Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/6.3.1:6.3.1 Inleiding
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/6.3.1
6.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940226:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het spreekt voor zich dat er ten aanzien van de bijzondere fiscale bestuurlijke boetes een ruime variatie is in delictsomschrijvingen. Dat hangt samen met de grote verscheidenheid in deze categorie boetes.1 Toch zijn er wel enkele parallellen te trekken met de delictsomschrijvingen van de algemeen geldende fiscale bestuurlijke boetes.2 Ook in de delictsomschrijvingen van de bijzondere fiscale bestuurlijke boetes komen namelijk ten minste twee elementen voor: het kwaliteitsvereiste en een omschrijving van het kale beboetbare feit. Een andere overeenkomst is dat de delictsomschrijving van de bijzondere fiscale vergrijpboetes nog een derde element bevat, te weten de vereiste schuldgradatie (opzet of grove schuld).
Verder geldt ook voor de bijzondere fiscale bestuurlijke boetes dat de meeste bestanddelen van het kale beboetbare feit letterlijk (expliciet) in de delictsomschrijving zijn opgenomen. Net als bij de algemeen geldende fiscale bestuurlijke boetes het geval is, liggen in de delictsomschrijving van de bijzondere fiscale bestuurlijke boetes soms echter één of meer impliciete bestanddelen besloten. Die impliciete bestanddelen moeten dan weer worden afgeleid uit de wettelijke voorschriften die de overtreden norm zelf omschrijven. Zo kan een verzuimboete wegens het niet of te laat indienen van een correctiebericht (art. 28b Wet LB) pas worden opgelegd als de daarvoor geldende termijn is verstreken. Die termijn is te vinden in de bepalingen die de correctieverplichting regelen.3
In paragraaf 6.3.2 werk ik – bij wijze van voorbeeld – de delictsomschrijvingen van enkele bijzondere fiscale bestuurlijke boetes uit. Daarbij ga ik met name in op de bestanddelen van het kale beboetbare feit. De schuldgradaties en het kwaliteitsvereiste komen in paragraaf 6.4 respectievelijk paragraaf 6.5 afzonderlijk aan bod.
Zoals reeds in paragraaf 6.2.1 opgemerkt, komt in dit hoofdstuk alleen het bewijsobject aan de orde, zoals dat in de delictsomschrijving is opgenomen. Vraagstukken en onderwerpen zoals de bewijslastverdeling, de verjaringstermijn en de gelijktijdigheidseis zijn geen onderdeel van de delictsomschrijving en laat ik in dit hoofdstuk daarom buiten beschouwing. Ten slotte merk ik op dat ook voor de bijzondere fiscale bestuurlijke boetes geldt dat het antwoord op de vraag in hoeverre de verschillende bestanddelen in de praktijk ook daadwerkelijk bewijslevering behoeven, afhangt af van het proces van bewijsvoering.4