Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/5.2.4
5.2.4 Casuïstiek doorslaggevend: enkele voorbeelden ter afronding van de problematiek van de belangenbenadeling
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS360632:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een onderzoek in breder verband N. van Tiggele-van der Velde, Wansink-bun- del 2006, p. 431 e.v.
Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 231.
Voorbeeld ontleend aan HR 12 januari 2001 NJ 2001, 419, m.nt. MMM (zie ook hierna onder 9.1.2).
In beginsel is immers de eigen verklaring voor verzekerde, zeker indien deze wordt gesteund door een rapport van de brandweer, voldoende is om uit te gaan van een gedekte gebeurtenis. Zie hierover nader onder 7.2.1.
Zie daarover meer uitvoering in 9.2.1 onder het kopje 'Het uitgaan van de juistheid der stellingen, behoudens tegenbewijs'.
Nadere MvA, Kamerstukken I 2004/05, 19 529, E, p. 10.
Het vergelijk dat zich hier opdringt is dat aan de verzwijgingsregeling, waarbij het onder omstandigheden eveneens gerechtvaardigd kan zijn dat de verzekeraar niet steeds het (volle) bewijsrisico draagt. Bijvoorbeeld indien bewijs door het verloop van tijd niet langer te leveren valt. De gedachte dat deze bewijsnood voorkomen had kunnen worden (ingeval verzekerde ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet verzwegen had) kan reden zijn om de bewijslast en het bewijsrisico bij verzekeraar weg te nemen. Zie over deze materie A-G Ten Kate in zijn conclusie voor HR 19 mei 1978, NJ 1978, 607 m.nt. BW (Hotel Wilhelmina), alsook voor HR 11 april 1986, NJ 1987, 433(Ennia/Bodde) m.nt. WHH. Zie ook onder 4.2.2.
Hof Amsterdam 28 november 1991, S&S 1992, 126.
Hof Amsterdam 28 november 1991, S&S 1992, 126.
NJ 2008, 57 (zie hiervoor onder 5.2.3.3).
Uit de door mij gekozen bewoordingen spreekt opzettelijk enig voorbehoud omdat de juridisch-inhoudelijke waardering van de vraag of er zich inderdaad belangenbenadeling voordoet (dus: de waardering van de invulling van de bewijsopdracht), zich slecht laat voorspellen. Zie voor een zaak die lijkt op het door mij gegeven voorbeeld de uitspraak van de RvT 2002/16 WA, waarin het standpunt van de verzekeraar dat hij in zijn belang is geschaad werd aangenomen, onder meer overwegende dat daaraan niet afdoet 'dat verzekeraar, indien klaagster hem de aansprakelijkstelling door de vroegere werknemer in mei 1997 had gemeld, met klaagster tot het oordeel had kunnen komen dat de eventuele verdere ontwikkeling kon worden afgewacht'. Nu in de procedure voor de RvT geen bewijsrechtelijke aspecten spelen, zal ik op deze uitspraak verder niet ingaan.
Het voorbeeld is ontleend aan het arrest HR 29 mei 1970, NJ 1970, 435(Twaalfhoven-Railway Passengers). In dit arrest heeft de Hoge Raad op het punt van de bewijslevering geoordeeld dat in de overwegingen van het hof 'besloten ligt dat het voor de verzekeraar mede in verband met een eventuele bewijslevering van belang is dat een ongeval zo spoedig mogelijk wordt aangemeld en dat het beding derhalve mede de strekking heeft te voorkomen dat de verzekeraar nog in een discussie zou moeten treden omtrent het 'verloop van zaken', indien hij niet van meet af aan in de gelegenheid is geweest om een zelfstandig onderzoek in te stellen'. De betreffende uitspraak is algemeen - zie onder vermelding van literatuur en jurisprudentie ter zake Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 132 - als een te ruime toepassing van het vervalbeding gezien. Bovendien is er door omstandigheden van feitelijke aard geen rekening mee gehouden dat het er aanvankelijk niet naar uitzag, dat het letsel van de verzekerde tot blijvende invaliditeit aanleiding zou geven. Zie hiervoor onder 5.2.3.1. Met de komst van lid 4 van art. 941 en de daarin opgenomen dwingendrechtelijke gestelde voorwaarde van de belangenbenadeling, lijkt de discussie op dit punt wel van de baan. Zie voor een inhoudelijk juiste toepassing - in een zaak waarin de melding eerst twee jaar na dato plaatsvond - Rb. Amsterdam 5 juni 1968, NJ 1970, 416.
Onder die omstandigheden ligt het mijns inziens niet voor de hand om een belangenbe-nadeling aan te nemen. Zie hiervoor nader onder 5.2.3.1.
