Einde inhoudsopgave
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/10.5
10.5 Uitleg van het dictum
mr. drs. J.J. van der Helm, datum 01-01-2023
- Datum
01-01-2023
- Auteur
mr. drs. J.J. van der Helm
- JCDI
JCDI:ADS692195:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 25 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1284, NJ 1996/362(Sopar).
HR 7 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1477, NJ 1996/363. Vgl. voorts HR 20 april 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1097, NJ 1991/560, m.nt. J.C. Schultsz en HR 23 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2553, NJ 2000/544; HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1532, RvdW 2014/900.
HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:580, NJ 2019/186.
Het arrest illustreert dat de grens tussen bevel en verbod niet scherp is. Het gevorderde bevel zou moeten inhouden ‘zich te onthouden van iedere vorm van opschorting, inhouding of verrekening’ en is dus eigenlijk een verbod.
HR 20 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1367, NJ 1994/652, m.nt. H.E. Ras.
Bijvoorbeeld HR 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9400, NJ 2004/410(Van der Valk Plaza/Eilandgebied Curaçao); HR 23 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3085, NJ 2007/433, m.nt. E.J. Dommering.
659. Een dictum moet weergeven wat er geboden of verboden wordt. In veel gevallen is dat duidelijk omdat een specifieke gedraging wordt verboden of omdat wordt aangesloten bij een eerdere schending van de rechtsplicht en een herhaling daarvan moet worden voorkomen. Het verbod om een kastanjeboom op de erfgrens om te zagen behoeft weinig uitleg. Maar bij een bevel of verbod in algemene termen zal vaak uitleg van het dictum nodig zijn. Dat geldt in het bijzonder indien een vordering die eigenlijk te onbepaald is, toch is toegewezen.
660. Idealiter is een dictum zelfstandig leesbaar en begrijpelijk. Tegelijkertijd staat een dictum natuurlijk niet op zichzelf. Het vloeit (bij voorkeur: logisch) voort uit de overwegingen van de beslissing. Die motivering zal dus handvatten verschaffen bij de uitleg van een dictum. Een voorbeeld is te vinden in de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 25 februari 1994.1 In die zaak was in eerste aanleg in kort geding primair gevorderd ‘te beginnen met het treffen van maatregelen die noodzakelijk zijn om de hier bedoelde lozing van PAK’s te beëindigen én die lozing binnen zes maanden geheel te beëindigen’.2 Ook de subsidiaire variant strekte ertoe dat de gedaagde moest ‘beginnen met het treffen van maatregelen’. Het ligt voor de hand een dergelijke vordering te onbepaald te achten. In hoger beroep is de vordering gewijzigd. Primair werd gevorderd de lozing van PAK’s binnen zes maanden te beëindigen. Subsidiair werd gevorderd die lozing ‘tot het technisch laagst haalbare niveau terug te brengen’ en meer subsidiair werd gevorderd binnen vier weken de door de Belgische overheid afgegeven lozingsvergunning op alle onderdelen volledig na te leven. Opvallend is dat de primaire vordering heel concreet is, maar dat de subsidiaire vordering weer een tamelijk onbepaald element heeft, namelijk het ‘technisch laagst haalbare niveau’. Een daartoe strekkende veroordeling zal eenvoudig discussie oproepen over de vraag wat het ‘technisch laagst haalbare niveau’ is. Maar waar het uiteindelijk om ging is dat de uiterst subsidiaire variant betrekking had op de naleving van alle onderdelen van de door de Belgische overheid afgegeven lozingsvergunning. Dat was opmerkelijk omdat de discussie tussen partijen en ook de primaire vordering betrekking had op de zogenaamde PAK’s, terwijl de lozingsvergunning weliswaar voorwaarden bevatte die over die PAK’s gingen, maar evenzeer andere voorwaarden die niet over PAK’s gingen. Die uiterst subsidiaire vordering, tot naleving van de voorwaarden van de Belgische lozingsvergunning, is door het hof toegewezen, op straffe van een behoorlijk forse dwangsom.
