HR, 15-11-2022, nr. 21/00817
ECLI:NL:HR:2022:1652
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15-11-2022
- Zaaknummer
21/00817
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:1652, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 15‑11‑2022; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:864
ECLI:NL:PHR:2022:864, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 27‑09‑2022
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:1652
- Vindplaatsen
Uitspraak 15‑11‑2022
Inhoudsindicatie
Belaging, art. 285b.1 Sr. Motivering bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht, art. 14e.1 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2015:537 m.b.t. motiveringsverplichting voor rechter betreffende dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht. ’s Hofs uitspraak voldoet niet aan deze motiveringsverplichting, nu uit bewezenverklaring, strafoplegging en strafmotivering niet zonder meer volgt dat bewezenverklaard feit was gericht tegen of gevaar veroorzaakte voor onaantastbaarheid van lichaam van een of meer personen en dat er verder ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw zo’n feit zal begaan. HR doet zaak zelf af en vernietigt bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/00817
Datum 15 november 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 februari 2021, nummer 22-000842-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend ten aanzien van het bevel dat de in de bestreden uitspraak vermelde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof toepassing heeft gegeven aan artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en heeft bevolen dat de gestelde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 2 september 2019 tot en met 21 oktober 2019 te [plaats] , wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] , door op verschillende data in voormelde periode (telkens)
- veelvuldig - al dan niet bedreigende - emailberichten te versturen en
- veelvuldig zich op te houden rondom en in de nabijheid van de woning, althans de verblijfplaats, van die [aangeefster] met het oogmerk die [aangeefster] te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen.”
2.2.2
Het hof heeft de verdachte wegens belaging veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met bijzondere voorwaarden als in zijn uitspraak omschreven. De uitspraak van het hof houdt daarover het volgende in:
“Stelt als bijzondere voorwaarden:
1. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal melden bij Reclassering Nederland te [a-straat 1] te [plaats] , zolang en frequent als de reclassering noodzakelijk vindt;
2. dat de veroordeelde zich onder ambulante behandeling zal stellen, door forensische polikliniek [A] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra de wachtlijst dit toelaat. Veroordeelde is reeds aangemeld voor behandeling en blijft in behandeling bij de huidige zorgverlener [B] tot hij kan starten bij [A] . De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
De behandeling richt zich op de psyche van veroordeelde. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;
3. dat de veroordeelde zal verblijven in de instelling voor begeleid wonen/maatschappelijke opvang te bepalen door de reclassering, en zich zal houden aan de aanwijzingen die door of namens de directeur van die instelling worden gegeven, gedurende de gehele proeftijd of zoveel korter als de directeur van die instelling/reclassering verantwoord vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
4. dat het de veroordeelde verboden is gedurende de volledige proeftijd drugs te gebruiken en dat hij verplicht is ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek.
Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.”
2.2.3
Het hof heeft ten aanzien van de strafoplegging onder meer het volgende overwogen:
“De verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim één maand schuldig gemaakt aan belaging, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven. Nadat aangeefster de relatie met verdachte had beëindigd, heeft verdachte meer dan 300 (e-mail)berichten aan aangeefster verstuurd. In die berichten uitte verdachte zijn frustratie over het beëindigen van de relatie. De berichten waren dwingend, beledigend en bedreigend van aard. Tevens heeft verdachte zich opgehouden nabij de woning waar aangeefster verbleef. Door aldus te handelen heeft hij herhaaldelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Feiten als het onderhavige worden door slachtoffers doorgaans bovendien als beangstigend en bedreigend ervaren.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 februari 2021.
Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 7 februari 2020.
Psycholoog [betrokkene 1] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 5 februari 2020.
Het hof heeft kennis genomen van beide rapporten.