Ingeval er sprake is van samenloop van verzekeringen, dient de verzekeraar op wie regres wordt genomen de beslissing omtrent uitkering van de uitkerende verzekeraar (die daarbij dient te handelen overeenkomstig de norm van een redelijk handelend verzekeraar) te volgen. Het staat de verzekeraar, op wie regres genomen wordt, niet vrij om zich erop te beroepen dat de verzekerde de schade niet tijdig of anderszins niet volgens de voorschriften bij hem had gemeld, aldus HR 17 november 2006, NJ 2007, 202, m.nt. MMM. Zie over dit arrest ook onder 11.2.1.
Hof Arnhem 19 november 1996, VR 1997, 138.
Eveneens Hof Arnhem 19 november 1996, VR 1997, 138, waarin na de door verzekeringnemer gedane mededeling dat de schade niet onder de polis geclaimd zou worden, de verzekeraar de opdracht aan de expert heeft ingetrokken, de intern gemaakte reservering heeft laten vrijvallen en de schade niet heeft aangemeld onder haar herverzekeringscontract.
Zie de uitspraak van het hof in Twaalfhoven-Railway Passengers, te kennen uit HR 29 mei 1970, NJ 1970, 435.
Op dit aspect zal ik in het kader van dit onderzoek niet nader ingaan. Zie ook N. van Tiggele-van der Velde, Wansink-bundel 2006, p. 453.
Onderzoek leert, zo moge uit het voorgaande wel blijken, dat de beoordeling van de vraag of van een belangenschading sprake is, zeer afhangt van de gegeven casuïstiek. Algemeen kan worden aangenomen dat het in het beginstadium alleen niet zelfstandig kunnen doen van een onderzoek onvoldoende is om een belangenbenadeling aan te nemen.1 En als een belangenbenadeling wordt aangenomen, lijkt daarnaast - waar de aard van de belangenbenadeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dat meebrengt - steeds een proportionele sanctionering vóór de sanctie van algeheel verval van het recht op uitkering te gaan. Uiteindelijk zullen de door partijen aangevoerde en op de concrete casus toegespitste feiten en omstandigheden bepalend zijn.2 Ter illustratie een aantal voorbeelden:
Verzekerde heeft zijn woning verzekerd tegen o.m. brand. De polisbepalingen stellen dat verzekerde verplicht is om zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is, de gebeurtenis die tot een uitkeringsplicht voor de verzekeraar kan leiden, te melden. Doordat de vlam in de pan gaat, brandt de hele keuken uit. Gelukkig verspreidt de brand zich door snelle tussenkomst van de verzekerde en de door de buurvrouw ingeschakelde brandweer niet verder en verzekerde gaat aan de slag: zij ruimt op, maakt zo goed en zo kwaad als het gaat schoon, vervangt de aangetaste keukendeurtjes en stelt de verzekeraar nadien - onder het aanleveren van de aankoopbewijzen - op de hoogte van de geleden schade.
De woning van verzekerde brandt volledig af. De polisbepalingen stellen dat verzekerde verplicht is om zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is, een gebeurtenis die tot een uitkeringsplicht voor de verzekeraar kan leiden, te melden. Verzekerde schakelt nog voordat hij de verzekeraar op de hoogte stelt van de gebeurtenis een opruimbedrijf in dat driftig aan de slag gaat. Op het moment dat de verzekeraar wordt ingelicht en een van de buitendienstmedewerkers ter plaatse komt, zijn grote delen al afgevoerd. De medewerkers van het opruimbedrijf, tot wie de buitendienstmedewerker zich wendt, geven aan dat de brandhaard zich overduidelijk in de trapkast bevond; de daar aangetroffen resten zijn door hen inmiddels afgevoerd. Verzekerde vordert betaling van de door de brand geleden schade.3
Verzekerde is uitgegleden en heeft daarbij een knieblessure opgelopen. Omdat de blessure zich niet als ernstig liet aanzien, werd niet gedacht aan enige noodzaak tot het doen van een uitkering onder de lopende ongevallenpolis op basis van blijvende invaliditeit. Niet door verzekerde en evenmin door de behandelend specialisten; de gebeurtenis werd dan ook niet binnen de voorgeschreven 3 x 24 uur gemeld. Eerst een jaar en twee operaties later blijkt dat de glijpartij in meer of mindere mate tot blijvende invaliditeit zal leiden. Verzekerde meldt de gebeurtenis alsnog.
De voorbeelden uitgewerkt
De voorbeelden hebben met elkaar gemeen dat in ieder der genoemde gevallen de melding te laat heeft plaatsgevonden. Bewijsrechtelijk hebben ze met elkaar gemeen dat het aan de verzekeraar is om te stellen dat hij in zijn belangen is geschaad. Die stellingen zullen, de wederzijdse standpunten wegend, bepalend zijn voor de verdeling van de bewijsvoeringslast en/of het bewijsrisico.
