Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/2.1.7
2.1.7 Regiopolitie/Hovax en enige andere, recente jurisprudentie over de rompovereenkomst
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS299437:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vznr. Rb. 's-Gravenhage, 23 april 2008, NJF 2008, 261.
Vznr. Rb. Arnhem, 29 juni 2007, PRG 2007, 115.
Rb. Dordrecht 27 juni 2007, LIN: BB0178.
Vgl. lagere rechtspraak onder meer: Rb. Tiel 8 november 1918, WPNR 2604, Vznr. Rb. Leeuwarden 28 juni 1994, KG 1994, 275 en Hof Amsterdam 12 augustus 1999, KG 1999, 231.
Vgl. hetgeen in hfdst. 3, par.3. 3.3 is opgemerkt over de relevantie van de (voor de onderhandelingspartner kenbare) perceptie van een partij voor wat betreft het antwoord op de vraag of rechtens relevant totstandkomingsvertrouwen ter zake van de overeenkomst waarover wordt onderhandeld, dient te worden aangenomen.
In het hiervoor al kort genoemde arrest Regiopolitie/Hovax geeft de Hoge Raad, in navolging van een overweging van de rechtbank, aan wat bij het sluiten van de overeenkomst die partijen beoogden aan te gaan zoal geacht moet worden in elk geval niet tot de essentialia te behoren.
In deze zaak onderhandelden partijen over de totstandkoming van een complexe huurovereenkomst. Na twee concepthuurovereenkomsten te hebben doorgesproken, zond de verhuurder, Hovax, een definitieve versie ter ondertekening. De huurder liet daarop weten niet tot ondertekening over te willen gaan omdat de Rijksgebouwendienst een aantal ontoelaatbare technische tekortkomingen aan het beoogde pand zou hebben geconstateerd. Hovax stelde zich vervolgens op het standpunt dat partijen al definitieve overeenstemming hadden bereikt over de tekst van voormelde definitieve versie van de huurovereenkomst en dat de huurder daaraan derhalve gebonden is. Na op een aantal interessante aspecten van het vertegenwoordigingsrecht ingegaan te zijn, komt de Hoge Raad toe aan de beoordeling door de rechtbank dat tussen partijen overeenstemming is bereikt over de essentialia van de te sluiten huurovereenkomst en dat deze mitsdien tussen partijen is tot stand gekomen. Voor zover er toen nog punten waren waarover moest worden gesproken, waren deze van ondergeschikte betekenis. De nadien door de Regiopolitie naar voren gebrachte bezwaren omtrent de (bouw)technische toestand van het pand waren, aldus de rechtbank, te laat ingebracht. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank juist heeft beslist door te overwegen dat:
uit het feit dat de huurder ermee heeft ingestemd dat de verhuurder een definitieve versie van de huurovereenkomst op zou sturen, volgt dat partijen toen dus kennelijk niet (meer) voornemens waren om nog verder te onderhandelen; en
de volgende punten, waarover partijen nog geen overeenstemming hadden bereikt, niet horen tot de essentialia van de overeenkomst waarover partijen onderhandelden:
of een contractuele boete diende te worden vastgesteld op een eventueel te late betaling van de verschuldigde huur,
voor wiens rekening een eventueel hogere dan normale brandverzekeringspremie zou komen, zulks in verband met het door de Regiopolitie beoogde gebruik van het pand, en
voor wiens risico de mogelijkheid zou komen dat het pand niet tijdig beschikbaar zou zijn.
Voor wat betreft enige sprekende, recente, lagere uitspraken verwijs ik naar de volgende jurisprudentie. Deze is in overeenstemming met het hiervoor besproken arrest Regiopolitie/Hovax, maar geeft een goed beeld van de concrete invulling die in de lagere rechtspraak wordt gegeven aan de door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunten.
Vznr. Rb. 's-Gravenhage 23 april 20081
Twee professionele partijen onderhandelden over de overname van het bedrijf van eisers door gedaagde. Partijen sloten een intentieverklaring waarin uitdrukkelijk was vastgelegd dat de besprekingen een basis boden om verder te onderhandelen, waarbij gedaagde de intentie had de activiteiten van eisers over te nemen. Voorts werden in de intentieverklaring de activiteiten welke onderwerp van de overname waren, de voorlopige koopsom en het nog uit te voeren due diligenceonderzoek vastgelegd. Na het sluiten van deze intentieverklaring is het due diligenceonderzoek aangevangen en werden de eerste resultaten daarvan besproken door partijen. Op de datum van die bespreking was er volgens de voorzieningenrechter ook overeenstemming over de hoofdpunten van de overeenkomst, waaronder de over te dragen activa en de datum van overdracht. Eiser 1 en de vertegenwoordiger van gedaagde hebben, tijdens die bespreking, elkaar onder vier ogen gesproken en, daarna, in het bijzijn van de aanwezigen, elkaar de hand geschud. Vervolgens hebben zij een stuk getekend waarin de koopprijs, datum van overdracht en een aantal nog openstaande punten zijn vermeld. De voorzieningenrechter oordeelde dat over de essentialia van de overeenkomst overeenstemming bestond en dat de nog openstaande punten als ondergeschikte punten moesten worden gekarakteriseerd. Er werd geconcludeerd dat een perfecte overeenkomst tot stand is gekomen.
