Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:98 BW:Causaal verband
Archief
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:98 BW
Causaal verband
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 23-12-2025
Actueel t/m
23-12-2025
Tijdvak
01-01-1992 tot: -
Auteur
mr. F.J.P. Lock
Vindplaats
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:98 BW
Bij de condicio sine qua non gaat het om het feitelijke causale verband tussen de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust en de schade. Elke voorwaarde zonder welke de schade niet zou zijn ingetreden, is in die optiek oorzaak van de schade. De condicio sine qua non is aldus een test. Daarbij moet men de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust wegdenken en zich afvragen of de schade zonder die gebeurtenis zou zijn ingetreden. Zo niet, dan is er causaal (c.s.q.n.) verband; zo ja dan is er klaarblijkelijk geen causaal (c.s.q.n.) verband. Aangezien causaal verband een vereiste is voor het ontstaan van een verplichting tot schadevergoeding (dat is het rechtsgevolg dat de benadeelde inroept) uit bijvoorbeeld onrechtmatige daad of wanprestatie, rusten op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv de stelplicht en de bewijslast van dit c.s.q.n.-verband op de benadeelde1 en daarmee dus in beginsel ook het bewijsrisico. De aansprakelijk gestelde die aanvoert dat de schade een andere oorzaak heeft, vaak zo verwoord dat de schade er ook zou zijn geweest zonder de normschending, draagt daarvan niet de bewijslast. Dat is dan immers een betwisting van het door de benadeelde te stellen en zo nodig te bewijzen causale verband tussen normschending en schade.2
Er zijn verscheidene manieren waarop de rechter in het verband van de stelplicht en bewijslast de benadeelde tegemoet kan komen. De rechter kan ter zake van het c.s.q.n.-verband in de bijzondere omstandigheden van het geval aanleiding vinden om te oordelen dat op de wederpartij van de benadeelde een verzwaarde motiveringsplicht rust (dat wil zeggen een verplichting om voldoende feitelijke gegevens te verstrekken ter motivering van haar betwisting, teneinde de benadeelde voldoende aanknopingspunten te bieden voor het nader onderbouwen en zo nodig bewijzen van de door hem gestelde feiten.3 Als de aansprakelijk gestelde partij haar betwisting van het c.s.q.n.-verband onvoldoende motiveert, kan de rechter aan die betwisting voorbijgaan, zodat het verband vaststaat. Daarnaast kan de rechter, als de wederpartij de stellingen van de benadeelde ter zake van het c.s.q.n.-verband wel voldoende heeft betwist, op grond van zijn waardering van de wederzijdse stellingen en het voorhanden bewijsmateriaal de betwiste stelling voorshands bewezen achten, behoudens tegenbewijs. In sommige gevallen is de rechter zelfs gehouden om in dit verband met een bewijsvermoeden te werken (zie hierna onder āOmkeringsregelā). Ten slotte kan de rechter oordelen dat in de bijzondere omstandigheden van het geval uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een omkering van de bewijslast voortvloeit (art. 150, slot Rv).4
Een bijzonder geval van betwisting van causaal verband doet zich voor ingeval een advocaat wordt aangesproken tot schadevergoeding op de grond dat hij een beroepsfout heeft gemaakt waardoor de cliĆ«nt de kans op een betere uitkomst van de procedure is ontnomen. Als de advocaat dan aanvoert dat de procedure ook zonder de beroepsfout niet een betere uitkomst zou hebben gehad, vormt dat betoog een betwisting van het causaal verband tussen de beroepsfout en de gestelde schade. Ter beoordeling van het causaal verband volgt dan een ātrial within a trialā: in de aansprakelijkheidsprocedure moet worden beoordeeld hoe de oorspronkelijke procedure had behoren (af) te lopen als de advocaat geen beroepsfout had gemaakt.5 Dan doet zich de vraag voor wie de bewijslast heeft van wat zich in die hypothetische situatie zou hebben afgespeeld. In een arrest uit 20126 heeft de Hoge Raad aanwijzingen gegeven hoe met de bewijslastverdeling in een aansprakelijkheidsprocedure als deze om te gaan. In dat arrest werd een advocaat aangesproken tot vergoeding van schade als gevolg van een door hem in een procedure gemaakte beroepsfout (verzuimd een verweer te voeren dat de cliĆ«nt als vennoot reeds was uitgetreden) en ging het om de vraag wie moest bewijzen dat het verweer succes zou hebben gehad. Het hof oordeelde in die zaak dat deze bewijslast bij de cliĆ«nt lag en gaf hem een specifieke bewijsopdracht ter zake. De Hoge Raad casseerde: āTerecht betoogt het onderdeel, naar de kern genomen, dat het hof hiermee blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Een zodanig toegespitste bewijsopdracht met het daaraan verbonden bewijsrisico brengt [de cliĆ«nt] in een lastiger bewijspositie dan gerechtvaardigd is, nu die eraan voorbij gaat dat [de oorspronkelijk eiser], als de beroepsfout niet was gemaakt, in de eerste procedure zou hebben moeten bewijzen dat [de cliĆ«nt] de vennootschap had voortgezet en dus op dat punt het bewijsrisico zou hebben gedragen. Opmerking verdient nog dat aan de bewijslevering in de onderhavige procedure eveneens andere eisen dienen te worden gesteld dan de eisen die daarvoor zouden hebben gegolden in de eerste procedure tussen (onder meer) [de cliĆ«nt] en [de oorspronkelijk eiser]. Bij de waardering van het bewijs zal immers ook rekening moeten worden gehouden met de verschillen tussen beide procedures, waaronder het verschil in bewijsrisico en eventuele verschillen in bewijsmogelijkheden.ā Op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv is het dus wel aan de cliĆ«nt om het causaal verband tussen de beroepsfout en zijn schade te bewijzen, maar als dat betekent dat hij feiten moet bewijzen die nodig zijn om te kunnen vaststellen dat een bepaald (bevrijdend of zelfstandig) verweer dat de oorspronkelijk aansprakelijke partij had kunnen voeren (en waarvoor die partij dus de bewijslast zou hebben gedragen), door de rechter in de oorspronkelijke procedure gehonoreerd zou zijn, wordt hij āĀ in de woorden van de Hoge RaadĀ ā in een lastiger bewijspositie gebracht dan gerechtvaardigd. De Hoge Raad trekt daaruit evenwel niet de conclusie dat dan maar de advocaat moet bewijzen dat dit verweer niet gehonoreerd zou zijn. In plaats daarvan geeft de Hoge Raad āeen passende bewijsopdrachtā, namelijk ādraagt [de cliĆ«nt] op aannemelijk te maken dat zijn verweer in de eerdere procedure zou zijn gehonoreerdā. Met deze bewijsopdracht laat de Hoge Raad de bewijslast (in de zin van bewijsrisico) bij de partij die zich op (de rechtsgevolgen van) het causaal verband beroept. Maar