uitspraak Hof r.o. 2.10 en 4.10
HR, 29-11-2019, nr. 19/00667
ECLI:NL:HR:2019:1873
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
29-11-2019
- Zaaknummer
19/00667
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 29‑11‑2019
ECLI:NL:HR:2019:1873, Uitspraak, Hoge Raad, 29‑11‑2019; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2019:2
- Vindplaatsen
NLF 2019/2701 met annotatie van Nicole Gubbels
ERF-Updates.nl 2019-0284
BNB 2020/24 met annotatie van I.J.F.A. van Vijfeijken
FED 2020/39 met annotatie van A.E. de Leeuw
NTFR 2019/2972 met annotatie van MR. E. ALINK
FutD 2019-3097
Viditax (FutD) 2019112902
Beroepschrift 29‑11‑2019
MOTIVERING CASSATIE BEROEPSCHRIFT
Edelhoogachtbaar college,
Bij brief van 11 februari 2019 hebt u belanghebbende, [X] in de gelegenheid gesteld om het, op 7 februari 2019 ingediende, cassatie beroepschrift uiterlijk 25 maart 2019 te voorzien van gronden. Onderstaand treft u de gronden van het beroep aan.
Inleiding
1.
Dit cassatieberoep gaat over de vraag of een nietige overeenkomst tussen twee echtgenoten een deugdelijke grondslag kan vormen voor het aannemen van een schenking van de ene echtgenoot aan de andere echtgenoot. In het verlengde daarvan wordt de vraag opgeworpen of er voor de hoogte en het tijdstip van de schenking aansluiting moet worden gezocht bij de tekst en het moment van de totstandkoming van de nietige overeenkomst, of dat het tijdstip van de daadwerkelijke betaling doorslaggevend is.
Relevante feiten als vastgesteld door het hof
2.
Belanghebbenden is op huwelijkse voorwaarden getrouwd met [A]. [A] was tot 2012 de eigenaar van het [C] concern.
3.
Belanghebbende en naar echtgenote hebben een overeenkomst gesloten met de titel ‘verrekening verleden huwelijkse voorwaarden’ Het hof heeft geoordeeld dat die overeenkomst in 2010 tot stand is gekomen.
4.
In de overeenkomst is dat het te verrekenen bedrag aan overgespaarde inkomsten is vastgesteld op € 10.000.000 en zal worden uitgekeerd aan belanghebbende. Het te verrekenen bedrag zal worden betaald in nader overeen te komen termijnen, voor 31 december 2012.
5.
Uit hoofde van de overeenkomst is in de periode januari 2011 tot en met augustus 2012 een bedrag van € 7.630.000 betaald waarvan € 1.080.000 direct aan belanghebbende.1.
6.
Eind 2011 is door de FGH bank aangifte gedaan tegen [C] en [A]. Uiteindelijk hebben de verwikkelingen in dat kader geleid tot het faillissement van [C] in juli 2012 en van [A] in november 2012.
7.
De curatoren hebben de geldigheid van de overeenkomst ‘verrekening verleden huwelijkse voorwaarden’ bestreden, onder meer met een beroep op de actio pauliana. De curatoren hebben uit dien hoofde beslag gelegd op de uitbetaalde gelden. Die gelden staan belanghebbende dan ook niet meer tot haar beschikking. 2. De curatoren zijn in de procedure in het gelijk gesteld.3.
8.
In de civiele procedure waarnaar het Hof in diens uitspraak verwijst4. heeft het Hof geoordeeld dat de overeenkomst ‘verrekening verleden huwelijkse voorwaarden’ nietig is omdat de overeenkomst niet bij notariële akte is opgemaakt (artikel 1:115 van het BW) en/of de overeenkomst vereiste rechterlijke goedkeuring niet is verkregen (artikel 7:119,lid I (oud), van het BW).
9.
Het Hof heeft — in de kern samengevat — geoordeeld dat met de overeenkomst een vordering van belanghebbende is ontstaan voor een bedrag van € 10.000.000 en dat die overeenkomst niet heeft te gelden als een natuurlijke verbintenis. Het Hof heeft op die gronden geoordeeld dat de vordering van € 10.000.000 beschouwd moet worden als een schenking in 2010.
Gronden van het cassatieberoep
10.