Het hof is van oordeel dat alleen een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals na te melden, een passende en geboden reactie vormt. Het hof zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf na te noemen bijzondere voorwaarden verbinden.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf achterwege te laten. Hiervoor bestaat echter geen aanleiding, omdat het hof het feit hiervoor te ernstig vindt zeker gezien de manier waarop de verdachte aangeefster intensief heeft gestalkt. Ook wordt het de verdachte zwaar aangerekend dat hij meerdere keren bij de rechter-commissaris, de reclassering en psycholoog, heeft beloofd geen contact meer te zullen zoeken met aangeefster maar deze beloftes vervolgens telkens niet nakwam.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zullen de op te leggen bijzondere voorwaarden, inhoudende een meldplicht, een ambulante behandelverplichting en een opname in een instelling voor begeleid wonen/maatschappelijke opvang en het op te leggen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.”
2.3
Artikel 14e Sr luidt:
“De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, bevelen dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”
2.4
Een rechterlijke uitspraak mag in de regel pas ten uitvoer worden gelegd nadat zij onherroepelijk is geworden. De in artikel 14e Sr voorziene uitzondering op deze regel over de dadelijke uitvoerbaarheid van de op grond van artikel 14c Sr gestelde bijzondere voorwaarden of het uit te oefenen toezicht kan voor de veroordeelde verstrekkende gevolgen hebben. Onder meer daarom zal de rechter in de motivering van zijn bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid ervan blijk moeten geven dat aan de in artikel 14e Sr gestelde voorwaarden is voldaan. (Vgl. HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:537.)
2.5
De uitspraak van het hof voldoet niet aan deze motiveringsverplichting nu uit wat hiervoor onder 2.2 is weergegeven niet zonder meer volgt dat het bewezenverklaarde feit was gericht tegen of gevaar veroorzaakte voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en dat er verder ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw zo’n feit zal begaan.
2.6
Het cassatiemiddel is in zoverre terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen en het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid vernietigen.
3. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend ten aanzien van het bevel dat de in die uitspraak vermelde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 november 2022.
Conclusie 27‑09‑2022
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Middel 1 bevat motiveringsklachten over de bewezenverklaring van belaging. Middel 2 bevat motiveringsklachten over bevel dadelijke uitvoerbaarheid van (1) bijz. voorwaarden en (2) vrijheidsbeperkende maatregel. Middel 1 faalt. Middel 2 slaagt wat betreft bevel dadelijke uitvoerbaarheid van bijz. voorwaarden. Conclusie strekt tot vernietiging van bevel dadelijke uitvoerbaarheid van bijz. voorwaarden en tot verwerping van het beroep voor het overige.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/00817
Zitting 27 september 2022
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1. Het cassatieberoep
1.1.
De verdachte is bij arrest van 15 februari 2021 door het gerechtshof Den Haag voor “belaging” veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar met bijzondere voorwaarden en met aftrek van het voorarrest zoals bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van twee jaar. Het hof heeft zowel de bijzondere voorwaarden als de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaard.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. Bespreking van het eerste middel
2.1.
In het eerste middel wordt geklaagd dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
2.2.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 2 september 2019 tot en met 21 oktober 2019 te [plaats] wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster], door op verschillende data in voormelde periode (telkens)
- veelvuldig – al dan niet bedreigende – emailberichten te versturen en
- veelvuldig zich op te houden rondom en in de nabijheid van de woning, althans de verblijfplaats, van die [aangeefster] met het oogmerk die [aangeefster], te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen.”
2.3.
Deze bewezenverklaring berust op de in het aantekening mondeling arrest opgenomen bewijsmiddelen (pagina 6 tot en met 14), naar de inhoud waarvan ik verwijs.
2.4.
Blijkens de bewezenverklaring van het hof heeft de belaging bestaan uit (i) het veelvuldig versturen van e-mailberichten en uit (ii) het zich veelvuldig ophouden rondom en in de nabijheid van de woning, althans de verblijfplaats van de aangeefster.
2.5.
