Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/7.3.6
7.3.6 Opleggen nieuwe verplichtingen
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192819:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Summier besproken in Pilkington 2017, §3.028-3.029 en uitgebreider in Bayfield & Perkins 2015.
Re APCOA Parking Holdings GmbH [2014] EWHC 3849 (Ch), nr. 164.
Bayfield & Perkins 2015.
Pilkington 2017, §3.029; Bayfield & Perkins 2015. O’Dea schreef reeds vóór de APCOA-zaak dat het opleggen van substantiële nieuwe verplichtingen tot de “periphery of the court’s jurisdiction” zou behoren, vgl. O’Dea, Long & Smyth 2012, §8.41.
O’Dea, Long & Smyth 2012, §8.41. Zie ook het client alert van Shearman & Sterling inzake Frigoglass, te raadplegen op https://www.shearman.com/perspectives/2018/04/frigoglass-restructuring (laatst geraadpleegd 30 december 2019): “There are certain exceptions, for example where the obligations are of a minor or technical nature and replicate existing obligations (e.g. indemnities given to Note trustees) or where such obligations are an integral part of the new rights received and are customary (e.g. turnover obligations imposed under an intercreditor arrangement).”
Tollenaar 2017b, §2.9.1.
In het voorontwerp WHOA werd gesuggereerd dat aandeelhouders verplicht zouden kunnen worden nieuw kapitaal te verstrekken (MvT Voorontwerp WHOA, p. 2 en 36). Bovendien verklaarde het voorgestelde art. 382 lid 2 Fw de art. 2:81/192 BW buiten toepassing. De consequentie daarvan was dat aandeelhouders wel degelijk extra verplichtingen zouden kunnen worden opgelegd. Er is kritiek uitgeoefend op die bepaling, vgl. Moulen Janssen & Rensen 2018; Tollenaar 2017b, §2.9.1. In het uiteindelijke Voorstel van Wet zijn deze bepalingen geschrapt.
Tollenaar stelt dat niet-financiële verplichtingen die betrokkenen evenwel in hun handelingsvrijheid beknotten, een “grijs gebied” vormen. De rechter moet volgens hem bepalen welke regelingen in deze “schemerzone” zijn toegelaten. Tollenaar 2017b, §2.9.1.
Zie Pilkington 2017, §9.027. Vgl. ook Justice Snowden in Re Van Gansewinkel Groep B.V. [2015] EWHC 2151 (Ch), nr. 16: “As is commonplace in schemes of this type (creditor schemes, AM), the operative provisions of the schemes provided for the execution of a number of restructuring documents by an attorney appointed under the schemes to act on behalf of the scheme creditors. The essential elements of the compromise and arrangement between the scheme companies and their scheme creditors is to be found in those restructuring documents.”
Paragraaf 57 van het Oi Coop akkoord luidt: “Notwithstanding paragraph 56, Oi Coop shall be entitled to, as an authorized representative of each Main Creditor, and each Main Creditor hereby authorises Oi Coop and grants Oi Coop on and from the Effective Date an unconditional, irrevocable power of attorney to on its behalf, perform any and all such (legal and other) acts, including acts of disposition, and do all such things in respect of the Notes, Oi Coop Loan and the Main Creditors Indebtedness as may be required or desirable (in the sole discretion of Oi Coop) to effect and make fully effective the RJ Plan and the Plan.” Het PTIF plan bevatte een gelijkluidende bepaling in paragraaf 3.2.11.
Tollenaar 2017b, §2.9.1.
Dit lijkt gebeurd te zijn in het UPC akkoord. De crediteuren van UPC moesten hun vorderingen op UPC aan Newco overdragen op basis van het restructuring agreement. In ruil kregen zij aandelen in Newco. Zie 1.3 van de conclusie van A-G Timmerman voor HR 26 augustus 2003, NJ 2004/549; JOR 2003/211 m.nt. Van Hees (Intercomm/UPC). Zie over deze techniek §7.6.5.
Keirse, GS Vermogensrecht, art. 3:84 BW, aant. 1.3.7.4 (online, bijgewerkt tot 24 januari 2019).
