Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/3.5.1
3.5.1 Inleiding
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940491:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Verdrag van 4 november 1950, Kamerstukken II 1952/53, 3 043, Trb. 1951,154. De inwerkingtreding van het EVRM in Nederland was op 31 augustus 1954 (Wet van 28 juli 1954, Stb. 1954, 335).
Het andere multilaterale verdrag dat voor dit doel wordt ingeroepen, is het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, Verdrag van 16 december 1966, Kamerstukken II 1975/76, 13 932, Trb. 1978, 177. De inwerkingtreding van het BUPO-verdrag in Nederland was op 11 maart 1979 (Wet van 24 november 1978, Stb. 1978, 624). Het BUPO-verdrag is gesloten onder de mantel van de Verenigde Naties. Er kan een beroep worden gedaan op het Human Rights Committee, maar zijn oordelen zijn niet-bindend. Dat heeft tot gevolg dat ook Nederland deze oordelen niet altijd volgt. Feteris 2007, par. IX.3.6.1, geeft daarvan enkele voorbeelden in noot 244. De betekenis van het BUPO-verdrag is daarom minder verstrekkend dan het EVRM.
Voor een nadere beschouwing over de achtergrond, de verhouding tot het nationale recht en de werkingssfeer verwijs ik naar Feteris 2002 (in het bijzonder paragraaf 2.3 tot en met 2.5 en de hoofdstukken 4 en 5), alsmede naar Wijsman 2017, hoofdstuk 2, die ook in gaat op de wijze waarop het EHRM de verdragsvoorschriften uit het EVRM pleegt uit te leggen en toe te passen.
Feteris 2007, par. IX.3.6.1.
EHRM 27 februari 1980, NJ 1980, 561.
EHRM 17 januari 1970, nr. 2689/65, Publ. Ser. A, Vol. II, r.o. 25.
De Blieck e.a. 1995, par. 8.3.1.4, noemen een artikel van Veegens uit 1960, waarin dit standpunt al wordt verdedigd.
Feteris 2002, par. 5.2.2.1, Wijsman 2017, par. 3.3 en EHRM 27 februari 1980, NJ 1980, 561.
Key case-law issues. Compatibility Ratione Materiae. Article 6 (Notion of “criminal charge”), Straatsburg: Griffie EHRM 31-12-2006, Hoofdstuk I, par. 1 en 3.
De rechtsbronnen van het fiscale bestuurlijke boeterecht zijn niet alleen nationaalrechtelijk van aard. Ook de mensenrechtenverdragen, waarvan het EVRM de voornaamste is,1 bevatten bepalingen die rechtstreeks werken,2 zodat een boeteling daarop een beroep kan doen ten overstaan van de Nederlandse rechter.3 Ratificatie van het EVRM is verbonden aan het lidmaatschap van de Raad van Europa en er bestaat een eigen, rechtsprekend orgaan waarop een beroep kan worden gedaan als de nationaalrechtelijke procesmogelijkheden zijn uitgeput, te weten het EHRM (gezeten in Straatsburg).4 Oordelen van het EHRM zijn bindend en de Hoge Raad volgt dus de uitleg die het EHRM aan de verdragsbepalingen geeft.5 De uitleg van de verdragsbepalingen geschiedt autonoom, dat wil zeggen: onafhankelijk van de dogma’s en tradities in de rechtsstelsels van de verschillende verdragsstaten.6
Voor de (fiscale) bestuurlijke boete is art. 6 EVRM, dat het recht op een eerlijk proces beschermt, de cruciale bepaling uit het EVRM.7 Het uitgangspunt van het EHRM bij de toepassing van deze verdragsbepaling is dat hieraan een ruime uitleg moet worden gegeven. Het recht op een behoorlijk proces neemt in een democratische samenleving namelijk een zeer prominente plaats in.8 De betekenis van art. 6 EVRM voor de fiscale bestuurlijke boete werd in de literatuur in Nederland al vroeg onderkend.9 Het heeft evenwel ongeveer 30 jaar geduurd totdat er in de rechtspraak duidelijkheid kwam over de precieze reikwijdte. In de volgende paragrafen beschrijf ik deze rechtsontwikkeling aan de hand van de belangrijkste relevante arresten van de EHRM en – in navolging daarvan – de Hoge Raad.
Caveat: Bij de behandeling van de verdragsbepalingen van het EVRM en de daarover gewezen jurisprudentie, bedien ik mij van de in dat verband gebruikelijke terminologie. Die terminologie kan verwarrend zijn, omdat begrippen als ‘strafbaar feit’, ‘strafrechtelijk’ en ‘strafsanctie’ gemakkelijk de associatie met de strafrechtelijke sfeer (het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering) kunnen oproepen. Dat is echter niet de bedoeling. Bedacht moet worden dat het EVRM en het EHRM in de Engelse taal veelvuldig de notie ‘criminal’ bezigen, bijvoorbeeld in de termen ‘criminal charge’, ‘criminal offence’ en ‘charged with a criminal offence’.10 ‘Criminal’ heeft hier echter een autonome betekenis,11 en daarvoor kan dus niet ‘strafrechtelijk naar Nederlandse maatstaven’ worden gelezen.12 In het navolgende sluit ik mij aan bij de in de literatuur en jurisprudentie gebruikelijke (veelal Engelstalige) weergave van de genoemde termen, ook al spreekt de officiële Nederlandse verdragsvertaling van het EVRM van ‘het instellen van een vervolging’ (maar ook van een ’strafbaar feit’).13