Het middel bevat twee deelklachten. De eerste deelklacht is gericht tegen de bewezenverklaring van het hof voor zover deze inhoudt dat de verdachte ‘opzettelijk’ inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster bij (i) het veelvuldig versturen van e-mailberichten. De tweede deelklacht is gericht tegen de bewezenverklaring van de ‘stelselmatigheid’ van (ii) het zich ophouden rondom en in de nabijheid van de woning, althans de verblijfplaats van de aangeefster.
De eerste deelklacht
2.6.
De eerste deelklacht houdt in dat het hof mede tot het bewijs heeft gebezigd de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg, terwijl volgens de stellers van het middel uit deze verklaring volgt dat de verdachte niet opzettelijk heeft gehandeld. Aangezien het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
2.6.1.
De door het hof voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting in eerste aanleg van 21 februari 2020, houdt in verband met het opzet in:
“Ik heb veel e-mails naar haar gestuurd, dat heb ik gedaan. Ik ben fout geweest. Het is onwetendheid en is nooit mijn bedoeling geweest. Het had nooit mogen gebeuren.
Ik weet inderdaad van een filmpje. Het had gewoon niet mogen gebeuren. Ik ben fout geweest.
(…)
U vraagt wat de bedoeling was van alle e-mailberichten die ik gestuurd heb naar [aangeefster] met verschillende e-mailadressen. Ik wilde gewoon heel graag contact met haar, omdat ik voor de rest niemand had. Ik weet dat het er veel zijn. Het was niet mijn bedoeling geweest om tot aan vervelendst toe zoveel e-mailberichten te versturen.
Ik heb er nooit verkeerde bedoelingen mee gehad.
U vraagt dat je er toch gek van wordt als er zolang zoveel e-mails naar je worden gestuurd.
Ja, dat kan ik begrijpen ja.”
2.6.2.
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 27 juni 2000, Stb. 282 (strafbaarstelling van belaging), houdt onder meer in:
“De wetgever heeft het strafbaar opzet «kleurloos» willen houden. Waar het om gaat is dat de dader het feit van zijn gedraging onder ogen moet hebben gezien. Hij moet de strekking van zijn handeling hebben gekend. Meer is er voor strafbaarheid niet nodig.
(…)
De dader behoeft dus om strafrechtelijk aansprakelijk te zijn, niet te hebben geweten dat wat hij deed, wederrechtelijk was. Evenmin behoefde hij te weten dat het een delict was, noch dat het slachtoffer het feit als onrechtmatig of wederrechtelijk heeft ervaren. Wanneer de belager als verweer voert: «ik wist niet dat wat ik deed als inbreuk werd ervaren op de levenssfeer van het slachtoffer», heeft dat op de strafbaarheid als zodanig geen invloed. In de jurisprudentie wordt het bewijs van opzet uit de objectief waarneembare omstandigheden afgeleid.”1.
2.6.3.
Voor zover de stellers van het middel betogen dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed omdat uit de door het hof voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte niet kan volgen dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld, faalt het. Weliswaar heeft de verdachte verklaard dat ‘het’ nooit zijn bedoeling is geweest, maar uit dit bewijsmiddel blijkt ook dat de verdachte heeft verklaard dat hij veel e-mails naar aangeefster heeft verstuurd, dat het fout is geweest, dat het niet had mogen gebeuren en dat hij begrijpt dat “je er gek van wordt als er zoveel e-mails naar je worden gestuurd”. Kennelijk heeft het hof deze verklaring van de verdachte zo begrepen dat hij hiermee heeft willen zeggen dat hij niet het oogmerk (de bedoeling) heeft gehad op het schenden van de persoonlijk levenssfeer van de aangeefster, maar dat hij wel de strekking van zijn handelingen heeft ingezien en aldus opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster. Dat is voor een bewezenverklaring van belaging voldoende. Ik acht dit oordeel van het hof dan ook niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd.
2.6.4.
De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht
2.7.
