Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/11.3.1:11.3.1 Inleiding
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/11.3.1
11.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940278:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 7.3.4.2 en 7.3.4.3.
Zie Feteris 2002, p. 229, die opmerkt dat het recht om over de bewijsmiddelen van de vervolgende autoriteit te beschikken ook voortvloeit uit het beginsel van de processuele gelijkheid van partijen. Zie hieromtrent nader: De Bont 2005, p. 4, alsmede paragraaf 12.3.4.
Zie paragraaf 7.3.7.4.2. Zie voorts Feteris 2007, p. 371 (noot 308).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Volgens de vuistregels van een redelijke bewijslastverdeling moet de ene partij onder omstandigheden meewerken aan het vergaren of leveren van bewijs door de andere partij, ook als de bewijslast volgens de hoofdregel op die andere partij rust.1 Het gaat daarbij vooral om gevallen waarin die ene partij de ‘meest gerede’ partij is om het bewijs te leveren, of waarin de bewijsnood van de andere partij door het optreden van de ene partij in de hand gewerkt wordt. De ene partij heeft dan de schijn tegen en dat werkt dan in feite als een bewijsvermoeden in zijn nadeel.
De beschikbare jurisprudentie over deze vuistregel bestaat vooral uit gevallen waarin de belastingplichtige de inspecteur een handje moet helpen, maar geldt evenzeer in de spiegelbeeldsituatie. Ook de inspecteur kan een verplichting hebben om mee te werken aan het verzamelen van bewijs ten behoeve van de belastingplichtige. In de sfeer van de boeteoplegging bestaat er voor die verplichting, in aanvulling op deze algemene (sub)regel van bewijslastverdeling, ook een zelfstandige rechtsgrond. Tot de waarborgen die art. 6 EVRM biedt, behoort namelijk het recht om te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van de verdediging.2 Dit recht heeft rechtstreeks invloed op de bewijsgaring aan de zijde van de boeteling. In de eerste plaats brengt dit recht naar mijn mening mee dat de inspecteur gehouden kan zijn om actief mee te werken aan de verzameling van bewijsmiddelen ten behoeve van de verdediging (meewerkplicht). In de tweede plaats vloeit daaruit voort dat de boeteling inzage moet krijgen in de bewijsmiddelen waarover de inspecteur beschikt, voor zover deze van belang kunnen zijn voor zijn verdediging (inzagerecht).3
Bij dit alles kan het enerzijds gaan om tegenbewijs, dat de centrale of perifere stellingen ter zake waarvan de primaire bewijslast op de inspecteur rust, bestrijdt. Uiteraard valt hier in ieder geval de informatie onder waaruit blijkt dat de boeteling de hem verweten beboetbare gedraging (in al zijn elementen) heeft begaan. Het kan daarnaast ook informatie betreffen die van belang is voor de beoordeling van de betrouwbaarheid of bruikbaarheid van de aanwezige bewijsmiddelen.4 Het inzagerecht is bij uitstek geschikt voor het vergaren van dergelijk tegenbewijs. Anderzijds kan het gaan om positief bewijs van perifere stellingen ter zake waarvan de primaire bewijslast op de boeteling rust. De meewerkplicht van de inspecteur zal met name bij deze categorie in beeld komen. Onderstaand werk ik achtereenvolgens het inzagerecht en de meewerkplicht nader uit.