De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring
Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/5.7:5.7 Conclusie
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/5.7
5.7 Conclusie
Documentgegevens:
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250405:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk heb ik de temporele reikwijdte van de aansprakelijkheid van een moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring onderzocht. Allereerst heb ik een overzicht gegeven van vijf standpunten ten aanzien van deze temporele reikwijdte (§ 5.2).
Met betrekking tot deze standpunten is er een tweedeling te maken wat betreft het moment dat bepalend is voor het antwoord op de vraag of een schuld van de 403-maatschappij al of niet onder de reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid valt. Enerzijds wordt aangesloten bij het moment dat de 403-maatschappij de rechtshandeling heeft verricht waaruit de schuld is voortgevloeid. Anderzijds wordt betoogd dat het moment waarop de schuld van de 403-maatschappij opeisbaar is geworden hiervoor bepalend is. Ik heb geconcludeerd dat het eerste uitgangspunt het juiste is omdat dit aansluit bij de temporele reikwijdte van de overblijvende aansprakelijkheid op grond van art. 2:404 lid 2 BW nadat de moedermaatschappij de 403-verklaring heeft ingetrokken (§ 5.3).
Vervolgens ben ik nader ingegaan op de drie standpunten waarbij voor de 403-aansprakelijkheid wordt aangesloten bij het moment dat de 403-maatschappij de rechtshandeling heeft verricht waaruit een schuld is voortgevloeid. Er wordt verdedigd dat de moedermaatschappij aansprakelijk is voor de schulden die voortvloeien uit de rechtshandelingen die de 403-maatschappij heeft verricht vanaf het moment dat de 403-verklaring is gedeponeerd, vanaf het begin van het boekjaar waarover de 403-maatschappij een jaarrekening opmaakt waarbij zij (voor het eerst) gebruikmaakt van de jaarrekeningvrijstelling, of voor alle schulden die voortvloeien en zijn voortgevloeid uit een rechtshandeling. Voor ieder standpunt heb ik gezocht naar aanknopingspunten in de jurisprudentie, parlementaire geschiedenis en Europese richtlijnen. Daarnaast ben ik ingegaan op de voor- en tegenargumenten met betrekking tot ieder standpunt en heb ik onderzocht welk van de standpunten aansluit bij het door mij bepleite uitgangspunt voor de compensatie van de crediteuren (§ 5.4 tot en met § 5.6).
Op één uitspraak na, is sinds 2001 in de jurisprudentie consequent geoordeeld dat een moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring aansprakelijk is voor alle schulden die voortvloeien en zijn voortgevloeid uit een rechtshandeling van de 403-maatschappij.1 Ook in de parlementaire geschiedenis wordt de 403-aansprakelijkheid op deze wijze uitgelegd.2 In eerste instantie merkte de minister nog op dat de aansprakelijkheid van een moedermaatschappij was beperkt tot de toekomstige verplichtingen. Maar later heeft hij het standpunt onderschreven dat een moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring aansprakelijk is voor alle uit een rechtshandeling van de 403-maatschappij voortvloeiende en voortgevloeide schulden.
Dat een moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring aansprakelijk is voor alle schulden die voortvloeien en zijn voortgevloeid uit een rechtshandeling van de 403-maatschappij, sluit aan bij het door mij bepleite uitgangspunt voor compensatie. Zowel de bestaande als de nieuwe crediteuren ondervinden nadeel omdat zij de nieuwe jaarrekening(en) van de 403-maatschappij niet kunnen inzien. Beide groepen crediteuren moeten daarom worden gecompenseerd en moeten zich op grond van de 403-verklaring op de moedermaatschappij kunnen verhalen.3