In de toelichting op de tweede deelklacht wordt erop gewezen dat de bewezenverklaring van het zich veelvuldig ophouden rondom en in de nabijheid van de woning van aangeefster berust op tegenstrijdige bewijsmiddelen. In het bijzonder wordt geklaagd dat de verdachte ten overstaan van de politie heeft verklaard dat hij slechts één keer bij de woning van de moeder van de aangeefster – tevens de verblijfplaats van de aangeefster – is geweest, terwijl de verdachte zich blijkens andere gebezigde bewijsmiddelen meermalen bij deze woning heeft opgehouden.
2.7.1.
De door het hof voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting in eerste aanleg van 21 februari 2020, houdt in dit verband in:
“U zegt dat ik door de politie ben aangehouden op 22 oktober 2019 op verdenking van stalking. U zegt dat [aangeefster] en haar moeder hebben verklaard dat ik veel bij de woning van haar moeder rondhang en allerlei dingen roep bij hun balkon. Nee, dat is absoluut niet waar. Op die ene keer na dan dat ik daar gefilmd ben. U zegt dat de buurvrouw van [aangeefster] en haar moeder ook heeft verklaard dat zij mij daar vier keer gezien heeft. Ik woon daar zelf ook in de buurt en laat mijn hond daar uit. Ik woon 500 meter verderop.”
2.7.2.
Uit andere voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van de aangeefster, de moeder van aangeefster en een buurvrouw blijkt dat de verdachte zich veelvuldig heeft ophouden rondom en in de nabijheid van de woning van de aangeefster (en zich daarbij bedreigend heeft uitgelaten).
2.7.3.
Het hoeft geen betoog dat de door het hof gebezigde verklaring van de verdachte voor zover inhoudende dat hij zich slechts éénmaal bij de verblijfplaats van de aangeefster heeft opgehouden niet redengevend is voor de bewezenverklaring dat hij zich daar veelvuldig heeft opgehouden. Het hof had deze passage uit de verklaring van de verdachte ofwel dienen door te halen, ofwel van een overweging dienen te voorzien waaruit blijkt dat het hof deze zinsnede als kennelijk leugenachtig beschouwt. Hoewel geen van beide is gebeurd, behoeft daaraan naar mijn oordeel in dit specifieke geval geen consequentie te worden verbonden. De overige voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen zijn volstrekt eenduidig. Na vernietiging en terugwijzing zou het hof op basis daarvan zonder twijfel tot een gelijkluidende bewezenverklaring zijn gekomen. Bovendien is ook zonder bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging sprake van belaging, bestaande uit het door de verdachte bekende veelvuldig toezenden van e-mails aan de aangeefster. In zoverre kan ook worden gesteld dat het verzuim zonder gevolgen kan blijven omdat het gaat om een onderdeel van de bewijsvoering.2.
2.7.4.
Ook de tweede deelklacht faalt.
2.8.
Daarmee faalt het eerste middel.
3. Het tweede middel
3.1.
Het tweede middel bevat een tweetal motiveringsklachten. Beide klachten zien op de bevelen tot dadelijke uitvoerbaarheid. In het ene geval heeft het bevel betrekking op de opgelegde bijzondere voorwaarden, in het andere geval op de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel. In dit verband heeft het hof het volgende overwogen:
“Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim één maand schuldig gemaakt aan belaging, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven.
Nadat aangeefster de relatie met verdachte had beëindigd, heeft verdachte meer dan 300 (e-mail)berichten aan aangeefster verstuurd. In die berichten uitte verdachte zijn frustratie over het beëindigen van de relatie. De berichten waren dwingend, beledigend en bedreigend van aard. Tevens heeft verdachte zich opgehouden nabij de woning waar aangeefster verbleef.
Door aldus te handelen heeft hij herhaaldelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Feiten als het onderhavige worden door slachtoffers doorgaans bovendien als beangstigend en bedreigend ervaren.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 februari 2021.
Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 7 februari 2020.
Psycholoog [betrokkene 1] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 5 februari 2020.
Het hof heeft kennis genomen van beide rapporten.
Het hof is van oordeel dat alleen een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals na te melden, een passende en geboden reactie vormt. Het hof zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf na te noemen bijzondere voorwaarden verbinden.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf achterwege te laten. Hiervoor bestaat echter geen aanleiding, omdat het hof het feit hiervoor te ernstig vindt zeker gezien de manier, waarop de verdachte aangeefster intensief heeft gestalkt.
Ook wordt het de verdachte zwaar aangerekend dat hij meerdere keren bij de rechter-commissaris, de reclassering en psycholoog, heeft beloofd geen contact meer te zullen zoeken met aangeefster maar deze beloftes vervolgens telkens niet nakwam.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zullen de op te leggen bijzondere, voorwaarden, inhoudende een meldplicht, een ambulante behandelverplichting en een opname in een instelling voor begeleid wonen/maatschappelijke opvang en het op te leggen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar worden, verklaard.
Ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten wordt aan de verdachte tevens de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van twee jaren opgelegd, inhoudende een contactverbod met [aangeefster] (geboren op [geboortedatum] 1987) en [betrokkene 2] (geboren op [geboortedatum] 1957). Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens [aangeefster] en/of [betrokkene 2] wordt bevolen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.”
De eerste deelklacht
3.2.
In de eerste plaats wordt geklaagd over de ontbrekende, althans ontoereikende motivering van het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de bij de veroordeling opgelegde bijzondere voorwaarden.
3.2.1.
Ingevolge artikel 14e Sr kan een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de op grond van art. 14c Sr gestelde bijzondere voorwaarden enkel worden gegeven indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit bevel dat een uitzondering is op de regel dat een rechterlijke uitspraak pas ten uitvoer mag worden gelegd nadat zij onherroepelijk is geworden, kan voor de veroordeelde verstrekkende gevolgen hebben. Onder meer daarom zal de rechter indien hij de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaart, in zijn motivering expliciet dienen aan te geven waarom hij van oordeel is dat aan de in art. 14e Sr gestelde voorwaarden is voldaan.3.
3.2.2.
Het misdrijf ‘belaging’ kan niet zonder meer worden aangemerkt als een misdrijf dat ‘gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen’, als bedoeld in art. 14e Sr.4.Aangezien in het onderhavige geval ook de bewezenverklaring niet duidt op een dergelijke gewelddadige gedraging, dient de feitenrechter uitdrukkelijk te motiveren waarom hij desondanks de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden beveelt.5.In deze zaak heeft de bewezenverklaarde belaging bestaan uit het veelvuldig versturen van e-mailberichten, al dan niet op dreigende toon, en het zich veelvuldig ophouden bij de verblijfplaats van de aangeefster. Alhoewel deze gedragingen op zichzelf als beangstigend en bedreigend kunnen worden ervaren, zoals in de onderhavige zaak ook is overwogen door het hof (zie hiervoor onder randnr. 3.1.), kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden geconcludeerd dat de gedragingen van de verdachte zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam. Het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid is dan ook ontoereikend gemotiveerd.6.
3.2.3.
In zoverre is het middel terecht voorgesteld.
De tweede deelklacht
3.3.
De tweede deelklacht lijkt enigszins op de eerste deelklacht en is ook gericht tegen de ontbrekende, althans ontoereikende motivering van het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid, maar in dit geval van de bij de veroordeling opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel.
3.3.1.
De vrijheidsbeperkende maatregel die aan de verdachte is opgelegd, is geregeld in art. 38v Sr. Art. 38v lid 4 Sr bepaalt over de dadelijke uitvoerbaarheid:
“De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van de officier van justitie, bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.”
3.3.2.
