 van de bestreden beschikking.
In haar beschikking van 31 mei 2022 heeft de rechtbank Rotterdam in rov. 1.1 vermeld dat het verzoekschrift op 19 mei 2022 is ingediend. De rechtbank Den Haag heeft in de bestreden beschikking onder het kopje ‘Procesverloop’ vermeld dat het verzoek op 30 mei 2022 ter griffie is ingekomen. Het in het procesdossier aanwezige verzoekschrift bevat de vermelding “Ontvangen op: 19-05-2022”. Gelet hierop ga ik ervan uit dat het verzoekschrift op 19 mei 2022 ter griffie van de rechtbank Rotterdam is ontvangen en dat de in de bestreden beschikking genoemde datum op een vergissing berust.
Zie, naast de weergave van de standpunten in de bestreden beschikking, het van de zitting opgemaakte proces-verbaal en de in het procesdossier aanwezige pleitnotities van de advocaat.
De procesinleiding is op 9 september 2022 ingediend in het portaal van de Hoge Raad.
Na herstel van de aanvankelijke kennisgeving aan de verkeerde Officier van Justitie is namens de Officier van Justitie te Rotterdam meegedeeld dat geen verweer wordt gevoerd.
Zie de bestreden beschikking, p. 2 en 3.
Tweede Nota van wijziging, Kamerstukken II 2015-2016, 32 399, nr. 25, p. 168. Zie ook W.J.A.M. Dijkers, SDU Commentaar Gedwongen zorg, 2020, art. 6:1 Wvggz, aant. C.4.3.1.
Deze rechtspraak is ontwikkeld in het kader van de overeenkomstige regeling van de hoorplicht in art. 8 Wet Bopz, en heeft voor de toepassing van art. 6:1 Wvggz zijn betekenis behouden, zie HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2016, NJ 2021/96 m.nt. J. Legemaate, JGz 2021/7, herhaald in o.a. HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:880, rov. 3.2; HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1165, rov. 3.2 en HR 14 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:18, JGz 2022/6 m.nt. R.B.M. Keurentjes, rov. 3.1.2.
HR 14 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:18, JGz 2022/6 m.nt. R.B.M. Keurentjes, rov. 3.1.2 en HR 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:59, JGz 2022/8 m.nt. R.B.M. Keurentjes, rov. 3.2.
Vgl. onder de Wet Bopz o.a.: HR 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8128, NJ 2006/6, BJ 2005/25 m.nt. W.J.A.M. Dijkers, rov. 3.4.2; HR 5 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7892, JVggz 2011/1 m.nt. E.J. van Keken, rov. 3.4 en HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1616, NJ 2019/410, rov. 3.3.
Zie de conclusie van plv. P-G Langemeijer onder 2.4 (alsmede 2.10) voor HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:880, met verwijzing naar (onder de Wet Bopz) HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1616, NJ 2019/410.
Zie onder meer de conclusie van plv. P-G Langemeijer (onder 2.6) voor HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2016, onder verwijzing naar HR 14 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2283, NJ 1997/378 m.nt. J. de Boer, rov. 3.4. Het antwoord op de vraag of de oproeping de betrokkene heeft bereikt althans redelijkerwijs moet hebben bereikt, is wel relevant voor de beoordeling of bij betrokkene de bereidheid ontbreekt om zich te laten horen; zie de conclusie van plv. P-G Langemeijer (onder 2.8) voor HR 5 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7892; W.J.A.M. Dijkers, SDU Commentaar Gedwongen zorg, 2020, art. 6:1 Wvggz, aant. C.4.4.6. In deze zin ook HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2016, rov. 3.3.
HR 5 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7892, NJ 2010/596, rov. 3.2 en HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1616, rov. 3.2-3.4.
HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3335, NJ 2016/198 m.nt. J. Legemaate, Jvggz 2016/1 m.nt. W.J.A.M. Dijkers.