de met het bewijs belaste partij wordt wel, wegens de bewijslastverdeling zoals die in de oorspronkelijke procedure zou zijn uitgevallen, tegemoet gekomen. Daarmee wordt zijn bewijsrisico niet weggenomen, maar wel verlicht. Dit blijft overigens wel wat vaag en het is niet helemaal duidelijk over welke eisen aan de bewijslevering de Hoge Raad het heeft, maar de Hoge Raad lijkt daar niet veel anders mee te bedoelen dan dat de ābewijslatā lager ligt dan normaal gesproken het geval is. Het is de vraag of deze āoplossingā van de Hoge Raad en de in dat verband gegeven bewijsopdracht een gelukkige is.7 Bewijslevering is gericht op het vaststellen van feiten (of rechten in de zin van art. 150 Rv) en komt pas aan de orde als die feiten enerzijds zijn gesteld en anderzijds voldoende gemotiveerd zijn betwist (art. 149 Rv). Een bewijsopdracht zou zo feitelijk mogelijk moeten zijn.8 Het is vervolgens aan de rechter om aan de hand van het geleverde bewijs te beoordelen of voldoende feiten zijn komen vast te staan om het beoogde rechtsgevolg te laten intreden. Ook in een ātrial within a trialā is dat niet anders. Hoe de rechter in de oorspronkelijke procedure geoordeeld zou hebben, betreft een rechterlijk oordeel dat zich op zichzelf niet voor bewijslevering leent. Wat zich wel voor bewijslevering leent, zijn de feiten die nodig zijn om dat oordeel te kunnen geven. Het zijn die feiten waarop de bewijsopdracht zich zou moeten richten. Het lijkt niet zuiver, of in ieder geval niet nodig, om de verlichting van het bewijsrisico te zoeken in een minder concreet probandum. Daar komt bij dat de Hoge Raad misschien beter een stap verder had kunnen gaan door het bewijsrisico wel (volledig) te leggen bij de partij (of degene die er in wezen voor kiest haar procespositie in de aansprakelijkheidsprocedure over te nemen) die de bewijslast ter zake van het te bewijzen feit ook in de oorspronkelijke procedure gehad zou hebben.9 Daarmee is dan geen sprake van een algehele omkering van de bewijslast ten aanzien van het causaal verband in de aansprakelijkheidsprocedure, maar wel van een beperkte op de redelijkheid en billijkheid gebaseerde bijzondere regel van bewijslastverdeling, waarbij in een beroepsaansprakelijkheidsprocedure tegen een advocaat het overnemen van de procespositie van de oorspronkelijke wederpartij door de aangesproken advocaat ook het overnemen van haar bewijspositie betekent. Een dergelijke regel10 lijkt meer consequent, duidelijker, praktisch beter hanteerbaar en meer recht te doen aan de positie van de partij die nu juist slachtoffer geworden is van de beroepsfout van de advocaat.
Omkeringsregel
In bepaalde gevallen wordt de benadeelde tot op zekere hoogte tegen zijn bewijsrisico beschermd. Als door een als onrechtmatige daad of wanprestatie aan te merken gedraging een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt, is daarmee het causaal verband tussen die gedraging en de schade in beginsel gegeven.11 Deze regel staat bekend als de omkeringsregel.12 Anders dan de voor deze regel in zwang geraakte aanduiding13 veronderstelt, ziet de regel niet op omkering van de bewijslast. De regel introduceert slechts een vermoeden van het bestaan van causaal verband (in de zin van c.s.q.n.-verband) tussen een onrechtmatige daad of tekortkoming en het ontstaan van de schade, tegen welk vermoeden tegenbewijs openstaat. Dit vermoeden van causaal verband kan en moet, ook ambtshalve, worden aangenomen als sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade, terwijl degene die zich op schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt.14 Het bewijsrisico van de (doorgaans eisende) partij op wie de bewijslast van het causaal verband rust, wordt met toepassing van de omkeringsregel dus in zoverre verlicht dat behoudens tegenbewijs wordt aangenomen dat de normschending tot het gerealiseerde gevaar ter zake van het ontstaan van schade (de schadegebeurtenis of het schadevoorval) heeft geleid. De aansprakelijk gestelde partij is dan in bewijsrechtelijk opzicht aan zet, in die zin dat zij aannemelijk dient te maken dat de bedoelde schade ook zonder de normschending zou zijn ontstaan.15 Als de aangesprokene daarin slaagt, dan is het causaal verband niet meer gegeven. De volle stelplicht en bewijslast van het c.s.q.n.-verband komen dan weer bij de benadeelde te liggen.16 Praktisch gesproken zal hij daaraan veelal niet (alsnog) kunnen voldoen.
Voor toepassing van deze regel is dus vereist dat sprake is van een norm die strekt ter voorkoming van een specifiek gevaar en dat de benadeelde bij betwisting voldoende gemotiveerd stelt dat het specifieke gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich in dit geval ook heeft verwezenlijkt. Niet iedere gebeurtenis en daarmee samenhangende schade die in enig verband kan worden gebracht met een normschending leidt tot toepasselijkheid van de omkeringsregel. Duidelijk moet zijn (1) welke norm is geschonden, (2) welk specifieke gevaar daarmee (in het algemeen) in het leven wordt geroepen en (3) dat dit specifieke gevaar zich ook in dit concrete geval heeft verwezenlijkt. Daarbij moet de norm voldoende concreet zijn teneinde aan schending daarvan ook een specifiek risico te kunnen koppelen; een algemene norm die niet tegen een specifiek gevaar beoogt te beschermen is onvoldoende.17 Niet is vereist dat het specifieke gevaar door de normschending in het algemeen aanmerkelijk wordt vergroot.18
Als aan deze voorwaarden is voldaan, is het redelijk om behoudens tegenbewijs ervan uit te gaan dat als het specifieke gevaar waartegen de norm beoogt te beschermen zich heeft verwezenlijkt, dit een gevolg moet zijn geweest van de normschending. Het is vervolgens aan de aangesprokene om aannemelijk te maken dat de schade ook zonder de gedraging zou zijn ontstaan.19,20
Als de toedracht van het schadevoorval niet vast staat of niet vast staat dat het gevaar waartegen de norm beoogt te beschermen zich heeft gerealiseerd, is voor toepassing van de omkeringsregel geen plaats.21 De omkeringsregel is overigens beperkt tot het c.s.q.n.-verband en strekt zich niet uit tot de omvang van de schade.22
