Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.3.1:4.3.1 Inleiding
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.3.1
4.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644917:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: Wichers 2002, p. 46 en 77.
Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019, p. 7; Zie ook: MO, art. 5.2.10, Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 106.
Zie bijvoorbeeld hieronder, §4.4.2.
HR 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1786, r.o. 3.3.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Is een zaak samengesteld, dan bestaat ze uit “bestanddelen”. Terwijl art. 5:3 BW, waarin het eenheidsbeginsel is opgenomen, bepaalt wat het eigendomsrecht van een zaak omvat, bepaalt art. 3:4 BW wat een zaak is.1 Beide artikelen zijn evenwel nauw met elkaar verbonden. Meijers verwijst in zijn toelichting op art. 5.1.5 (thans art. 5:3 BW) niet voor niets naar art. 3.1.1.3, het huidige art. 3:4 BW. Ook gaan ze alle twee over “bestanddelen”, een term die, anders dan in het OBW, expliciet in het BW is opgenomen. Een “bestanddeel” leidt geen zelfstandig bestaan en is derhalve geen zaak.2 Wordt een zaak door verbinding een bestanddeel van een andere zaak, dan heeft de verbinding goederenrechtelijke consequenties. Een consequentie is dat natrekking plaatsvindt, waardoor het eigendomsrecht van de nagetrokken zaak teniet gaat.3 Vanuit de gedachte van continuïteit is het dus van belang om in kaart te brengen wanneer sprake is van bestanddeelvorming. Het eenheidsbeginsel houdt immers in dat zakelijke rechten slechts op zaken en niet op afzonderlijke bestanddelen kunnen rusten. Art. 3:4 BW bevat in lid 1 en lid 2 twee zelfstandige gronden voor bestanddeelvorming.4