661. De lozingsvergunning die door de Belgische overheid was afgegeven bevatte als gezegd een aantal voorwaarden, die deels wel en deels niet op PAK’s betrekking hebben. Het dictum had strikt genomen ook betrekking op de voorwaarden die niet zagen op de PAK’s. Het cassatiemiddel voerde aan dat de veroordeling door het hof ten onrechte betrekking had op de voorwaarden die niet de PAK’s betroffen omdat partijen daarover niet gediscussieerd hadden. De Hoge Raad overwoog dat deze veronderstelling onjuist was. De door het hof uitgesproken veroordeling is weliswaar zeer ruim geformuleerd, maar de door het hof in het dictum tot uitdrukking gebrachte veroordeling moet worden gelezen in verband met de daaraan voorafgaande rechtsoverwegingen. Die overwegingen hebben uitsluitend betrekking op de vergunningsvoorwaarden die handelen over de lozing van PAK’s. De veroordeling moet daarom ook aldus worden begrepen dat deze alleen betrekking heeft op de vergunningsvoorwaarden ten aanzien van de lozing van PAK’s.
662. Opmerkelijk hier is natuurlijk dat het handelen in strijd met de andere vergunningsvoorwaarden evenzeer onrechtmatig zou kunnen zijn. Het dictum van het hof behoefde dus niet in strijd te zijn met het uitgangspunt dat slechts onrechtmatige handelingen worden verboden. Het punt is dat uit de discussie tussen partijen moest worden afgeleid dat over die andere vergunningsvoorwaarden geen geschil bestond. Het ligt dus niet voor de hand dat de vordering daarop wel betrekking had. Een uitleg van het dictum die erop neer komt dat ook overtreding van de andere vergunningsvoorwaarden onrechtmatig is, zou dus leiden tot de conclusie dat het hof meer zou hebben toegewezen dan was gevorderd. Ook dat is een aanwijzing dat het dictum niet op die manier moest worden begrepen.
663. De formulering dat het dictum moet worden gelezen in het licht van de overwegingen in het lichaam van de uitspraak, is nadien nog herhaald.3 Deze regel ligt voor de hand. In de overwegingen immers heeft de rechter uiteengezet wat de gronden voor het te formuleren verbod of bevel zijn. Bij onduidelijkheid van het dictum zal aan de hand van de overwegingen moeten kunnen worden vastgesteld wat de rechter bedoeld heeft.
664. Problematisch wordt het wanneer er een tegenstrijdigheid bestaat tussen het dictum en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. In de zaak die heeft geleid tot een arrest van de Hoge Raad van 19 april 2019 was iets dergelijks aan de hand.4 In die zaak was een bevel gevorderd met een dwangsom van € 50.000,- per dag en een maximum van € 1.000.000,-.5 Het hof sprak het bevel uit en overwoog dat het de gevorderde dwangsom ‘ambtshalve zal matigen omdat de hierna bepaalde dwangsommen een voldoende prikkel tot nakomen lijken te zijn In het dictum werd vervolgens een dwangsom opgelegd van € 50.000,- per dag met een maximum van € 5.000.000,-. Dat maximum was veel hoger dan gevorderd en verhield zich dus niet tot de overweging dat de dwangsom zou worden gematigd. Bij de Hoge Raad gaat het om de vraag of hier sprake is van een voor verbetering vatbare kennelijke fout. Het hof vond van wel en heeft een herstelarrest had gewezen waarin is overwogen dat de woorden ‘ambtshalve matigen’ moeten worden gelezen als ‘vaststellen’. Dat oordeel is onjuist omdat van een kennelijke fout geen sprake was. Interessanter voor de uitleg van het dictum is dat de Hoge Raad vaststelt dat niet duidelijk is of het dictum fout is of de overweging. Het kan zijn, zo leg ik het arrest uit, dat het hof per abuis heeft overwogen dat de dwangsom zal worden gematigd (wat minder waarschijnlijk is), maar het is ook mogelijk dat er in het dictum een cijfer ‘0’ te veel is opgenomen (wat waarschijnlijker is). Omdat het dictum moet worden uitgelegd in het licht van de overwegingen waarop het berust, kan niet op voorhand worden gezegd dat aan de tekst van het dictum voorrang toe komt. Ook die beslissing is logisch. Het dictum staat niet op zichzelf, maar hangt samen met de overwegingen en volgt daaruit. Daarmee zou niet te rijmen zijn dat, wanneer er een discrepantie tussen overwegingen en dictum is, te oordelen dat het dictum steeds doorslaggevend is.