In dit cassatieberoep wordt aan de orde gesteld dat het Hof ten onrechte de overeenkomst als schenking heeft aangemerkt nu is vastgesteld dat die overeenkomt nietig is. Voor zover er al sprake zou kunnen zijn van een schenking kan dan ook niet bij de overeenkomst worden aangesloten maar enkel bij de aan belanghebbende verrichtte betalingen in het jaar van die betaling (€ 750.000 in 2011 en € 330.000 in 2012).5.
11.
Tegen het oordeel van het Hof voert belanghebbende drie middelen aan.
12.
Middel I behelst voornamelijk een rechtsklacht en richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de overeenkomst ‘verrekening verleden huwelijkse voorwaarden’ als schenking heeft aangemerkt nu is vastgesteld dat die overeenkomt nietig is (r.o. 4.7 en 4.8). Middel II behelst voornamelijk een rechtsklacht en richt zich tegen het oordeel van het Hof dat voor de hoogte van de schenking moet worden aangesloten bij het in de overeenkomst ‘verrekening verleden huwelijkse voorwaarden’ opgenomen bedrag van € 10.000.000. Middel III behelst voornamelijk een rechtsklacht en richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de schenking in 2010 heeft plaatsgevonden.
Middel I: Nietige overeenkomst is geen grondslag voor schenking
Schending van het recht en beleid, meer in het bijzonder artikel 1 van de Successiewet, althans schending van regels van een goede procesorde, althans verzuim van vormen waarvan de niet inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat ten gevolge de overeenkomst een vordering van belanghebbende op de echtgenoot is ontstaan en dat door de (uitvoering van) de overeenkomst er een vermogensverschuiving van de echtgenoot naar belanghebbende heeft plaatsgevonden, waardoor de echtgenoot is verarmd en belanghebbende is verrijkt. Zulks door in r.o. 4.7 en 4.8. te overwegen dat:
‘4.7
(…) niet is gebleken dat de huwelijkse voorwaarden bij notariële akte zijn gewijzigd (artikel 1:115 van het BW) en/of de voor de overeenkomst vereiste rechterlijke goedkeuring is verkregen (artikel 7:119,lid I (oud), van het BW). Het Hof verwijst in dit kader ook naar de uitspraak van de Civiele kamer van het Hof van 21 juni 2016, nr.200.151.460, ECLI:NL:GHARL:2016:5059, rechtsoverweging 4.19. De Civiele kamer van de Hoge Raad heeft het cassatieberoep met artikel 81, lid I, van de Wet op de rechterlijke organisatie afgedaan (HR 22 december 2017, nr. 16104869, ECLI:NL:HR:2017 :3256).
4.8
Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat met de overeenkomst een vordering van belanghebbende op de echtgenoot is ontstaan, die niet op de huwelijkse voorwaarden is gebaseerd. Door (uitvoering van) de overeenkomst heeft er een vermogensverschuiving van de echtgenoot naar belanghebbende plaatsgevonden, waardoor de echtgenoot is verarmd en belanghebbende is verrijkt. Nu er naar het oordeel van het Hof gegeven de inhoud van de gedingstukken en de verklaringen die daarover zijn afgelegd, ook sprake is van de voor een schenking vereiste vrijgevigheid, komt het Hof tot de conclusie dat er sprake is van een schenking als bedoeld in artikel 1, lid I, ten tweede, van de SW.’
Toelichting middel I
13.
Het Hof heeft in r.o. 4.7 expliciet verwezen naar het onherroepelijke civiele vonnis waarin over de overeenkomst ‘verrekening verleden huwelijkse voorwaarden’ is geoordeeld maar heeft de strekking van dat civiele arrest miskent.
14.
In het arrest van de civiele kamer waarbij het Hof in de Belastingkamer zich blijkens de bewoordingen heeft aangesloten is ten aanzien van de overeenkomst ‘verrekening verleden huwelijkse voorwaarden’ het navolgende overwogen.
15.
