Procestaal: Engels.
HvJ EU, 24-06-2015, nr. C-293/13 P, nr. C-294/13 P
ECLI:EU:C:2015:416
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
24-06-2015
- Magistraten
R. Silva de Lapuerta, K. Lenaerts, J.-C. Bonichot, A. Arabadjiev, J.L. da Cruz Vilaça
- Zaaknummer
C-293/13 P
C-294/13 P
- Conclusie
J. Kokott
- Roepnaam
Fresh Del Monte Produce/Commissie
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2015:416, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 24‑06‑2015
ECLI:EU:C:2014:2439, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 11‑12‑2014
Uitspraak 24‑06‑2015
R. Silva de Lapuerta, K. Lenaerts, J.-C. Bonichot, A. Arabadjiev, J.L. da Cruz Vilaça
Partij(en)
In de gevoegde zaken C-293/13 P en C-294/13 P,*
betreffende hogere voorzieningen krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 24 mei 2013,
Fresh Del Monte Produce Inc., gevestigd te George Town, Kaaimaneilanden (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door B. Meyring, Rechtsanwalt, en L. Suhr, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwirante,
andere partijen in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Biolan, M. Kellerbauer en P. Van Nuffel als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
Internationale Fruchtimport Gesellschaft Weichert GmbH & Co. KG, gevestigd te Hamburg (Duitsland), vertegenwoordigd door K. Smith, QC, en C. Humpe en S. Kon, solicitors,
interveniënte in eerste aanleg (C-293/13P),
en
Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Biolan, M. Kellerbauer en P. Van Nuffel als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwirante,
andere partijen in de procedure:
Fresh Del Monte Produce Inc., gevestigd te George Town, Kaaimaneilanden (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door B. Meyring, Rechtsanwalt, en L. Suhr, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekerster in eerste aanleg,
Internationale Fruchtimport Gesellschaft Weichert GmbH & Co. KG, gevestigd te Hamburg (Duitsland), vertegenwoordigd door K. Smith, QC, en C. Humpe en S. Kon, solicitors,
interveniënte in eerste aanleg (C-294/13P),
Inhoud
Toepasselijke bepalingen
Voorgeschiedenis van het geding
Conclusies van partijen
Ontvankelijkheid van de incidentele hogere voorziening van Weichert in zaak C-293/13 P
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Hof
Hogere voorziening van Del Monte in zaak C-293/13 P
Belang van Weichert om een memorie van antwoord in te dienen
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Hof
Eerste middel van de hogere voorziening in zaak C-293/13 P: Del Monte en Weichert vormden tijdens de periode van de inbreuk geen economische eenheid
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Hof
Tweede middel van de hogere voorziening in zaak C-293/13 P: onjuiste opvatting van het bewijsmateriaal
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Hof
Derde middel van de hogere voorziening in zaak C-293/13 P: bewijslast
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Hof
Vierde middel van de hogere voorziening in zaak C-293/13 P: beginsel in dubio pro reo
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Hof
Vijfde middel van de hogere voorziening in zaak C-293/13 P: er is geen sprake van één enkele voortdurende inbreuk
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Hof
Hogere voorziening van de Commissie in zaak C-294/13 P
Belang van Weichert om een memorie van antwoord in te dienen
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Hof
Eerste middel van de hogere voorziening in zaak C-294/13 P: Weichert is wettelijk verplicht om informatie aan de Commissie te verstrekken
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Hof
Tweede middel van de hogere voorziening in zaak C-294/13 P: Del Monte en Weichert vormden tijdens de administratieve procedure geen economische eenheid
Incidentele hogere voorzieningen van Weichert en Del Monte in zaak C-294/13 P
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Hof
Geding in eerste aanleg
Kosten
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, kamerpresident, K. Lenaerts, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, J.-C. Bonichot, A. Arabadjiev (rapporteur) en J. L. da Cruz Vilaça, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: V. Tourrès, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 9 oktober 2014,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 december 2014,
het navolgende
Arrest
1
Met haar hogere voorziening in zaak C-293/13 P verzoekt Fresh Del Monte Produce Inc. (hierna: ‘Del Monte’) om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie Fresh Del Monte Produce/Commissie (T-587/08, EU:T:2013:129; hierna: ‘bestreden arrest’), waarbij enerzijds haar beroep tot nietigverklaring van beschikking C(2008) 5955 definitief van de Commissie van 15 oktober 2008 inzake een procedure op grond van artikel 81 [EG] (zaak COMP/39.188 — Bananen) (hierna: ‘litigieuze beschikking’) is verworpen en anderzijds haar verzoek tot verlaging van het bedrag van de haar bij deze beschikking opgelegde geldboete is toegewezen.
2
Met haar incidentele hogere voorziening in zaak C-293/13 P verzoekt Internationale Fruchtimport Gesellschaft Weichert GmbH & Co. KG (hierna: ‘Weichert’) om vernietiging van het bestreden arrest.
3
Met haar hogere voorziening in zaak C-294/13 P verzoekt de Europese Commissie om vernietiging van punt 1 van het dictum van het bestreden arrest, waarbij het Gerecht de bij de litigieuze beschikking aan Del Monte opgelegde geldboete heeft verlaagd.
4
Met hun incidentele hogere voorzieningen in zaak C-294/13 P verzoeken Del Monte en Weichert, voor het geval dat het Hof de hogere voorziening van de Commissie in deze zaak zou toewijzen, om vernietiging van het bestreden arrest, voor zover het Gerecht heeft geoordeeld dat zij zich niet kunnen beroepen op het recht om niet tot hun eigen beschuldiging bij te dragen, en om verlaging van de geldboete die hoofdelijk aan hen is opgelegd.
Toepasselijke bepalingen
5
Artikel 18 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 VWEU] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1), met als opschrift ‘Verzoeken om inlichtingen’, bepaalt in de leden 1 tot en met 4 ervan:
- ‘1.
Ter vervulling van de haar bij deze verordening opgedragen taken kan de Commissie met een eenvoudig verzoek of bij beschikking de ondernemingen en ondernemersverenigingen vragen alle nodige inlichtingen te verstrekken.
- 2.
Bij het toezenden van een eenvoudig verzoek om inlichtingen aan een onderneming of ondernemersvereniging vermeldt de Commissie de rechtsgrond voor en het doel van het verzoek, specificeert zij welke inlichtingen vereist zijn en stelt zij de termijn vast waarbinnen de inlichtingen moeten worden verstrekt, alsmede de sancties die bij artikel 23 op het verstrekken van onjuiste of misleidende inlichtingen zijn gesteld.
- 3.
Wanneer de Commissie bij beschikking van ondernemingen en ondernemersverenigingen verlangt dat zij inlichtingen verstrekken, vermeldt zij de rechtsgrond voor en het doel van het verzoek, specificeert welke inlichtingen vereist zijn en stelt de termijn vast voor het verstrekken van deze inlichtingen. De beschikking vermeldt ook de sancties bedoeld in artikel 23 en vermeldt de sancties bedoeld in artikel 24 of legt deze laatste sancties op. De beschikking vermeldt tevens het recht om bij het Hof van Justitie beroep tegen de beschikking in te stellen.
- 4.
De eigenaren van de ondernemingen of hun vertegenwoordigers en, in het geval van rechtspersonen, bedrijven en firma's of verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid, de krachtens de wet of de statuten tot vertegenwoordiging bevoegde personen zijn gehouden de gevraagde inlichtingen namens de betrokken onderneming of ondernemersvereniging te verstrekken. Naar behoren gemachtigde advocaten kunnen namens hun opdrachtgevers de gevraagde inlichtingen verstrekken. De opdrachtgevers blijven volledig verantwoordelijk indien de verstrekte inlichtingen onvolledig, onjuist of misleidend zijn.’
6
Artikel 23 van deze verordening, met als opschrift ‘Geldboeten’, bepaalt in lid 1, onder a) en b), ervan:
‘De Commissie kan bij beschikking aan ondernemingen en ondernemersverenigingen geldboeten van ten hoogste 1 % van de in het voorafgaande boekjaar behaalde totale omzet opleggen, wanneer zij opzettelijk of uit onachtzaamheid:
- a)
in antwoord op een verzoek overeenkomstig artikel 17 of artikel 18, lid 2, onjuiste of misleidende inlichtingen verstrekken;
- b)
in antwoord op een verzoek bij een beschikking overeenkomstig artikel 17 of artikel 18, lid 3, onvolledige, onjuiste of misleidende inlichtingen verstrekken, dan wel de inlichtingen niet verstrekken binnen de vastgestelde termijn’.
7
Artikel 24 van de verordening, met als opschrift ‘Dwangsommen’, bepaalt in lid 1, onder d):
‘De Commissie kan bij beschikking aan ondernemingen en ondernemersverenigingen dwangsommen opleggen van ten hoogste 5 % van de gemiddelde dagelijkse omzet in het voorafgaande boekjaar voor elke dag waarmee de in haar beschikking vastgestelde termijn wordt overschreden, teneinde hen te dwingen:
[…]
- d)
in antwoord op een overeenkomstig artikel 17 of artikel 18, lid 3, bij beschikking gedaan verzoek volledige en juiste inlichtingen te verstrekken’.
8
De punten 20 tot en met 23 van de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3; hierna: ‘mededeling inzake medewerking van 2002’) luiden als volgt:
‘B. Vermindering van een geldboete
20.
Ondernemingen die niet voldoen aan de voorwaarden die in rubriek A zijn uiteengezet, kunnen in aanmerking komen voor een vermindering van de geldboete die zou zijn opgelegd, indien zij geen medewerking hadden verleend.
21.
Daartoe moet een onderneming de Commissie bewijsmateriaal van de vermoedelijke inbreuk verstrekken, dat een significant toegevoegde waarde heeft vergeleken met het bewijsmateriaal waarover de Commissie reeds beschikt, en moet de onderneming haar betrokkenheid bij de vermoedelijke inbreuk, uiterlijk op het tijdstip waarop zij het bewijsmateriaal indient, beëindigen.
22.
Het begrip ‘toegevoegde waarde’ verwijst naar de mate waarin het verstrekte bewijsmateriaal, door de aard en/of nauwkeurigheid ervan, het vermogen van de Commissie om de betrokken feiten volledig te bewijzen, versterkt. Bij haar beoordeling zal de Commissie er over het algemeen van uitgaan dat schriftelijk bewijsmateriaal dat dateert van de periode waarin de feiten hebben plaatsgevonden, een grotere kwalitatieve waarde heeft dan later opgesteld bewijsmateriaal. Evenzo zal in het algemeen worden aangenomen dat bewijsmateriaal dat rechtstreeks relevant is voor de betrokken feiten, een grotere kwalitatieve waarde heeft dan bewijsmateriaal dat slechts zijdelings relevant is.
23.
De Commissie bepaalt in haar eindbeschikking die aan het einde van de administratieve procedure wordt gegeven:
- a)
of het door een onderneming op een bepaald tijdstip verstrekte bewijsmateriaal een significant toegevoegde waarde had ten opzichte van het bewijsmateriaal waarover de Commissie op dat tijdstip reeds beschikte;
- b)
voor welk niveau van vermindering van de geldboete, die anders zou zijn opgelegd, een onderneming in aanmerking komt:
- —
de eerste onderneming, die voldoet aan wat bepaald is in punt 21, komt in aanmerking voor een vermindering van 30 tot 50 %;
- —
de tweede onderneming, die voldoet aan wat bepaald is in punt 21, komt in aanmerking voor een vermindering van 20 tot 30 %;
- —
de volgende ondernemingen, die voldoen aan wat bepaald is in punt 21, komen in aanmerking voor een vermindering van ten hoogste 20 %.
Om het niveau van de vermindering te bepalen binnen deze marges, zal de Commissie rekening houden met de datum waarop het bewijsmateriaal, dat voldoet aan wat bepaald is in punt 21, ingediend werd en de mate waarin dat bewijsmateriaal toegevoegde waarde uitmaakte. Tevens zal ze rekening kunnen houden met de uitgebreidheid en de continuïteit van de samenwerking van de onderneming vanaf de datum van indiening van het bewijsmateriaal.