Legemaate in zijn noot (onder 4) bij de aangehaalde beschikking, NJ 2016/198; plv. P-G Langemeijer (onder 2.4, slot) voor HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:880; C. Reijntjes-Wendenburg, Gedwongen psychiatrische zorg, 2020, p. 52; W.J.A.M. Dijkers, SDU Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:1 Wvggz, aant. C.4.4.4 en C.4.4.5 onder (d).
W.J.A.M. Dijkers, SDU Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:1 Wvggz, aant. C.4.4.4, met verwijzing naar HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1616.
In deze zin ook A-G Lückers in haar conclusie (voetnoot 14) voor HR 14 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:18; R.B.M. Keurentjes in zijn noot bij JGz 2022/34 en (impliciet) W.J.A.M. Dijkers, SDU Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:1 Wvggz, aant. C.4.4.4 en C.4.4.5 onder (d).
Vgl. HR 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB9666, rov. 3.3.1 en HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1616, rov. 3.3.
Dit cassatieberoep is bij de Hoge Raad bekend onder zaaknummer 22/03432.
De huidige formulering van art. 1:6 lid 1 Wvggz is voorgesteld bij de Tweede Nota van wijziging, Kamerstukken II 2015-2016, 32 339, nr. 25.
Zie bijv. Rb. ’s-Hertogenbosch 2 mei 1997, BJ 1997/262; Rb. Zutphen 26 oktober 2004, BJ 2005/11.
Vergelijkbaar met de attributie van rechtsmacht bij de hoven, zie daarover Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2018/41 met verwijzing naar HR 27 januari 1984, NJ 1984/399 m.nt. W.L. Haardt.
Beroepschrift 15‑09‑2022
Procesinleiding in verzoekschriftzaak met betrekking tot de Wvggz
Geeft eerbiedig te kennen
[betrokkene], wonende te [woonplaats], te dezer zake in Den Haag woonplaats kiezende aan de Riouwstraat 131, ten kantore van de advocate bij de hoge raad der Nederlanden mr. G.E.M. Later, die door verzoeker als zodanig wordt aangewezen om voor hem in dit rechtsgeding op te treden en die het verzoekschrift voor verzoeker ondertekent en indient en daartoe door verzoeker bepaaldelijk is gemachtigd;
- 1.
Bij beschikking van 22 juni 2022 onder zaaknummer C/10/638464/FA RK 22-3443 heeft de rechtbank Rotterdam een zorgmachtiging verleend als bedoeld in artikel 6:4 Wvggz die geldt tot en met 22 juni 2023. Die beschikking met het verzoek van 19 mei 2022 met bevindingen van de geneesheer-directeur van [verblijfplaats] van 16 mei 2022, een medische verklaring van de psychiater [psychiater] van 3 mei 2022, zorgplan/behandelplan van 11 april 2022, de niet ingevulde zorgkaart, het informatierapport Wvggz van 12 april 2022, het historisch overzicht van 17 mei 2022, de pleitnotities van verzoekers advocaat van 9 juni 2022 en het proces-verbaal van de zitting van 9 juni 2022 alsmede de verwijzingsbeschikking van de rechtbank Rotterdam van 31 mei 2022 alsmede de beschikking van de rechtbank Den Haag van 9 juni 2022 en het proces-verbaal van de zitting van 22 juni 2022 legt verzoeker hierbij over.
- 2.
Verzoeker kan zich met de onderhavige beschikking van 22 juni 2022 niet verenigen en stelt daarvan bij deze — derhalve tijdig — beroep in kassatie in onder aanvoering van het navolgende:
Middel van kassatie
Schending van het recht althans verzuim van vormen waarvan niet inachtneming nietigheid medebrengt, aangezien de rechtbank Rotterdam ten aanzien van het verzoek zorgmachtiging van 19 mei 2022 heeft overwogen zoals in de beschikking van 22 juni 2022 staat vermeld en heeft beslist zoals in de beschikking staat beschreven, welke overwegingen en beslissingen als hier herhaald en overgenomen dienen te worden beschouwd, zulks ten onrechte om de navolgende redenen.
