Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/6.3.1
6.3.1 Renten overbedelingsschulden
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS457783:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Zie tevens het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 3 december 1997, nr. DB97/4318. V-N 1997, blz. 4771.
Nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 11 alsmede toelichting op de (eerste) nota van wijziging Tweede Kamer, Kamerstuknr, 24 761, nr. 8, blz. 12.
Dit komt tot uitdrukking in het zinsdeel aan het slot van art. 20b, tweede lid. Wet IB 'voor zover deze renten pas na het overlijden van de schuldenaar door verrekening met de inkomsten uit de desbetreffende schuldvordering in aanmerking worden genomen.' Overigens is naar mijn mening geen sprake van verrekening, maar van vermenging in de zin van art. 6:161 BW.
Nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 11 alsmede brief staatssecretaris van Financiën van 15 oktober 1996, nr. WDB 96/446M, V-N 1996, blz. 4028. In genoemde brief schrijft de staatssecretaris van Financiën letterlijk: 'De aldus onstane schuld voor zover toe te rekenen aan aandelen die behoren tot een aanmerkelijk belang, heeft in zoverre derhalve betrekking op een overbedeling als bedoeld in artikel 20b, tweede lid.'
Besluit staatssecretaris van Financiën van 23 december 1998, nr. DB98/4092, V-N 1999/5.15. Deze goedkeuring geldt blijkens genoemd Besluit op dezelfde wijze voor de met art. 20b, tweede lid, Wet IB vergelijkbare uitzondering van art. 45, vijfde lid, sub 4, Wet IB.
Geschiedt dit bij verschillende personen, bijvoorbeeld omdat de langstlevende echtgenoot tijdens leven overgaat tot betaling van de verschuldigde rente, dan achtte de fiscale wetgever van een onevenwichtige situatie kennelijk geen sprake. Zie de nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 7, blz. 42 alsmede de toelichting op de (eerste) nota van wijziging Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 8, blz. 12.
In deze zin de staatssecretaris van Financiën in zijn brief van 15 oktober 1996, nr. WDB 96/446M, V-N 1996, blz. 4028. Overigens is opvallend dat de vergelijkbare uitzondering op de consumptieve renteaftrekbeperking in art. 45, vijfde lid, sub 4, Wet IB niet een dergelijk vereiste kent dat deze renten pas na het overlijden van de schuldenaar door verrekening met de inkomsten uit desbetreffende schuldvordering in aanmerking worden genomen. Zie uitgebreider mijn: Knelpunten in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling; voorstellen voor het wetsvoorstel technische wijzigingen 1998, WFR 1999/6305, blz. 1242-1243. Zie tevens A.P.M. van Rijn, Aftrekbaarheid van rente van overbedelingsschulden in de inkomstenbelasting. WFR 1998/6314, blz. 1589 e.v.
De eerste categorie renten van schulden - renten van overbedelingsschulden -betreft situaties dat tot een nalatenschap aanmerkelijkbelangaandelen behoren. Deze aandelen worden vervolgens in het kader van de verdeling van de nalatenschap toegescheiden aan bijvoorbeeld de langstlevende echtgenoot die vervolgens een schuld wegens overbedeling verkrijgt jegens de overige erfgenamen. De rente ter zake van een dergelijke schuld is voorts veelal niet vorderbaar en inbaar en ook niet rentedragend.1 De rente is dan (nog) niet belast, maar veelal eerst op het tijdstip waarop de langstlevende echtgenoot komt te overlijden. Alsdan wordt de gehele schuld, inclusief de bijgeschreven rente, opeisbaar, welke rente vervolgens bij de verdeling door middel van verrekening wordt voldaan. De erfgenamen van de langstlevende echtgenoot zullen immers veelal dezelfde personen zijn als de schuldeisers. Zonder specifieke wettelijke bepaling zou bij de erfgenamen van de langstlevende echtgenoot de rente-inkomsten belast zijn op grond van art. 24 Wet IB tegen het tabeltarief van maximaal 60% en de rentebetalingen als verlies uit aanmerkelijk belang de facto aftrekbaar zijn tegen het proportionele tarief van 25%. Blijkens de toelichting op de (eerste) nota van wijziging achtte de staatssecretaris van Financiën het niet bevredigend dat bij één en dezelfde belastingplichtige op dat tijdstip beide identieke bedragen tegen verschillende tarieven in aanmerking worden genomen.2 Vandaar dat art. 20b, tweede lid, Wet IB is ingevoerd om te bewerkstelligen dat de belastingheffing over de rente-inkomsten en de aftrek van de rentebetaling bij één en dezelfde belastingplichtige ook tegen hetzelfde tarief plaatsvindt.3 Dit is wetstechnisch bereikt door dergelijke overbedelingsrenten uit te sluiten van de op de reguliere voordelen drukkende aftrekbare kosten. Deze overbedelingsrenten vallen daardoor onder de categorie persoonlijke verplichtingen en zijn aldaar aftrekbaar tegen het normale tabeltarief. Als gevolg van de uitzondering in art. 45, vijfde lid, ten vierde, Wet IB geldt het aftrekplafond van art. 45, vierde lid, Wet IB, afgezien van een drempel van ƒ 1041 (1999) (gehuwden ƒ 2082 (1999)), niet voor deze overbedelingsrenten.
Blijkens de reactie van de staatssecretaris van Financiën op het commentaar van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie alsmede het vergelijkbare commentaar van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs tijdens de parlementaire behandeling geldt deze uitzondering van art. 20b, tweede lid, Wet IB ook voor de renten ter zake van schulden die voortvloeien uit in huwelijkse voorwaarden opgenomen (periodieke of finale) verrekenbedingen, hoewel in zo'n situatie strikt genomen geen sprake is van een verdeling van een huwelijksgemeenschap, zoals art. 20b, tweede lid, Wet IB voorschrijft.4 Iets soortgelijks geldt voor de renten van schulden uit hoofde van een (keuze)legaat tegen inbreng, hoewel ook de regeling van art. 20b, tweede lid, Wet IB strikt genomen niet van toepassing is op een (keuze)legaat tegen inbreng, aangezien een (keuze)legaat civielrechtelijk niet als een verdeling van een nalatenschap kan worden aangemerkt. Desalniettemin keurt de staatssecretaris van Financiën goed dat de regeling van art. 20b, tweede lid, Wet IB van toepassing is voor het gedeelte van de renten die betrekking heeft op de schuld, waarvoor op grond van het keuzelegaat meer aan de boedel is onttrokken dan waarop recht bestaat volgens het testament of het wettelijke erfrecht.5 Voorts eist art. 20b, tweede lid, Wet IB nadrukkelijk dat deze renten pas na het overlijden van de schuldenaar door verrekening met de inkomsten uit desbetreffende schuldvordering in aanmerking worden genomen. Hieruit blijkt duidelijk dat de fiscale wetgever enkel een onevenwichtige situatie aanwezig achtte, indien het tegen verschillende tarieven in aanmerking nemen van de rentelast en de rentebate geschiedde bij dezelfde persoon.6 Dit betekent tevens dat de bepaling van art. 20b, tweede lid, Wet IB bij echtscheiding veelal niet zal werken, aangezien bij een later overlijden van de schuldenaar doorgaans geen sprake zal zijn van een verrekening van de inkomsten uit de schuldvordering met de te betalen renten bij dezelfde persoon.7