Bovendien zal de Commissie, indien een onderneming bewijsmateriaal verstrekt dat betrekking heeft op feiten die de Commissie niet eerder bekend waren en die een rechtstreeks gevolg hebben voor de zwaarte of de duur van de vermoedelijke inbreuk, met deze elementen geen rekening houden bij het bepalen van de geldboete die moet worden opgelegd aan de onderneming die dat bewijsmateriaal heeft verstrekt.’
Voorgeschiedenis van het geding
9
De feiten die tot het geding hebben geleid, zoals zij in de punten 1 tot en met 35 van het bestreden arrest zijn uiteengezet, kunnen in het kader van de onderhavige procedure als volgt worden samengevat.
10
De groep Fresh Del Monte Produce is een van de grootste verticaal geïntegreerde producenten, handelaars en distributeurs van verse en vers gesneden groenten en fruit ter wereld, en ook een van de belangrijkste producenten en distributeurs van vruchten- en groenteconserven, vruchtensappen, dranken, snacks en toetjes in Europa, de Verenigde Staten, het Midden-Oosten en Afrika. Zij verhandelt haar producten, met name bananen, in de hele wereld onder het merk Del Monte.
11
Del Monte is de hoofdmoedermaatschappij van de groep Fresh Del Monte Produce. Deze groep verhandelt bananen in Europa via talrijke volle dochterondernemingen, met name Del Monte Fresh Produce International Inc., Del Monte (Germany) GmbH en Del Monte (Holland) BV.
12
Weichert was ten tijde van de feiten van het geding een commanditaire vennootschap naar Duits recht, die zich hoofdzakelijk bezighield met de verkoop van bananen, ananas en ander exotisch fruit in Noord-Europa. Van 24 juni 1994 tot en met 31 december 2002 had Del Monte een indirect belang van 80 % in Weichert, via haar volle dochter Westeuropa-Amerika-Linie GmbH (hierna: ‘WAL’). Weichert was tot en met 31 december 2002 de exclusieve distributeur van bananen van Del Monte in Noord-Europa.
13
Dienaangaande heeft de Commissie zich in de overwegingen 382 en 383 van de litigieuze beschikking op het standpunt gesteld dat Weichert een partnership vormde tussen Del Monte, als stille vennoot, en, in eerste instantie, D. W. en vervolgens, vanaf maart 1999, de familie Weichert, als beherende vennoten. Zij heeft in het bijzonder opgemerkt dat de handelsbetrekkingen tussen de vennoten in deze gezamenlijke onderneming zijn vastgelegd in de vennotenovereenkomst, waarin de statuten van de commanditaire vennootschap en meer in het bijzonder de regels inzake zeggenschap en bestuur zijn vastgesteld (hierna: ‘vennotenovereenkomst’), en in een exclusieve distributieovereenkomst voor de bananen die door Del Monte worden geleverd met het oog op de invoer ervan in de Gemeenschap (hierna: ‘distributieovereenkomst’).
14
Op 8 april 2005 heeft Chiquita Brands International Inc. (hierna: ‘Chiquita’) een verzoek om immuniteit ingediend op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002.
15
Op 3 mei 2005 heeft de Commissie Chiquita krachtens punt 8, onder a), van deze mededeling voorwaardelijke immuniteit tegen geldboeten verleend.
16
Op 20 juli 2007 heeft de Commissie met name aan Chiquita, Dole Food Company Inc. (hierna: ‘Dole’), Del Monte en Weichert een mededeling van punten van bezwaar gezonden.
17
Op 15 oktober 2008 heeft de Commissie de litigieuze beschikking vastgesteld. In de overwegingen 1 tot en met 3 van deze beschikking heeft zij vastgesteld dat de adressaten ervan betrokken waren bij onderling afgestemde feitelijke gedragingen en meer bepaald in de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2002 hun referentieprijzen voor bananen die in het noordelijke deel van Europa in de handel werden gebracht, namelijk in België, Denemarken, Duitsland, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Finland en Zweden, onderling hadden afgestemd.
18
Uit de overwegingen 104 en 107 van de litigieuze beschikking blijkt dat Chiquita, Dole en Weichert hun referentieprijs voor hun merk wekelijks vaststelden, meer bepaald op donderdagochtend, en deze prijs aan hun klanten doorgaven. De uitdrukking ‘referentieprijzen’ stemde gewoonlijk met de referentieprijzen voor groene bananen overeen, terwijl de referentieprijs voor gele bananen doorgaans bestond uit de referentieprijs voor groene bananen, vermeerderd met een rijpingsvergoeding.
19
De Commissie heeft in de overwegingen 34 en 104 van de litigieuze beschikking vastgesteld dat de ‘reële prijzen’ die door detailhandelaars en distributeurs voor de bananen werden betaald het resultaat konden zijn van onderhandelingen die op wekelijkse basis plaatsvonden, meer bepaald op donderdagmiddag of later, of konden voortvloeien uit de uitvoering van leveringsovereenkomsten met vooraf bepaalde tariefformules die een vaste prijs vermeldden of de prijs koppelden aan een referentieprijs van de verkoper of een concurrent of aan een andere referentieprijs, zoals de ‘Aldi-prijs’. Winkelketen Aldi ontving elke donderdag tussen 11.00 uur en 11.30 uur offertes van haar leveranciers en formuleerde vervolgens een tegenbod. De ‘Aldi-prijs’, namelijk de aan de leveranciers betaalde prijs, werd gewoonlijk rond 14.00 uur vastgesteld. Vanaf de tweede helft van 2002 werd de ‘Aldi-prijs’ steeds meer gebruikt als indicator voor de berekening van de bananenprijs voor een aantal andere transacties, met name voor de verhandeling van merkbananen.
20
De Commissie heeft in de overwegingen 51 tot en met 210 van de litigieuze beschikking uiteengezet dat de adressaten van deze beschikking vóór het vaststellen van de prijzen bilaterale gesprekken voerden waarbij zij de factoren bespraken die relevant waren voor de vaststelling van de bananenprijs, dat wil zeggen voor de vaststelling van de referentieprijs voor de volgende week, of prijstendensen bespraken of onthulden of aanwijzingen verstrekten over de referentieprijs voor de volgende week. Deze gesprekken vonden plaats voordat de betrokken ondernemingen hun referentieprijs vaststelden, gewoonlijk op woensdag, en hadden alle betrekking op de toekomstige referentieprijzen.
21
In de overwegingen 56 en 57 van de litigieuze beschikking heeft de Commissie vastgesteld dat Dole aldus bilaterale gesprekken heeft gevoerd met zowel Chiquita als Weichert. Chiquita wist, of verwachtte althans, dat Dole en Weichert voorafgaand prijsoverleg voerden.
22
Uit overweging 54 van de litigieuze beschikking blijkt dat dit voorafgaande prijsoverleg diende om de onzekerheid te beperken over de referentieprijzen die de partijen op donderdagochtend dienden vast te stellen.
23
In de overwegingen 198 tot en met 208, 227, 247 en 273 tot en met 277 van de litigieuze beschikking heeft de Commissie opgemerkt dat de betrokken ondernemingen na de vaststelling van de referentieprijzen op donderdagochtend bilateraal informatie over deze prijzen uitwisselden. Door achteraf informatie uit te wisselen, konden zij de individuele prijsbeslissingen toetsen aan de gesprekken die voordien, vóór de vaststelling van de prijzen, hadden plaatsgevonden, en hun samenwerking versterken.
24
In overweging 115 van de litigieuze beschikking heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat de referentieprijzen minstens dienden als marktsignalen, markttendensen en/of aanwijzingen met betrekking tot de beoogde ontwikkeling van de bananenprijs en relevant waren voor de bananenhandel en de verkregen prijzen. Bovendien was de prijs bij bepaalde transacties rechtstreeks aan de referentieprijzen gekoppeld via formules die op deze prijzen waren gebaseerd.
25
Blijkens de overwegingen 228 en 229 van de litigieuze beschikking is de Commissie van mening dat de betrokken ondernemingen bij het bepalen van hun marktgedrag noodzakelijkerwijs rekening moesten houden met de informatie die zij van de concurrenten ontvingen, en hebben Chiquita en Dole dit zelfs uitdrukkelijk toegegeven.
26
In de overwegingen 54 en 271 van de litigieuze beschikking komt de Commissie tot de slotsom dat de gesprekken die Dole en Chiquita en Dole en Weichert vóór het vaststellen van de prijzen hebben gevoerd, invloed konden hebben op de door de ondernemingen toegepaste prijzen, betrekking hadden op de vaststelling van prijzen en hebben geleid tot onderling afgestemde feitelijke gedragingen die ertoe strekten de mededinging te beperken in de zin van artikel 81 EG.
27
In overweging 258 van de litigieuze beschikking heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat alle in deze beschikking beschreven geheime afspraken één enkele voortdurende inbreuk vormden die ertoe strekte de mededinging in de Gemeenschap te beperken in de zin van artikel 81 EG. Chiquita en Dole zijn aansprakelijk gesteld voor deze inbreuk in haar geheel, terwijl Weichert slechts aansprakelijk is gesteld voor het deel van de inbreuk dat betrekking had op de geheime afspraken met Dole.
28
Aangezien de bananenmarkt in Noord-Europa wordt gekenmerkt door een intense handel tussen de lidstaten en de geheime afspraken een groot deel van de Europese Unie bestreken, is de Commissie in de overwegingen 333 tot en met 338 van de litigieuze beschikking tot de conclusie gekomen dat deze overeenkomsten een aanzienlijke invloed hadden op de handel tussen de lidstaten.
29
Na te hebben vastgesteld dat Del Monte samen met de beherende vennoten van Weichert de mogelijkheid had om een beslissende invloed uit te oefenen op de wijze waarop Weichert haar bedrijf leidde en dat zij die invloed in de periode van de inbreuk daadwerkelijk heeft uitgeoefend, heeft de Commissie zich in de overwegingen 384, 432 tot en met 434 van de litigieuze beschikking op het standpunt gesteld dat Del Monte en Weichert één economische eenheid vormden, aangezien laatstgenoemde onderneming haar eigen marktgedrag niet onafhankelijk bepaalde. Bijgevolg zijn Del Monte en Weichert ‘hoofdelijk en gezamenlijk’ aansprakelijk gesteld voor de in de litigieuze beschikking vastgestelde inbreuk op artikel 81 EG.
30
Voor de berekening van het bedrag van de geldboeten heeft de Commissie toepassing gemaakt van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna: ‘richtsnoeren’) en van de mededeling inzake medewerking van 2002.
31
Het door de Commissie vastgestelde basisbedrag van de op te leggen geldboete bedroeg 0 tot 30 % van de waarde van de betrokken verkopen van de onderneming naargelang van de zwaarte van de inbreuk, vermenigvuldigd met het aantal jaren dat de onderneming aan de inbreuk had deelgenomen, en vermeerderd met 15 tot 25 % van de waarde van de verkopen, teneinde de ondernemingen ervan te weerhouden ongeoorloofde gedragingen te verrichten.
32
Het basisbedrag van de op te leggen geldboete is voor alle adressaten van de litigieuze beschikking met 60 % verlaagd, met name op grond van het feit dat de coördinatie betrekking had op de referentieprijzen. Een aanvullende verlaging van 10 % is verleend aan Weichert, die er niet van op de hoogte was dat Dole en Chiquita voorafgaand prijsoverleg voerden.
33
Krachtens de mededeling inzake medewerking van 2002 is immuniteit tegen geldboeten verleend aan Chiquita (punten 483–488 van de bestreden beschikking). Voor Dole, Del Monte en Weichert is het boetebedrag niet verder aangepast.