I.
Naar uit de bestreden beschikking van 22 juni 2022 blijkt heeft de rechtbank sub 2.8. overwogen:
‘…Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de verzochte duur van twaalf maanden met ingang van vandaag…’.
Welke overweging met betrekking tot de duur niet juist is althans onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd.
Toelichting
1.1. Beslissingen rechtbank Den Haag en Rotterdam m.b.t. duur zorgmachtiging
De officier van justitie te Rotterdam heeft op 19 mei 2022 een zorgmachtiging gevraagd aansluitend op een eerdere zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden. Uit de stukken blijkt dat verzoeker een zorgmachtiging had die afliep op 13 juni 2022. Voor zover uit de stukken blijkt is hij niet tegen zijn wil opgenomen geweest in een psychiatrisch ziekenhuis in de periode van deze zorgmachtiging van 13 december 2021 tot en met 13 juni 2022.
Voor de behandeling van het verzoek stond drie weken open. Omdat verzoeker heel tijdelijk vrijwillig opgenomen was in de [verblijfplaats] in Delft waar hij op eigen verzoek op 4 juni 2022 is ontslagen werd het verzoek door de rechtbank Rotterdam naar de rechtbank Den Haag verwezen. De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek op 9 juni 2022 terwijl verzoeker zich alweer in [a-plaats] bevond zonder dat verzoeker voor die zitting was opgeroepen, zonder dat verzoeker werd gehoord en verleende een zorgmachtiging voor twee weken tot en met 23 juni 2022 en verwees voor de rest naar de rechtbank Rotterdam omdat zij zich onbevoegd achtte.
Als er uitgegaan moet worden van het verlenen van een zorgmachtiging voor de duur van twee weken op 9 juni 2022 tot en met 23 juni 2022 dan zou de beschikking van de rechtbank Rotterdam gaan over de rest van het verzoek van twaalf maanden en kan nooit een zorgmachtiging verleend worden voor de duur van één jaar na de 22 juni 2022 tot en met 22 juni 2023 gelet op artikel 6:5 onder b Wvggz. Een zorgmachtiging in casu duurt maximaal één jaar en er is geen enkele wettelijke grondslag voor het verlenen van een zorgmachtiging voor een langere tijd. Dat de rechtbank dan ook een zorgmachtiging heeft verleend voor de verzochte duur van twaalf maanden met ingang van de dag na de beschikking is in strijd met de wet.
1.2. Als rechtbank Den Haag onbevoegd moet rechtbank Rotterdam alleen op verzoek beslissing. Welke problemen levert dat op?
In Den Haag is gepleit dat de rechtbank Den Haag onbevoegd was om op het verzoek te beslissen en dus ook niet twee weken zorgmachtiging kon opleggen. Als uitgegaan moet worden van een onbevoegdheid van de rechtbank Den Haag dan moet de rechtbank Rotterdam via de verwijzing op het volledige verzoek beslissen. In dat geval echter is de termijn om te beslissen op 22 juni 2022 al voorbij nu er voor een behandeling van het verzoek volgens de wet drie weken openstaan en de laatste dag dus 9 juni 2022 was. De voorgaande machtiging eindigde op 13 juni 2022 zodat er op 22 juni 2022 geen zorgmachtiging meer bestond. Dat betekent dat de rechtbank ook niet een aansluitende zorgmachtiging kon verlenen voor de duur van twaalf maanden.
De advocaat heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting bepleit dat mocht er een zorgmachtiging worden afgegeven dat wettelijk gezien maar voor een half jaar kon worden afgegeven. Voor zover blijkens het proces-verbaal op pagina 3 het juridisch wel mogelijk zou zijn is gevraagd om alsnog een verzoek voor zes maanden. De rechtbank heeft op dit verweer blijkens de beschikking niet gereageerd.
