Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/11.4.3.2
11.4.3.2 Het (af)splitsingstijdstip: hoofdregels
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491694:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
In onderdeel 7.2.2 is het fiscale resultaatverantwoordingstijdstip besproken. Wat daar is opgemerkt, geldt hier ook en is mijns inziens bovendien inhoudelijk gelijk aan de uitleg van de hoofdregel door de staatssecretaris.
In onderdeel 7.2.2 is aandacht besteed aan de mogelijkheid dat op een eerder moment een intentieverklaring of (voor)overeenkomst tot stand is gekomen. Als dat het geval is, kan bij dat totstandkomingsmoment worden aangesloten. Vgl. ook Kamerstukken II 1997/98, 25 709, nr. 5, p. 2, HR BNB 1954/18 en HR BNB 1960/193. Volgens mij zit de staatssecretaris als wetsuitvoerder, gelet op het gebruik van de woorden ‘in het algemeen’, op dezelfde lijn.
In het beleidsbesluit afsplitsing en het beleidsbesluit zuivere splitsing gaat de staatssecretaris in op het (af)splitsingstijdstip. De bewindspersoon geeft aan dat dit tijdstip in beginsel wordt bepaald door wat de bij de splitsing betrokken rechtspersonen daarover zijn overeengekomen, voor zover passend binnen wet en jurisprudentie.1 De staatssecretaris vervolgt dat in het algemeen in deze gevallen als vroegste tijdstip kan gelden het tijdstip waarop het splitsingsbesluit ex art. 2:334m BW is genomen.2