34
De litigieuze beschikking bevat onder meer de volgende bepalingen:
‘Artikel 1
De volgende ondernemingen hebben op artikel 81 [EG] inbreuk gemaakt door deel te nemen aan onderling afstemde feitelijke gedragingen waarmee zij de prijsnoteringen voor bananen coördineerden:
- —
[Chiquita] van 1 januari 2000 tot en met 1 december 2002;
- —
[…]
- —
[Dole] van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2002;
- —
Dole Fresh Fruit Europe OHG van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2002;
- —
[Weichert] van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2002;
- —
[Del Monte] van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2002.
De inbreuk bestreek de volgende lidstaten: Oostenrijk, België, Denemarken, Finland, Duitsland, Luxemburg, Nederland en Zweden.
Artikel 2
Voor de in artikel 1 beschreven inbreuk worden de volgende geldboeten opgelegd:
- —
[Chiquita], Chiquita International Ltd, Chiquita International Services Group NV en Chiquita Banana Company BV, een hoofdelijk en gezamenlijk verschuldigde geldboete van 0 EUR;
- —
[Dole] en Dole Fresh Fruit Europe OHG, een hoofdelijk en gezamenlijk verschuldigde geldboete van 45 600 000 EUR;
- —
[Weichert] en [Del Monte], een hoofdelijk en gezamenlijk […] verschuldigde geldboete van 14 700 00 EUR;
[…]’
35
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 31 december 2008, heeft Del Monte een beroep ingesteld dat primair strekt tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking en subsidiair tot verlaging van de haar bij deze beschikking opgelegde geldboete.
36
Op 9 april 2009 heeft Weichert verzocht om in deze procedure te mogen interveniëren aan de zijde van Del Monte. Op 17 februari 2010 heeft het Gerecht dit verzoek toegewezen.
37
Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het verzoek van Del Monte tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking afgewezen. Voorts heeft het Gerecht het verzoek tot verlaging van de bij deze beschikking aan Del Monte opgelegde geldboete toegewezen en deze geldboete vastgesteld op 8,82 miljoen EUR.
Conclusies van partijen
38
Del Monte verzoekt het Hof:
- —
het bestreden arrest te vernietigen en de litigieuze beschikking nietig te verklaren, voor zover deze op haar betrekking heeft;
- —
de hogere voorziening van de Commissie in zaak C-294/13 P af te wijzen of, subsidiair, het bestreden arrest te vernietigen voor zover het Gerecht in punt 839 van dat arrest heeft geoordeeld dat het zwijgrecht niet van toepassing is op situaties waarin de Commissie een eenvoudig verzoek om inlichtingen heeft verzonden, en de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een uitspraak over de vraag of de door de Commissie verlangde verklaringen een zelfincriminerend karakter hadden en of de geldboete van Weichert en Del Monte bijgevolg had moeten worden verlaagd, en
- —
de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hogere voorziening.
39
Weichert verzoekt het Hof:
- —
primair, de hogere voorziening van Del Monte in zaak C-293/13 P af te wijzen voor zover zij betrekking heeft op de aansprakelijkheid van Del Monte als moedermaatschappij, deze hogere voorziening toe te wijzen voor zover zij betrekking heeft op de vraag of er sprake is van één enkele voortdurende inbreuk, het bestreden arrest te vernietigen en de litigieuze beschikking in haar geheel nietig te verklaren;
- —
subsidiair, het bestreden arrest te vernietigen voor zover het de litigieuze beschikking bevestigt voor zover daarin sprake is van één enkele voortdurende inbreuk, en de aan Del Monte en Weichert opgelegde geldboete te verlagen teneinde rekening te houden met de nietigverklaring van de litigieuze beschikking voor zover deze betrekking heeft op die kwestie;
- —
voor het geval dat het Hof de hogere voorziening van de Commissie in zaak C-294/13 P zou toewijzen, het bestreden arrest te vernietigen voor zover daarin wordt vastgesteld dat Weichert zich niet kan beroepen op het recht om niet bij te dragen tot haar eigen beschuldiging, en de aan Weichert en Del Monte hoofdelijk opgelegde geldboete te verlagen om rekening te houden met het feit dat Weichert meer dan de wettelijk verplichte medewerking heeft verleend door de verzoeken om inlichtingen te beantwoorden, en
- —
de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hogere voorziening.
40
De Commissie verzoekt het Hof:
- —
de hogere voorziening in zaak C-293/13 P en de incidentele hogere voorziening van Del Monte in zaak C 294/13 P af te wijzen;
- —
de incidentele hogere voorziening van Weichert in de zaken C-293/13 P en C-294/13 P af te wijzen;
- —
punt 1 van het dictum van het bestreden arrest te vernietigen en de zaak definitief af te doen, en
- —
Del Monte en Weichert te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hogere voorziening.
41
Bij beschikking van de president van het Hof van 22 juli 2014 zijn de zaken C-293/13 en C-294/13 gevoegd voor de mondelinge behandeling en het arrest.
Ontvankelijkheid van de incidentele hogere voorziening van Weichert in zaak C-293/13 P
Argumenten van partijen
42
De Commissie merkt op dat de litigieuze beschikking definitief geworden is voor Weichert, aangezien deze te laat beroep heeft ingesteld, zodat de onderhavige incidentele hogere voorziening de bindende werking van deze beschikking ten opzichte van haar niet ongedaan kan maken. Een vernietiging van het bestreden arrest en een nietigverklaring van de litigieuze beschikking, voor zover deze betrekking hebben op Del Monte, zouden zelfs indruisen tegen de belangen van Weichert, aangezien deze dan als enige gehouden zou zijn tot betaling van de opgelegde geldboete.
43
Del Monte is met de Commissie van mening dat het Hof de ontvankelijkheid van de incidentele hogere voorziening van Weichert dient te onderzoeken.
44
Weichert merkt op dat het Gerecht haar als interveniënte tot het geding heeft toegelaten op grond van de vaststelling dat zij een rechtstreeks en actueel belang had bij de beslechting van het geding en dus rechtstreeks geraakt werd door de uitkomst ervan. Het Gerecht heeft dienaangaande opgemerkt dat de Commissie Del Monte en Weichert in de litigieuze beschikking als een economische eenheid heeft beschouwd en deze vennootschappen wegens een inbreuk die verband hield met het gedrag van Weichert, gezamenlijk en hoofdelijk heeft veroordeeld tot betaling van een geldboete. Deze overwegingen zijn eveneens relevant in het kader van de incidentele hogere voorziening.
Beoordeling door het Hof
45
Zoals de Commissie heeft opgemerkt, zouden de vernietiging van het bestreden arrest en de nietigverklaring van de litigieuze beschikking, voor zover zij betrekking hebben op Del Monte, indruisen tegen de belangen van Weichert, aangezien deze dan alleen gehouden zou zijn tot betaling van de geldboete die is opgelegd bij de litigieuze beschikking, die definitief is geworden ten opzichte van haar.
46
Volgens vaste rechtspraak veronderstelt het bestaan van een procesbelang dat de uitslag van de hogere voorziening in het voordeel van de rekwirant kan zijn (arrest Frankrijk/People's Mojahedin Organization of Iran, C-27/09 P, EU:C:2011:853, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47
Bijgevolg moet de incidentele hogere voorziening van Weichert in zaak C-293/13 P, die strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking, voor zover deze betrekking hebben op Del Monte, zonder dat dit Weichert enig voordeel kan opleveren, niet-ontvankelijk worden verklaard.
Hogere voorziening van Del Monte in zaak C-293/13 P
Belang van Weichert om een memorie van antwoord in te dienen
Argumenten van partijen
48
De Commissie merkt op dat zij het belang van Weichert om te interveniëren in de procedure die heeft geleid tot het bestreden arrest heeft betwist op grond van de overweging dat Weichert te laat beroep tegen de litigieuze beschikking heeft ingesteld en dat deze definitief is geworden ten aanzien van haar, zodat de hogere voorziening van Del Monte de bindende werking van deze beschikking ten opzichte van haar niet ongedaan kan maken. Op grond van dezelfde overwegingen betwist de Commissie dat Weichert er belang bij heeft een memorie van antwoord in te dienen.
49
Del Monte is met de Commissie van mening dat het Hof dient te onderzoeken of Weichert er belang bij heeft om een memorie van antwoord in te dienen. Zij verwijt Weichert tevens dat zij als interveniënte de hogere voorziening van Del Monte gebruikt om haar eigen standpunt te verdedigen, en verzoekt het Hof om zijn onderzoek toe te spitsen op de door haar opgeworpen vragen.
50
Weichert betwist het betoog van de Commissie en Del Monte.
Beoordeling door het Hof
51
Volgens artikel 172 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof kan elke partij in de desbetreffende zaak voor het Gerecht die een belang heeft bij de toewijzing of de afwijzing van de hogere voorziening, binnen twee maanden te rekenen vanaf de betekening van de hogere voorziening een memorie van antwoord indienen.
52
Anders dan de Commissie en Del Monte kennelijk denken, is het in casu duidelijk dat Weichert er belang bij heeft dat de hogere voorziening van Del Monte in zaak C-293/13 P wordt afgewezen. Aangezien Weichert niet tijdig tegen de litigieuze beschikking is opgekomen, zodat deze definitief is geworden ten opzichte van haar, zal zij immers de opgelegde geldboete alleen moeten betalen, en niet hoofdelijk met Del Monte, indien het Hof de hogere voorziening van Del Monte in zaak C-293/13 P toewijst.
53
Bijgevolg moet worden vastgesteld dat Weichert er belang bij heeft een memorie van antwoord in te dienen.
Eerste middel van de hogere voorziening in zaak C-293/13 P: Del Monte en Weichert vormden tijdens de periode van de inbreuk geen economische eenheid
Argumenten van partijen
54
Del Monte verwijt het Gerecht dat het haar als moedermaatschappij van Weichert aansprakelijk heeft gesteld voor het gedrag van deze laatste.
55
In de eerste plaats merkt Del Monte op dat de Commissie en het Gerecht hebben erkend dat Weichert niet steeds haar instructies heeft gevolgd en dat de prijsbeslissingen van Weichert mogelijkerwijs niet beantwoordden aan de verwachtingen van Del Monte. Weichert heeft dus niet hoofdzakelijk de haar door Del Monte gegeven instructies gevolgd, zodat uit deze instructies niet de conclusie kan worden getrokken dat Del Monte een beslissende invloed heeft uitgeoefend.
56
Meer bepaald is de verklaring in punt 208 van het bestreden arrest dat uit de in het dossier opgenomen bewijsstukken niet kan worden afgeleid dat Weichert in het algemeen niet de instructies van Del Monte heeft gevolgd, niet gerechtvaardigd. Het relevante criterium is namelijk of Weichert al dan niet hoofdzakelijk haar instructies heeft gevolgd dan wel haar prijsbeslissingen in volle onafhankelijkheid heeft genomen.
57
De betrokken bewijsstukken hebben betrekking op gevallen waarin Weichert haar gedrag autonoom heeft bepaald en daarbij is ingegaan tegen de verwachtingen van Del Monte. Zelfs indien andere beslissingen van Weichert over het algemeen hadden voldaan aan de verwachtingen van Del Monte, quod non, zou dat niet hebben afgedaan aan de onafhankelijkheid van Weichert.
58
Voorts merkt Del Monte op dat het Gerecht in de punten 233, 237 en 240 van het bestreden arrest heeft erkend dat Weichert driemaal aan externe juridische adviseurs de opdracht heeft gegeven om haar belangen tegen Del Monte te verdedigen. In punt 236 van het bestreden arrest heeft het Gerecht niettemin geoordeeld dat het feit dat Del Monte Weichert niet heeft kunnen verhinderen om haar belangen te verdedigen geen teken is dat Del Monte niet in staat is om een beslissende invloed op haar uit te oefenen. Deze vaststelling is in tegenspraak met de vaste rechtspraak betreffende de aansprakelijkheid van moedermaatschappijen, aangezien de erkenning dat Weichert in dergelijke kwesties autonoom is opgetreden niet te rijmen valt met de vaststelling dat Del Monte en de beherende vennoten van Weichert gezamenlijk zeggenschap hebben uitgeoefend op Weichert.