In de literatuur is wel betoogd dat de omkeringsregel alleen zou dienen om het ālaatste restje causaliteitsonzekerheidā weg te nemen. 23 Dat is niet mijn zienswijze. De vraag of de omkeringsregel slechts dient om het laatste restje causaliteitsonzekerheid weg te nemen, is volgens mij ontkennend beantwoord met HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7264, NJ 2012/669 (gynaecoloog'; zie ook de noot onder dit arrest van Van Velsen in TBR 2013/16 die spreekt over een hardnekkig dwaalspoor ter zake). In dat arrest heeft de Hoge Raad niet alleen met zoveel woorden overwogen dat āĀ anders dan uit eerdere arresten wel werd afgeleidĀ ā de voorwaarde dat de kans op verwezenlijking van het door de normschending in het leven geroepen specifieke gevaar aanmerkelijk moet zijn vergroot geen geldend recht is. Ook heeft de Hoge Raad in reactie op het cassatiemiddel dat aan de orde stelde dat de omkeringsregel alleen kan strekken tot het wegnemen van het laatste restje causaliteitsonzekerheid het volgende overwogen:
āDe ratio van de omkeringsregel brengt mee dat in gevallen als de onderhavige de onzekerheid omtrent het exacte verloop van de gebeurtenissen voor risico komt van degene die de desbetreffende norm heeft geschonden zodat, anders dan het onderdeel kennelijk veronderstelt, dat verloop in die gevallen in zoverre niet door de benadeelde behoeft te worden gesteld en, in geval van betwisting, bewezen.ā
Hoewel ik deze overweging niet helemaal zuiver vind (waar de omkeringsregel slechts een vermoeden van causaal verband vestigt, is het dogmatisch niet juist om het risico van de onzekerheid āĀ lees: het bewijsrisicoĀ ā ter zake aan de normschender toe te schrijven), volgt hier in ieder geval uit dat de Hoge Raad aan de stelplicht van de eiser ten aanzien van het causaal verband tussen normschending en gerealiseerd gevaar (in dit arrest aangeduid als āhet exacte verloop van de gebeurtenissenā) geen (hoge) eisen stelt. Daarmee verdraagt zich bezwaarlijk dat de Hoge Raad de eis zou stellen dat de benadeelde dat verband wel al aannemelijk moet maken voordat tot toepassing van de omkeringsregel kan worden besloten. De voorwaarde dat degene die zich op de schending van de norm beroept ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden zich heeft verwezenlijkt, houdt niet in dat aannemelijk moet worden gemaakt dat er c.s.q.n.-verband is tussen normschending en schade, maar houdt in dat aannemelijk moet worden dat het risico dat zich heeft verwezenlijkt datgene is waartegen de norm specifiek beoogde te beschermen. Zoals Van Velsen in voornoemde annotatie het verwoordt: dat is dus geen vraag van causaliteit maar veeleer van relativiteit.
Dat een vermoeden van c.s.q.n.-verband reeds op voorhand zou moeten vaststaan of aannemelijk zou moeten zijn gemaakt voordat met toepassing van de omkeringsregel het ālaatste restjeā onzekerheid ten aanzien van het causaal verband zou kunnen worden weggenomen, lijkt mij in het licht van het voorgaande geen houdbaar vereiste. Zoals Hartkamp al concludeerde voor het arrest ACE/Fino (ECLI:NL:PHR:2003:AF2969), speelt voor de vraag naar de toepasselijkheid van de omkeringsregel het concrete feitelijke vermoeden van causaal verband nu juist geen zelfstandige rol. Het gaat erom of de geschonden norm ertoe strekt een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade te voorkomen en of dit gevaar zich in het concrete geval heeft verwezenlijkt. Het voldaan zijn aan die vereisten noopt de feitenrechter tot het aannemen van causaal verband, waarbij de werkelijke vermoedens van de rechter omtrent de aan- of afwezigheid van causaal verband pas weer een rol spelen in het kader van het door de aansprakelijk gestelde partij te leveren tegenbewijs. Dit vormt nu juist de bestaansreden van de omkeringsregel.
Toerekening
Verschillend wordt geoordeeld over de vraag of er ook een stelplicht en bewijslast geldt ten aanzien van de toerekening. In de literatuur wordt wel aangenomen dat de toerekeningsvraag van art. 6:98 BW een rechtsvraag is die zich niet voor bewijslevering leent.24 Uit rechtspraak van de Hoge Raad valt af te leiden dat ook voor de beantwoording van de toerekeningsvraag stelplicht en bewijslast kan bestaan.25 Dat zal zo moeten worden opgevat dat die betrekking hebben op feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot het oordeel moeten leiden dat bepaalde schade wel of niet kan worden toegerekend. De stelplicht en de bewijslast van feiten en omstandigheden in de hiervoor bedoelde zin rusten overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv in beginsel op de benadeelde. Dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd aan de benadeelde kan worden toegerekend is immers een vereiste voor de intreding van het door de benadeelde ingeroepen rechtsgevolg, te weten een verbintenis tot vergoeding van de gevorderde schade. Het enkele feit dat de toerekeningsmaatstaf van art. 6:98 BW alleen tot een beperking kan leiden van de aansprakelijkheid voor gevolgen die in c.s.q.n.-verband staan met de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en niet tot een uitbreiding van de aansprakelijkheid voor gevolgen die daarmee niet in c.s.q.n.-verband staan, maakt mijns inziens niet dat het inroepen van art. 6:98 BW steeds een beroep inhoudt op een bevrijdende omstandigheid waarvan de stelplicht en bewijslast op de aangesprokene rusten.26
Voor de gedachte dat de stelplicht en de bewijslast van feiten en omstandigheden die voor de toepassing van art. 6:98 BW relevant zijn in beginsel op de benadeelde rusten, valt steun te vinden in de jurisprudentie van de Hoge Raad. In de effectenlease-arresten27 is dit met zoveel woorden ten aanzien van het causaal verband overwogen. De rov. 5.4.1-5.4.2 laten zich zo lezen dat die stelplicht- en bewijslastverdeling ook geldt voor āĀ kort gezegdĀ ā de toepassing van art. 6:98 BW. Voor het in dat arrest bedoelde tekortschieten in de zorgplicht geldt blijkens rov. 5.4.3 dat het aangaan van de overeenkomst āĀ en daarmee de daaruit voortvloeiende schadeĀ ā kan worden toegerekend in de zin van art. 6:98 BW, ābehoudens voldoende door de aanbieder gestelde en te bewijzen aangeboden feiten en omstandigheden waaruit anders kan blijkenā. Tegen de achtergrond van het in de rov. 5.4.1 en 5.4.2 besloten liggende uitgangspunt zal dit zo begrepen moeten worden dat in het specifieke geval van schending van een zorgplicht als in dat arrest bedoeld kan worden toegerekend, behoudens door de aansprakelijke persoon te leveren tegenbewijs. Een algemene regel dat schade die in c.s.q.n.-verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust in beginsel ook aan die gebeurtenis moet worden toegerekend, behoudens tegenbewijs zou ik uit deze arresten niet willen afleiden, laat staan een regel dat de bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat een bepaalde schade niet kan worden toegerekend steeds op de aansprakelijke persoon rust. Ook het World Online-arrest28 bevestigt dat voor de toepassing van art. 6:98 BW in beginsel de gewone bewijsregels gelden. Tot die gewone bewijsregels behoren ook de regels van stelplicht- en bewijslastverdeling.
