Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/17.1.5.4
17.1.5.4 Toekomstige karakter van de verkregen vordering
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS298033:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover Rongen 2012, p. 1210-1211.
Spierings 2016, p. 203 met verwijzing naar onder meer het arrest HR 15 november 1957, NJ 1958/67 (Baris/Riezenkamp).
Zie Spierings 2016, p. 204. Daarvoor is mijns inziens niet vereist dat ook daadwerkelijk aan alle voorwaarden in de overeenkomst is voldaan; zo kan de begunstigde nog bezig zijn met het verzamelen van de benodigde documenten terwijl hij het aanbod accepteert.
Zelfs wanneer het wilsrecht wel aan de vordering verbonden zou zijn, is het niet waarschijnlijk dat de pandhouder of beslaglegger het wilsrecht zou kunnen uitoefenen; zie het arrest HR 29 oktober 2004, NJ 2006/203 (van den Bergh/van der Walle) over de vraag of het aan een vorderingsrecht verbonden wilsrecht om kredietruimte op te vragen kan worden uitgeoefend door de pandhouder van die vordering; vergelijk Steneker 2012, para. 30, p. 73.
Verpanding is niet mogelijk indien uitwinning slechts mogelijk is door uitoefening van het wilsrecht; zie Steneker 2012, para. 66, p. 160.
Er ontstaat dan mijns inzien een betalingsverplichting van de garant aan de pandhouder; de (beoogd) begunstigde kan de vordering niet worden opgedrongen. Een door de garant uitgekeerd bedrag zal in mindering dienen te worden gebracht op de vordering die door het pandrecht wordt gesecureerd.
774. Een consequentie van het aanmerken van een afgegeven garantie als een wilsrecht dat de begunstigde kan inroepen, is dat de vordering die door het uitoefenen van het wilsrecht zou ontstaan, toekomstig is. Dat verschilt van de (hier afgewezen) opvattingen dat de vordering op de garant een (bestaand) afhankelijk recht of nevenrecht zou zijn, of dat deze vordering direct door de eenzijdige verklaring van de garant ontstaat. De vraag is of dit toekomstige karakter van de vordering op de garant een probleem oplevert. Kan de begunstigde deze vordering bijvoorbeeld nog wel (faillissementsbestendig) verpanden of overdragen aan een derde? Staat het toekomstige karakter van de vordering in de weg aan het leggen van beslag?
775. De vordering die uit het inroepen van de garantie voortvloeit, kan bij voorbaat worden verpand of beslagen voordat deze ontstaat, mits er al een bestaande rechtsverhouding is waar de vordering rechtstreeks uit zal wor den verkregen door de (beoogd) begunstigde (art. 3:239 lid 1 BW, respectievelijk 475 lid 1 Rv).1 Doorgaans kan al een rechtsverhouding bestaan vóórdat het aanbod door de wederpartij geaccepteerd is.2 Daarvoor is wel van belang dat het aanbod daadwerkelijk door de beoogd begunstigde is ontvangen, dat wil zeggen dat hij op de hoogte is van het aanbod dat door de garant is gedaan. Uit deze rechtsverhouding verkrijgt de beoogd begun stigde door het inroepen van de garantie de vordering die aan een pand recht of beslag onderworpen wordt. Of de vordering voldoende direct uit de rechtsverhouding verkregen wordt, is afhankelijk van hoe de garantie is opgesteld. Als het mogelijk is dat door een simpele acceptatie van het aanbod een overeenkomst tot stand komt waar de vordering uit voortvloeit, lijkt dat het geval te zijn.3
776. In het bovenbeschreven randnummer heb ik uiteengezet dat bij voorbaat een pandrecht gevestigd kan worden of een beslag kan worden gelegd op de vordering die ontstaat doordat de (beoogd) begunstigde de garantie inroept. Wat nu als hij weigert dat te doen? Kan de pandhouder of beslaglegger die beslag heeft gelegd op de vordering van de (beoogd) begunstigde op de steller van de garantie zelf de garantie inroepen, waar door een vordering op de garant ontstaat die voor verpanding of beslag in aanmerking komt? Het antwoord daarop luidt mijns inziens ontkennend. Het pandrecht of beslag strekt zich niet uit tot het wilsrecht om door aan vaarding van het aanbod van de garant een overeenkomst in het leven te roepen. Dit wilsrecht staat immers juist los van de vordering die de (beoogd) begunstigde op de garant heeft.4 Ook heeft het geen zin om het wilsrecht zelf te verpanden of beslaan; het is immers zo gemodelleerd dat het alleen kan worden ingeroepen door de partij die aan de omschrijving in de garan tie voldoet.5
777. Toch is het mogelijk om te zorgen dat de pandhouder van de vordering die de (beoogd) begunstigde heeft op de garant ervoor kan zorgen dat er een (verpandbare) vordering van de (beoogd) begunstigde op de garant ontstaat. Dat is dan echter niet een gevolg van het uitoefenen van het wilsrecht van de (beoogd) begunstigde, maar van de omschrijving van de garantie. Mocht het (in het kader van financiering) namelijk van belang zijn dat de vordering van de (beoogd) begunstigde op de garant kan worden verpand, dan kan de garant zijn aanbod daarop aanpassen (“de rechthebbende van de vordering, voortvloeiende uit overeenkomst X, gesloten tussen A en B, ter zake …, of de pandhouder van die vordering”). De pandhouder oefent dus niet het wilsrecht van de (beoogd) begunstigde uit, maar zijn eigen wilsrecht.6 Mocht dit niet in de originele garantie zijn opgenomen, dan staat niets eraan in de weg een nieuwe garantie op te stellen. Voor dit alles is uiteraard wel vereist dat de oorspronkelijk betrokken partijen hier overeenstemming over bereiken. Het ligt minder voor de hand dat partijen deze mogelijkheid ook zullen bieden aan een eventuele beslaglegger.
778. Door de omschrijving van de garantie aan te passen, kan deze ook fail lissementsbestendig gemaakt worden voor de pandhouder of beoogd cedent van de vordering. Niets staat er mijns inziens aan in de weg dat de garant – indien hij dat wenst – kan bepalen dat hij een vordering ook ná het intreden van het faillissement van de rechthebbende zal voldoen aan een aangewezen ander. Zo kan hij bijvoorbeeld verklaren zich garant te stel len tot betaling aan “de rechthebbende van de vordering, voortvloeiende uit overeenkomst X, gesloten tussen A en B, ter zake …, of, in geval van diens faillissement, de pandhouder van die vordering”.