De beslissing van de rechtbank dat een machtiging voor een jaar wordt toegewezen terwijl er geen sprake meer is van een aansluitende zorgmachtiging dan wel de rechtbank daarmee een termijn van meer dan twaalf maanden in strijd met de wet heeft verleend betekent dat naar de mening van verzoeker de beschikking voor vernietiging in aanmerking komt.
II.
Naar uit de bestreden beschikking blijkt heeft de rechtbank aangenomen dat verzoeker lijdt aan een psychische stoornis, te weten een psychotische stoornis, gerelateerd met middelengebruik en vervolgens onder meer overwogen sub 2.2.:
‘ …Anders dan de advocaat tijdens de mondelinge behandeling bepleit acht de rechtbank voldoende gebleken dat het gedrag van betrokkene als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstige psychische schade, ernstige verwaarlozing maatschappelijke teloorgang en bedreiging van de veiligheid van betrokkene al dan niet doordat hij onder invloed van een ander raakt.
Betrokkene heeft een persisterende middelenverslaving, waardoor hij uiteenlopende psychische klachten heeft. Bij betrokkene is er tijdens een psychose sprake van paranoïde en psychotische belevingen die mogelijk door het drugsgebruik worden versterkt (…).
De behandelaar verklaart tijdens de mondelinge behandeling dat er veel zorgen om betrokkene zijn. Betrokkene is ambivalent in zijn beslissingen. Hij heeft al enige tijd geen antipsychoticatabletten ingenomen. Hierdoor is een groot risico op een psychose… ’.
Uit welke combinatie van gegevens zich de vraag voordoet of er wel sprake is van een psychische stoornis en een daaruit op het moment van de beslissing voortvloeiend ernstig nadeel althans is het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd.
Toelichting
2.1. Welke stoornis?
Zoals uit het proces-verbaal en de beschikking blijkt heeft de advocaat van verzoeker gemeld dat er sprake is van een verouderde medische verklaring. De rechtbank heeft daarop overwogen dat volgens uw hoge raad een medische verklaring als verouderd kan worden gezien als deze meer dan acht weken oud is. Dat is in het geval van verzoeker niet het geval en dus zou dat geen aanleiding zijn om een kortere periode aan te houden.
Een verouderde medische verklaring kan betekenen dat er geen sprake is van actueel medisch onderzoek en dus onvoldoende redenen om het verzoek van de officier van justitie dat dateert van 19 mei 2022 op 22 juni 2022 toe te wijzen. Bij de stukken bevindt zich een zorgplan dat is opgesteld op 11 april 2022, de medische verklaring dateert van 3 mei 2022, en is dus op 22 juni 2022 50 dagen oud. Verzoeker woont dan kennelijk nog in zijn woning. Ten tijde van de behandeling op 22 juni 2022 is verzoeker een korte tijd vrijwillig opgenomen geweest in de [verblijfplaats] en met ontslag gegaan op 4 juni 2022. Zijn advocaat voerde blijkens het proces-verbaal van de zitting aan:
‘…Betrokkene kan leven met het drugsgebruik en is niet psychotisch. Betrokkene is nu dakloos en woont in een parkje. Hij valt niemand lastig. Betrokkene probeert zijn leven op de rit te krijgen. Misschien lukt het hem dit keer’.
Uit de beschikking blijkt dat de behandelaar onder meer heeft gezegd:
‘…Hij heeft al enige tijd geen antipsychoticatabletten ingenomen. Hierdoor is er een groot risico op een psychose. Ook werkt de orale medicatie tot op heden niet naar wens, waardoor de behandelaar betrokkene opnieuw op een depot wil instellen… ’.
Kennelijk heeft verzoeker dus al enige tijd geen antipsychoticamedicatie gekregen en is hij niet psychotisch. Het risico op een psychose is naar de mening van verzoeker geen grond om aan te nemen dat er sprake is van psychotische stoornis zoals de rechtbank heeft overwogen sub 2.1.