Het komt echter ook voor dat tegenover vastgesteld c.s.q.n.-verband de bewijslast van het betoog van de aangesprokene dat hem de schade niet kan worden toegerekend als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, bij de aangesprokene wordt gelegd en dat betoog dus als een bevrijdend (verweer) wordt opgevat. Dat heeft de Hoge Raad eens beslist in een geval waarin de aangesprokene zich erop beriep dat de schade in een te ver verwijderd verband stond.29 De Hoge Raad overwoog in dat arrest dat het hof āuitgaande van zijn kennelijk oordeel dat de onderbreking van de gastoevoer naar Shellfish niet zou zijn opgetreden als de onderhavige gasleiding niet zou zijn doorgesneden, zodat in ieder geval een ācondicio sine qua nonā verband tussen de beschadiging en die onderbreking vaststaat, [het] Hof terecht Nacap (heeft) belast met het bewijs van de juistheid van de tot haar verweer aangevoerde stelling dat de door Shellfish gestelde schade in een zodanig verwijderd verband tot de beschadiging van de getroffen leiding staat, dat het causale verband daardoor is verbrokenā. Aan te nemen valt dat met het c.s.q.n.-verband het causaal verband zo evident aanwezig was, dat de aangesprokene die zich erop beroept dat het is doorbroken omdat het schadelijke gevolg in een te ver verwijderd verband staat, de daarvoor benodigde feiten en omstandigheden moet bewijzen. Ook hieruit zou ik niet een algemene regel als hiervoor bedoeld willen afleiden. Voor het antwoord op de vraag op wie de stelplicht en de bewijslast rusten, zal het er vermoedelijk van afhangen door wie in welke context een beroep op welke toerekeningsfactor wordt gedaan. Zo is het denkbaar dat de aangesprokene zich beroept op omstandigheden die tot een beperkte toerekening moeten leiden, terwijl de gedaagde zich daartegenover beroept op (andere) omstandigheden die een ruime toerekening rechtvaardigen.30 Het zal dan op grond van de hoofdregel aan de benadeelde zijn zo nodig bewijs te leveren van de daarvoor relevante feiten en omstandigheden. Wie bepaalde voor de toerekening relevante feiten en omstandigheden in concreto moet bewijzen zal daarom van de concrete omstandigheden van het geval afhangen.
Verbreking
Indien het c.s.q.n.-verband is komen vast te staan, dan is het aan de aangesprokene die stelt dat het causaal verband is verbroken, de daartoe benodigde feiten en omstandigheden te bewijzen.31 Datzelfde geldt indien de aangesprokene zich daartoe beroept op een deelregel van toerekening.32 Zie over dat laatste ook de opmerkingen in de alinea hiervoor.
Nog afgezien van de vraag of het wel juist dat de bewijslast in de oorspronkelijke procedure niet op de cliƫnt (maar op zijn wederpartij) had gelegen, zie daarover m.i. terecht kritisch Asser in zijn NJ-noot onder het arrest.
Zie over de geschiedenis van de omkeringsregel in de rechtspraak van de Hoge Raad o.a. Asser/Sieburgh 6-II 2025/76-78 en Boonekamp, GS Schadevergoeding, art. 6:98 BW, aant. 2.6.1 e.v.
Als de benadeelde reeds gelegenheid heeft gehad in contra-enquĆŖte getuigen te doen horen, hoeft hem niet zonder meer een (nieuwe) bewijsgelegenheid te worden gegeven. Vgl. HR 26 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8766, NJ 2013/261.
In deze zin HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815 en ECLI:NL:HR:2009:BH2811, NJ 2012/182 en 183 m.nt. Vranken (De Treek/Dexia en Levob/Bolle); in rov. 5.4.1 en 5.4.2 (Dexia). Zie ook HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162, NJ 2014/201 (World Online) m.nt. Du Perron, waarin de Hoge Raad in rov. 4.11.3 overweegt ādat ten aanzien van (ā¦) het causaal verband als bedoeld in art. 6:98 BW in beginsel de gewone bewijsregels blijven geldenā.
Anders Lindenbergh in zijn noot onder HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483, NJ 2017/262 onder 7, zij het dat hij geen bewijslast voor de aangesprokene aanneemt, maar een āargumentatielastā. Dat lijkt ook de lijn in Asser/Sieburgh 6-II 2025/82. Anders ook het hof in de zaak die tot dit arrest heeft geleid, te kennen uit rov 3.2.3. van het arrest van de Hoge Raad. Volgens het hof rusten, uitgaand van de aanwezigheid van c.s.q.n.-verband, de stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de schade niet kan worden toegerekend, op de aangesprokene.
Fruytier noemt dit het ājanuskoppige karakterā van art. 6:98 BW, in Fruytier, De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/552.
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:98 BW
Causaal verband
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 23-12-2025
23-12-2025
01-01-1992 tot: -
mr. F.J.P. Lock
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:98 BW
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Burgerlijk Wetboek Boek 6 artikel 98
Condicio sine qua non
Bij de condicio sine qua non gaat het om het feitelijke causale verband tussen de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust en de schade. Elke voorwaarde zonder welke de schade niet zou zijn ingetreden, is in die optiek oorzaak van de schade. De condicio sine qua non is aldus een test. Daarbij moet men de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust wegdenken en zich afvragen of de schade zonder die gebeurtenis zou zijn ingetreden. Zo niet, dan is er causaal (c.s.q.n.) verband; zo ja dan is er klaarblijkelijk geen causaal (c.s.q.n.) verband. Aangezien causaal verband een vereiste is voor het ontstaan van een verplichting tot schadevergoeding (dat is het rechtsgevolg dat de benadeelde inroept) uit bijvoorbeeld onrechtmatige daad of wanprestatie, rusten op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv de stelplicht en de bewijslast van dit c.s.q.n.-verband op de benadeelde1 en daarmee dus in beginsel ook het bewijsrisico. De aansprakelijk gestelde die aanvoert dat de schade een andere oorzaak heeft, vaak zo verwoord dat de schade er ook zou zijn geweest zonder de normschending, draagt daarvan niet de bewijslast. Dat is dan immers een betwisting van het door de benadeelde te stellen en zo nodig te bewijzen causale verband tussen normschending en schade.2
Er zijn verscheidene manieren waarop de rechter in het verband van de stelplicht en bewijslast de benadeelde tegemoet kan komen. De rechter kan ter zake van het c.s.q.n.-verband in de bijzondere omstandigheden van het geval aanleiding vinden om te oordelen dat op de wederpartij van de benadeelde een verzwaarde motiveringsplicht rust (dat wil zeggen een verplichting om voldoende feitelijke gegevens te verstrekken ter motivering van haar betwisting, teneinde de benadeelde voldoende aanknopingspunten te bieden voor het nader onderbouwen en zo nodig bewijzen van de door hem gestelde feiten.3 Als de aansprakelijk gestelde partij haar betwisting van het c.s.q.n.-verband onvoldoende motiveert, kan de rechter aan die betwisting voorbijgaan, zodat het verband vaststaat. Daarnaast kan de rechter, als de wederpartij de stellingen van de benadeelde ter zake van het c.s.q.n.-verband wel voldoende heeft betwist, op grond van zijn waardering van de wederzijdse stellingen en het voorhanden bewijsmateriaal de betwiste stelling voorshands bewezen achten, behoudens tegenbewijs. In sommige gevallen is de rechter zelfs gehouden om in dit verband met een bewijsvermoeden te werken (zie hierna onder āOmkeringsregelā). Ten slotte kan de rechter oordelen dat in de bijzondere omstandigheden van het geval uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een omkering van de bewijslast voortvloeit (art. 150, slot Rv).4