Hof van 21 juni 2016, nr.200.151.460, ECLI:NL:GHARL:2016:5059, r.o. 4.8:
‘Het hof stelt bij de beoordeling van grief I het volgende voorop. De (rechts)handelingen die volgens beide partijen als titel voor de inbreng van de woning in de stichting moeten worden aangemerkt, hebben plaatsgevonden in 2010. In 2010 bevatten zowel artikel 1:115 lid 1 als 1:119 lid 1 BW vormvereisten voor (wijzigingen in) huwelijkse voorwaarden. Ingevolge artikel 1:115 lid 1 BW moeten huwelijkse voorwaarden op straffe van nietigheid bij notariële akte worden aangegaan. Deze notariële tussenkomst strekt tot bescherming van de partijen bij de op te stellen akte van huwelijkse voorwaarden (vlg. HR 27 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7541), alsmede tot de bescherming van de (verhaals)belangen van derden (schuldeisers). Ook een wijziging van huwelijkse voorwaarden is aan het hier bedoelde vormvereiste onderworpen. Onder huwelijkse voorwaarden (als bedoeld in artikel 1:114 BW) dient te worden verstaan iedere regeling tussen echtgenoten waarbij wordt afgeweken van de vermogensrechtelijke regels die zonder deze regeling tussen de echtgenoten zou bestaan, of waarbij een overeengekomen afwijking ongedaan wordt gemaakt (I-IR 18 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:A07004). Van het vormvereiste van artikel 1:115 lid 1 BW zijn uitgezonderd liet echtscheidingsconvenant, te weten een regeling van de onderlinge vermogensrechtelijke betrekkingen met het oog op een door hen voorgenomen echtscheiding (HR 26 januari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6480), alsmede regelingen die een nadere uitwerking en concretisering vormen van een reeds in de huwelijkse voorwaarden vervat verrekenbeding (I-IR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3103). Ook met het ten tijde van de onderhavige rechtshandelingen op grond van artikel 1:119 lid 1 BW geldende vereiste van rechterlijke goedkeuring voor het maken of wijzigen van huwelijkse voorwaarden tijdens huwelijk — op grond waarvan de echtgenoten verplicht zijn de concept-notariële akte aan de rechtbank over te leggen — werd onder meer beoogd het gevaar van benadeling van schuldeisers te voorkomen.’
16.
Hof van 21 juni 2016, nr.200.151.460, ECLI:NL:GHARL:2016:5059, r.o. 4.14:
‘Naar het oordeel van het hof moet de (gestelde) titel voor de levering van de woning zoals deze volgens de stichting blijkt uit de brieven van 2 juli 2009, 2 augustus 2009 en de VVHV, inclusief de bepaling over de woning, redelijkerwijs worden aangemerkt als een (wijziging van) huwelijkse voorwaarde(n), inhoudende een overeenkomst tot tussentijdse verrekening staande huwelijk ten aanzien van alle daarin benoemde vermogensbestanddelen, inclusief de woning, hetgeen met die regeling ook is beoogd. Het hof overweegt hiertoe als volgt.’
17.
Hof van 21 juni 2016, nr.200.151.460, ECLI:NL:GHARL:2016:5059, r.o. 4.17:
‘De ratio van het (vorm)vereiste van artikel 1:115 BW, welke bepaling mede de bescherming van derden (schuldeisers) beoogt, zou ook worden doorkruist indien echtgenoten met een beroep op een afwijkende subjectieve bedoeling, bepalingen die zonder meer materieel neerkomen op een verrekening van vermogensbestanddelen tijdens huwelijk, ten aanzien waarvan voordien iedere gemeenschap tijdens huwelijk was uitgesloten, buiten de door de wetgever beoogde notariële controle zouden kunnen houden. De vergaande sanctie op niet-naleving van het hier bedoelde vormvereiste, te weten de nietigheid (in plaats van vernietigbaarheid) van de desbetreffende rechtshandeling, wijst eveneens erop dat de toepasselijkheid van deze vereisten niet afhankelijk is van een (beweerde) subjectieve partijbedoeling. Hetzelfde geldt voor het vereiste van rechterlijke goedkeuring, zoals dat ten tijde van de VVHV en de oprichtingsakte gold, waarmee, blijkens het tweede lid van artikel 1:119 BW, de bescherming van de belangen van derden is beoogd, in het bijzonder de verhaalsbelangen van crediteuren.’
18.
Hof van 21 juni 2016, nr.200.151.460, ECLI:NL:GHARL:2016:5059, r.o. 4.17:
‘Ook het ontbreken van rechterlijke goedkeuring brengt nietigheid van de huwelijkse voorwaarden met zich, niet alleen ten opzichte van schuldeisers, maar ook wat de interne vermogensrechtelijke verhoudingen tussen de echtelieden betreft (HR 2 mei 1985, ECLI:NL:HR:1986:AB7995).’
19.