Vznr. RB. Arnhem, 29 juni 20072
Hoedemakers en Ballast Nedam onderhandelden met elkaar over de koop van een perceel bouwgrond met bijbehorende bouwvergunningen. Partijen discussieerden nog over verschillende punten en Ballast Nedam brak op een zeker moment de onderhandelingen af. Hoedemakers vorderde nakoming van de volgens hem gesloten koopovereenkomst. De rechtbank overwoog het volgende:
"De enkele omstandigheid dat partijen over één of meer opengebleven punten nog onderhandelen, staat er niet aan in de weg dat kan worden aangenomen dat de precontractuele fase is geëindigd en dat tussen hen een rompovereenkomst tot stand is gekomen, waarvan nakoming kan worden gevorderd. Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de vraag of de onderwerpen ten aanzien waarvan wel overeenstemming bestaat de essentialia van de overeenkomst bevatten en dat zodanig aan de bepaalbaarheidseis van art. 6:227 BW is voldaan dat de leemten die de overeenkomt op details vertoon, kunnen worden opgevuld met behulp van de wet, de gewoonte en de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:248 BW. Daarvoor is nodig dat in de gegeven omstandigheden partijen elkaars verklaringen en gedragingen over en weer zodanig mochten begrijpen dat zij aan het tot dan toe bereikte onderhandelingsresultaat, waaronder in casu de verplichting tot levering en afname, inderdaad reeds gebonden zouden zijn." (r.o. 4.3)
Rb. Dordrecht 27 juni 20073
Exclusive Yachts International N.V. (EYI), X België en X Nederland onderhandelden over samenwerking bij de vervaardiging en verkoop van polyester jachten. De samenwerking kwam toch niet van de grond en EYI stelde primair dat er een overeenkomst is en dat X deze moest nakomen.
De rechtbank overwoog als volgt:
"Bij een beroep op het tot stand komen van een rompovereenkomst doet zich de vraag voor of ten aanzien van een overeenkomst, waarin een aantal onderling samenhangende verbintenissen moet worden geregeld, overeenstemming omtrent één of meer onderdelen een rompovereenkomst doet ontstaan, zolang omtrent andere onderdelen nog geen overeenstemming bestaat. Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van de bedoeling van partijen, zoals deze moet worden aangenomen op grond van: (i) de betekenis van hetgeen wel en niet geregeld is, (ii) het al dan niet bestaan van het voornemen tot verder onderhandelen en (iii) de verdere omstandigheden van het geval. Nu [X] c.s. enige wilsovereenstemming tussen partijen betwist, wordt eerst onderzocht of partijen één of meer van de door EYI c.s. gestelde onderwerpen wilsovereenstemming hebben bereikt. Dit hangt af van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden." (r.o. 4.4)
Om wilsovereenstemming te kunnen aannemen, diende EYI er redelijkerwijs op te mogen vertrouwen dat X Nederland toestemming zou geven. Hiervoor was vereist dat uit enige gedraging of verklaring van X Nederland viel af te leiden dat een toereikende volmacht aan de gesprekspartner was gegeven. Daar was in casu geen sprake van (r.o. 4.6 en 4.7). EYI beriep zich op het mondeling tot stand zijn gekomen van wilsovereenstemming. De rechtbank overwoog hieromtrent het volgende:
"Hoewel niet vereist, zal een dergelijke veelomvattende overeenkomst in de regel door middel van een schriftelijk contract worden gesloten. Indien dit niet het geval is zal een dergelijke overeenkomst op zijn minst worden voorbereid door op enig moment tijdens de onderhandelingen op schrift te stellen wat de belangrijkste punten van de overeen te komen samenwerking zijn." (r.o. 4.8)
Daar was in dit geval geen sprake van.
Uit de voormelde jurisprudentie blijkt heel duidelijk hoe casuïstisch de rechtspraak is op het punt van de vaststelling van wat tot de essentialia van een overeenkomst behoort. Is de omvang van de pensioenbijdrage (zoals in het arrest Polak/Zwolsman) "een vraag van niet slechts formele betekenis" die aan het bestaan van een overeenkomst in de weg staat, nog niet bereikte overeenstemming over de vraag voor wiens risico de situatie komt waarbij een gehuurd pand niet tijdig voor de verhuur beschikbaar komt (zoals in het arrest Regiopolitie/Hovax) staat blijkbaar niet in de weg aan het bereiken van een wilsovereenstemming Dit terwijl toch de gevolgen van het niet tijdig beschikbaar komen van een gehuurd pand voor met name de huurder zeer verregaande consequenties kan hebben die menig huurder niet zonder meer zal willen accepteren bij het sluiten van een huurovereenkomst. Als algemene regel uit voormelde jurisprudentie kan wel worden gedestilleerd dat hoe gedetailleerder een aanbod is en hoe groter de mate van overeenstemming in relatie tot hetgeen partijen (uiteindelijk) beogen te regelen, des te sneller een overeenkomst zal worden aangenomen.4 Voorts meen ik dat niet alleen in objectieve zin gekeken zal moeten worden of de "witte plekken" ten opzichte van het geheel van afspraken dat al is gemaakt als ongeregelde punten van betekenis moeten worden gekwalificeerd, maar dat daarbij ook gekeken moet worden naar de over en weer kenbare perceptie van partijen. Wat partijen (of één van hen op voor de onderhandelingspartner kenbare wijze) relevant of, zo men wil, essentieel vinden in het kader van de afspraken die zij willen regelen, hoeft dat naar verkeersopvattingen nog niet te zijn.5