Een bijzonder geval van betwisting van causaal verband doet zich voor ingeval een advocaat wordt aangesproken tot schadevergoeding op de grond dat hij een beroepsfout heeft gemaakt waardoor de cliĆ«nt de kans op een betere uitkomst van de procedure is ontnomen. Als de advocaat dan aanvoert dat de procedure ook zonder de beroepsfout niet een betere uitkomst zou hebben gehad, vormt dat betoog een betwisting van het causaal verband tussen de beroepsfout en de gestelde schade. Ter beoordeling van het causaal verband volgt dan een ātrial within a trialā: in de aansprakelijkheidsprocedure moet worden beoordeeld hoe de oorspronkelijke procedure had behoren (af) te lopen als de advocaat geen beroepsfout had gemaakt.5 Dan doet zich de vraag voor wie de bewijslast heeft van wat zich in die hypothetische situatie zou hebben afgespeeld. In een arrest uit 20126 heeft de Hoge Raad aanwijzingen gegeven hoe met de bewijslastverdeling in een aansprakelijkheidsprocedure als deze om te gaan. In dat arrest werd een advocaat aangesproken tot vergoeding van schade als gevolg van een door hem in een procedure gemaakte beroepsfout (verzuimd een verweer te voeren dat de cliĆ«nt als vennoot reeds was uitgetreden) en ging het om de vraag wie moest bewijzen dat het verweer succes zou hebben gehad. Het hof oordeelde in die zaak dat deze bewijslast bij de cliĆ«nt lag en gaf hem een specifieke bewijsopdracht ter zake. De Hoge Raad casseerde: āTerecht betoogt het onderdeel, naar de kern genomen, dat het hof hiermee blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Een zodanig toegespitste bewijsopdracht met het daaraan verbonden bewijsrisico brengt [de cliĆ«nt] in een lastiger bewijspositie dan gerechtvaardigd is, nu die eraan voorbij gaat dat [de oorspronkelijk eiser], als de beroepsfout niet was gemaakt, in de eerste procedure zou hebben moeten bewijzen dat [de cliĆ«nt] de vennootschap had voortgezet en dus op dat punt het bewijsrisico zou hebben gedragen. Opmerking verdient nog dat aan de bewijslevering in de onderhavige procedure eveneens andere eisen dienen te worden gesteld dan de eisen die daarvoor zouden hebben gegolden in de eerste procedure tussen (onder meer) [de cliĆ«nt] en [de oorspronkelijk eiser]. Bij de waardering van het bewijs zal immers ook rekening moeten worden gehouden met de verschillen tussen beide procedures, waaronder het verschil in bewijsrisico en eventuele verschillen in bewijsmogelijkheden.ā Op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv is het dus wel aan de cliĆ«nt om het causaal verband tussen de beroepsfout en zijn schade te bewijzen, maar als dat betekent dat hij feiten moet bewijzen die nodig zijn om te kunnen vaststellen dat een bepaald (bevrijdend of zelfstandig) verweer dat de oorspronkelijk aansprakelijke partij had kunnen voeren (en waarvoor die partij dus de bewijslast zou hebben gedragen), door de rechter in de oorspronkelijke procedure gehonoreerd zou zijn, wordt hij āĀ in de woorden van de Hoge RaadĀ ā in een lastiger bewijspositie gebracht dan gerechtvaardigd. De Hoge Raad trekt daaruit evenwel niet de conclusie dat dan maar de advocaat moet bewijzen dat dit verweer niet gehonoreerd zou zijn. In plaats daarvan geeft de Hoge Raad āeen passende bewijsopdrachtā, namelijk ādraagt [de cliĆ«nt] op aannemelijk te maken dat zijn verweer in de eerdere procedure zou zijn gehonoreerdā. Met deze bewijsopdracht laat de Hoge Raad de bewijslast (in de zin van bewijsrisico) bij de partij die zich op (de rechtsgevolgen van) het causaal verband beroept. Maar de met het bewijs belaste partij wordt wel, wegens de bewijslastverdeling zoals die in de oorspronkelijke procedure zou zijn uitgevallen, tegemoet gekomen. Daarmee wordt zijn bewijsrisico niet weggenomen, maar wel verlicht. Dit blijft overigens wel wat vaag en het is niet helemaal duidelijk over welke eisen aan de bewijslevering de Hoge Raad het heeft, maar de Hoge Raad lijkt daar niet veel anders mee te bedoelen dan dat de ābewijslatā lager ligt dan normaal gesproken het geval is. Het is de vraag of deze āoplossingā van de Hoge Raad en de in dat verband gegeven bewijsopdracht een gelukkige is.7 Bewijslevering is gericht op het vaststellen van feiten (of rechten in de zin van art. 150 Rv) en komt pas aan de orde als die feiten enerzijds zijn gesteld en anderzijds voldoende gemotiveerd zijn betwist (art. 149 Rv). Een bewijsopdracht zou zo feitelijk mogelijk moeten zijn.8 Het is vervolgens aan de rechter om aan de hand van het geleverde bewijs te beoordelen of voldoende feiten zijn komen vast te staan om het beoogde rechtsgevolg te laten intreden. Ook in een ātrial within a trialā is dat niet anders. Hoe de rechter in de oorspronkelijke procedure geoordeeld zou hebben, betreft een rechterlijk oordeel dat zich op zichzelf niet voor bewijslevering leent. Wat zich wel voor bewijslevering leent, zijn de feiten die nodig zijn om dat oordeel te kunnen geven. Het zijn die feiten waarop de bewijsopdracht zich zou moeten richten. Het lijkt niet zuiver, of in ieder geval niet nodig, om de verlichting van het bewijsrisico te zoeken in een minder concreet probandum. Daar komt bij dat de Hoge Raad misschien beter een stap verder had kunnen gaan door het bewijsrisico wel (volledig) te leggen bij de partij (of degene die er in wezen voor kiest haar procespositie in de aansprakelijkheidsprocedure over te nemen) die de bewijslast ter zake van het te bewijzen feit ook in de oorspronkelijke procedure gehad zou hebben.9 Daarmee is dan geen sprake van een algehele omkering van de bewijslast ten aanzien van het causaal verband in de aansprakelijkheidsprocedure, maar wel van een beperkte op de redelijkheid en billijkheid gebaseerde bijzondere regel van bewijslastverdeling, waarbij in een beroepsaansprakelijkheidsprocedure tegen een advocaat het overnemen van de procespositie van de oorspronkelijke wederpartij door de aangesproken advocaat ook het overnemen van haar bewijspositie betekent. Een dergelijke regel10 lijkt meer consequent, duidelijker, praktisch beter hanteerbaar en meer recht te doen aan de positie van de partij die nu juist slachtoffer geworden is van de beroepsfout van de advocaat.