2.2. Middelenverslaving
De rechtbank overweegt ook dat verzoeker een persisterende middelenverslaving heeft, waardoor hij uiteenlopende psychische klachten heeft. Maar als er sprake is van een middelenverslaving dan is het belangrijk dat de rechtbank het standpunt van uw hoge raad vaststelt met betrekking tot verslavingsproblematiek, Maar dat heeft de rechtbank niet gedaan.
2.3. Actuele medische gegevens?
Geconcludeerd kan worden dat de stukken die voor handen waren voor de beslissing via het zorgplan en de medische verklaring — de bevindingen van de geneesheer-directeur dateren van 16 mei 2022 en gaan natuurlijk af op wat er in die andere stukken staat — gedateerd zijn. Verzoekers situatie is een andere op 22 juni 2022 dan in de stukken staat. Verzoeker gebruikt kennelijk geen antipsychotische medicatie en is niet psychotisch. Als de rechtbank dan desalniettemin op het verzoek wil beslissen had in ieder geval actuele medische informatie moeten worden gevraagd.
Het kan zo zijn dat medische informatie soms niet als verouderd kan worden gezien als deze minder dan acht weken oud is maar in casu is de situatie van verzoeker dus een heel andere dan uit de stukken blijkt en dan kan niet volstaan worden met de gegevens die voor handen waren en zelfs niet hebben geleid tot een gedwongen opname die onder de vorige zorgmachtiging gewoon mogelijk was tot 13 juni 2022.
Vaststelling dat er sprake is van een psychische stoornis kennelijk gerelateerd aan een ernstig nadeel geleden in het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstige psychische schade, ernstige verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang en bedreiging van de veiligheid van betrokkene al dan niet doordat hij onder invloed van een ander raakt zijn overwegingen die op 22 juni 2022 naar de mening van verzoeker niet meer juist en actueel zijn. Ook op dit punt is er dan ook reden om de bestreden beschikking te vernietigen.
Dat verzoeker meent dat op grond van de bovenstaande middelen de beschikking voor vernietiging in aanmerking komt;
Dat verzoeker kosteloos procedeert onder toevoeging 3LR1161 d.d. 1 september 2022, van welke toevoeging hij een kopie hierbij overlegt;
Weshalve
Het de hoge raad der Nederlanden moge behagen te vernietigen de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 22 juni 2022 met zodanige beschikking als uw hoge raad in goede justitie zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
Den Haag, 15 september 2022
mr. G.E.M. Later
advocaat
Beroepschrift 09‑09‑2022
Procesinleiding in verzoekschriftzaak met betrekking tot de Wvggz
Geeft eerbiedig te kennen
[betrokkene], wonende te [woonplaats], te dezer zake in Den Haag woonplaats kiezende aan de Riouwstraat 131, ten kantore van de advocate bij de hoge raad der Nederlanden mr. G.E.M. Later, die door verzoeker als zodanig wordt aangewezen om voor hem in dit rechtsgeding op te treden en die het verzoekschrift voor verzoeker ondertekent en indient en daartoe door verzoeker bepaaldelijk is gemachtigd;
- 1.
Bij beschikking van 9 juni 2022 onder zaaknummer C/09/630084/FA RK 22-3419 heeft de rechtbank Den Haag een aansluitende machtiging tot het verlenen van verplichte zorg verleend tot en met 23 juni 2022 en zich verder onbevoegd verklaard en het verzoek verwezen naar de rechtbank Rotterdam voor het overige. Die beschikking met het verzoek van de officier van justitie in Rotterdam van 19 mei 2022 met bevindingen van de geneesheer-directeur van [verblijfplaats] van 16 mei 2022, een medische verklaring van de psychiater [psychiater] van 3 mei 2022, zorgplan/behandelplan van 11 april 2022, de niet ingevulde zorgkaart, het informatierapport Wvggz van 12 april 2022, het historisch overzicht van 17 mei 2022, de pleitnotities van verzoekers advocaat van 9 juni 2022 en het proces-verbaal van de zitting van 9 juni 2022 alsmede de verwijzingsbeschikking van de rechtbank Rotterdam van 31 mei 2022 legt verzoeker hierbij over.