59
In de tweede plaats is Del Monte van mening dat het Gerecht slechts een aantal factoren heeft vastgesteld die zijns inziens aan Del Monte een zekere invloed over Weichert hebben verleend. Het Gerecht heeft evenwel niet vastgesteld dat deze invloed beslissend was en dat Weichert in hoofdzaak de door Del Monte verstrekte instructies volgde.
60
Dienaangaande stelt Del Monte ten eerste dat zij overeenkomstig het Duitse recht als stille vennoot geen bestuursfuncties kon uitoefenen en over geen enkel middel beschikte om de bedrijfsvoering van Weichert te bepalen.
61
Om te beginnen kon zij zich volgens artikel 7, lid 1, van de vennotenovereenkomst slechts verzetten tegen maatregelen die niet onder de normale activiteiten vielen. Voorts maakte geen van de in artikel 7, leden 2 en 3, van de vennotenovereenkomst bedoelde maatregelen deel uit van de normale activiteiten van Weichert en vertoonde geen van deze maatregelen enig verband met haar gedrag op de markt.
62
Wat ten slotte de mogelijkheid voor Del Monte betreft om te allen tijde een vennotenvergadering bijeen te roepen, herinnert zij eraan dat de beherende vennoten hun veto konden uitspreken tegen elke maatregel die tijdens een dergelijke vergadering werd voorgesteld. Voorts konden de beherende vennoten in patsituaties de aangelegenheid voor een arbitrageraad brengen en konden zij er zeker van zijn dat zij daar niet in de minderheid waren.
63
Ten tweede is Del Monte van mening dat de factoren op basis waarvan het Gerecht heeft vastgesteld dat Del Monte invloed uitoefende op Weichert, noch op zich beschouwd, noch samen beschouwd deze invloed aantonen.
64
Wat de vennotenovereenkomst betreft, is Del Monte van mening dat het door het Gerecht in punt 118 van het bestreden arrest vastgestelde bevoegdheidsevenwicht geen aanwijzing vormt dat sprake is van een beslissende invloed.
65
Aangezien enkel de beherende vennoten bevoegd waren om voor rekening van Weichert te handelen en te tekenen, haar tegenover derden en derden tegenover haar te verbinden, gelden voor haar te ontvangen en uit te geven, het dagelijks beheer te verzorgen en onbeperkt en hoofdelijk voor haar verbintenissen in te staan, kunnen dit bevoegdheidsevenwicht en het vetorecht niet de vaststelling schragen dat zij een beslissende invloed uitoefende.
66
Anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, vormt het vetorecht waarover Del Monte beschikt geen aanwijzing dat zij een beslissende invloed uitoefende, aangezien zij geen jaarlijkse begroting, geen investeringsplan en geen personeelsplan kon opleggen en dit vetorecht geen invloed had op de continuïteit van het bestuur door de beherende vennoten van Weichert.
67
Wat de kapitaalbanden betreft, is Del Monte van mening dat de redenering in punt 125 van het bestreden arrest dat het bedrag van haar deelneming in Weichert voor haar een beweegreden was om invloed op deze laatste uit te oefenen, en een zekere economische macht weerspiegelde en dus ook het vermogen om een dergelijke invloed uit te oefenen, onjuist is, aangezien een loutere beweegreden geen invloed heeft op het vermogen om een beslissende invloed uit te oefenen en een zekere economische macht geen teken is van beslissende invloed. Het Gerecht heeft nergens aangegeven hoe de omvang van de deelneming van WAL de onafhankelijkheid van Weichert bij het nemen van beheersbeslissingen en haar marktgedrag zou kunnen aantasten.
68
Wat de distributieovereenkomst betreft, wijst volgens Del Monte geen van de drie in de punten 135 tot en met 149 van het bestreden arrest in aanmerking genomen elementen erop dat zij een beslissende invloed op Weichert uitoefende.
69
Om te beginnen toont geen van de in het bestreden arrest genoemde elementen aan dat de distributieovereenkomst op zich of in combinatie met andere factoren Weichert heeft verhinderd om haar commerciële beleid in volle onafhankelijkheid vast te stellen. Het gaat om een normale overeenkomst tussen onafhankelijke ondernemingen. Dat Del Monte er onmiskenbaar belang bij heeft dat Weichert haar bananen tegen hogere prijzen verkoopt, betekent nog niet dat zij een beslissende invloed kan oefenen.
70
Wat voorts de door Del Monte ontvangen informatie betreft, blijkt uit punt 157 van het bestreden arrest dat de informatiemechanismen, samen met de zeggenschapsmechanismen in de vennotenovereenkomst, het voor Del Monte enkel mogelijk maakten om het handelsgedrag van Weichert, met name bij de dagelijkse bedrijfsvoering, te beïnvloeden, en niet om een beslissende invloed uit te oefenen.
71
Ten slotte tonen de vier in punt 164 van het bestreden arrest genoemde gevallen waarin Del Monte Weichert rechtstreeks heeft aangesproken over het marketingbeleid en de prijzen van deze laatste, aan dat Del Monte haar merk als een hoog geprijsd merk wilde positioneren en dat Weichert haar bananen tegen lagere prijzen heeft verkocht. Deze gevallen wijzen dus niet op de uitoefening van beslissende invloed. De relevante vraag is of Weichert zich diende te plooien naar de wensen van Del Monte. In punt 208 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat dit niet het geval was.
72
De Commissie en Weichert stellen dat het betoog van Del Monte niet-ontvankelijk en ongegrond is.
Beoordeling door het Hof
73
Wat de ontvankelijkheid van het eerste middel van Del Monte betreft, kan worden volstaan met de vaststelling dat, anders dan de Commissie en Weichert stellen, ondubbelzinnig uit de door Del Monte aangevoerde argumenten blijkt dat deze niet de feitelijke vaststellingen van het Gerecht of de beoordeling van deze feiten betwist, maar enkel de juridische kwalificatie ervan.
74
Het eerste middel is dus ontvankelijk.
75
Ten gronde zij eraan herinnerd dat het gedrag van een dochteronderneming volgens vaste rechtspraak aan de moedermaatschappij kan worden toegerekend, met name wanneer de dochteronderneming ondanks haar eigen rechtspersoonlijkheid niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt, met name gelet op de economische, organisatorische en juridische banden die deze twee juridische entiteiten verenigen (arresten Akzo Nobel e. a./Commissie, C-97/08 P, EU:C:2009:536, punt 58; Alliance One International en Standard Commercial Tobacco/Commissie en Commissie/Alliance One International e.a., C-628/10 P en C-14/11 P, EU:C:2012:479, punt 43, en Areva e.a./Commissie, C-247/11 P en C-253/11 P, E U:C:2014:257, punt 30).
76
Om te bepalen of de moedermaatschappij een beslissende invloed op het marktgedrag van haar dochteronderneming kan uitoefenen, moeten bijgevolg alle relevante factoren betreffende de economische, organisatorische en juridische banden tussen de dochteronderneming en haar moedermaatschappij in aanmerking worden genomen en moet dus rekening worden gehouden met de economische realiteit (arrest Commissie/Stichting Administratiekantoor Portielje, C-440/11 P, EU:C:2013:514, punt 66).
77
Voorts kan de daadwerkelijke uitoefening van een beslissende invloed worden afgeleid uit een reeks onderling overeenstemmende elementen, ook al volstaat geen van deze elementen op zich om te kunnen spreken van een dergelijke invloed (zie in die zin arrest Knauf Gips/Commissie, C-407/08 P, EU:C:2010:389, punt 65).
78
Ten slotte heeft het Hof reeds geoordeeld dat de omstandigheid dat twee onderling onafhankelijke moedermaatschappijen gezamenlijk zeggenschap over hun dochteronderneming uitoefenen, de Commissie in beginsel niet belet om vast te stellen dat één van deze moedermaatschappijen en de betrokken dochteronderneming een economische eenheid vormen (arrest Alliance One International en Standard Commercial Tobacco/Commissie en Commissie/Alliance One International e.a., C-628/10 P en C-14/11 P, EU:C:2012:479, punt 101).
79
Wat in casu in de eerste plaats het vermogen van Del Monte betreft om een beslissende invloed op Weichert uit te oefenen, heeft het Gerecht om te beginnen in punt 118 van het bestreden arrest vastgesteld dat de uit de artikelen 7, leden 2 tot en met 4, 8, lid 2, en 9, leden 2 tot en met 5, van de vennotenovereenkomst voortvloeiende rechten van Del Monte aantonen dat deze laatste en de familie Weichert gezamenlijk zeggenschap uitoefenden over de vennootschap Weichert, en een aanwijzing vormen dat Del Monte een beslissende invloed op Weichert kon uitoefenen.
80
Voorts heeft het in punt 125 van het bestreden arrest vastgesteld dat de kapitaalbanden tussen Del Monte en Weichert het vermogen van eerstgenoemde om invloed uit te oefenen op laatstgenoemde weerspiegelden.
81
Ten slotte heeft het Gerecht in punt 150 van het bestreden arrest vastgesteld dat de uit de artikelen 2, onder a), 3, 4, 9, lid 3, en 11 van de distributieovereenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van Del Monte haar economisch en juridisch beter in staat stelden om invloed uit te oefenen op de dagelijkse bedrijfsvoering van Weichert.
82
Het Gerecht heeft deze juridische vaststellingen met name gebaseerd op de volgende beoordeling van het bewijsmateriaal.
83
Ten eerste heeft het Gerecht in de punten 101 en 118 van het bestreden arrest geoordeeld dat uit artikel 7, leden 2 en 3, van de vennotenovereenkomst voortvloeide dat een reeks belangrijke handelingen die noodzakelijkerwijs, zij het zelfs maar indirect, invloed hadden op het bestuur van Weichert, niet zonder de instemming van de stille vennoot konden worden verricht en dat deze overeenkomst een ‘evenwicht van de bevoegdheden’ tussen de beherende vennoten en de stille vennoot weerspiegelde.
84
Ten tweede heeft het Gerecht in punt 125 van het bestreden arrest geoordeeld dat het financiële belang van Del Monte bij de activiteiten van Weichert een duidelijke beweegreden was voor Del Monte om invloed op Weichert uit te oefenen en dat de omvang van haar deelneming in het kapitaal een zekere economische macht weerspiegelde.
85
Ten derde heeft het Gerecht in punt 139 van het bestreden arrest opgemerkt dat Del Monte er een tweeledig belang bij had om toezicht uit te oefenen op de door Weichert vastgestelde prijzen, aangezien deze niet alleen invloed hadden op de resultatenrekening van Weichert, en dus op de winst voor de aandeelhouders, maar ook rechtstreeks op de prijzen die Del Monte kreeg voor de bananen die volgens de distributieovereenkomst aan Weichert werden geleverd.
86
Ten vierde heeft het Gerecht in punt 149 van het bestreden arrest opgemerkt dat Del Monte over een belangrijk drukkingsmiddel beschikte ten opzichte van Weichert, aangezien zij de contractuele mogelijkheid had om aanzienlijk te spelen met de hoeveelheden bananen die zij aan Weichert leverde en deze laatste verplicht was om bijna al haar bananen bij Del Monte aan te kopen.
87
In deze context tonen de argumenten die Del Monte in het kader van de onderhavige procedure heeft aangevoerd, niet aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat uit het geheel van de betrokken economische, organisatorische en juridische banden blijkt dat Del Monte een beslissende invloed op Weichert kon uitoefenen.
88
Om te beginnen sluit de omstandigheid dat Del Monte juridisch gezien niet betrokken was bij de dagelijkse bedrijfsvoering van Weichert en dat haar vetorecht haar met name niet de mogelijkheid bood om een specifieke begroting op te leggen, niet volledig uit dat Del Monte een beslissende invloed op het gedrag van Weichert op de betrokken markt kon uitoefenen. Andere omstandigheden, meer bepaald die welke zijn genoemd in de punten 79 tot en met 86 van het onderhavige arrest, boden haar immers wel die mogelijkheid.
