Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/8.2.2.1
8.2.2.1 Binnenlandse deelnemingen
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS394722:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Snel formuleert het ne-bis-in-idem beginsel als het te allen tijde voorkomen van een cumulatie van vennootschapbelasting. F.P.J. Snel, Van moeders en dochters, systemen ter voorkoming van cumulatie van vennootschapstax in deelnemingssituaties, SDU Amersfoort, 2005, blz. 60.
Zie ook de regeringsnota van 27 juli 1960 (blz. 15), waarin staat dat de deelnemingsvrijstelling ten doel heeft in de deelnemingsverhouding te voorkomen dat eenzelfde bedrijfsresultaat tweemaal in de vennootschapsbelasting wordt betrokken. Zie ook de toelichting in Kamerstukken II, 1959-1960, 6000, nr. 3, blz. 12 en 13 en in Kamerstukken II, 2009-2010, 32129, nr. 3, blz. 15. Zie ook F.P.J. Snel, De ratio van de deelnemingsvrijstelling, de evenwichtsgedachte en het veroorzakingsbeginsel en schadevergoedingen, NTFR-A 2014/24, paragraaf 2. In hoofdstuk 8.2.6 ga ik hier nog nader op in.
Snel geeft aan dat de verlengstukgedachte staat voor slechts dan voorkomen van vennootschapsbelasting indien er sprake is van een verdergaande relatie tussen beide vennootschappen dan die tussen een gewone minderheidsaandeelhouder en de vennootschap. F.P.J. Snel, Van moeders en dochters, systemen ter voorkoming van cumulatie van vennootschapstax in deelnemingssituaties, SDU Amersfoort, 2005, blz. 60.
Er komen steevast twee rechtvaardigingsgronden naar voren ten aanzien van de toepassing van de deelnemingsvrijstelling op binnenlandse deelnemingen, te weten het ne-bis-in-idem beginsel en de verlengstukgedachte. Het ne-bis-in-idem beginsel houdt in dat in een deelnemingsverhouding dezelfde winst niet tweemaal in een belasting naar de winst wordt betrokken.1 Er wordt volstaan met eenmaal heffing in de vennootschapsbelasting en wel op het – in een keten van vennootschappen laagste – niveau van de dochtervennootschap.2
Bij de verlengstukgedachte wordt de meervoudige heffing van de winstbelasting als ongewenst gezien indien de dochtermaatschappij als een verlengstuk van de moedermaatschappij kan worden beschouwd.3 In de literatuur is druk gediscussieerd welke rechtvaardigingsgrond nu sterker naar voren komt en of beide elkaar uitsluiten. In hoofdstuk 8.2.6 ga ik hier nader op in.