Hof van 21 juni 2016, nr.200.151.460, ECLI:NL:GHARL:2016:5059, r.o. 4.19:
‘De conclusie is dat de VVHV, inclusief de daarin vervatte bepaling over de inbreng van de woning, redelijkerwijs (mede) moet worden aangemerkt als een (vorm van) (periodieke) verrekening, welke een afwijking vormt van de in 1979 opgestelde huwelijkse voorwaarden. Daarmee zijn de desbetreffende afspraken onderworpen aan het vormvereiste van artikel 1:115 lid 1 BW evenals aan het (toenmalige) vereiste van rechterlijke controle van artikel 1:119 lid 1 BW. Zo hadden ook de (concept)oprichtingsakte en leveringsakte, als (materiele) wijziging van de huwelijkse voorwaarden, ter goedkeuring aan de rechtbank moeten worden voorgelegd. Vast staat dat aan deze vereisten niet is voldaan, zodat de in de VVHV vervatte regeling, evenals de daarin opgenomen verplichting van [A] om de woning onder te brengen in een entiteit, nietig zijn. Nu niet is gesteld dat aan de levering aan de stichting een andere (geldige) titel ten grondslag heeft gelegen, heeft de levering aan de stichting geen rechtsgevolg gehad en heeft de woning het vermogen van [A] nimmer verlaten. De grief slaagt derhalve.’
20.
Uit het civiele vonnis alsmede uit het oordeel van de fiscale kamer in de bestreden uitspraak volgt dat de overeenkomst Belastingkamer zich blijkens de bewoordingen heeft aangesloten is ten aanzien van de overeenkomst ‘verrekening verleden huwelijkse voorwaarden’ is onderworpen aan het vereiste van vastlegging in een notariële akte en van rechterlijke controle. Buiten discussie is, en het Hof heeft dat ook vastgesteld, dat de overeenkomst niet aan die eisen voldoet.
21.
Het gevolg van die vormvereisten is dat de overeenkomst nietig is en dat die nietigheid niet alleen werking jegens derden heeft maar ook tussen de beide echtgenoten (|HR 2 mei 1985, ECLI:NL:HR:1986:AB7995).
22.
Een nietige overeenkomst kan geen grondslag zijn voor het aannemen van een schenking. Door de nietige overeenkomst kan dan ook niet zoals het Hof heeft overwogen een vordering van belanghebbende op de echtgenoot zijn ontstaan, waardoor er een vermogensverschuiving van de echtgenoot naar belanghebbende plaatsgevonden, waardoor de echtgenoot is verarmd en belanghebbende is verrijkt.
23.
Het gevolg is dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven.
Middel II: Voor de hoogte van de schenking moet worden aangesloten bij het in de overeenkomst ‘verrekening verleden huwelijkse voorwaarden’ opgenomen bedrag van € 10.000.000.
Schending van het recht en beleid, meer in het bijzonder artikel 1 van de Successiewet, althans schending van regels van een goede procesorde, althans verzuim van vormen waarvan de niet inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat voor de hoogte van de schenking moet worden aangesloten bij het in de overeenkomst ‘verrekening verleden huwelijkse voorwaarden’ opgenomen bedrag van € 10.000.000. Zulks door in r.o.4.12. te overwegen dat:
‘4.12
Naar het oordeel van het Hof is de Inspecteur in zijn bewijslast geslaagd dat er sprake is van een schenking van een bedrag van € 10.000.000. Redengevend acht het Hof daarvoor dat (i) dit bedrag is vermeld in de overeenkomst, (ii) een betalingsschema is opgesteld (zie 2.4), (iii) dat tussen belanghebbende en de echtgenoot al geruime tijd over een bedrag als vergoeding voor de werkzaamheden van belanghebbende is gesproken, maar dat partijen — zelfs bij een notaris — er niet uitkwamen omdat belanghebbende de helft van het vermogen verlangde, (iv) de echtgenoot heeft verklaard dat uit hoofde van de overeenkomst € 7.630.000 is betaald (zie 2.10), en (v) de echtgenoot in de strafzaak tegen hem heeft verklaard er van uit te gaan dat de overeenkomst rechtsgeldig was, zodat gevolg moest worden gegeven aan de daarin gemaakte afspraken (Rechtbank Overijssel 16 december 2016, nrs. 07/996513-12 en 08/996128-13, ECLI:NL:RBOVE:2016:4987, rechtsoverweging 5.3 .9.1).’
Toelichting middel II
24.