89
Voorts toont de omstandigheid dat Weichert driemaal aan externe raadgevers de opdracht heeft gegeven om haar belangen tegenover Del Monte te verdedigen, om dezelfde redenen niet aan dat deze laatste geen beslissende invloed op het gedrag van Weichert op de betrokken markt kon uitoefenen.
90
Ten slotte wettigde het feit dat Del Monte de contractuele mogelijkheid had om aanzienlijk te spelen met de hoeveelheden bananen die zij aan Weichert leverde en dat deze laatste verplicht was om bijna al haar bananen bij Del Monte aan te kopen, beschouwd in de context van alle economische, organisatorische en juridische banden die volgens het Gerecht Del Monte en Weichert verenigden, niet alleen de vaststelling in punt 149 van het bestreden arrest dat deze laatste over een belangrijk drukkingsmiddel beschikte ten opzichte van Weichert, maar ook de conclusie dat zij in staat was om een beslissende invloed op haar uit te oefenen.
91
Wat in de tweede plaats de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed door Del Monte op Weichert betreft, heeft het Gerecht in punt 158 van het bestreden arrest vastgesteld dat het feit dat Del Monte meer informatie heeft ontvangen dan die welke door artikel 4 van de distributieovereenkomst werd vereist, een duidelijke aanwijzing is dat zij invloed uitoefende.
92
Voorts heeft het in punt 220 van het bestreden arrest de bewijsstukken in verband met de correspondentie tussen Del Monte en Weichert opgevat als een aanwijzing dat Del Monte in de periode van de inbreuk een beslissende invloed op Weichert uitoefende.
93
Het Gerecht heeft deze juridische vaststellingen met name gebaseerd op de volgende beoordeling van het bewijsmateriaal:
- —
De rapporten die Weichert van mei 2000 tot en met 1 januari 2003 elke week aan Del Monte toezond en die de betrokken hoeveelheden, de officiële prijzen en de reële prijzen voor Del Monte, Dole, Chiquita en de andere bananenleveranciers alsook voor elk van de betrokken geografische markten vermeldden en zelfs een ‘poging tot vaststelling van een reële nettoprijs’ bevatten, vormden een extra informatiebron die rechtstreeks verband hield met de verkoop van bananen en dus met de gewone bedrijfsvoering van Weichert (punten 152 tot en met 155 van het bestreden arrest);
- —
De regelmaat waarmee deze wekelijkse rapporten werden verstrekt resulteerde in een voortdurende informatiestroom naar Del Monte, die haar een ruim en nauwkeurig inzicht verschafte in de markt, daaronder begrepen de positionering van Weichert (punt 156 van het bestreden arrest);
- —
Deze rapporten vormden informatie die buiten het contractuele kader gevraagd en verkregen was (punt 158 van het bestreden arrest);
- —
Uit de contacten tussen Del Monte en Weichert blijkt dat Del Monte Weichert rechtstreeks aansprak over haar marketingbeleid en prijzen, dat zij haar zeer precieze — namelijk cijfermatige — instructies gaf met betrekking tot het te voeren prijsbeleid, dat over dit onderwerp bijeenkomsten werden gehouden en telefoongesprekken werden gevoerd, dat Weichert uitdrukkelijk werd opgedragen om dagelijks informatie te verstrekken over de commerciële onderhandelingen, dat expliciet druk werd uitgeoefend op het vlak van de bevoorrading en dat Weichert haar dagelijkse beheer toelichtte of rechtvaardigde (punten 175 en 203 van het bestreden arrest);
- —
Del Monte was daadwerkelijk in staat om de bevoorrading van Weichert aanzienlijk te beïnvloeden en heeft in de praktijk sterke druk uitgeoefend op deze onderneming, door ermee te dreigen om de wekelijkse te leveren hoeveelheid bananen te verlagen ‘naar het niveau van de licenties van Interfrucht, dat wil zeggen +/- 60 000 dozen per week’, zonder naar enig geval van overmacht te verwijzen. Die hoeveelheid lag lager dan de in de distributieovereenkomst vastgestelde minimale hoeveelheid en deze verlaging kon Weichert in moeilijkheden brengen ten aanzien van haar klanten (punten 185 tot en met 187 van het bestreden arrest);
- —
Del Monte oefende scherp toezicht uit op het handelsgedrag van Weichert en bemoeide zich zelfs rechtstreeks met de vaststelling van haar prijsbeleid (punt 204 van het bestreden arrest);
- —
De antwoorden van Weichert tonen aan dat zij zich verplicht voelde om aan Del Monte verslag uit te brengen over haar prijsbeslissingen en moeite deed om aan de verwachtingen van Del Monte te voldoen (punt 205 van het bestreden arrest);
- —
Gelet op de risico's voor haar bevoorrading en de occasionele verlagingen daarvan, moest Weichert de instructies van Del Monte opvolgen om te voorkomen dat zij failliet zou gaan. Zij heeft haar leverancier onmiskenbaar duidelijk gemaakt dat zij hiervoor vreesde (punt 207 van het bestreden arrest);
- —
Weliswaar beantwoordden de prijsbeslissingen van Weichert, zoals de Commissie zelf in punt 424 van de bestreden beschikking toegeeft, mogelijkerwijs niet aan de verwachtingen van Del Monte, maar uit de door de Commissie verzamelde bewijsstukken kan niet worden afgeleid dat Weichert zich in het algemeen niet hield aan de ‘instructies van Del Monte’, om de bewoordingen van rekwirante te gebruiken, en zich autonoom op de markt heeft gedragen (punt 208 van het bestreden arrest).
94
Gelet op deze vaststellingen en op deze feitelijke beoordeling, die het Hof niet ter zijde kan schuiven op basis van haar eigen vaststellingen en beoordeling, kan het Gerecht niet worden verweten dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover het heeft vastgesteld dat uit de door Del Monte gevraagde en ontvangen informatie, in haar geheel beschouwd, alsook uit de instructies die zij aan Weichert heeft gegeven, en uit de bedreigingen die zij in dat verband heeft geuit en de druk die zij daarbij heeft uitgeoefend, blijkt dat Del Monte daadwerkelijk een beslissende invloed op Weichert heeft uitgeoefend.
95
De argumenten die Del Monte in het kader van de onderhavige procedure heeft aangevoerd, doen immers niet af aan deze vaststelling.
96
Voor zover Del Monte opmerkt dat uit alle bewijsstukken die betrekking hebben op haar contacten met Weichert blijkt dat het gedrag van deze laatste niet voldeed aan haar verwachtingen, zij eraan herinnerd dat het, zoals de advocaat-generaal in de punten 101, 103 en 104 van haar conclusie heeft opgemerkt, niet nodig is dat de dochteronderneming alle instructies van haar moedermaatschappij opvolgt om het bestaan van een beslissende invloed aan te tonen, zolang het maar niet de regel is dat de instructies niet worden opgevolgd.
97
Zoals de advocaat-generaal in de punten 108 en 109 van haar conclusie heeft opgemerkt, heeft het Gerecht geoordeeld dat uit het geheel van de overgelegde bewijsstukken niet blijkt dat Weichert zich in de regel niet hield aan de instructies die Del Monte haar gaf.
98
Voorts heeft het Gerecht vastgesteld dat Del Monte op eigen verzoek actuele informatie had ontvangen over de staat van de betrokken bananenmarkt die verder ging dan waar zij recht op had, dat zij Weichert nauwkeurige instructies gaf over de wijze waarop zij zich op de markt diende te gedragen, dat zij in dat kader bedreigingen uitte die gebaseerd waren op een belangrijk drukkingsmiddel waarover zij ten aanzien van Weichert beschikte, en dat deze laatste, die bang was om failliet te gaan, zich inspande om aan de verwachtingen van Del Monte te voldoen. Deze vaststellingen vormden een bundel aanwijzingen die de conclusie wettigden dat Del Monte, samen met de beherende vennoten van Weichert, daadwerkelijk een beslissende invloed uitoefende op deze laatste.
99
Het Gerecht heeft dus geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het heeft vastgesteld dat uit de door Del Monte gevraagde en ontvangen informatie, in haar geheel beschouwd, alsook uit de instructies die zij aan Weichert heeft gegeven, en uit de bedreigingen die zij in dat verband heeft geuit en de druk die zij daarbij heeft uitgeoefend blijkt dat Del Monte daadwerkelijk een beslissende invloed op Weichert heeft uitgeoefend.
100
Gelet op al deze overwegingen moet het eerste middel van de hogere voorziening in zaak C-293/13 P worden afgewezen.
Tweede middel van de hogere voorziening in zaak C-293/13 P: onjuiste opvatting van het bewijsmateriaal
Argumenten van partijen
101
Del Monte verwijt het Gerecht dat de vaststelling dat Del Monte daadwerkelijk een beslissende invloed op Weichert heeft uitgeoefend berust op een onjuiste opvatting van de bewijzen.
102
Ten eerste kan, anders dan in de punten 100 en 101 van het bestreden arrest is vastgesteld, op basis van de in artikel 7, lid 3, van de vennotenovereenkomst vastgestelde vetorechten van Del Monte niet worden vastgesteld dat deze rechten een, zij het zelfs maar indirecte, invloed hadden op het beheer van Weichert. Geen van deze vetorechten is immers gekoppeld aan het marktgedrag van Weichert, dat uitsluitend werd bepaald door de beherende vennoten.
103
Ten tweede heeft het Gerecht volgens Del Monte de vennotenovereenkomst onjuist opgevat door in punt 114 van het bestreden arrest te oordelen dat uit de bepalingen van deze overeenkomst niet blijkt dat de beherende vennoten een vetorecht hadden ten aanzien van alle besluiten van Weichert. Deze vaststelling is immers in tegenspraak met de vaststellingen van het Gerecht dat:
- —
Weichert uitsluitend werd beheerd en vertegenwoordigd door de beherende vennoten en dat geen enkele beheersmaatregel, geen enkele benoeming en geen enkel ontslag dus tegen de wil van de beherende vennoten in kon worden opgelegd;
- —
de beherende vennoten de voorafgaande toestemming van Del Monte slechts nodig hadden voor een beperkt aantal maatregelen, waarvan geen enkele viel onder de gewone bedrijfsvoering, op de begroting, de investeringsplannen en de personeelsbezetting na;
- —
de beherende vennoten hun veto konden uitspreken tegen wijzigingen van de vennotenovereenkomst, de goedkeuring van de jaarrekening, het verlenen van kwijting aan de beherende vennoten voor het beheer, de benoeming van een accountant en elk besluit dat tijdens een vennotenvergadering kon worden genomen, en dat enkel de beherende vennoten beheershandelingen konden verrichten of de vennoten konden vertegenwoordigen, de jaarlijkse begrotingsvoorstellen, de investeringsplannen en de plannen inzake de personeelsbezetting konden vaststellen, de jaarrekening konden opstellen en besluiten konden nemen over de overdracht van hun aandelen in de vennootschap.
104
Del Monte merkt in het bijzonder op dat het Gerecht geen enkel besluit heeft genoemd dat Del Monte aan Weichert had kunnen opleggen of daadwerkelijk heeft opgelegd ondanks het veto van de beherende vennoten en dat geen dergelijke besluiten zijn genomen.
105
Ten derde is Del Monte van mening dat het Gerecht niet, zonder de feiten te verdraaien, op basis van de overweging dat kan worden volstaan met de vaststelling dat unanimiteit van de vennoten vereist was voor iedere wijziging van de vennotenovereenkomst, haar argument kon verwerpen dat zij de bestuurders van Weichert niet kon ontslaan of vervangen en zelfs niet haar veto tegen hun benoeming kon uitspreken.
