De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/6.6:6.6 Samenvatting en tussenconclusies
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/6.6
6.6 Samenvatting en tussenconclusies
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS398387:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 12 november 1992, nr. C-73/89 (Fournier/Van Werven e.a.), Jur. 1992 p. 1-5621.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met de analyse van de overeenkomsten die door de Bureaus, de schadevergoedingsorganen en de waarborgfondsen zijn gesloten is de laatste vraag die in dit boek centraal staat behandeld: hoe vindt nadat de schade aan de benadeelde van een verkeersongeval met een internationaal aspect is vergoed de afwikkeling tussen de genoemde organen plaats?
Deze vraag is - vanzelfsprekend - van minder belang voor de benadeelde vanuit wiens optiek deze studie hoofdzakelijk is opgezet, dan voor de verzekeraars, hun correspondenten en schaderegelaars, de Bureaus, de schadevergoedingsorganen en de waarborgfondsen, maar moest toch worden behandeld om de weg naar schadevergoeding in het internationale verkeer zo volledig mogelijk te schetsen.
Het beeld dat opdoemt is dat van een eigen wereld van de Bureaus, de schadevergoedingsorganen en de waarborgfondsen, een wereld die grotendeels gesloten is voor de buitenwereld en waarbinnen eigen regels gelden. Er bestaan grensovergangen vanuit die wereld met andere gebieden, zoals de wereld van de benadeelden en de aansprakelijken maar daar gelden andere spelregels, die van wetten en jurisprudentie. Binnen de wereld van de Bureaus, de schadevergoedingsorganen en de waarborgfondsen worden de spelregels gevonden in privaatrechtelijke overeenkomsten die andere verantwoordelijkheden en bevoegdheden kunnen meebrengen dan die volgens het gemene recht.
Dat lijkt vreemd maar is zeer praktisch: de Bureaus staan voor de taak universeel bruikbare afspraken te maken die gelden voor de organisaties van 45 landen, deels lid van de EU, deels daarbuiten. Bij de schadevergoedingsorganen en de waarborgfondsen gaat het inmiddels ook om 30 lidstaten van de EER.
Gedetailleerde afspraken, deels gebaseerd op een eigen begrippenkader leveren dan minder problemen op dan globale overeenkomsten waarin wordt teruggegrepen op het burgerlijk recht. In dat geval rijst immers onmiddellijk de vraag welk recht de verhoudingen dan beheerst. Door daarnaast te voorzien in rechtspraak 'in eigen kring' langs de weg van (in het geval van de Bureaus mediation en daarna) arbitrage worden geschillen op efficiënte en afdoende wijze beslecht.
Door de hierboven bedoelde 'grenzen van de eigen wereld' van de Bureaus en de schadevergoedingsorganen en de waarborgfondsen te accepteren, met als gevolg dat buiten de relatie van deze organen met benadeelden en aansprakelijke partijen andere regels gelden, komen deze eigen regels, ook voor zover zij afwijken van de relevante wetgeving zoals die uit de Richtlijn van de EU voortvloeit, niet met het EUrecht in conflict. Het Hof van Justitie heeft immers in het Fournier-arrest geoordeeld dat de Bureaus afwijkende afspraken mogen maken op het terrein van hun onderlinge regres.1 Hetzelfde zal hebben te gelden voor de schadevergoedingsorganen en de waarborgfondsen.
De Bureaus, de schadevergoedingsorganen en de waarborgfondsen hebben niet alleen overeenkomsten gesloten op het terrein waar ook de EU al had voorzien dat zulks nodig is - de 'gewone' afwikkeling van ongevallen veroorzaakt door verzekerde of niet verzekerde voertuigen - maar ook op terreinen waar de EU (nog) geen wetgeving tot stand heeft gebracht. Het betreft hier - vooral - afspraken over het onderlinge verhaal als een al dan niet in dienstverrichting werkzame verzekeringsonderneming in staat van insolventie geraakt. Met deze overeenkomsten zijn nog niet veel ervaringen opgedaan, maar vastgesteld kan worden dat zij een zeer nuttige rol kunnen spelen. Dat doet niet af aan de ook al in paragraaf 4.6.2.2 onder g) en paragraaf 63.42 besproken wenselijkheid dat er een Europese regeling komt voor de rechten van benadeelde derden in geval van het faillissement van een motorrijtuigaansprakelijkheidsverzekeraar. Niet alleen zou het bestaan van dergelijke vang-netconstructies de 'nationale' slachtoffers de bescherming geven waarop zij redelijkerwijs aanspraak moeten kunnen maken, een dergelijke EU-regeling zou het ook mogelijk maken dat de Bureaus, de schadevergoedingsorganen en de waarborgfondsen van die lidstaten, die nog geen vangnet voor insolvente Wam-verzekeraars kennen daaraan deelnemen.