Aanvullen van subjectieve rechten
Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/14.3.6:14.3.6 Overgang van afhankelijke zekerheidsrechten nadat de executie is aangevangen
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/14.3.6
14.3.6 Overgang van afhankelijke zekerheidsrechten nadat de executie is aangevangen
Documentgegevens:
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS304016:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
603. De wettelijke regeling voor executie op basis van afhankelijke beperkte zekerheidsrechten houdt niet altijd rekening met de mogelijkheid dat de vordering waarvoor het zekerheidsrecht is gevestigd gedurende het executietraject wordt overgedragen. Zo gaat art. 3:270 lid 2 BW ervan uit dat de (netto) koopprijs ten belope van de door een hypotheekrecht gesecureerde vordering aan de executieverkoper wordt uitgekeerd. Mijns inziens dient daar, om tegemoet te komen aan het geval dat de gesecureerde vordering na executieverkoop maar vóór de levering van het verkochte is overgedragen, te worden gelezen dat de koopprijs aan de rechthebbende van de gesecureerde vordering wordt uitgekeerd. Zou dat anders zijn, dan zou de executieverkoper tweemaal betaald worden; éénmaal bij verkoop van de vordering en nogmaals uit de executieopbrengst. Art. 3:270 lid 2 BW lijkt wel een opening te bieden om de executieopbrengst uit te keren aan de nieuwe rechthebbende van de gesecureerde vordering, omdat de verkoper dient te bewijzen dat de verkoopopbrengst hem toekomt op basis van de uitstaande, door het hypotheekrecht gedekte vorderingen. De enige die op dat moment kan bewijzen dat de verkoopopbrengst hem toekomt, is de nieuwe rechthebbende van de gesecureerde vordering.
604. Bij pandrechten spreken de artikelen die zien op executie in plaats van de ‘verkoper’ over de ‘pandhouder’. Daarmee is het probleem – in ieder geval in theorie – opgelost. De pandhouder is namelijk steeds de partij die op dat moment de door het pandrecht gesecureerde vordering heeft. Deze partij is dan ook op basis van art. 3:253 BW bevoegd om na een executieverkoop zijn vordering te voldoen uit de netto-opbrengst. Bij een pandrecht op vorderingen geeft art. 3:246 lid 1 BW de pandhouder de bevoegdheid om deze vorderingen (na openbaarmaking van het pandrecht) te innen. Praktisch gezien kunnen er natuurlijk wel problemen ontstaan indien door cessie van de gesecureerde vordering opeens een andere partij de pandhouder is die de genoemde bevoegdheden mag uitoefenen. Het is dan zaak om de koper van het verpande goed, respectievelijk de schuldenaar van de verpande vordering, tijdig te informeren aan wie zij dienen te betalen.