Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.3.3.1
10.3.3.1 Beschikbare voorzieningen als alternatieven voor voorlopige hechtenis
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dit is eerder ook al geconstateerd door Terlouw & Kamphorst (2002), Bos e.a. (2006) en Rovers (2014). Zie paragraaf 5.5.
De meeste justitiële jeugdinrichtingen hebben geen beperkt beveiligde c.q. open afdelingen. Vgl. artikel 10, eerste lid Bjj.
In dit licht moeten de plannen aangaande de ontwikkeling van ‘kleinschalige voorzieningen’ in het kader van de in 2015 door het Ministerie van Veiligheid en Justitie gepresenteerde beleidskoers ‘Verkenning Invulling Vrijheidsbeneming Justitiële Jeugd’ (VIVJJ) worden beschouwd als een – in potentie – positieve ontwikkeling (zie naschrift).
Het Kinderrechtencomité van de Verenigde Naties stelt in General Comment No. 10 uitdrukkelijk dat de Staat moet voorzien in een effectief aanbod van alternatieven voor voorlopige hechtenis van minderjarigen om te kunnen waarborgen dat deze vorm van vrijheidsbeneming enkel als een uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke duur wordt toegepast. De Nederlandse wet- en regelgeving voorziet in een breed scala aan alternatieven voor tenuitvoerlegging van voorlopige hechtenis van minderjarigen, met name in de vorm van bijzondere voorwaarden die aan de schorsing van de voorlopige hechtenis kunnen worden verbonden, maar ook door een grondslag te bieden voor alternatieve tenuitvoerleggingsvormen van voorlopige hechtenis, zoals nachtdetentie en huisarrest. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van een infrastructuur van onder meer justitiële jeugdinrichtingen, gecertificeerde instellingen (lees: jeugdreclassering), jeugdhulpaanbieders en scholen, die deze alternatieven in beginsel uitvoerbaar zouden moeten kunnen maken.
Niettemin blijken praktische problemen nog wel eens in de weg te staan aan de uitvoerbaarheid van alternatieven voor voorlopige hechtenis van minderjarigen,1 zoals wachtlijsten voor bepaalde vormen van jeugdhulp of jeugdhulpaanbieders en scholen die – bijvoorbeeld vanwege eerdere incidenten – weigeren om de minderjarige aan te nemen (zie par. 7.7.4). Ook is gesignaleerd dat het met de inwerkingtreding van de Jeugdwet ingevoerde financieringssysteem van de jeugdhulp, waarin de gemeente een centrale rol speelt, een vertragende werking kan hebben voor de beschikbaarheid van alternatieven voor voorlopige hechtenis (zie par. 8.7.5). Afstemming en samenwerking tussen de betrokken instanties op lokaal niveau is dan ook nodig om te voorkomen dat dergelijke problematiek op uitvoeringsniveau ertoe leidt dat minderjarige verdachten langer in voorlopige hechtenis moeten blijven.
Voorts is gebleken dat ook problemen met betrekking tot de beschikbaarheid en uitvoerbaarheid van jeugdhulp in het kader van de civielrechtelijke jeugdbescherming een weerslag kunnen hebben op de voorlopige hechtenispraktijk van minderjarigen. Met name in acute crisissituaties waarin de minderjarige verdachte ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en niet beschikt over een veilige verblijfplaats, kan de rechter-commissaris of raadkamer zich min of meer gedwongen voelen om, bij afwezigheid van een beschikbare plek in een jeugdhulpinstelling, de minderjarige op titel van voorlopige hechtenis in een justitiële jeugdinrichting te plaatsen om zo het welzijn van de minderjarige te waarborgen (zie par. 9.5). Hoewel een dergelijke rechterlijke beslissing begrijpelijk is en wellicht ook juridisch verdedigbaar is op basis van het belang van het kind (vgl. art. 3 IVRK), is het gebruik van voorlopige hechtenis als crisisinterventie strikt genomen onrechtmatig, aangezien hiervoor een wettelijke grondslag ontbreekt. Een goed functionerend systeem van jeugdbescherming en jeugdhulp is dan ook essentieel om te zorgen dat rechters-commissarissen en raadkamers niet in de situatie worden gebracht waarin zij zich gedwongen voelen om voorlopige hechtenis op onrechtmatige wijze te gebruiken als stoplap voor problemen in de civiele jeugdbescherming.
Terugkerend naar het stelsel van instanties en voorzieningen in het jeugdstrafrechtelijk kader, moet ten slotte worden geconstateerd dat daarin residentiële alternatieven voor de tenuitvoerlegging van voorlopige hechtenis in een justitiële jeugdinrichting ontbreken. Hiermee biedt de huidige infrastructuur voor wat betreft de tenuitvoerlegging van voorlopige hechtenis weinig ruimte voor differentiatie. Zo kent het huidige systeem van voorzieningen qua beveiligingsniveau in de praktijk slechts twee varianten: óf de minderjarige wordt in een ‘normaal beveiligde’ justitiële jeugdinrichting geplaatst (lees: hoge hekken en muren; stalen deuren die op slot gaan; fouilleren en eventueel visiteren bij binnenkomst en na bezoek) óf de minderjarige mag naar huis om daar de voorlopige hechtenis te ondergaan.2 Het is evenwel goed denkbaar dat niet alle minderjarige verdachten die op strafvorderlijke gronden in voorlopige hechtenis worden genomen (en dit niet thuis kunnen ondergaan) eenzelfde beveiligingsniveau nodig hebben, zoals dit thans door de justitiële jeugdinrichting wordt geboden. Om recht te doen aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit, zoals deze ten grondslag liggen aan de uit internationale en Europese kinder- en mensenrechten voortvloeiende systematiek van een rechtmatige en niet-willekeurige toepassing van voorlopige hechtenis van minderjarigen, verdient het aanbeveling dat wordt voorzien in een gedifferentieerder aanbod van residentiële voorzieningen die – met toepassing van artikel 493, derde lid Sv – kunnen dienen als minder ingrijpende alternatieven voor de tenuitvoerlegging van voorlopige hechtenis in een justitiële jeugdinrichting (vgl. stap 2b in par. 10.2.2).3 Hierbij moet wel voor ogen worden gehouden dat dergelijke alternatieven niettemin vormen van vrijheidsbeneming kunnen behelzen en dus eveneens met grote terughoudendheid moeten worden toegepast. Dit betekent dat een aanzuigende werking van dergelijke nieuw te ontwikkelen residentiële voorzieningen moet worden voorkomen.