Bij de toelichting op het eerste middel is aangegeven dat de overeenkomst nietig was en die nietigheid ook van toepassing is in de rechtpositie tussen de echtelieden. Uit dien hoofde komt voor de hoogte van de schenking geen doorslaggevende betekenis toe aan hetgeen is vermeld in de nietige overeenkomst.
25.
Voor zover de daadwerkelijke betalingen aan belanghebbende aangemerkt kunnen worden als schenking(en) dient voor de hoogte van die schenking(en) aangesloten te worden bij de hoogte van de daadwerkelijk aan Belanghebbende verrichtte betalingen ten bedrage van € 1.080.000.
26.
Gelet op voorgaande kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven.
Middel III: Schenking heeft niet in 2010 plaatsgevonden.
Schending van het recht en beleid, meer in het bijzonder artikel 1 van de Successiewet, althans schending van regels van een goede procesorde, althans verzuim van vormen waarvan de niet inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de schenking in 2010 heeft plaatsgevonden. Zulks door in r.o.4.21. te overwegen dat:
‘4.21
Het Hof is met de Rechtbank (rechtsoverweging 17) van oordeel dat de schenking in 2010 heeft plaatsgevonden.’
Toelichting middel III
27.
Uit de middelen een en twee volgt naar het oordeel van belanghebbende dat de overeenkomst nietig was en die nietigheid ook van toepassing is in de rechtpositie tussen de echtelieden.
28.
Uit dien hoofde komt voor de hoogte van de schenking geen doorslaggevende betekenis toe aan hetgeen is vermeld in de nietige overeenkomst en dient voor zover de daadwerkelijke betalingen aan belanghebbende aangemerkt kunnen worden als schenking(en) dient voor de hoogte van die schenking(en) aangesloten te worden bij de hoogte van de daadwerkelijk aan Belanghebbende verrichtte betalingen ten bedrage van € 1.080.000.
29.
Voor het tijdstip van de schenking is in het verlengde daarvan niet het tijdstip van de totstandkoming van de nietige overeenkomst doorslaggevend maar het tijdstip van de daadwerkelijke betaling. De betalingen aan belanghebbende tot het totaalbedrag van € 1.080.000 hebben niet in 2010 plaatsgevonden maar in de jaren 2011 (€ 750.000) en 2012 (€ 330.000).6.
30.
Gelet op voorgaande kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven.
23.
Tot slot verzoekt belanghebbende om vergoeding van kosten die zij heeft moeten maken ter zake het onderhavige geding.
Met vriendelijke groet,
Uitspraak 29‑11‑2019
Inhoudsindicatie
Artikel 1, lid 1, ten tweede, en lid 7 Successiewet 1956, Wijziging huwelijkse voorwaarden (met verrekeningsregeling) nietig, toch schenking?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/00667
Datum 29 november 2019
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 januari 2019, nr. 17/00952, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 16/5455) betreffende een aan belanghebbende opgelegde aanslag in de schenkbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende is in 1979 op huwelijkse voorwaarden gehuwd met [A] (hierna: de echtgenoot). De huwelijkse voorwaarden behelzen uitsluiting van elke huwelijksgoederengemeenschap en de instelling van een wettelijk deelgenootschap als bedoeld in het destijds geldende artikel 1:132 BW.
2.1.2
Belanghebbende en de echtgenoot hebben een op schrift gestelde overeenkomst gesloten, gedateerd 28 september 2009, met de titel “Verrekening verleden huwelijkse voorwaarden (Verrekening van het verleden bij periodiek verrekenbeding)” (hierna: de overeenkomst). Hierin erkent de echtgenoot onder meer de helft van de (waarde van de) echtelijke woning (die zijn eigendom was) en een bedrag van € 10.000.000 verschuldigd te zijn aan belanghebbende. Het bedrag van € 10.000.000 is in de overeenkomst aangemerkt als een te verrekenen bedrag aan overgespaarde inkomsten dat in termijnen, voor 31 december 2012, aan belanghebbende zou worden uitbetaald. De eigendom van de echtelijke woning is vervolgens ondergebracht in een stichting (hierna: de stichting) waarvan belanghebbende en de echtgenoot de oprichters en bestuurders waren.
2.1.3
In 2012 zijn de echtgenoot en verscheidene vennootschappen waarvan de echtgenoot bestuurder en aandeelhouder was, failliet verklaard. De FIOD heeft een strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke faillisementsfraude ingesteld.