106
Ten vierde betoogt Del Monte dat het Gerecht artikel 9, lid 5, van de vennotenovereenkomst onjuist heeft opgevat door te oordelen dat niets was aangevoerd ter onderbouwing van de stelling dat de besluiten binnen de arbitrageraad met een eenvoudige meerderheid werden genomen en dat dus noodzakelijkerwijs gunstige besluiten voor de beherende vennoten werden genomen, en dat de omvang van het betrokken voordeel hoe dan ook moet worden gerelativeerd, gezien de specifieke bevoegdheden van de vennotenvergadering.
107
Dienaangaande merkt Del Monte op dat vaststond dat de stemrechten binnen die raad als volgt zijn verdeeld: drie stemmen voor de beherende vennoten, één stem voor Del Monte en twee neutrale stemmen. Voorts bevat de vennotenovereenkomst geen bepaling die een gekwalificeerde meerderheid vereist. Ten slotte maakte Del Monte geen deel uit van het bestuur van Weichert, zodat de vennotenvergadering het enige bestuursorgaan was waarin zij was vertegenwoordigd. Het mechanisme waarin de vennotenovereenkomst voorzag in geval van patsituaties vormt dus een aanwijzing van de verdeling van de bevoegdheden.
108
Ten vijfde is Del Monte van mening dat het Gerecht in punt 118 van het bestreden arrest haar verklaring dat de vennotenovereenkomst een ‘evenwicht van de bevoegdheden’ tussen Del Monte en de beherende vennoten weerspiegelt onjuist heeft opgevat door vast te stellen dat deze verklaring bevestigt dat sprake was van een beslissende invloed. Deze uitlegging strookt duidelijk niet met de inhoud van deze verklaring.
109
Ten zesde stelt Del Monte dat het Gerecht in de punten 212 tot en met 214 van het bestreden arrest de verklaringen van Dole en Chiquita waarnaar het verwijst, onjuist heeft opgevat. Het komt in die punten tot de conclusie dat de eerste en de tweede verklaring van Dole het bewijs opleveren dat de strategie van Del Monte erin bestond, haar prijzen op hetzelfde niveau vast te stellen als die van Dole. Aldus heeft het Gerecht de inhoud van de tweede verklaring van Dole, die bevestigt dat Weichert, en niet Del Monte, het merk Del Monte wilde positioneren op hetzelfde niveau als het merk Dole, ter zijde geschoven op grond van de overweging dat deze tweede verklaring onlosmakelijk verbonden is met de eerste verklaring van Dole.
110
Volgens Del Monte is dit evenwel onjuist, aangezien de tweede verklaring van Dole recenter is, een antwoord vormt op een specifieke vraag van de Commissie en de in de eerste verklaring vervatte informatie nader uitwerkt en aanvult. Niettemin heeft het Gerecht de eerste verklaring van Dole uitgelegd op een wijze die in tegenspraak is met de tweede verklaring.
111
De derde verklaring van Dole en de verklaring van Chiquita zijn ondubbelzinnig en kunnen slechts leiden tot de conclusie dat Del Monte niet tevreden was over de commerciële strategie van Weichert en dat Del Monte haar eigen strategie heeft uitgevoerd vanaf het ogenblik dat zij is begonnen met de verkoop van haar bananen via haar volle dochterondernemingen. Toen Dole stelde dat Del Monte niet tevreden was over de marketingresultaten van Weichert, bracht het Gerecht deze ontevredenheid enkel in verband met de winsten, hoewel uitdrukkelijk duidelijk was gemaakt dat de ontevredenheid van Del Monte betrekking had op de marktstrategie van Weichert.
112
Volgens Del Monte blijkt duidelijk uit deze verklaringen dat Del Monte niet in staat was om een beslissende invloed op de commerciële strategie van Weichert uit te oefenen.
113
Del Monte stelt dat het Gerecht ook nog een vierde verklaring van Dole onjuist heeft opgevat door te suggereren dat Del Monte haar strategie had gewijzigd nadat zich aan het einde van de inbreukperiode van Weichert had afgescheiden. Deze uitlegging is immers onverenigbaar met de verklaring van Chiquita en de correspondentie tussen Del Monte en Weichert waaruit blijkt dat deze twee vennootschappen het steeds oneens zijn geweest over de positionering van de bananen van Del Monte, wat door een ander element uit deze verklaring van Dole wordt bevestigd.
114
Ten zevende betoogt Del Monte dat het Gerecht in punt 236 van het bestreden arrest een brief die een externe raadgever op 27 maart 1997 voor rekening van Weichert aan Del Monte heeft gericht om de belangen van Weichert tegen Del Monte te verdedigen, onjuist heeft opgevat. Deze brief toont duidelijk aan dat Weichert tegen de belangen van Del Monte in handelde, en weerlegt dus dat deze laatste een beslissende invloed had. Het Gerecht heeft evenwel het argument van Del Monte verworpen op grond van de overweging dat de beherende vennoten hun belangen tegen de stille vennoot hebben laten verdedigen, terwijl ondubbelzinnig uit deze brief blijkt dat deze niet voor rekening van de beherende vennoten is verzonden, maar voor rekening van Weichert.
115
Ten achtste is Del Monte van mening dat het Gerecht in punt 238 van het bestreden arrest de memorie van antwoord van Weichert in het geding tegen WAL onjuist heeft opgevat door de aangevoerde argumenten ter zijde te schuiven op de loutere grond dat dat de betrokken procedure niet door Weichert, maar door Del Monte was aangespannen. De vraag wie de procedure heeft aangespannen heeft evenwel geen enkele invloed op de inhoud van een dergelijke memorie.
116
Ten negende stelt Del Monte dat het Gerecht in punt 259 van het bestreden arrest het bewijs dat hierin bestaat dat de resultaten van Weichert niet werden verwerkt in de geconsolideerde rekeningen van Del Monte onjuist heeft opgevat door vast te stellen dat dit volkomen irrelevant is omdat Weichert een partnership vormde. Er is geen enkele reden om te stellen dat de consolidatieregels voor partnerships verschillen van die voor andere soorten ondernemingen.
117
Ten tiende heeft het Gerecht de bewijzen onjuist opgevat door geen rekening te houden met de onderlinge samenhang tussen de negatieve bewijzen. Het Gerecht heeft immers enkel onderzocht of deze bewijzen, afzonderlijk beschouwd, aantonen dat zij geen beslissende invloed uitoefent, en is tot de conclusie gekomen dat dit niet het geval is. Het heeft evenwel niet onderzocht of deze bewijzen, samen beschouwd, aantonen dat geen sprake is van een beslissende invloed.
118
Volgens Del Monte volstaan al deze bewijzen niet om aan te tonen dat Del Monte een zodanige invloed heeft uitgeoefend dat Weichert haar marktgedrag niet zelfstandig kon bepalen en hoofdzakelijk de instructies van Del Monte volgde.
119
Weichert is van mening dat Del Monte niet betoogt dat bewijzen onjuist worden opgevat, maar enkel de beoordeling van deze bewijzen door het Gerecht betwist.
120
De Commissie is van mening dat uit de redenering van het Gerecht niet blijkt dat het bewijsmateriaal onjuist is opgevat.
Beoordeling door het Hof
121
Het eerste, het derde, het vijfde en het achtste tot en met het tiende argument van Del Monte dienen meteen te worden verworpen, aangezien hierin geen verwijt aan het Gerecht besloten ligt dat het de bewijzen onjuist heeft opgevat, of niet nauwkeurig wordt aangegeven welke bewijzen onjuist zouden zijn opgevat. Deze argumenten voldoen dus niet aan de vereisten van de rechtspraak.
122
Het tweede, het vierde, het zesde en het zevende argument van Del Monte bevatten weliswaar daadwerkelijk specifieke verwijten over onjuist opgevatte bewijzen, maar vastgesteld moet worden dat deze niet gegrond zijn.
123
Wat het tweede argument van Del Monte betreft, moet de verklaring van het Gerecht in punt 114 van het bestreden arrest, dat ‘uit de bepalingen van de vennotenovereenkomst niet [kan] worden opgemaakt dat de beherende vennoot […] een vetorecht had op ‘alle’ vennootschapsbesluiten’, zoals de advocaat-generaal in de punten 131 en 132 van haar conclusie heeft opgemerkt, worden gelezen in het licht van de punten van het bestreden arrest die daaraan voorafgaan en die betrekking hebben op artikel 9, lid 2, tweede volzin, van de vennotenovereenkomst, dat slechts betrekking heeft op bepaalde, in artikel 9, lid 4, van die overeenkomst omschreven besluiten van de vennotenvergadering.
124
Wat het vierde argument van Del Monte betreft, kan worden volstaan met de vaststelling dat artikel 9, lid 5, van de vennotenovereenkomst geen informatie bevat over de vereiste meerderheden voor de besluitvorming in de arbitrageraad, zoals de advocaat-generaal in punt 143 van haar conclusie heeft opgemerkt. Voorts geeft Del Monte niet precies aan in welke zin het Gerecht deze bepaling onjuist zou hebben opgevat door in punt 116 van het bestreden arrest te verklaren dat ‘[d]e omvang van het betrokken voordeel […] in ieder geval [moet] worden gerelativeerd gezien de specifieke bevoegdheden van de vennotenvergadering’.
125
Wat het zesde argument betreft, moet worden vastgesteld dat de betrokken verklaringen van Chiquita en Dole, zoals de advocaat-generaal in de punten 152 en 153 van haar conclusie heeft opgemerkt, niet ondubbelzinnig waren en dus ruimte voor interpretatie lieten. Aangezien niet blijkt dat de door het Gerecht gegeven uitlegging kennelijk onverenigbaar is met de inhoud van deze verklaringen, kan niet worden vastgesteld dat het deze verklaringen onjuist heeft opgevat.
126
Ten slotte kan het zevende argument van Del Monte evenmin worden aanvaard, aangezien de verklaring van het Gerecht ‘dat een vennoot beroep doet op een juridisch adviseur om te weten wat zijn rechten zijn en zich te verdedigen tegen degene die ervan verdacht wordt die rechten niet te respecteren’ niet onverenigbaar is met de inhoud van de brief die een externe raadgever op 27 maart 1997 voor rekening van Weichert aan Del Monte heeft gestuurd en die, zoals de advocaat-generaal in de punten 157 en 158 van haar conclusie heeft opgemerkt, voor meer dan één uitleg vatbaar is, doordat uit de inleiding ervan blijkt dat in deze brief een standpunt wordt ingenomen namens de vennootschap, terwijl de opmerkingen onder meer namens W. en zelfs uitdrukkelijk namens W. en Weichert gezamenlijk worden gemaakt.
127
Gelet op al deze overwegingen moet het tweede middel van de hogere voorziening in zaak C-293/13 P worden afgewezen.
Derde middel van de hogere voorziening in zaak C-293/13 P: bewijslast
Argumenten van partijen
128
Del Monte betoogt dat het Gerecht heeft geoordeeld dat de bewijslast in verband met het bestaan van beslissende invloed in casu op de Commissie rustte, maar tegelijkertijd deze bewijslast herhaaldelijk heeft omgekeerd. In de volgende overwegingen wordt immers impliciet uitgegaan van het — door Del Monte te weerleggen — vermoeden dat zij beslissende invloed heeft uitgeoefend.
129
Ten eerste heeft het Gerecht in punt 113 van het bestreden arrest met betrekking het in artikel 9, lid 2, van de vennotenovereenkomst vastgestelde vetorecht van de beherende vennoot geoordeeld dat de vennotenvergadering overeenkomstig artikel 9, leden 3 en 4, van deze overeenkomst specifieke bevoegdheden had ‘waardoor Del Monte niet iedere mogelijkheid werd ontnomen om op het betrokken marktgedrag van Weichert beslissende invloed uit te oefenen’.