De drempel voor dadelijke uitvoerbaarverklaring van de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in art. 38v Sr ligt lager dan de eis die wordt gesteld aan dadelijke uitvoerbaarverklaring van bijzondere voorwaarden als bedoeld in art. 14e Sr. Blijkens art. 38v Sr kan dadelijke uitvoerbaarverklaring van een vrijheidsbenemende maatregel immers al worden bevolen indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaald persoon of bepaalde personen.7.Volgens de wetsgeschiedenis van art. 38 lid 4 Sv moet de rechter het belang van de onmiddellijke bescherming van de omgeving of het slachtoffer en de ernst van het strafbare feit dat de veroordeelde kan begaan, dan wel het belastend gedrag dat hij jegens personen kan laten zien, afwegen tegen het belang van de veroordeelde om zich in de periode tot aan de onherroepelijkheid van het vonnis vrijelijk in een bepaalde straat of wijk te begeven of contact te hebben met bepaalde personen.8.De uitkomst van deze belangenafweging moet proportioneel zijn.9.
3.3.3.
In de onderhavige zaak heeft het hof overwogen dat het aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel oplegt ter voorkoming van strafbare feiten en dat het de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel beveelt omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens de aangeefster en/of haar moeder. Gelet op het voorgaande acht ik deze motivering toereikend. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof in verband met de dadelijk uitvoerbaar verklaarde bijzondere voorwaarden heeft overwogen dat de verdachte meerdere keren (bij de rechter-commissaris, de reclassering en psycholoog) heeft beloofd geen contact meer te zullen zoeken met aangeefster, maar dat hij deze beloftes vervolgens telkens niet nakwam. Hieruit heeft het hof naar mijn oordeel kunnen afleiden dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens de aangeefster. De tweede deelklacht faalt.
3.4.
Het tweede middel is terecht voorgesteld, maar uitsluitend wat betreft de gebrekkige motivering van het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden. Nu uit het bestreden arrest niet blijkt dat de belaging is gericht geweest tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van de aangeefster, kan de Hoge Raad om redenen van doelmatigheid de zaak zelf afdoen en voormeld bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid vernietigen.10.
4. Slotsom
4.1.
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met een op art. 81 RO gebaseerde formulering. Het tweede middel slaagt deels, namelijk uitsluitend wat betreft het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden.
4.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend ten aanzien van het bevel dat de in de bestreden uitspraak vermelde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑09‑2022
Vgl. bijvoorbeeld HR 12 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6192.
Vgl. o.m. HR 27 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:436 en HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:537, NJ 2015/236m.nt. F. Vellinga-Schootstra.
Zie o.m. HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3379, NJ 2015/8 en HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:646, NJ 2017/181.
Zie in dit verband bijvoorbeeld ook de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter die voorafging aan HR 21 juni 2016 ECLI:HR:2016:1239, randnrs. 8 en 9. In die zaak ging het ook om belaging.
Uit de strafmotivering kan wel worden afgeleid waarom het hof meent dat de verdachte in de toekomst ‘wederom’ in de fout zal kunnen gaan. Het hof heeft immers overwogen dat de verdachte “meerdere keren bij de rechter-commissaris, de reclassering en psycholoog, heeft beloofd geen contact meer te zullen zoeken met aangeefster maar deze beloftes (is hij) vervolgens telkens niet (nagekomen)”.
Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Aben van 5 april 2022, ECLI:NL:PHR:2022:326, onder randnr. 23.
Kamerstukken II 2010/11, 32 551, nr. 3, p. 11-13 en 23-24. Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee die voorafging aan HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1028.
Kamerstukken II 2010/11, 32 551, nr. 3, p. 11-13 en 23-24. Vgl. ook HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:445, NJ 2020/218, m.nt. J.H.J. Verbaan, rov. 4.3.2 en HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1028, rov. 2.3.2.
Vgl. 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:537, NJ 2015/236, m.nt. F. Vellinga-Schootstra en HR 21 juni 2016,ECLI:NL:HR:2016:1239.