Zie voor voorbeelden van schemes waarin een adjudicator werd aangesteld Re Hawk Insurance Co Ltd [2001] EWCA Civ 241 [2002] B.C.C. 300, nr. 35; Re Pan Atlantic Insurance Co Ltd [2003] EWHC 1696 (Ch), nr. 20-22, 32; Re The British Aviation Insurance Co Ltd [2005] EWHC 1621 (Ch), nr. 126-138.
In de in de vorige voetnoten genoemde zaken Re Hawk en Re Pan Atlantic werd door tegenstemmers aangevoerd dat zij als gevolg van het adjudication beding de bescherming zouden verliezen die zij zouden kunnen ontlenen aan art. 6 EVRM. Deze bezwaren werden door de Engelse rechter verworpen. In de Hawk zaak omdat alle bekende crediteuren deugdelijk waren opgeroepen voor de stemming en de homologatiezitting en daardoor daadwerkelijk de kans hadden gekregen zich te verzetten tegen de scheme. In Re Pan Atlantic oordeelde de rechter dat geen strijd met art. 6 EVRM bestond, omdat de beslissingen van de ‘adjudicator’ slechts bindend waren voor zover zij binnen de grenzen van de wet bleven. Zie over deze schemes Pilkington 2017, §8.028-8.029; Moss 2003; Milman 2003.
370. Een interessante vraag is of het akkoord vermogensverschaffers ook nieuwe verplichtingen kan opleggen. Het wijzigen van de rechten van schuldeisers of aandeelhouders behelst een aanpassing of herformulering van de rechten en plichten van partijen. De scheidslijn tussen het herformuleren van bestaande verplichtingen en het opleggen van nieuwe verplichtingen is dun, en zal bovendien niet steeds duidelijk zijn.
Het is geen uitgemaakte zaak of met een Engelse scheme ook nieuwe verplichtingen aan vermogensverschaffers kunnen worden opgelegd. Het punt werd opgebracht door de financiers die een ‘senior facility’ aan APCOA hadden verstrekt.1 Die financiering bestond uit vier onderdelen: een vaste lening, een rekening-courant faciliteit, een garantiefaciliteit en een ‘second lien facility’. De garantiefaciliteit bleek het hete hangijzer. Een bank gaf garanties af ten behoeve van crediteuren van APCOA. APCOA verstrekte contragaranties ten behoeve van die bank. Wanneer APCOA deze betalingsverplichting niet na zou komen, kon de bank verhaal nemen op de verstrekkers van de ‘senior facility’. De aansprakelijkheid van deze financiers was gemaximeerd tot 50 miljoen euro. Indien een van de garanties zou verlopen, zou de bank voor dat bedrag nieuwe garanties kunnen geven. Onderdeel van de voorgestelde scheme was de vervanging van de ‘senior facility’ door een nieuwe faciliteit. Een gedeelte van de vaste lening en een gedeelte van de rekening-courantfaciliteit zouden opnieuw beschikbaar worden gesteld. Onderdeel van die nieuwe financiering was ook een garantiefaciliteit van 50 miljoen euro, waarbij de financiers voor enkele jaren aansprakelijk zouden zijn ten opzichte van de bank die garanties uitgaf. Bovendien zou er een nieuwe ‘issuing bank’ komen.