Het eerste voorbeeld biedt de verzekeraar weinig perspectief: de brand staat vast, de oorzaak4 ook en zo op voorhand valt uit de omstandigheden van het geval geen belangenbenadeling van de verzekeraar af te leiden.
Dat is anders in het tweede voorbeeld. Voorstelbaar is dat de verzekeraar zich op het standpunt stelt dat juist de omstandigheden van het geval kunnen duiden op belangenschading als gevolg van een te late melding: er was, zo vernamen zij, een duidelijk aanwijsbare brandhaard, die mogelijk een aanwijzing vormt voor brandstichting. Wanneer er zich daarnaast nog andere omstandigheden voordoen, zoals de wetenschap dat verzekerde het laatst in de woning gezien is, al dan niet gekoppeld aan een recente verhoging van de verzekerde som of een slechte financiële positie van verzekerde, wordt de stelling van verzekeraar dat hij - in het licht van een mogelijk te construeren vermoeden van brandstichting, zie onder 9.2 - door het late melden in zijn belangen geschaad is, wel zeer verdedigbaar. Geenszins uit te sluiten valt immers dan dat bij een onderzoek de betrokkenheid van de eigen verzekerde bij die brand naar voren zou komen. Kortom, het onderzoek naar de oorzaak van de brand als omstandigheid die van invloed is op de dekkingsvraag, is daarbij aan de verzekeraar ontnomen. Maar ook kan het zijn dat door het opruimen geen zicht meer bestaat op de omvang van de geleden schade.
Onder deze omstandigheden ligt het meest in de rede, dat de rechter met de verzekeraar 'meegaat' door behoudens tegenbewijs uit te gaan van een belangenbenadeling aan de zijde van de verzekeraar. Dit tegenbewijs hoeft niet te bestaan in het bewijs van het tegendeel van wat de rechter voorshands als bewezen had aangenomen.5
Verzekerde kan in het gegeven voorbeeld tegen de door de rechter gekozen redenering getuigenverklaringen naar voren brengen van het ingeschakelde schoonmaakbedrijf, om te verklaren over de oorzaak of de omvang van de schade. Indien door onderzoek van een of meer deskundigen, waarvan de onafhankelijkheid en deskundigheid vaststaan, de oorzaak van de schade ook voor de verzekeraar vaststaat, kan deze laatste immers niet zonder meer stellen in een redelijk belang te zijn geschaad.6
Wanneer de omstandigheden daartoe aanleiding geven is mijns inziens ook een zuivere omkering van de bewijslast - inhoudende dat verzekerde wordt toegelaten tot het bewijs dat de verzekeraar door de late melding niet in zijn belangen is geschaad - verdedigbaar. Dat zou met name zo zijn in de situatie waarin - de 'andere omstandigheden' als door mij hiervoor genoemd daarbij mede betrokken - de melding zodanig laat heeft plaatsgevonden dat de bewijspositie van de verzekeraar daardoor - door toedoen van de verzekerde - zozeer geschaad is, dat het niet gerechtvaardigd lijkt het bewijsrisico bij hem te laten. De constructie van de voorshandse aannemelijkheid is alsdan niet op zijn plaats omdat het bewijsrisico daarmee toch bij de verzekeraar blijft (waar dat bij de zuivere omkering van het bewijsri-sico niet het geval is).7 In het door mij gegeven voorbeeld lijkt deze omkering evenwel niet voor de hand liggend.
In een op het door mij gegeven voorbeeld lijkende zaak kiest het Hof Amsterdam8 wel voor een oplossing die verder gaat dan de constructie van de voorshandse aannemelijkheid. Het arrest ziet op een door de verzekeraar gestelde 'te late melding' in een casus waarin in strijd met de polisverplichting tot melding binnen 3 x 24 uur, de verzekerde zich eerst na vijf maanden tot de verzekeraar heeft gewend. Het Hof oordeelt:
'In het algemeen kan worden gesteld dat een verzekeraar er belang bij heeft dat de oorzaak en omvang van de schade en (eventuele) daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid zo spoedig mogelijk na het ontstaan daarvan van zijnentwege kunnen worden onderzocht en vastgesteld. In verband hiermee heeft de verzekeraar in beginsel een redelijk belang bij de nakoming door de verzekerde van een beding welke inhoudt dat de verzekeraar met bekwame spoed door de verzekerde persoonlijk of door tussenkomst van een gemachtigde van het schade-voorval op de hoogte wordt gesteld.
