Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/5.3.5
5.3.5 Intermezzo I: De Belgische Pandwet
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS584052:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Cauffman 2000, p. 144, Vanwynsberghe 2016b, p. 351.
Coppens 1969, p. 19, Cauffman 2000, p. 142.
Wet van 11 juli 2013 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffing van diverse bepalingen ter zake, BS 2 augustus 2013. De Pandwet vervangt de huidige Titel XVII van Boek III van het Burgerlijk Wetboek, “Inpandgeving”, (art. 2071-2091), door een nieuwe Titel XVII, geheten “Zakelijke zekerheden op roerende goederen”, omvattende de art. 1 tot 75, aldus art. 2 van het Wetsontwerp. Zie over de achtergrond en doelstellingen van de nieuwe wet: Dirix 2017, p. 1-28.
Verougstraete 2014, p. 167 en 169.
Dirix & De Corte 2006/543.
Zie over de uitwinningsbevoegdheden van de pandhouder Malekzadem 2017b, p. 157-177 en Fransis 2017b, p. 179-199.
Aan het nieuwe Belgische recht ligt op dit punt eenzelfde soort onderbouwing ten grondslag als aan het huidige Nederlandse recht (zie par. 5.2.3.2). Ook de Belgische wetgever gaat ervan uit dat de impasse die het retentierecht opwerpt, wordt doorbroken door het toekennen van voorrang aan de vordering van de retentor. De memorie van toelichting bij het wetsontwerp van de Pandwet (p. 72-73): “Indien de schuldenaar failliet wordt verklaard of een andere schuldeiser op de goederen beslag legt, dan kan de retentor instemmen met de vrijgave van de goederen aangezien hij zich beschermd weet door een preferentieel recht op de verkoopopbrengst.”
Dirix 2013, p. 47.
Dirix 2013, p. 9-11, Dirix 2017, p. 14-16.
Volgens de Memorie van Toelichting, p. 27, correspondeert deze rang met het voorrecht van art. 20,4° Hyp.W., voor herstellers. In art. 20,4° Hyp.W. is overigens niet het voorrecht van de hersteller, maar van kosten tot behoud geregeld. Elders in de Memorie van Toelichting, p. 32-33 en 73 worden overigens ook de kosten tot herstel genoemd als grond voor superprioriteit. Anders dan in Nederland, lijkt de Belgische rechtspraak en doctrine – en ook de Memorie van Toelichting – het voorrecht wegens kosten tot behoud ruimhartiger toe te staan dan de Nederlandse en ook geen scherp onderscheid te maken tussen behoud en herstel. Zie Parijs/Delwiche, Commentaar bij artikel 20, 4° Hyp.W., p. 45 (online, laatst bijgewerkt op 24 januari 2012). In Nederland moet het voorrecht voor kosten tot behoud daarentegen restrictief worden geïnterpreteerd. Alleen een schuldeiser die het goed voor fysiek tenietgaan heeft behoed, heeft dit voorrecht, zie HR 24 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1680, NJ 1996/158 m.nt. W.M. Kleijn (Hollander’s kuikenbroederij) en Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1388. Ik laat dit punt verder rusten.
Par. 4.3.4.4.
Verougstraete 2014, p. 170.
Cass. 27 april 2006, RW 2007-08, 1541 m.nt. M.E. Storme (Arcelor Profil/Riga Natie) en Cauffman 2005, p. 687.
Kritisch over de afwezigheid hiervan in het Belgische recht is Van Eessel 2018, p. 1162-1170.
Dirix 2004, p. 1208, Malekzadem 2017a, p. 251.
199. De stand van zaken in België met betrekking tot het retentierecht leek tot 2018 veel op het Nederlandse recht onder het Oud BW.1 Er was geen algemene regeling van het retentierecht; het werd slechts in specifieke gevallen in de wet geregeld. De Belgische doctrine en de rechtspraak namen al wel aan, dat een retentierecht ook buiten deze gevallen kon bestaan.2 Per 1 januari 2018 is de nieuwe ‘Pandwet’ in werking getreden, die voorziet in een nieuwe regeling van het vestigen en de tegenwerpelijkheid van pandrechten op roerende zaken en vorderingen.3 De wet moderniseert op deze punten het Belgische zekerhedenrecht. Naast een nieuwe regeling van het pandrecht, voorziet de Pandwet in een regeling van het eigendomsvoorbehoud en het retentierecht op roerende zaken. De wet beoogt niet het verbintenissenrecht te wijzigen.4 In deze paragraaf ga ik na in hoeverre de zeer jonge Belgische wet correspondeert met het Nederlandse recht. Het is interessant om dit te bekijken, omdat het een piepjonge regeling is in een land dichtbij Nederland.