Omkeringsregel
In bepaalde gevallen wordt de benadeelde tot op zekere hoogte tegen zijn bewijsrisico beschermd. Als door een als onrechtmatige daad of wanprestatie aan te merken gedraging een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt, is daarmee het causaal verband tussen die gedraging en de schade in beginsel gegeven.11 Deze regel staat bekend als de omkeringsregel.12 Anders dan de voor deze regel in zwang geraakte aanduiding13 veronderstelt, ziet de regel niet op omkering van de bewijslast. De regel introduceert slechts een vermoeden van het bestaan van causaal verband (in de zin van c.s.q.n.-verband) tussen een onrechtmatige daad of tekortkoming en het ontstaan van de schade, tegen welk vermoeden tegenbewijs openstaat. Dit vermoeden van causaal verband kan en moet, ook ambtshalve, worden aangenomen als sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade, terwijl degene die zich op schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt.14 Het bewijsrisico van de (doorgaans eisende) partij op wie de bewijslast van het causaal verband rust, wordt met toepassing van de omkeringsregel dus in zoverre verlicht dat behoudens tegenbewijs wordt aangenomen dat de normschending tot het gerealiseerde gevaar ter zake van het ontstaan van schade (de schadegebeurtenis of het schadevoorval) heeft geleid. De aansprakelijk gestelde partij is dan in bewijsrechtelijk opzicht aan zet, in die zin dat zij aannemelijk dient te maken dat de bedoelde schade ook zonder de normschending zou zijn ontstaan.15 Als de aangesprokene daarin slaagt, dan is het causaal verband niet meer gegeven. De volle stelplicht en bewijslast van het c.s.q.n.-verband komen dan weer bij de benadeelde te liggen.16 Praktisch gesproken zal hij daaraan veelal niet (alsnog) kunnen voldoen.
Voor toepassing van deze regel is dus vereist dat sprake is van een norm die strekt ter voorkoming van een specifiek gevaar en dat de benadeelde bij betwisting voldoende gemotiveerd stelt dat het specifieke gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich in dit geval ook heeft verwezenlijkt. Niet iedere gebeurtenis en daarmee samenhangende schade die in enig verband kan worden gebracht met een normschending leidt tot toepasselijkheid van de omkeringsregel. Duidelijk moet zijn (1) welke norm is geschonden, (2) welk specifieke gevaar daarmee (in het algemeen) in het leven wordt geroepen en (3) dat dit specifieke gevaar zich ook in dit concrete geval heeft verwezenlijkt. Daarbij moet de norm voldoende concreet zijn teneinde aan schending daarvan ook een specifiek risico te kunnen koppelen; een algemene norm die niet tegen een specifiek gevaar beoogt te beschermen is onvoldoende.17 Niet is vereist dat het specifieke gevaar door de normschending in het algemeen aanmerkelijk wordt vergroot.18
Als aan deze voorwaarden is voldaan, is het redelijk om behoudens tegenbewijs ervan uit te gaan dat als het specifieke gevaar waartegen de norm beoogt te beschermen zich heeft verwezenlijkt, dit een gevolg moet zijn geweest van de normschending. Het is vervolgens aan de aangesprokene om aannemelijk te maken dat de schade ook zonder de gedraging zou zijn ontstaan.19,20
Als de toedracht van het schadevoorval niet vast staat of niet vast staat dat het gevaar waartegen de norm beoogt te beschermen zich heeft gerealiseerd, is voor toepassing van de omkeringsregel geen plaats.21 De omkeringsregel is overigens beperkt tot het c.s.q.n.-verband en strekt zich niet uit tot de omvang van de schade.22
In de literatuur is wel betoogd dat de omkeringsregel alleen zou dienen om het ālaatste restje causaliteitsonzekerheidā weg te nemen. 23 Dat is niet mijn zienswijze. De vraag of de omkeringsregel slechts dient om het laatste restje causaliteitsonzekerheid weg te nemen, is volgens mij ontkennend beantwoord met HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7264, NJ 2012/669 (gynaecoloog'; zie ook de noot onder dit arrest van Van Velsen in TBR 2013/16 die spreekt over een hardnekkig dwaalspoor ter zake). In dat arrest heeft de Hoge Raad niet alleen met zoveel woorden overwogen dat āĀ anders dan uit eerdere arresten wel werd afgeleidĀ ā de voorwaarde dat de kans op verwezenlijking van het door de normschending in het leven geroepen specifieke gevaar aanmerkelijk moet zijn vergroot geen geldend recht is. Ook heeft de Hoge Raad in reactie op het cassatiemiddel dat aan de orde stelde dat de omkeringsregel alleen kan strekken tot het wegnemen van het laatste restje causaliteitsonzekerheid het volgende overwogen:
āDe ratio van de omkeringsregel brengt mee dat in gevallen als de onderhavige de onzekerheid omtrent het exacte verloop van de gebeurtenissen voor risico komt van degene die de desbetreffende norm heeft geschonden zodat, anders dan het onderdeel kennelijk veronderstelt, dat verloop in die gevallen in zoverre niet door de benadeelde behoeft te worden gesteld en, in geval van betwisting, bewezen.ā
Hoewel ik deze overweging niet helemaal zuiver vind (waar de omkeringsregel slechts een vermoeden van causaal verband vestigt, is het dogmatisch niet juist om het risico van de onzekerheid āĀ lees: het bewijsrisicoĀ ā ter zake aan de normschender toe te schrijven), volgt hier in ieder geval uit dat de Hoge Raad aan de stelplicht van de eiser ten aanzien van het causaal verband tussen normschending en gerealiseerd gevaar (in dit arrest aangeduid als āhet exacte verloop van de gebeurtenissenā) geen (hoge) eisen stelt. Daarmee verdraagt zich bezwaarlijk dat de Hoge Raad de eis zou stellen dat de benadeelde dat verband wel al aannemelijk moet maken voordat tot toepassing van de omkeringsregel kan worden besloten. De voorwaarde dat degene die zich op de schending van de norm beroept ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden zich heeft verwezenlijkt, houdt niet in dat aannemelijk moet worden gemaakt dat er c.s.q.n.-verband is tussen normschending en schade, maar houdt in dat aannemelijk moet worden dat het risico dat zich heeft verwezenlijkt datgene is waartegen de norm specifiek beoogde te beschermen. Zoals Van Velsen in voornoemde annotatie het verwoordt: dat is dus geen vraag van causaliteit maar veeleer van relativiteit.