130
Ten tweede heeft het Gerecht in punt 208 van het bestreden arrest vastgesteld dat ‘de prijsbeslissingen van Weichert […] [weliswaar mogelijkerwijs] niet aan de verwachtingen van Del Monte [beantwoordden], maar [dat] uit de […] vergaarde bewijsstukken […] niet [kan] worden afgeleid dat Weichert in het algemeen niet de ‘instructies van Del Monte’ […] heeft gevolgd en zich autonoom op de markt heeft gedragen’.
131
Ten derde heeft het Gerecht in de punten 237 en 238 van het bestreden arrest geoordeeld dat ‘een kopie van een verweerschrift dat Weichert op 15 mei 2002 voor een Duitse rechter heeft ingediend in het kader van een geding tussen haar en WAL[, waarin] wordt betoogd dat alle toegevoegde economische waarde van Weichert, te weten de aankopen, de marketing en de logistiek, uitsluitend [kon] worden toegerekend aan de beherende vennoten, en [dat] de rol van WAL binnen de vennootschap zich tot een financiële deelneming beperkte […] de conclusie van de uitoefening van een beslissende invloed niet [uitsluit]’.
132
Ten vierde heeft het Gerecht in punt 260 van het bestreden arrest met betrekking tot het feit dat de rekeningen van Del Monte en Weichert niet werden geconsolideerd, geoordeeld dat ‘het achterwege laten van die consolidatie niet noodzakelijkerwijs [betekent] […] dat het […] onmogelijk is te concluderen dat er sprake is van een beslissende invloed’.
133
Indien het Gerecht de beginselen inzake de bewijslast correct had toegepast, zou het hebben onderzocht of het vetorecht van de stille vennoot, het feit dat de prijzen van Weichert niet beantwoordden aan de verwachtingen van Del Monte, de memories van Weichert in de procedure voor de Duitse rechtbanken en het feit dat de rekeningen niet werden geconsolideerd voldoende twijfel wierpen op de vaststelling van de Commissie dat Del Monte een beslissende invloed op Weichert uitoefende om te kunnen constateren dat dit niet rechtens genoegzaam was bewezen.
134
Weichert en de Commissie betwisten het betoog van Del Monte.
Beoordeling door het Hof
135
Vastgesteld moet worden dat de argumenten die Del Monte ter ondersteuning van haar derde middel aanvoert, berusten op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.
136
Om te beginnen blijkt ondubbelzinnig uit de punten 104 en 221 van het bestreden arrest dat het Gerecht heeft geoordeeld dat de bewijslast betreffende de medeaansprakelijkheid van Del Monte voor de door Weichert gepleegde inbreuk op de Commissie rustte, zoals Del Monte ook toegeeft.
137
Voorts heeft het Gerecht in de punten 98 tot en met 220 van het bestreden arrest onderzocht of de Commissie aan deze bewijslast heeft voldaan, en geoordeeld dat de bewijzen waarop de Commissie zich heeft gebaseerd deze medeaansprakelijkheid konden staven.
138
Ten slotte heeft het Gerecht in de punten 222 tot en met 265 van dat arrest nagegaan of de door Del Monte aangevoerde bewijzen en argumenten de conclusie van de Commissie dat de door Weichert gepleegde inbreuk kon worden toegerekend aan Del Monte, kon ontkrachten.
139
Zoals de advocaat-generaal in punt 117 van haar conclusie heeft opgemerkt, impliceert een dergelijke analyse geen omkering van de bewijslast.
140
Het feit dat het Gerecht in de punten 113 en 208 van het bestreden arrest de stelling van Del Monte heeft verworpen dat de in die punten bedoelde omstandigheden uitsloten dat Del Monte daadwerkelijk een beslissende invloed op Weichert uitoefende, betekent evenmin dat het de bewijslast heeft omgekeerd. Het Gerecht heeft immers in die punten enkel geantwoord op de argumenten van Del Monte betreffende de toerekenbaarheid van de inbreuk.
141
Hieruit volgt dat het derde middel van de hogere voorziening in zaak C-293/13 P moet worden afgewezen.
Vierde middel van de hogere voorziening in zaak C-293/13 P: beginsel in dubio pro reo
Argumenten van partijen
142
Del Monte betoogt dat het Gerecht het beginsel in dubio pro reo heeft geschonden door haar aansprakelijk te verklaren voor het gedrag van Weichert, hoewel de bewijsstukken ruimte laten voor twijfel over de vraag of zij al dan niet een beslissende invloed op Weichert uitoefende.
143
Volgens haar blijkt uit de rechtspraak dat de Commissie voldoende nauwkeurige en onderling overeenstemmende bewijzen moet verzamelen die de vaste overtuiging kunnen schragen dat de gestelde inbreuk heeft plaatsgevonden. Wanneer geen enkel bewijsstuk op zich deze overtuiging kan schragen, dient een bundel aanwijzingen in zijn geheel aan dit vereiste te voldoen.
144
In casu doen tal van factoren twijfels rijzen over de stelling dat het gedrag van Weichert op de betrokken markt hoofdzakelijk werd bepaald door Del Monte. Het Gerecht heeft weliswaar al deze factoren van de hand gewezen op grond van de overweging dat deze zijns inziens niet aantonen dat geen beslissende invloed is uitgeoefend, maar zelfs indien dat correct zou zijn, zouden de twijfels die deze factoren werpen op de vaststelling van de Commissie dat beslissende invloed is uitgeoefend, de toepassing van het beginsel in dubio pro reo rechtvaardigen.
145
Volgens Weichert betwist Del Monte de beoordeling van de feiten door het Gerecht waaruit blijkt dat geen van de door Del Monte aangevoerde bewijzen voldoende twijfel doet ontstaan over de conclusie van de Commissie.
146
De Commissie is eveneens van mening dat dit middel niet-ontvankelijk is, aangezien Del Monte verlangt dat het bewijsmateriaal opnieuw wordt beoordeeld. Voorts stelt zij dat uit de beoordeling van Del Montes argumenten door het Gerecht blijkt dat dit laatste heeft geoordeeld dat de bewijsstukken rechtens genoegzaam aantoonden dat een beslissende invloed was uitgeoefend, en geen blijk heeft gegeven van enige twijfel dienaangaande.
Beoordeling door het Hof
147
Wat de ontvankelijkheid van het vierde middel van Del Monte betreft, moet worden opgemerkt dat zij het Gerecht verwijt dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het het beginsel in dubio pro reo heeft geschonden, en dat dit middel dus ontvankelijk is.
148
Ten gronde kan worden volstaan met de vaststelling dat het Gerecht uit al het beschikbare bewijsmateriaal heeft afgeleid dat Del Monte tijdens de periode van de inbreuk een beslissende invloed op Weichert heeft uitgeoefend.
149
Aangezien de beoordeling door het Gerecht sluitend was en dus geen ruimte liet voor enige twijfel, en voorts geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting, zoals bij het onderzoek van het eerste middel is gebleken, moet worden vastgesteld dat in de onderhavige zaak niet was voldaan aan de voorwaarden om het beginsel in dubio pro reo te kunnen toepassen.
150
Bijgevolg is het vierde middel van de hogere voorziening in zaak C-293/13 P ongegrond, zodat het moet worden afgewezen.
Vijfde middel van de hogere voorziening in zaak C-293/13 P: er is geen sprake van één enkele voortdurende inbreuk
Argumenten van partijen
151
Del Monte is van mening dat het Gerecht artikel 81, lid 1, EG heeft geschonden voor zover het heeft geoordeeld dat Del Monte samen met Dole en Chiquita aan één enkele voortdurende inbreuk heeft deelgenomen, en tegelijkertijd heeft erkend dat Weichert niet op de hoogte was van de contacten tussen Chiquita en Dole. De redenering van het Gerecht in de punten 590 tot en met 651 van het bestreden arrest berust op een kunstmatige opsplitsing van zijn analyse betreffende enerzijds het inbreukmakende gedrag en anderzijds de aansprakelijkheid, aangezien het subjectieve element slechts in het kader van de aansprakelijkheid wordt bestudeerd.
152
Volgens Del Monte vormt het feit dat Weichert niet op de hoogte was van deze contacten niet alleen een verzachtende omstandigheid bij de vaststelling van het boetebedrag, maar ook een essentiële factor om te bepalen of één enkele voortdurende inbreuk is gepleegd. Onderling afgestemde feitelijke gedragingen vormen slechts één enkele voortdurende inbreuk indien kan worden vastgesteld dat een gemeenschappelijk doel werd nagestreefd en dat de betrokkenen op de hoogte waren van en/of zich voorbereidden op, of de risico's aanvaardden van, deelname aan de gehele mededingingsregeling. Dit criterium omvat dus een objectief en een subjectief bestanddeel, en het subjectief bestanddeel ontbreekt in het geval van Weichert.
153
Weichert sluit zich aan bij het betoog van Del Monte en voegt hieraan toe dat het Gerecht zijn vaststelling in punt 593 van het bestreden arrest dat de bilaterale gesprekken tussen Dole en Chiquita en die tussen Dole en Weichert met elkaar samenhingen en complementair waren, uitsluitend heeft gebaseerd op de omstandigheid dat Dole bij beide reeksen gesprekken betrokken was. Indien dat volstond, zou elke reeks bilaterale gesprekken die artikel 81 EG schenden, als één enkele voortdurende inbreuk kunnen worden beschouwd.
154
Volgens Weichert dient deze onjuiste rechtsopvatting te leiden tot de nietigverklaring van de litigieuze beschikking in haar geheel, aangezien de vaststelling dat één enkele voortdurende inbreuk is gepleegd niet kan worden losgekoppeld van de rest van deze beschikking.
155
De Commissie betwist het betoog van Del Monte en Weichert.
Beoordeling door het Hof
156
Volgens vaste rechtspraak kan een schending van artikel 81, lid 1, EG niet alleen voortvloeien uit een op zichzelf staande handeling, maar eveneens uit een reeks handelingen of een voortdurende gedraging, ook al zouden een of meer onderdelen van deze reeks handelingen of van deze voortdurende gedraging ook op zich, afzonderlijk, een schending van deze bepaling kunnen opleveren. Wanneer de verschillende handelingen vanwege hun identieke doel, de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te verstoren, deel uitmaken van een ‘totaalplan’, mag de Commissie de aansprakelijkheid voor deze handelingen dus bepalen aan de hand van de deelneming aan de betrokken inbreuk in haar geheel (arrest Commissie/Verhuizingen Coppens, C-441/11 P, EU:C:2012:778, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
157
Een onderneming die aan één enkele complexe inbreuk, zoals hierboven bedoeld, heeft deelgenomen door eigen gedragingen die een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedragingen met een mededingingsbeperkend doel in de zin van artikel 81, lid 1, EG vormden en die een bijdrage aan de verwezenlijking van de inbreuk in zijn geheel beoogden te leveren, kan aldus voor de gehele duur van haar deelneming aan die inbreuk eveneens aansprakelijk zijn voor de gedragingen van andere ondernemingen in het kader van diezelfde inbreuk. Dit is het geval wanneer vast komt te staan dat de betrokken onderneming met haar eigen gedrag heeft willen bijdragen aan de gemeenschappelijke doelstellingen van alle deelnemers en dat zij de inbreukmakende gedragingen die de andere ondernemingen met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden (arrest Commissie/Verhuizingen Coppens, C-441/11 P, EU:C:2012:778, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
158
Het is dus mogelijk dat een onderneming rechtstreeks heeft deelgenomen aan alle mededingingsverstorende gedragingen die samen één enkele voortdurende inbreuk vormen, in welk geval de Commissie haar aansprakelijk mag stellen voor al deze gedragingen en dus voor deze inbreuk in haar geheel. Het is ook mogelijk dat een onderneming slechts rechtstreeks heeft deelgenomen aan een deel van de mededingingsverstorende gedragingen die samen één enkele voortdurende inbreuk vormen, maar alle andere inbreukmakende gedragingen die de andere karteldeelnemers met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden. Ook in een dergelijk geval mag de Commissie deze onderneming aansprakelijk stellen voor alle mededingingsverstorende gedragingen die samen deze inbreuk vormen, en dus voor de inbreuk in haar geheel (arrest Commissie/Verhuizingen Coppens, C-441/11 P, EU:C:2012:778, punt 43).
