Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/16.6:16.6 Samenvatting en conclusies
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/16.6
16.6 Samenvatting en conclusies
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS500763:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Gelijkstelling nemo tenetur met verklaringsvrijheid
In dit hoofdstuk heb ik onderzocht wat de betekenis van het recht tegen gedwongen zelfbelasting voor de fiscale heffingssfeer is. Daarin gaat dwang tot zelfbelasting uit van de met sancties bedreigde aangifteplicht en de bijkomende (informatie)verplichtingen. Omdat voorschriften ter zake ontbreken, zal de belastingrechter zich over genoemde betekenis moeten uitlaten. Hetzelfde is te zeggen over de civiele kortgedingrechter in zaken over de (nakoming van) de informatieverplichtingen.
Uit de rechtspraak van de belastingkamer van de HR volgt dat het recht tegen gedwongen zelfbelasting de inlichtingenplicht in art. 47, lid 1, onder a AWR voor heffingsdoeleinden niet aantast zolang de gevorderde inlichtingen een heffingsbelang vertegenwoordigen. Dat de te verstrekken inlichtingen de meewerkplichtige kunnen belasten in een lopende of aanstaande boete- of strafprocedure vanwege de overtreding van een fiscaal voorschrift, doet hier niet aan af. Deze opvatting stelt zeker dat malafide belastingplichtigen niet beter af zijn dan bonafide belastingplichtigen. Hierop sluit aan de beperking van het boeterechtelijk zwijgrecht in art. 5:10a Awb tot zuivere schuldvragen.
De civiele kamer van de HR volgt de belastingkamer in haar opvatting dat het recht tegen gedwongen zelfbelasting respectievelijk het nemo tenetur-beginsel niet doorwerkt – dus non-existent is – in de heffingssfeer.
De zaken J.B., Shannon en Marttinen, waarin het Hof een zwijgrecht aanneemt voor ‘gemengde’ vragen (= heffings- en sanctiebelang), hebben geen verandering gebracht in de opvatting van de belastingkamer van de HR dat de eventuele spanning tussen kortweg spreekplicht en zwijgrecht moet worden opgelost in de sanctiesfeer. Enkel in die sfeer vindt de toetsing van een opgelegde boete of straf aan art. 6 EVRM plaats.
De civiele kamer van de HR heeft inmiddels bepaald dat de Staat informatie op straffe van verbeurte van een dwangsom mag vorderen. Voor zover het informatieverzoek betrekking heeft op materiaal waarvan het bestaan wilsafhankelijk is, moet dat materiaal worden verstrekt met de beperking dat de inspecteur dat slechts zal gebruiken voor de belastingheffing. Zou dit materiaal toch voor punitieve doeleinden worden gebruikt, dan dient de belastingrechter of de strafrechter te bepalen welk gevolg aan dat gebruik moet worden verbonden. Dan ligt bewijsuitsluiting voor de hand.
Weigeringsgrond voor medewerking of bewijsuitsluitingsregel?
Dat de HR het recht tegen gedwongen zelfbelasting in de heffingssfeer niet het karakter van weigeringsgrond voor medewerking toekent, brengt nog niet met zich mee dat deze uitleg in strijd is met de rechtspraak van het EHRM. De minimumeisen die het Hof stelt aan het recht tegen gedwongen zelfbelasting kunnen ook worden gewaarborgd door (bij voorbaat gewaarborgde) bewijsuitsluiting in de sanctiesfeer en andere waarborgen die (mogelijk) uitdrukking geven aan het nemo tenetur-beginsel dan wel rechtstreeks bijdragen aan de realisatie ervan in de fiscale sanctiesfeer.