Dat een vermoeden van c.s.q.n.-verband reeds op voorhand zou moeten vaststaan of aannemelijk zou moeten zijn gemaakt voordat met toepassing van de omkeringsregel het ālaatste restjeā onzekerheid ten aanzien van het causaal verband zou kunnen worden weggenomen, lijkt mij in het licht van het voorgaande geen houdbaar vereiste. Zoals Hartkamp al concludeerde voor het arrest ACE/Fino (ECLI:NL:PHR:2003:AF2969), speelt voor de vraag naar de toepasselijkheid van de omkeringsregel het concrete feitelijke vermoeden van causaal verband nu juist geen zelfstandige rol. Het gaat erom of de geschonden norm ertoe strekt een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade te voorkomen en of dit gevaar zich in het concrete geval heeft verwezenlijkt. Het voldaan zijn aan die vereisten noopt de feitenrechter tot het aannemen van causaal verband, waarbij de werkelijke vermoedens van de rechter omtrent de aan- of afwezigheid van causaal verband pas weer een rol spelen in het kader van het door de aansprakelijk gestelde partij te leveren tegenbewijs. Dit vormt nu juist de bestaansreden van de omkeringsregel.
Toerekening
Verschillend wordt geoordeeld over de vraag of er ook een stelplicht en bewijslast geldt ten aanzien van de toerekening. In de literatuur wordt wel aangenomen dat de toerekeningsvraag van art. 6:98 BW een rechtsvraag is die zich niet voor bewijslevering leent.24 Uit rechtspraak van de Hoge Raad valt af te leiden dat ook voor de beantwoording van de toerekeningsvraag stelplicht en bewijslast kan bestaan.25 Dat zal zo moeten worden opgevat dat die betrekking hebben op feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot het oordeel moeten leiden dat bepaalde schade wel of niet kan worden toegerekend. De stelplicht en de bewijslast van feiten en omstandigheden in de hiervoor bedoelde zin rusten overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv in beginsel op de benadeelde. Dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd aan de benadeelde kan worden toegerekend is immers een vereiste voor de intreding van het door de benadeelde ingeroepen rechtsgevolg, te weten een verbintenis tot vergoeding van de gevorderde schade. Het enkele feit dat de toerekeningsmaatstaf van art. 6:98 BW alleen tot een beperking kan leiden van de aansprakelijkheid voor gevolgen die in c.s.q.n.-verband staan met de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en niet tot een uitbreiding van de aansprakelijkheid voor gevolgen die daarmee niet in c.s.q.n.-verband staan, maakt mijns inziens niet dat het inroepen van art. 6:98 BW steeds een beroep inhoudt op een bevrijdende omstandigheid waarvan de stelplicht en bewijslast op de aangesprokene rusten.26
Voor de gedachte dat de stelplicht en de bewijslast van feiten en omstandigheden die voor de toepassing van art. 6:98 BW relevant zijn in beginsel op de benadeelde rusten, valt steun te vinden in de jurisprudentie van de Hoge Raad. In de effectenlease-arresten27 is dit met zoveel woorden ten aanzien van het causaal verband overwogen. De rov. 5.4.1-5.4.2 laten zich zo lezen dat die stelplicht- en bewijslastverdeling ook geldt voor āĀ kort gezegdĀ ā de toepassing van art. 6:98 BW. Voor het in dat arrest bedoelde tekortschieten in de zorgplicht geldt blijkens rov. 5.4.3 dat het aangaan van de overeenkomst āĀ en daarmee de daaruit voortvloeiende schadeĀ ā kan worden toegerekend in de zin van art. 6:98 BW, ābehoudens voldoende door de aanbieder gestelde en te bewijzen aangeboden feiten en omstandigheden waaruit anders kan blijkenā. Tegen de achtergrond van het in de rov. 5.4.1 en 5.4.2 besloten liggende uitgangspunt zal dit zo begrepen moeten worden dat in het specifieke geval van schending van een zorgplicht als in dat arrest bedoeld kan worden toegerekend, behoudens door de aansprakelijke persoon te leveren tegenbewijs. Een algemene regel dat schade die in c.s.q.n.-verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust in beginsel ook aan die gebeurtenis moet worden toegerekend, behoudens tegenbewijs zou ik uit deze arresten niet willen afleiden, laat staan een regel dat de bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat een bepaalde schade niet kan worden toegerekend steeds op de aansprakelijke persoon rust. Ook het World Online-arrest28 bevestigt dat voor de toepassing van art. 6:98 BW in beginsel de gewone bewijsregels gelden. Tot die gewone bewijsregels behoren ook de regels van stelplicht- en bewijslastverdeling.
Het komt echter ook voor dat tegenover vastgesteld c.s.q.n.-verband de bewijslast van het betoog van de aangesprokene dat hem de schade niet kan worden toegerekend als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, bij de aangesprokene wordt gelegd en dat betoog dus als een bevrijdend (verweer) wordt opgevat. Dat heeft de Hoge Raad eens beslist in een geval waarin de aangesprokene zich erop beriep dat de schade in een te ver verwijderd verband stond.29 De Hoge Raad overwoog in dat arrest dat het hof āuitgaande van zijn kennelijk oordeel dat de onderbreking van de gastoevoer naar Shellfish niet zou zijn opgetreden als de onderhavige gasleiding niet zou zijn doorgesneden, zodat in ieder geval een ācondicio sine qua nonā verband tussen de beschadiging en die onderbreking vaststaat, [het] Hof terecht Nacap (heeft) belast met het bewijs van de juistheid van de tot haar verweer aangevoerde stelling dat de door Shellfish gestelde schade in een zodanig verwijderd verband tot de beschadiging van de getroffen leiding staat, dat het causale verband daardoor is verbrokenā. Aan te nemen valt dat met het c.s.q.n.-verband het causaal verband zo evident aanwezig was, dat de aangesprokene die zich erop beroept dat het is doorbroken omdat het schadelijke gevolg in een te ver verwijderd verband staat, de daarvoor benodigde feiten en omstandigheden moet bewijzen. Ook hieruit zou ik niet een algemene regel als hiervoor bedoeld willen afleiden. Voor het antwoord op de vraag op wie de stelplicht en de bewijslast rusten, zal het er vermoedelijk van afhangen door wie in welke context een beroep op welke toerekeningsfactor wordt gedaan. Zo is het denkbaar dat de aangesprokene zich beroept op omstandigheden die tot een beperkte toerekening moeten leiden, terwijl de gedaagde zich daartegenover beroept op (andere) omstandigheden die een ruime toerekening rechtvaardigen.30 Het zal dan op grond van de hoofdregel aan de benadeelde zijn zo nodig bewijs te leveren van de daarvoor relevante feiten en omstandigheden. Wie bepaalde voor de toerekening relevante feiten en omstandigheden in concreto moet bewijzen zal daarom van de concrete omstandigheden van het geval afhangen.
