Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/4.7.2.2.1
4.7.2.2.1 Voorafgaande (zelf)binding door voldoen aan criteria rolrichtlijnen-arrest
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS497043:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Met die bevoegdheid wordt bedoeld: bevoegdheid tot het nader invullen van een wettelijke bepaling of term door middel van het vaststellen van een bepaling in een rechtersregeling. Giesen pleit ervoor om ook buiten de door Teuben gedefinieerde bevoegdheid tot invullen van eigen beslissingsruimte een bevoegdheid tot het vaststellen van regels aan te nemen. De behoefte om tot een snel tot stand te brengen uniforme en consistente regeling te komen, is hierbij bepalend. Tegenwicht is steeds te vinden in de omstandigheid dat er steeds een inherente afwijkingsbevoegdheid aanwezig is, aldus Giesen 2007, p.87.
Teuben 2004, p. 61, p. 93 en p. 104.
Teuben 2004, p. 206.
Het argument: gebrek aan democratische legitimatie, de legitimatie van rechtsvorming is veeleer gelegen in de band met rechtspraak in het concrete geschil, aldus Teuben.
Het begrip alternatieve regelgeving is breder dan (alleen) rechtersregelingen; zij maken wel deel van het begrip uit. Er blijken vele definities voor het begrip alternatieve regelgeving te worden gehanteerd. Giesen noemt als kenmerken: het staat steeds tegenover overheidsregulering, is een privaatrechtelijk verschijnsel, gaat om een vorm van collectiviteit, en de regulerende partij wordt door de alternatieve regel ook zelf gereguleerd. Giesen 2007, p. 1012.
Giesen 2007, p. 85-87.
Vanuit dit perspectief valt niet in te zien waarom een vooraf bindende rechtersregeling geen interpreterende bepalingen zou kunnen bevatten. Immers, in het individuele geval zal de rechter ook in voorkomende gevallen een interpreterende keuze maken, sterker nog, hij is hiertoe verplicht: op grond van de artikelen 13 wet AB en 26 Rv (rechtsweigeringsbepalingen) is de rechter verplicht tot het doen van een uitspraak in een individuele zaak. Met Giesen meen ik dat de steeds aanwezige inherente afwijkingsbevoegdheid van de rechter voldoende ruimte biedt als tegenwicht voor de voorafgaande zelfbinding van een zodanige bepaling.
De eerste categorie van binding leidt tot een voorafgaande (zelf)binding van de bevoegde rechters die de regeling hebben vastgesteld. Met voorafgaand wordt hier bedoeld: reeds voordat door de rechter een beslissing wordt genomen in een individuele zaak waarin de regeling wordt toegepast. De vaststelling door de betrokken rechters en de publicatie van de regeling op zichzelf leidt derhalve tot binding, ofwel een verplichting voor de rechter die de desbetreffende rechtsprekende bevoegdheid uitoefent om deze in voorkomende gevallen toe te passen.1 Het zijn met name het gelijkheids- en het vertrouwensbeginsel (welke onderdeel uitmaken van de algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging) die de grondslag voor deze vorm van binding vormen.2 Op grond van het vertrouwensbeginsel kunnen procespartijen ten overstaan van de rechter een beroep doen op de inhoud van een door voorafgaande (zelfbinding) tot stand gekomen rechtersregeling en kunnen ieder voor zich, tegenover elkaar en jegens de rechter geacht worden aan de regeling gebonden te zijn.
Ook de aard van een (bepaling in een) rechtersregeling kan in de visie van Teuben een factor zijn bij de vraag of sprake kan zijn van voorafgaande (zelf)binding: indien de betreffende (bepaling in de) rechtersregeling ziet op interpretatieruimte dan zal deze niet kunnen leiden tot voorafgaande (zelf)binding.3 De keuze voor dit standpunt houdt verband met de visie die men heeft op de taak van de rechter. Teuben baseert haar stelling op een principiële grens tussen de rechtsprekende en wetgevende functie: de rechtsvormende taak van de rechter gaat niet zo ver dat afspraken in een vooraf (zelf)bindende rechtersregeling kunnen worden vastgelegd die ‘vorming van regels van objectief recht’ inhouden.4 Ook Giesen stelt in het kader van de bespreking van alternatieve regelgeving5 de vraag aan de orde in hoeverre en voor wie rechtersregelingen bindend zijn. Giesen meent (anders dan Teuben) dat rechtsvorming niet gekoppeld hoeft te zijn aan een concreet geschil, met als gevolg dat invulling van interpretatieruimte wel onderdeel zou moeten kunnen uitmaken van een (vooraf bindende) rechtersregeling.6 Ik ben het met de stelling van Giesen eens, niet zozeer vanuit de optiek dat de visie van Teuben tot beperkingen leidt, maar veeleer vanuit de gedachte dat het rechtseenheidsargument even zo valide is voor beleids- als interpretatieruimte.7