De omstandigheden waaronder de litigieuze schade is ontstaan leiden niet tot het aannemen van een uitzondering op dit beginsel. Integendeel, juist in een geval als het onderhavige waar er aanwijzingen waren dat de brand was aangestoken, een zekere betrokkenheid daarbij van de verzekerde niet kon worden uitgesloten en de brand tot aanzienlijke schade had geleid hadden assuradeuren er belang bij dat de verzekerde spoedig (en derhalve niet met een vertraging van ruim een half jaar) iets van zich liet horen. Daarbij komt nog dat in het onderhavige geval de opstelling van de verzekerde ook aantoonbaar tot benadeling van de door par. 19 (de meldingsplicht, NvT) gewaarborgde belangen heeft geleid. Vaststaat immers dat schade-expert P. (ingeschakeld namens assuradeuren, NvT) in februari 1979 van schadevaststelling heeft afgezien omdat [verzekerde] niets van zich had laten horen en niet duidelijk was of hij een claim zou indienen.' 9
Het hof gaat daarmee in navolging van de rechtbank uit van een belangen-benadeling en wijst de vordering van verzekerde zonder meer af. Hoewel die uitkomst onder de gegeven omstandigheden bevredigt, vind ik de gekozen constructie minder gelukkig. Enerzijds omdat op deze manier de indruk zou kunnen ontstaan dat het aannemen van een belangenbenade-ling het uitgangspunt lijkt te zijn, en dat het vervolgens aan verzekerde zou zijn om omstandigheden aan te voeren die kunnen leiden tot een uitzondering op dat uitgangspunt (zie aanhef tweede alinea). Anderzijds omdat zij (daardoor) het risico in zich draagt dat de belangenbenadeling te gemakkelijk aangenomen wordt. Mijns inziens is het zo dat de verzekeraar aan zijn stelplicht heeft voldaan door de omstandigheden te noemen die zijn vermeld in de door mij gecursiveerde passage. Juist die omstandigheden dienen te leiden tot een - tot op tegenbewijs - voorshandse bewijswaardering van de juistheid van die stellingen. Het uitgangspunt dient mijns inziens -in lijn met de daartoe geformuleerde bewijsrechtelijke handvatten in het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 200710 - te blijven dat op de verzekeraar de stelplicht rust dat hij door de niet-nakoming van de informatieverplichting in een redelijk belang is geschaad. Dat past ook bij de redactie van art. 941 lid 4 BW.
Hoewel het steeds om beantwoording van dezelfde vraag gaat ('is er belan-genbenadeling?'), is de uitwerking van het derde voorbeeld in die zin anders dat zich door de late melding geen onmogelijkheid tot het leveren van bewijs voordoet.11 Het lijkt in dit geval gemakkelijker om de vraag of er al dan niet sprake is van belangenbenadeling, te beantwoorden,12 omdat de gang van zaken vanaf het moment van het ongeval tot de melding redelijk in kaart te brengen is: er was een aanvankelijk onbelangrijk lijkende kwetsuur, de medische behandeling was deskundig en de verzekeraar zou -wanneer het ongeval wél gemeld zou zijn - ook slechts dezelfde 'geruststellende' berichten van de behandelend specialisten hebben gekregen.13De stellingen ter zake lijken niet van enige invloed te zullen zijn op de bewijslast: deze dient bij de verzekeraar te blijven.
Andere eveneens mee te wegen factoren
Wat opvalt in de jurisprudentie is dat de inkleuring van het belang van de verzekeraar veelal in de onderzoekssfeer getrokken wordt: was er een (voldoende) mogelijkheid tot het doen van een eigen onderzoek, is de verzekeraar in zijn belangen geschaad door het niet (direct) in eigen hand hebben van de schaderegeling, was hij de eerst aangesproken verzekeraar,14 was hij voldoende in staat om nog (aanvullende) maatregelen te treffen ter voorkoming van (verdere) schade? Daarnaast zijn echter ook meer algemene en/of financieel-economische belangen voorstelbaar. Te denken valt aan het niet aanleggen van een schadereserve (voorziening),15 het niet melden van de schade aan de herverzekeraar16 of het afmelden van een polis in die zin dat aan de herverzekeraar wordt aangegeven dat de verzekering niet tot aanspraken heeft geleid.17
Dit zijn factoren die op de bewijslastverdeling geen (bijzondere) invloed zullen hebben. Weinig voorstelbaar immers is dat de verzekeraar niet in staat zal zijn het bewijs omtrent die stellingen bij te brengen. Iets anders is of deze factoren van voldoende gewicht zijn om mee te wegen bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een belangenbenadeling aan de zijde van de verzekeraar, die verval van recht op uitkering aan de zijde van verzekerde rechtvaardigt.18