Verbreking
Indien het c.s.q.n.-verband is komen vast te staan, dan is het aan de aangesprokene die stelt dat het causaal verband is verbroken, de daartoe benodigde feiten en omstandigheden te bewijzen.31 Datzelfde geldt indien de aangesprokene zich daartoe beroept op een deelregel van toerekening.32 Zie over dat laatste ook de opmerkingen in de alinea hiervoor.
Voetnoten
1.
Dat is hecht verankerd in de rechtspraak van de Hoge Raad. Zie o.a. HR 20 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2611, NJ 1996/747; HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7423, NJ 2005/50 m.nt. Vranken; HR 20 mei 2005; HR 20 februari 2004,ECLI:NL:HR:2004:AN8074, NJ 2004/254; HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, NJ 2012/182 (De Treek/Dexia) en ECLI:NL:HR:2009:BH2811, NJ 2012/183 (Levob/Bolle) m.nt. Vranken; HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4914, NJ 2012/95; HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7846, NJ 2014/495 en HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1308, RvdW 2020/940, rov. 3.2. Zie o.a. ook Asser Procesrecht/Asser 3 2023/286.
2.
O.a. HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1308, RvdW 2020/940, rov. 3.2; zie ook Klaassen, Schadevergoeding: algemeen 2 (Mon. BW nr. B35) 2017/46.1
3.
Zie daarover in het algemeen nader Boonekamp/Lock & Valk, Stelplicht & Bewijslast, 6.2 (Inleiding).
4.
Zie voor e.e.a. ook HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1510, NJ 2020/359, rov. 3.4.
5.
Vgl. HR 24 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:AM1905, NJ 1998/257 m.nt. Stein, rov. 5.2.
6.
HR 9 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0737, NJ 2014, 480 m.nt. Asser.
7.
Nog afgezien van de vraag of het wel juist dat de bewijslast in de oorspronkelijke procedure niet op de cliƫnt (maar op zijn wederpartij) had gelegen, zie daarover m.i. terecht kritisch Asser in zijn NJ-noot onder het arrest.
8.
Zie ook Van den Brink, āStellen, betwisten, bewijzen ā een handleidingā, TvPP 2008-4, p. 99.
9.
Vgl. HR 24 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:AM1905, NJ 1998/257 m.nt. Stein, rov. 5.2.
10.
In wezen ook al bepleit door Giesen, Bewijslastverdeling bij beroepsaansprakelijkheid, Deventer: Kluwer 1999, p. 128.
11.
HR 19 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9556, NJ 2001/524 m.nt. Vranken (Ter Hofte/Oude Monnik) en reeksen arresten nadien. Zie voor een overzicht daarvan (bijgewerkt tot eind 2022) Boonekamp, GS Schadevergoeding, art. 6:98 BW, aant. 2.6.1 e.v.
12.
Zie over de geschiedenis van de omkeringsregel in de rechtspraak van de Hoge Raad o.a. Asser/Sieburgh 6-II 2025/76-78 en Boonekamp, GS Schadevergoeding, art. 6:98 BW, aant. 2.6.1 e.v.
13.
GeĆÆntroduceerd door Snijders in zijn noot onder HR 24 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA4007, NJ 2000/428 (Gouda/Lutz).
14.
HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:27, NJ 2020/45 (Vivat/ATF).
15.
Zie o.a. HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7345, NJ 2004/304 (TFS/NS), rov. 3.5.3.
16.
Als de benadeelde reeds gelegenheid heeft gehad in contra-enquĆŖte getuigen te doen horen, hoeft hem niet zonder meer een (nieuwe) bewijsgelegenheid te worden gegeven. Vgl. HR 26 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8766, NJ 2013/261.
17.
Vgl. HR 19 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1299, NJ 2004/307 m.nt. Asser (slapende patiƫnt); kritisch over deze eis Klaassen, Schadevergoeding algemeen 2 (Mon. BW nr. B35) 2017/50.
18.
Zie: HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7264, NJ 2012/669.
19.
HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7345, NJ 2004/304 (TFS/NS), rov. 3.5.3.
20.
HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7345, NJ 2004/304 en 305 m.nt. Asser.
21.
Vgl. o.a. HR 19 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9556, NJ 2001/524 m.nt. Vranken (Ter Hofte/Oude Monnink Motors) en HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7345, NJ 2004/304 (TFS/NS).
22.
HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7345, NJ 2004/304 (TFS/NS), rov. 3.5.3. en HR 19 december 2003, NJ 2004/348.
23.
Zie in deze zin Klaassen, Schadevergoeding algemeen 2 (Mon. BW nr. B35) 2017/53.
24.
Asser/Sieburgh 6-II 2025/82. Zie verder het overzicht in Boonekamp, GS Schadevergoeding, art. 6:98 BW, aant. 2.5.3. Zie ook Fruytier, De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/548 e.v. en Thoe Schwartzenberg, Bevrijdende verweren (BPP nr. XXII) 2023/286.
25.
In deze zin HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815 en ECLI:NL:HR:2009:BH2811, NJ 2012/182 en 183 m.nt. Vranken (De Treek/Dexia en Levob/Bolle); in rov. 5.4.1 en 5.4.2 (Dexia). Zie ook HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162, NJ 2014/201 (World Online) m.nt. Du Perron, waarin de Hoge Raad in rov. 4.11.3 overweegt ādat ten aanzien van (ā¦) het causaal verband als bedoeld in art. 6:98 BW in beginsel de gewone bewijsregels blijven geldenā.
26.
Anders Lindenbergh in zijn noot onder HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483, NJ 2017/262 onder 7, zij het dat hij geen bewijslast voor de aangesprokene aanneemt, maar een āargumentatielastā. Dat lijkt ook de lijn in Asser/Sieburgh 6-II 2025/82. Anders ook het hof in de zaak die tot dit arrest heeft geleid, te kennen uit rov 3.2.3. van het arrest van de Hoge Raad. Volgens het hof rusten, uitgaand van de aanwezigheid van c.s.q.n.-verband, de stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de schade niet kan worden toegerekend, op de aangesprokene.
27.
HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815 en ECLI:NL:HR:2009:BH2811, NJ 2012/182 en 183 m.nt. Vranken (De Treek/Dexia en Levob/Bolle).
28.
HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162NJ 2014/201 m.nt. Du Perron.
29.
Aldus: HR 2 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2723, NJ 1998/831 (Nacap/Shellfish).
30.
Fruytier noemt dit het ājanuskoppige karakterā van art. 6:98 BW, in Fruytier, De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/552.
31.
Zie: HR 2 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2723, NJ 1998/831 (Nacap/Shellfish); HR 16 april 2010,ECLI:NL:HR:2010:BL2229, NJ 2010/229 (Wrongfull birth) en HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, NJ 2012/182. Verder: Boonekamp, GS Schadevergoeding, art. 6:98 BW, aant. 2.5.4; Asser/ Sieburgh 6-II* 2025/82.
32.
HR 2 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2723, NJ 1998/831.