200. Net zomin als het Franse recht, of het Nederlandse recht onder het Oud BW, verschafte het Belgische retentierecht van vóór de Pandwet de schuldeiser voorrang bij uitwinning van de teruggehouden zaak.5 Onder de Pandwet verandert dit. Art. 75 bepaalt dat het retentierecht aanleiding geeft tot een preferentieel recht van pandhouder als bedoeld in art. 1 Pandwet. Dit art. 1 Pandwet luidt: “Het pand verleent aan de pandhouder het recht om bij voorrang boven de andere schuldeisers te worden betaald uit de bezwaarde goederen.” Hieruit moet niet worden afgeleid dat de retentor in alle opzichten gelijk wordt gesteld met een pandhouder. Hij verkrijgt door deze bepaling niet de executiebevoegdheden die een pandhouder toekomen.6 Art. 75 Pandwet heeft alleen betrekking op de rang van de vordering van de retentor.7 Aangezien art. 1 Pandwet van toepassing is, is het de vraag of de inroepbaarheid van het retentierecht en de rang van zijn vordering in beginsel moeten worden vastgesteld aan de hand van de prioriteitsregel (zie art. 57 lid 2 Pandwet).8 Dit zou aansluiten bij de in het wetsvoorstel voorgestane ‘functionele benadering’ van zekerheidsrechten.9 Een eerder pandrecht zou dan voor een later retentierecht gaan en vice versa. Art. 25 Pandwet bepaalt dat een verkrijging te goeder trouw ingevolge art. 2279 BBW (het Belgische equivalent van het Nederlandse art. 3:86 BW) uitgesloten is. Toch heeft ook in België te gelden, dat de retentor in zijn algemeenheid voorrang heeft boven de anterieure stil pandhouder. Ondanks het feit dat een geregistreerd pandrecht tegenwerpelijk is aan derden, kan een later retentierecht voorrang krijgen. Dat kan twee gronden hebben. Enerzijds is mogelijk dat de vordering van de retentor superprioriteit heeft, ingevolge art. 58 Pandwet. De retentor heeft superprioriteit, wanneer hij een vordering heeft wegens kosten tot behoud.10 Wanneer de retentor geen superprioriteit heeft, heeft zijn vordering alsnog voorrang boven die van een anterieure pandhouder, op voorwaarde dat, in de woorden van art. 75 lid 2 Pandwet: “de schuldeiser bij de inontvangstneming van het goed mocht aannemen dat de schuldenaar bevoegd was om dit goed aan een retentierecht te onderwerpen.” In hoofdstuk 4 heb ik over de invulling van dit criterium in vergelijking met het Nederlandse recht geschreven.11 Hoewel de formulering van art. 75 Pandwet afwijkt van art. 3:291 lid 2 BW, moet daaronder hetzelfde worden verstaan. Het feit dat het pandrecht is geregistreerd, doet dus niets af aan de bescherming van de retentor te goeder trouw. Dit strookt met het gegeven dat een retentor niet een goederenrechtelijk recht verkrijgt op de zaak, maar een ‘contractueel betrokken derde’ is. België is met de regeling van de positie van de retentor in de Pandwet opgeschoven richting Nederland. De Belgische retentor op roerende zaken heeft onder de nieuwe Pandwet dus een positie die vrijwel gelijk is aan de Nederlandse.
Los van de voorziene samenloop met pandrecht, bevat de wet twee algemene bepalingen (art. 73 en 74) over de vereisten voor het retentierecht. Zo’n ‘definitiebepaling’ kende het Belgische recht nog niet, maar een wijziging van het verbintenissenrecht is hiermee niet beoogd.12 Tegenwerpelijkheid van het retentierecht tegen andere derden, zoals leveranciers met een eigendomsvoorbehoud of hypotheekhouders is niet geregeld. Naar aanleiding van een arrest van het Hof van Cassatie leert men dat de afgifte ook kan worden opgeschort jegens anterieure eigenaars op een vergelijkbare manier als in Nederland.13 Maar een verhaalsrecht op diens zaken heeft de retentor niet.14 Voor wat betreft het retentierecht op onroerende zaken, gaat de rechtsleer er wel van uit dat dit bestaanbaar is, maar als het op onroerende zaken aankomt is men in België afkerig van derdenwerking van het retentierecht.15