665. In de hiervoor besproken gevallen was er sprake van een veroordeling om iets niet te doen. Uitleg van een dictum kan vanzelfsprekend ook nodig zijn wanneer een veroordeling is uitgesproken om iets wel te doen. In beginsel is dan geen andere uitleg-maatstaf nodig dan in de gevallen waarin een veroordeling is uitgesproken om iets niet te doen, in die zin dat ook in die gevallen het dictum moet worden gelezen in het licht van de overwegingen in het lichaam van de uitspraak. Een concreet bevel om iets te doen (bijvoorbeeld de levering van 500 stuks van een bepaald goed) zal in de regel weinig vragen oproepen. Als er discussie bestaat over de vraag of aan een bevel (of verbod) is voldaan zal dat in de regel verband houden met de vraag of er dwangsommen zijn verbeurd. Een voorbeeld is te vinden in de zaak die leidde tot een arrest van de Hoge Raad van 20 mei 1994.6 In die zaak ging het over de vraag op welke provisiebetalingen aanspraak bestond. Om dat vast te stellen was gevorderd – en op straffe van een dwangsom toegewezen – overlegging van ‘een door een registeraccountant voor akkoord getekend overzicht van alle opdrachten (…)’. Om aan de veroordeling te voldoen zijn vervolgens drie overzichten, met drie brieven van een registeraccountant, overgelegd. Het hof dat vervolgens had te beslissen op de vraag of er dwangsommen waren verbeurd heeft in de onduidelijkheid van de veroordeling aanleiding gezien de draagwijdte van het gebod beperkt uit te leggen en alleen dan een inbreuk op de veroordeling aan te nemen, indien zodanige inbreuk – gelet op het belang van de eisende partij waarvoor het gebod is gegeven – in ernst niet kan worden betwijfeld. Die maatstaf doet denken aan de Lexington-maatstaf die wordt aangelegd bij een bevel of verbod in algemene termen (zie paragraaf 10.4.4). De Hoge Raad past niet letterlijk dezelfde maatstaf toe, maar herformuleert de overweging van het hof. De bestreden overweging moet volgens de Hoge Raad aldus worden begrepen dat het hof daarin een uitleg heeft gegeven van een door de kantonrechter uitgesproken veroordeling om iets te doen. Bij het geven van deze uitleg heeft het hof het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer genomen in dier voege dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee gegeven doel. Dit heeft het hof ertoe gebracht de draagwijdte van het gebod in de hier aangegeven zin beperkt op te vatten. En aldus heeft het hof een juiste maatstaf aangelegd bij de uitleg van de veroordeling.
666. Het komt mij voor dat de uitleg die de Hoge Raad aan de door het hof toegepaste maatstaf een iets andere is dan de maatstaf die het hof zelf aanlegde. Het hof gebruikte de woorden ‘in ernst niet kan worden betwijfeld’. Hiervoor heb ik uiteengezet dat een veroordeling in algemene bewoordingen toelaatbaar is als niet goed is te voorzien hoe een toekomstige schending van een rechtsplicht eruitziet. Tegenover de toelaatbaarheid van zo’n veroordeling in algemene bewoordingen, die voor de veroordeelde een bepaalde onzekerheid in het leven roept over wat er van hem wordt verwacht, staat dan de strikte maatstaf bij de vraag of er dwangsommen zijn verbeurd. Die zijn alleen verbeurd indien met een zekere evidentie duidelijk is dat er sprake is van een inbreuk op het bevel of verbod.