- 2.
Verzoeker kan zich met de onderhavige beschikking van 9 juni 2022 niet verenigen en stelt daarvan bij deze — derhalve tijdig — beroep in kassatie in onder aanvoering van het navolgende:
Middel van kassatie
Schending van het recht althans verzuim van vormen waarvan niet inachtneming nietigheid medebrengt, aangezien de rechtbank Den Haag ten aanzien van het verzoek zorgmachtiging van 19 mei 2022 van de officier van justitie te Rotterdam heeft overwogen zoals in de beschikking van 9 juni 2022 staat vermeld en heeft beslist zoals in de beschikking staat beschreven, welke overwegingen en beslissingen als hier herhaald en overgenomen dienen te worden beschouwd, zulks ten onrechte om de navolgende redenen.
I.
Naar uit de bestreden beschikking van 9 juni 2022 blijkt heeft de rechtbank overwogen:
‘… Op 13 december 2021 is door de rechtbank Rotterdam een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden tot en met 13 juni 2022. Op 31 mei 2022 heeft de rechtbank Rotterdam in verband met de opname van betrokkene bij [verblijfplaats] de zaak verwezen naar de rechtbank Den Haag.
Na indiening van het verzoek en verwijzing door de rechtbank Rotterdam naar de rechtbank Den Haag is de rechtbank gebleken dat betrokkene niet meer in arrondissement Den Haag verblijft, maar in arrondissement Rotterdam. Betrokkene is met ingang van 4 juni 2022 met ontslag gegaan vanuit [verblijfplaats] en verblijft vermoedelijk in [a-plaats]. De rechtbank is daarom op grond van artikel 1:6 van de Wvggz niet bevoegd en zal de zaak voor behandeling verwijzen naar de rechtbank Rotterdan. Het — geheel — passeren van deze onbevoegdheid acht de rechtbank gelet op het door de advocaat namens betrokkene ingenomen standpunt, niet mogelijk.
Gelet op de zeer zorgelijke situatie voor betrokkene en zijn omgeving en nu de uiterste beslisdatum op het verzoek voor de rechtbank 9 juni 2022 is, ziet de rechtbank zich genoodzaakt om wel te beslissen op het verzoek. De rechtbank zal de zorgmachtiging verlenen voor korte duur, te weten voor de duur van twee weken. Het verzoek zal voor het overige worden aangehouden zodat betrokkene de gelegenheid krijgt om alsnog te worden gehoord op het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging. Voor het overige verklaart de rechtbank zich onbevoegd en zal zij de zaak in de stand waarin deze zich bevindt verwijzen naar de rechtbank Rotterdam… ’,
In welke overwegingen de rechtbank reeds aangeeft niet bevoegd te zijn zodat het zich alsnog voor twee weken bevoegd achten in strijd is met de wet althans onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd.
Toelichting
1.1.
Terecht merkt de rechtbank op dat zij niet bevoegd is om op het verzoek te beslissen. Volgens artikel 1:6 lid 1 Wvggz is uitsluitend bevoegd de rechter van of van de plaats waar hij hoofdzakelijk of daadwerkelijk verblijft. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat verzoeker in ieder geval in het arrondissement Rotterdam verblijft. Verzoeker verbleef niet in het arrondissement Den Haag sedert 4 juni 2022 maar in het arrondissement Rotterdam1. , dus had de rechtbank geen mogelijkheid om op het verzoek te beslissen. Daarop zijn in principe geen uitzonderingen mogelijk. De redengeving van de rechtbank namelijk dat gelet op de zeer zorgelijke situatie van betrokkene en zijn omgeving en gelet op het feit dat de uiterste beslistermijn voor de rechtbank 9 juni 2022 is, de rechtbank zich ook wel genoodzaakt voelt om de zorgmachtiging voor korte duur te verlenen is een argument dat naar de mening van verzoeker geen hout snijdt.