De financiers hadden geen probleem met het ‘doorrollen’ van de vaste lening en het rekening-courant krediet. Zij meenden echter dat zij niet middels een scheme verplicht konden worden garant te staan voor de bank. APCOA stelde zich echter op het standpunt dat “all the new guarantee facility did was exchange one set of mutual rights and obligations for another set of mutual rights and obligations for the same amount.” Uiteindelijk hoefde Justice Hildyard zich niet uit te laten over het punt. Omdat hij de partijen had laten blijken twijfels te hebben over de toelaatbaarheid van deze nieuwe verplichtingen, waren de schemes aangepast zodat het discussiepunt verdween en tijdens de sanctioning hearing niet meer beslist hoefde te worden. Wel overwoog hij:
“All I will say for the present is that in my view, the imposition of a new obligation to third parties is very different from the release in whole or in part of an obligation to such third parties. More generally, I am not persuaded that obligations may be imposed under a scheme of arrangement under Pt 26 : in creditors’ schemes, it appears to me likely that the jurisdiction exists for the purpose of varying the rights of creditors in their capacity as such, and not imposing on such creditors new obligations.”2
Bayfield and Perkins onderschrijven de twijfel van Hildyard. Zij schrijven dat het bij een scheme of arrangement gaat om de vordering van schuldeisers op de debiteur, en niet om de eventuele verplichtingen die op schuldeisers rusten. Ook merken zij op dat de rechter bij de ‘fairness’ toets in de homologatiefase een vergelijking maakt tussen de behandeling onder de scheme en de positie van crediteuren in het alternatieve liquidatiescenario. Omdat tijdens liquidatie geen nieuwe verplichtingen kunnen worden opgelegd aan crediteuren gaat de vergelijking mank (“apples with pears”). Een andere reden waarom het opleggen van verplichtingen niet past binnen het scheme-proces zou gelegen zijn in de vereiste meerderheid per klasse: die wordt gemeten naar de omvang van bestaande vorderingen en niet in verplichtingen. Het gaat in de scheme dus om de rechten van de crediteuren. 3
Justice Hildyard overwoog expliciet dat zijn twijfel over nieuwe verplichtingen geen twijfel op zou mogen roepen over “mere extensions or the rolling over of existing facilities involving no new contract or more extensive obligation, such as may be the case in a revolving credit facility.” Bayfield, Perkins en Pilkington concluderen dat vooralsnog onzeker is wat rechtens is. Zij verwachten dat bijvoorbeeld het ‘verlengen’ van rekeningcourantkredieten zorgvuldig door de rechter zal worden bekeken.4
O’Dea schrijft overigens dat crediteuren wel gebonden moeten kunnen worden aan ‘obligations of ancillary nature’, zoals de verplichting partij te worden bij nieuwe documentatie of kleine wijzigingen van reeds bestaande verplichtingen.5
371. Met Tollenaar ben ik van mening dat uit “de notie van het akkoord als insolventiesysteem” voortvloeit dat van het opleggen van nieuwe financiële verplichtingen geen sprake kan zijn.6 Schuldeisers krijgen ter (gedeeltelijke) voldoening van hun vorderingen bepaalde rechten op de voor verdeling beschikbare waarde toegekend. Het akkoord kan hen niet tegen hun wil extra financiële verplichtingen opleggen. Zoals hiervoor nr. 131 en 144 besproken, draait het akkoord erom schuldeisers met inachtneming van hun juridische positie een aanspraak te geven op de reorganisatiewaarde. De gedwongen oplegging van nieuwe financiële verplichtingen is daarom in ieder geval uitgesloten.7
Het opleggen van niet-financiële verplichtingen ligt mogelijk genuanceerder. 8 Hoewel het uitgangspunt is dat een akkoord slechts ziet op wijziging van bestaande rechten, en dus geen nieuwe verplichtingen kan opleggen, zou ik een uitzondering willen maken voor een beperkte categorie niet-financiële verplichtingen. Verplichtingen die nauw verband houden met de tenuitvoerlegging van het akkoord, en dus nodig zijn om de financiële herstructurering te bewerkstelligen, kunnen mijns inziens in redelijkheid aan tegenstemmende minderheden worden opgelegd. De toelaatbaarheid van deze verplichtingen zal steeds door de rechter moeten worden beoordeeld. De nieuwe verplichtingen kunnen, zoals ook in de Engelse literatuur is opgemerkt, moeilijk langs de meetlat van de best interests-test gelegd worden. De rechter zal daarom steeds moeten nagaan of concrete voorgestelde bedingen binnen doel en strekking van de preinsolventieakkoordregelingen vallen. Ik formuleerde in §4.7 het uitgangspunt dat de inhoud van het akkoord noodzakelijk moet zijn voor het welslagen van de financiële herstructurering. Mocht een rechter concluderen dat een bepaald beding buiten doel en strekking van de akkoordregeling valt, dan kan hij de homologatie weigeren op grond van het ruim geformuleerde art. 384 lid 2 sub i Fw. Deze bepaling geeft hem de mogelijkheid ambtshalve de homologatie te weigeren wanneer er “andere redenen zijn die zich tegen de homologatie verzetten”.