667. In deze zaak was niet sprake van een dergelijk gebod in algemene termen. Toepassing van de op die situatie toegespitste maatstaf dat ‘in ernst niet kan worden betwijfeld’ dat er sprake was van een inbreuk, is dan niet zonder meer te rechtvaardigen. De herformulering van de Hoge Raad is beperkter in die zin dat de Hoge Raad aangeeft dat het hof terecht het doel en strekking van de veroordeling tot uitgangspunt heeft genomen in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan nodig voor het daarmee te bereiken doel. Dat leidt tot een tamelijk restrictieve uitleg van de veroordeling die alleszins gerechtvaardigd en logisch is, maar wel iets anders is dan de beoordeling van het handelen aan de hand van de maatstaf of in ernst niet kan worden betwijfeld of dat handelen in strijd is met de veroordeling. In dat laatste geval is het het handelen dat onder het vergrootglas ligt, in het eerste geval de veroordeling. Dat zijn twee kanten van dezelfde medaille en het onderscheid is niet steeds goed te maken. Maar wanneer een veroordeling eenmaal is uitgelegd in het licht van het doel dat daarmee getracht wordt te bereiken, is het niet nodig om vervolgens ook nog eens het handelen terughoudend te toetsen maar dient een open beoordeling plaats te vinden van de vraag of aan de reeds uitgelegde veroordeling is voldaan. Vermoedelijk zou het hof in dit geval overigens niet tot een ander oordeel zijn gekomen. Annotator Ras merkt terecht op dat de beslissing van de Hoge Raad recht doet aan de werkwijze van het hof.
668. De maatstaf dat een veroordeling moet worden uitgelegd in het licht van het doel en de strekking van de veroordeling is later herhaald. 7 In de zaak die leidde tot een arrest van 23 februari 2007 was een veroordeling tot rectificatie uitgesproken. Die rectificatie is vervolgens verricht, maar daar was commentaar aan toegevoegd. De vraag was of onder die omstandigheden wel was voldaan aan de veroordeling. De Hoge Raad stelde voorop dat de vraag aan de orde was of door commentaar toe te voegen, wel ‘behoorlijk’ uitvoering is gegeven aan de veroordeling. Om die vraag te beantwoorden dient hetgeen ter uitvoering van het veroordelend vonnis is verricht, te worden getoetst aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Bij die uitleg dient het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te worden genomen in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. In dit geval was het doel van de veroordeling om de smet die op de reputatie van de betrokken persoon was geworpen, zoveel mogelijk te herstellen. Om dat doel te bereiken, mocht de rectificatie niet opnieuw worden gevolgd of voorafgegaan door mededelingen en/of commentaar waardoor de reputatie opnieuw in diskrediet zou worden gebracht, omdat daardoor de rectificatie weer zou worden ontkracht. De bijzonderheid aan deze zaak is natuurlijk gelegen in het feit dat het bevel tot rectificatie met het impliciete verbod om daar commentaar aan toe te voegen het recht op vrije meningsuiting beperkt. In het licht van het feit dat de beperking daarvan proportioneel moet zijn aan het daarmee nagestreefde doel enerzijds en anderzijds de eis dat een bevel voldoende duidelijk moet zijn afgebakend, moet worden aangenomen dat slechts van een ontkrachting van de rectificatie kan worden gesproken wanneer in redelijkheid niet kan worden betwijfeld dat de toegevoegde mededelingen en/of commentaar dat gevolg hebben.
669. Waar het mij om gaat is dat ook in dit arrest voorop is gesteld dat bij de uitleg van de veroordeling het doel en strekking van de veroordeling tot uitgangspunt dient te worden genomen en dat ervan uit gegaan moet worden dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. Dat een veroordeling om iets te doen wordt uitgelegd in het licht van het doel van de veroordeling is een logische en nuttige maatstaf. Iedere veroordeling is erop gericht de schending van een rechtsplicht ongedaan te maken en dient, zoals hiervoor als meermaals naar voren is gebracht, niet verder te strekken dan het ongedaan maken of voorkomen van die schending. Aangenomen mag worden dat de rechter die een veroordeling formuleert zijn veroordeling vanuit dat uitgangspunt uitspreekt en dat niet bedoeld is om nog iets anders te bereiken.