Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/16.3.1
16.3.1 Redenen schorsing, ontslag en tijdelijk aanstellen bestuurders
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS369765:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 2.2 en HR 4 juni 1997, NJ 1997, 671 m.nt. Maeijer (Text Lite).
Hof Amsterdam (OK) 14 december 2007, JOR 2008/34 m.nt. Josephus Jitta (e-Traction).
Hof Amsterdam (OK) 16 oktober 2007, ARO 2007, 166 (e-Traction).
Expliciet hierover Hof Amsterdam (OK) 4 juli 2016, JOR 2016/299 m.nt. De Mol (De Gelderhorst). Vgl. voorts Hof Amsterdam (OK) 11 mei 2015, ARO 2015/136 (Barendregt). Zie echter Hof Amsterdam (OK) 24 maart 2004, ARO 2004, 51 (DeZorgZaak), waarin slechts één van de twee bestuurders werd geschorst en daarbij onder meer werd overwogen dat de niet geschorste bestuurder niet disfunctioneerde.
Hof Amsterdam (OK) 27 april 2005, ARO 2005, 77 (Dolphin Watercompany). Voor een meer uitvoerige beschrijving zij verwezen naar par. 9.2.2.6.
Ingrijpen in het bestuur is in ieder geval gerechtvaardigd, indien individuele bestuurders zich schuldig maken aan wanbeleid.1 Een bestuurder die zelf niets misdaan heeft, kan echter ook worden geconfronteerd met een dergelijke ingreep.
Dat blijkt uit een van de e-Traction-beschikkingen2 van de ondernemingskamer. Daarin overwoog zij dat haar eerdere schorsing van bestuurder Heinen niet berustte op een diskwalificatie van de wijze waarop deze tot dan toe de bestuurstaak uitoefende. Uit de daaraan voorafgaande beschikking3 blijkt dat de schorsing nodig was om de impasse te doorbreken. Het gebeurt met grote regelmaat dat de ondernemingskamer in een impasse in het bestuur aanleiding ziet om bij wijze van een onmiddellijke voorziening beide bestuurders te schorsen en tijdelijk een bestuurder aan te stellen. De vraag aan wie de impasse te wijten is, blijft daarbij veelal in het midden, ook als partijen dat wel adresseren en erop aandringen dat de ondernemingskamer daarmee rekening houdt in haar beschikking.4 Het enkele feit dat dergelijke onmiddellijke voorzieningen in het belang van de vennootschap zijn, wordt kennelijk voldoende geacht.
Ten aanzien van het ontslag van bestuurders geldt hetzelfde blijkens Dolphin Watercompany-beschikking.5