372. Zo acht ik het mogelijk dat het akkoord een verplichting tot het verlenen van een volmacht bevat, mits de volmacht nauw verband houdt met het welslagen van de herstructurering. Zo kan een volmacht verleend worden aan het bestuur of de toezichthouder, die het mogelijk maakt dat deze instantie namens de vermogensverschaffers bepaalde in het akkoord beschreven handelingen verricht die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het akkoord. Dergelijke bedingen zijn gebruikelijk in de scheme-praktijk.9 De faillissementsakkoorden van Oi Coop en PTIF bevatten dergelijke op de praktische uitvoering van het akkoord gerichte volmachtverleningen.10 In de homologatiebeschikking is geen aandacht besteed aan de toelaatbaarheid van deze volmachten. Daarbij zal een rol hebben gespeeld dat geen enkele schuldeiser tijdens de homologatiezitting de wenselijkheid van homologatie bestreed en dat het akkoord met ruime meerderheid waren aangenomen.
Ook is denkbaar dat het akkoord geheimhoudingsverplichtingen oplegt aan betrokken partijen omdat het risico van uitlekken van bepaalde informatie ook ná de homologatie nog een serieuze dreiging voor het welslagen van de herstructurering behelst.11 De rechter zal van geval tot geval moeten beoordelen of het opleggen van deze verplichting billijk is, waarbij de maatstaf zou moeten zijn of het opnemen van deze verplichting in deze vorm noodzakelijk is voor het welslagen van de reorganisatie.
Een akkoord kan mijns inziens ook een verplichting tot overdracht inhouden, mits die overdracht noodzakelijk is voor de voorgestane herstructurering. Denk aan de out of the money-aandeelhouder die in het kader van een debt for equity swap zijn aandelen moet overdragen aan de financier. Indien de financier in het kader van zo’n debt for equity swap nieuw uitgegeven aandelen verkrijgt, kan hij aan zijn stortingsverplichting voldoen door zijn vordering op de vennootschap te cederen aan de vennootschap.12 Het akkoord bewerkstelligt op zichzelf nog geen overdracht, maar behelst – na homologatie – slechts de titel voor overdracht. Om daadwerkelijk tot overdracht te komen, is ook een leveringshandeling vereist.13 De rechter kan op grond van art. 3:300 BW bepalen dat zijn homologatievonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van degene die tot levering gehouden is. Op die manier kan het akkoord leiden tot gedwongen overdracht van aandelen of vorderingsrechten.14 Hoewel dit op het eerste gezicht een erg verstrekkende conclusie lijkt, verschilt de uitkomst in materiële zin niet wezenlijk van de volledige kwijtschelding van een vordering. In beide gevallen omvat het vermogen van de schuldeiser niet langer een vorderingsrecht op de schuldenaar. Wanneer de schuldeiser in ruil voor overdracht van een vordering een andere vermogenstitel ontvangt, zijn het de homologatiecriteria die bepalen of deze uitkering toelaatbaar is.
Andere verplichtingen die verband kunnen houden met de beoogde herstructurering, maar waarvan het maar de vraag is of deze rechtsgeldig opgenomen kunnen worden in een dwangakkoord, zijn verplichtingen tot zekerheidsverschaffing. Daarbij denk ik aan een zogenaamde ‘positive pledge’-verklaring of een verplichting mee te werken aan een toekomstig wederzijds zekerhedenarrangement.
In Engelse schemes wordt met enige regelmaat voorzien in een ‘adjudication procedure’. Een dergelijke procedure is erop gericht eventuele geschillen omtrent de afwikkeling van de scheme in handen te leggen van experts, arbiters of bindend adviseurs (‘adjudicator’). Ook waarderingsgeschillen kunnen via deze route worden beslecht.15 Deze bedingen kunnen uit praktisch oogpunt worden gebillijkt. Men wil voorkomen dat over de uitvoering van het akkoord nog vele rechterlijke procedures zullen volgen. Dergelijke bedingen lijken mij ook naar Nederlands recht toelaatbaar. Het is uiteindelijk aan de rechter te bepalen of de voorgestelde geschilbeslechtingsprocedure aan de tegenstemmende of niet-stemmende vermogensverschaffers kan worden opgelegd. Daarbij zal de rechter – met art. 1 EP EVRM en art. 6 EVRM in het achterhoofd – grondig moeten kijken naar de procedurele waarborgen waarin het voorgestelde proces voorziet.16