Het verzoek werd op 31 mei 2022 door de rechtbank Rotterdam naar de rechtbank Den Haag verwezen. Verzoeker verbleef toen in Delft bij de [verblijfplaats]. Als de rechtbank voor 4 juni 2022 had beslist dan was zij bevoegd geweest. Dat de rechtbank het laat liggen tot de laatste dag van de drie weken termijn uit de wet betekent niet dat de rechtbank nu iets anders kan doen met betrekking tot de bevoegdheid.
Reeds hierom komt de beschikking voor vernietiging in aanmerking.
1.2.
Uitdrukkelijk is verweer gevoegd dat verzoeker niet deugdelijk is opgeroepen. Verzoeker verwijst naar de pleitnotities van zijn advocaat. Gelet op het heel klemmende hoorrecht sedert de beslissing van het EHRM in de zaak Winterwerp kan natuurlijk niet over een vrijheidsberoving worden beslist, ook niet als dat twee weken betreft, zonder dat de betrokkene daar voldoende van op de hoogte is gesteld via een oproeping die aan de wettelijke eisen voldoet. In de beschikking heeft de rechtbank niets gezegd met betrekking tot die oproeping. Ook daarom komt de beschikking voor vernietiging in aanmerking.
1.3.
De Rechtbank spreekt in de beschikking over de zeer zorgelijke situatie voor betrokkene en zijn omgeving. Verzoeker had een zorgmachtiging die liep tot 13 juni 2022. Hij werd opgenomen in de [verblijfplaats] op 30 mei 2022 maar kennelijk heeft men het toen niet nodig gevonden om hem gedwongen op te nemen. Om die reden kon hij ook op 4 juni 2022 met ontslag gaan. Hoe zorgelijk een situatie van iemand ook is, als de GGZ het kennelijk niet nodig vindt om hem gedwongen in een accommodatie op te nemen is het niet aan de rechtbank om vanwege die zorgelijke situatie tot een zorgmachtiging te beslissen, ook niet voor twee weken, met voorbij gaan van alle klemmende regelgeving zoals de bevoegdheid, de regels voor oproeping en zonder verzoeker te horen. De verwijzing dateert van 31 mei 2022 en de rechtbank heeft de advocaat pas op 7 juni 2022 laten weten dat het verzoek op 9 juni 2022 zou worden behandeld. De rechtbank had ook gelet op de verwijzing op dinsdag 31 mei 2022 direct een zitting kunnen bepalen waarbij de rechtbank verzoeker in de [verblijfplaats] had kunnen horen in plaats van te wachten tot de laatste dag.
Dat na de terugverwijzing naar de rechtbank Rotterdam een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 juni 2022 waarna de rechtbank Rotterdam bij beschikking van 22 juni 2022 een zorgmachtiging heeft verleend die geldt tot en met 22 juni 2023, tegen welke beschikking eveneens kassatie zal worden ingesteld;
Dat verzoeker meent dat op grond van het bovenstaande de beschikking voor vernietiging in aanmerking komt.
Dat verzoeker toevoeging heeft gevraagd en een kopie van het toevoegingsbewijs zal overleggen na ontvangst;
Weshalve
Het de hoge raad der Nederlanden moge behagen te vernietigen de beschikking van de rechtbank Den Haag van 9 juni 2022 met zodanige beschikking als uw hoge raad in goede justitie zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
Den Haag, 9 september 2022
mr. G.E.M. Later
advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 09‑09‑2022
Zie ook pleitnotities advocaat pagina 1.