Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/3.3.3
3.3.3 De in 1971 gecreëerde eindvoorzieningen
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS368503:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Geerts (Diss.), p. 272 t/m 275, Klein Wassink (Diss.), par. 10.2, 10.4 en 11.4 en Veenstra (Diss.), par. 193.
Kamerstukken TK 9596, nr. 3 (MvT), p. 5.
Kamerstukken TK 9596, nr. 6 (MvA), p. 16.
Nee, blijkens HR 25 februari 2011, NJ 2011, 335 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2011/115 m.nt. Doorman, Ondernemingsrecht 2011/40 m.nt. Assink, AA mei 2012 m.nt. Raaijmakers (Inter Access).
Vgl. HR 1 maart 2002, NJ 2002, 296, m.nt. Maeijer; JOR 2002/79, m.nt. Van den Ingh (Zwagerman) en HR 14 september 2007, NJ 2007, 611 m.nt. Maeijer, JOR 2007/239 m.nt. Bartman (Versatel II).
De hoofdmoot van de (eind)voorzieningen die de ondernemingskamer thans kan treffen, is ingevoerd in 1971: de schorsing en vernietiging van besluiten van een orgaan van de vennootschap, tijdelijk afwijken van één of meer bepalingen van de statuten, de ontbinding van de rechtspersoon en het (al dan niet tijdelijk) vervangen van de bestuurders en commissarissen door middel van schorsing, ontslag van de zittende bestuurders en commissarissen en het tijdelijk aanstellen van bestuurders en commissarissen. Onmiddellijke voorzieningen en tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer zijn later ingevoerd.
Het in 1971 gecreëerde systeem van eindvoorzieningen is er op gericht dat de rechtspersoon zelf zijn problemen oplost, zo blijkt uit de parlementaire behandeling van het desbetreffende wetsvoorstel.1 Het idee is dat het wanbeleid is ontstaan in de (vennootschappelijke) organisatie en verholpen kan worden door middel van een reorganisatie. Hierop wordt teruggekomen in par. 8.3.3 en hoofdstuk 15.
Wat opvalt aan de parlementaire behandeling van de in 1971 ingevoerde eindvoorzieningen, is dat men geen volledig beeld leek te hebben van wat allemaal kon worden bewerkstelligd met de ingevoerde eindvoorzieningen. Zo werd over het schorsen en vernietigen van besluiten opgemerkt dat dit in de regel de minst ingrijpende voorziening zou zijn en dat deze voorziening zou zijn geïndiceerd als niet het gehele beleid in de rechtspersoon op de helling behoeft te komen. De praktijk laat echter zien dat het vernietigen van besluiten in de regel juist wel verregaande gevolgen heeft. Verwezen zij naar par. 14.4.2.1.
Het gebrek aan voorstellingsvermogen bij de wetgever komt het meest geprononceerd naar voren bij zijn toelichting op de voorziening ‘tijdelijk afwijken van de statuten’. Zoals in hoofdstuk 13 ter sprake zal komen, biedt deze voorziening een zeer breed scala aan mogelijkheden om de rechtspersoon ingrijpend te wijzigen. De wetgever kwam echter niet verder dan het voorbeeld dat tijdelijk wordt afgeweken van een statutaire bepaling die een oplossing blokkeert, zoals een bepaling die een verstrekte meerderheid voorschrijft.
In het licht van het bovenstaande verbaast het niet dat de parlementaire geschiedenis van de in 1971 ingevoerde regeling van het enquêterecht weinig houvast biedt ten aanzien van de reikwijdte van de te treffen voorzieningen. Dat betekent niet dat daarvoor helemaal geen aanwijzingen te vinden zijn in de Kamerstukken. Zo worden eindvoorzieningen als ultimum remedium bestempeld2, hetgeen tot enige terughoudendheid noopt, maar wordt tevens ten aanzien van het tijdelijk aanstellen van bestuurders duidelijk gemaakt dat deze diepgaand moeten kunnen ingrijpen.3 Enkele prangende vragen komen echter geheel niet aan bod.
Ik noem twee voorbeelden van dergelijke vragen (die later in dit onderzoek aan de orde zullen komen): gaat het te ver, indien door middel van tijdelijk afwijken van de bepalingen van de statuten de bevoegdheden aangaande een emissie van aandelen geheel te verleggen naar het bestuur, terwijl duidelijk is het bestuur een emissie voorstaat die het belang van de meerderheidsaandeelhouder sterk zal verwateren?4 Kan de ondernemingskamer de statuten in het kader van het treffen van de voorziening tijdelijk afwijken van de statuten zo inrichten dat deze in strijd komen met bepalingen van dwingend recht5 en zo ja, welke rol speelt de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid daarbij? In de parlementaire geschiedenis van de in 1971 ingevoerde regeling staat hierover geheel niets.