HR, 04-06-2024, nr. 24/01149 H
ECLI:NL:HR:2024:802
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-06-2024
- Zaaknummer
24/01149 H
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:802, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑06‑2024; (Herziening)
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0116
Uitspraak 04‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Herziening. Belaging, art. 285b.1 Sr. Aangevoerd wordt dat politierechter minder zware strafbepaling zou hebben toegepast, als hij bekend was geweest met omstandigheid dat klachten van aanvrager tegen reclassering en medewerkster van maatschappelijk werk gegrond zijn bevonden. Art. 457.1.c Sv. In aanvraag wordt echter miskend dat onder ‘minder zware strafbepaling’ a.b.i. art. 457.1.c Sv moet worden verstaan strafbepaling met minder zware strafbedreiging. Oplegging door rechter van andere (minder zware) sanctie of achterwege laten van oplegging van sanctie valt daar niet onder. Afwijzing aanvraag.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01149 H
Datum 4 juni 2024
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 augustus 2020, nummer 02-177243-19, ingediend door M.J.N. Vermeij, advocaat te Oegstgeest,
namens
[aanvrager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de aanvrager.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de aanvrager veroordeeld voor belaging tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren en een vrijheidsbeperkende maatregel van vijf jaren.
2. De aanvraag tot herziening
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvraag
3.1
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat, als dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
3.2
In de aanvraag wordt aangevoerd dat de politierechter een minder zware strafbepaling zou hebben toegepast, als hij bekend was geweest met de omstandigheid dat klachten van de aanvrager tegen Reclassering Nederland en een medewerkster van Maatschappelijk Werk […] gegrond zijn bevonden. In de aanvraag wordt echter miskend dat onder ‘een minder zware strafbepaling’ in de zin van artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv moet worden verstaan een strafbepaling met een minder zware strafbedreiging. De oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie of het achterwege laten van de oplegging van een sanctie valt daar niet onder.
3.3
De aanvraag is, gelet op wat hiervoor is overwogen, kennelijk ongegrond.
4. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juni 2024.