2.1.4
De Inspecteur heeft op 3 maart 2015 aan belanghebbende een aanslag in de schenkbelasting opgelegd naar een belaste verkrijging in het jaar 2010 van € 9.998.000.
2.1.5
Bij uitspraak van 21 juni 2016 heeft de civiele kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een zaak tussen enerzijds de curator in het faillissement van de echtgenoot en anderzijds de stichting geoordeeld dat de in de overeenkomst vervatte regeling nietig is, omdat die regeling moet worden aangemerkt als een (vorm van) (periodieke) verrekening welke afwijkt van de in 1979 opgestelde huwelijkse voorwaarden en omdat niet is voldaan aan de vormvereisten die voor een dergelijke wijziging van huwelijkse voorwaarden gelden. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep tegen deze uitspraak verworpen met toepassing van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie (HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3256).
2.2.1
Bij het Hof was onder meer in geschil of sprake is van een schenking en zo ja, tot welk bedrag.
2.2.2
Uit de gedingstukken blijkt onder meer het volgende. De Inspecteur heeft in hoger beroep aangevoerd dat sprake is van een schenking omdat (i) de huwelijkse voorwaarden iedere vorm van een huwelijksgoederengemeenschap uitsluiten, (ii) nagenoeg het gehele vermogen van de echtgenoot uit diens voorhuwelijkse vermogen komt, en (iii) er geen vermogen is dat voor verrekening in aanmerking komt. Belanghebbende heeft in haar verweer in hoger beroep onder meer betoogd dat de in de overeenkomst genoemde betaling van € 10.000.000 zou plaatsvinden ten titel van verrekening staande huwelijk.
2.2.3
Onder verwijzing naar de uitspraak van 21 juni 2016 heeft het Hof allereerst geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de huwelijkse voorwaarden zijn gewijzigd, omdat niet is gebleken dat de overeenkomst is neergelegd in een notariële akte en de destijds vereiste rechterlijke goedkeuring is verkregen. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat met de overeenkomst een vordering van belanghebbende op de echtgenoot is ontstaan, die niet op de huwelijkse voorwaarden is gebaseerd. Door (uitvoering van) de overeenkomst heeft een vermogensverschuiving van de echtgenoot naar belanghebbende plaatsgevonden, waardoor de echtgenoot is verarmd en belanghebbende is verrijkt. Nu gegeven de inhoud van de gedingstukken en de verklaringen die daarover zijn afgelegd ook de voor een schenking vereiste vrijgevigheid aanwezig is, is sprake van een schenking als bedoeld in artikel 1, lid 1, ten tweede, van de Successiewet 1956 (hierna SW), aldus het Hof.
2.2.4
Verder heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur heeft voldaan aan zijn bewijslast dat het gaat om een schenking tot een bedrag van € 10.000.000.
2.3.1
Het eerste middel komt op tegen het hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordeel van het Hof.
2.3.2
In het geval van belanghebbende is sprake van een schenking in 2010 als bedoeld in artikel 1, lid 1, ten tweede, en lid 7 SW indien zij in dat jaar jegens de echtgenoot aanspraak heeft gekregen op de door de Inspecteur aan de aanslag ten grondslag gelegde prestatie of een gedeelte daarvan.
2.3.3
De hiervoor in 2.1.1 weergegeven vaststelling van het Hof en zijn in 2.2.3 weergegeven oordeel dat de huwelijkse voorwaarden door de overeenkomst niet zijn gewijzigd, behelzen een verwerping van het standpunt van belanghebbende dat de in de overeenkomst genoemde betaling zou plaatsvinden ten titel van verrekening staande huwelijk.
2.3.4
Het eerste middel slaagt voor zover daarin wordt betoogd dat op de grondslag van een nietige overeenkomst geen schenking kan worden aangenomen. De verwijzing in de bestreden uitspraak naar de uitspraak van 21 juni 2016 komt erop neer dat het Hof voor zijn oordeel dat belanghebbende de hiervoor in 2.3.2 bedoelde aanspraak in 2010 heeft gekregen, mede acht heeft geslagen op het in de uitspraak van 21 juni 2016 gegeven oordeel dat de overeenkomst nietig is. Dat brengt mee dat het daarop volgende oordeel van het Hof dat de overeenkomst wel een vordering van belanghebbende op de echtgenoot heeft doen ontstaan, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.
2.4
De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De middelen behoeven voor het overige geen behandeling. Verwijzing moet volgen.
3. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding moet worden toegekend.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 128, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.048 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2019.