159
Wanneer een onderneming daarentegen rechtstreeks heeft deelgenomen aan een of meerdere van de mededingingsverstorende gedragingen die één enkele en voortgezette inbreuk vormen, maar niet is bewezen dat zij met haar eigen gedrag heeft willen bijdragen aan alle gemeenschappelijke doelstellingen van de andere karteldeelnemers en dat zij alle andere inbreukmakende gedragingen die deze deelnemers met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden, mag de Commissie haar enkel aansprakelijk stellen voor de gedragingen waaraan zij rechtstreeks heeft deelgenomen en voor de gedragingen die de andere deelnemers planden of verrichtten met het oog op dezelfde doelstellingen als die welke zij nastreefde en waarvoor is bewezen dat zij deze kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden (arrest Commissie/Verhuizingen Coppens, C-441/11 P, EU:C:2012:778, punt 44).
160
Bijgevolg heeft het Gerecht in casu geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de omstandigheid dat Weichert niet wist dat Dole en Chiquita informatie uitwisselden en daar niet van op de hoogte hoefde te zijn, niet betekende dat er geen sprake kon zijn van één enkele voortdurende inbreuk, maar dat de vastgestelde inbreuk niettemin niet in haar geheel aan deze vennootschap kon worden toegerekend.
161
Hieruit volgt dat het vijfde middel van de hogere voorziening in zaak C-293/13 P, en dus de door Del Monte hogere voorziening, dient te worden afgewezen.
Hogere voorziening van de Commissie in zaak C-294/13 P
Belang van Weichert om een memorie van antwoord in te dienen
Argumenten van partijen
162
De Commissie en Del Monte betwisten op grond van de in de punten 48 en 49 van het onderhavige arrest uiteengezette overwegingen dat Weichert er belang bij heeft om een memorie van antwoord in te dienen.
163
Weichert betwist het betoog van de Commissie en Del Monte.
Beoordeling door het Hof
164
Zoals is opgemerkt in punt 51 van het onderhavige arrest, kan volgens artikel 172 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof elke partij in de desbetreffende zaak voor het Gerecht die een ‘belang heeft bij de toewijzing of de afwijzing van de hogere voorziening’, binnen twee maanden te rekenen vanaf de betekening van de hogere voorziening een memorie van antwoord indienen.
165
Anders dan de Commissie en Del Monte kennelijk denken, is het in casu duidelijk dat Weichert er belang bij heeft dat de hogere voorziening van de Commissie wordt afgewezen. Indien het Hof deze hogere voorziening zou toewijzen, zou immers het bedrag van de geldboete waarvoor Weichert hoofdelijk aansprakelijk is, hoger kunnen uitvallen, zodat zij er belang bij heeft opmerkingen te maken over alle rechtsvragen in dit verband.
166
Bijgevolg moet worden vastgesteld dat Weichert er belang bij heeft een memorie van antwoord in te dienen.
Eerste middel van de hogere voorziening in zaak C-294/13 P: Weichert is wettelijk verplicht om informatie aan de Commissie te verstrekken
Argumenten van partijen
167
De Commissie betoogt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 840 tot en met 853 van het bestreden arrest te oordelen dat de informatie die Weichert tijdens de administratieve procedure heeft verstrekt, een verlaging van de bij de litigieuze beschikking opgelegde geldboete rechtvaardigde.
168
Zij merkt op dat volgens punt 29 van de richtsnoeren het basisbedrag van de krachtens artikel 23 van verordening nr. 1/2003 op te leggen geldboete kan worden verlaagd, onder meer wanneer de betrokken onderneming daadwerkelijk haar medewerking verleent aan de Commissie, met name los van haar wettelijke verplichting om medewerking te verlenen.
169
Volgens de Commissie zijn ondernemingen evenwel verplicht om te antwoorden wanneer hun op grond van artikel 18 van verordening nr. 1/2003 om inlichtingen wordt verzocht, aangezien deze bepaling de betrokken ondernemingen niet het recht verleent om zich aan die verzoeken te onttrekken en hun de verplichting oplegt om actief mee te werken. Zij kan aldus een onderneming verplichten om alle noodzakelijke inlichtingen te verstrekken over feiten waarvan zij eventueel kennis heeft, en om zo nodig de desbetreffende documenten over te leggen.
170
Een onderneming die in antwoord op een verzoek van de Commissie om inlichtingen informatie verstrekt, verleent dus geen medewerking die verder gaat dan die welke zij krachtens deze bepaling dient te verlenen, en de in die context verstrekte inlichtingen vormen geen vrijwillige medewerking die zou moeten worden beloond door een verlaging van de aan de betrokken onderneming opgelegde geldboete.
171
Zo blijkt uit de vaste rechtspraak van het Gerecht dat een medewerking die niet verder gaat dan datgene waartoe de onderneming krachtens artikel 18, lid 1, van verordening nr. 1/2003 verplicht is, geen recht verleent op enige verlaging van de aan deze onderneming op te leggen geldboete, ongeacht of krachtens artikel 18, lid 2, van deze verordening om inlichtingen is verzocht dan wel bij besluit krachtens artikel 18, lid 3.
172
De Commissie voegt hieraan toe dat het feit dat een onderneming louter de verplichtingen nakomt die krachtens deze verordening op haar rusten, niet getuigt van een werkelijke geest van samenwerking in de zin van de rechtspraak van het Hof betreffende de mededeling inzake medewerking.
173
De Commissie merkt op dat de doelstellingen, kartels te ondergraven door de ondernemingen aan te moedigen deze bij de Commissie aan te geven, en haar taak te vergemakkelijken door bewijzen te verstrekken, ernstig zouden worden ondermijnd indien ondernemingen die niet spontaan inlichtingen verstrekken, maar enkel reageren wanneer onderzoeksmaatregelen worden getroffen, ook een verlaging van de geldboete zouden kunnen krijgen indien de door hen verstrekte informatie nuttig blijkt te zijn.
174
De informatie die in antwoord op verzoeken om inlichtingen wordt verstrekt is in vele gevallen nuttig voor de vaststelling van de inbreuk waarnaar het onderzoek is ingesteld, aangezien dit onderzoeksinstrument juist tot doel heeft de Commissie in staat te stellen informatie te ontvangen die zij nuttig acht.
175
Ten slotte stelt de Commissie dat het geding in staat van wijzen is en verzoekt zij het Hof om het eindbedrag van de hoofdelijk aan Weichert en Del Monte opgelegde geldboete vast te stellen op 9 800 000 EUR.
176
Del Monte en Weichert stellen dat het betoog van de Commissie berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest, aangezien het Gerecht in de punten 834 tot en met 839 van dat arrest heeft onderzocht of Weichert al dan niet vrijwillig heeft meegewerkt en in punt 840 van dat arrest heeft verklaard dat zij vrijwillig heeft meegewerkt, aangezien deze medewerking niet is verleend in antwoord op een besluit in de zin van artikel 18, lid 3, van verordening nr. 1/2003, maar in antwoord op een eenvoudig verzoek in de zin van artikel 18, lid 2.
177
Voorts betogen Del Monte en Weichert dat er geen wettelijke verplichting bestaat om te antwoorden op een eenvoudig verzoek om inlichtingen in de zin van artikel 18, lid 2, van verordening nr. 1/2003. Huns inziens doet enkel een besluit op grond van artikel 18, lid 3, een afdwingbare wettelijke verplichting ontstaan, kan enkel tegen een dergelijk besluit een beroep worden ingesteld en kan enkel een dergelijk besluit aanleiding geven tot sancties overeenkomstig de artikelen 23 en 24 van deze verordening wanneer er geen antwoord wordt gegeven. In geval van een eenvoudig verzoek om inlichtingen kan er geen geldboete of dwangsom worden opgelegd wanneer een antwoord uitblijft. Bovendien zijn volgens artikel 288 VWEU enkel verordeningen, richtlijnen en besluiten verbindend. Wanneer een onderneming niet voldoet aan een dergelijk verzoek, kan de Commissie dus een besluit vaststellen om een wettelijke verplichting te doen ontstaan.
178
Verder zijn Del Monte en Weichert van mening dat het Gerecht zijn volledige rechtsmacht inzake beroepen tot herziening van geldboeten heeft uitgeoefend en dat het niet gebonden is aan de richtsnoeren van de Commissie. Deze kan dus niet met succes stellen dat de verleende verlaging afbreuk doet aan de toepassing van de mededeling inzake medewerking van 2002, en deze verlaging kan niet worden betwist op grond van de overweging dat zij niet overeenstemt met een van haar mededelingen. Het Gerecht heeft reeds verlagingen van de geldboete verleend voor antwoorden op eenvoudige verzoeken om inlichtingen en het Hof heeft deze praktijk nooit gelaakt.
179
Ten slotte betogen Del Monte en Weichert dat de vrees van de Commissie in verband met de afschrikkende werking van deze geldboeten niet kan overtuigen, aangezien het Gerecht de geldboete met 2 % van het basisbedrag heeft verlaagd. Bovendien zou de Commissie een besluit kunnen nemen op grond van artikel 18, lid 3, van verordening nr. 1/2003 indien zij dergelijke verlagingen wenste te vermijden. Ondernemingen die antwoorden op verzoeken om inlichtingen, vereenvoudigen de onderzoeken aanzienlijk en zien af van een aantal procedurele rechten.
Beoordeling door het Hof
180
In de punten 840 tot en met 853 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat het antwoord dat Weichert heeft gegeven op een verzoek om inlichtingen dat was gebaseerd op artikel 18, lid 2, van verordening nr. 1/2003, rechtvaardigde dat de geldboete werd verlaagd op grond van de medewerking die deze vennootschap tijdens de administratieve procedure had verleend.
181
Dienaangaande zij opgemerkt dat de Commissie bij het toezenden van een eenvoudig verzoek om inlichtingen aan een onderneming of ondernemersvereniging overeenkomstig artikel 18, lid 2, van deze verordening de rechtsgrond voor en het doel van het verzoek vermeldt, specificeert welke inlichtingen vereist zijn en de termijn vaststelt waarbinnen de inlichtingen moeten worden verstrekt.
182
In casu staat vast dat Weichert niet bij een formeel besluit in de zin van artikel 18, lid 3, van verordening nr. 1/2203 werd verplicht om inlichtingen te verstrekken, maar dat zij daartoe is uitgenodigd via een eenvoudig verzoek om inlichtingen in de zin van artikel 18, lid 2, van deze verordening.
183
Aangezien Weichert louter heeft geantwoord op een eenvoudig verzoek om inlichtingen, moet worden vastgesteld dat zij niet op eigen initiatief inlichtingen aan de Commissie heeft verstrekt.
184
Zoals de advocaat-generaal in punt 246 van haar conclusie heeft vastgesteld, is een boeteverlaging zoals die waarin de mededeling inzake medewerking voorziet, alleen gerechtvaardigd wanneer een onderneming de Commissie op eigen initiatief inlichtingen verstrekt. Volgens vaste rechtspraak moet het gedrag van de betrokken onderneming immers niet alleen de taak van de Commissie verlichten om de inbreuk vast te stellen, maar ook blijk geven van een werkelijke geest van medewerking (zie in die zin arresten Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C-189/02 P, C-202/02 P, C-205/02 P—C 208/02 P en C-213/02 P, EU:C:2005:408, punten 395 en 396, en Schenker & Co. e.a., C-681/11, EU:C:2013:404, punt 48).
185
Elke andere uitlegging zou zowel afbreuk doen aan het doel als aan het stimulerende effect van de clementieregeling, aangezien zij erop neer zou komen dat aan alle kartelleden een verlaging van de geldboete zou worden verleend zodra zij de Commissie op haar verzoek nuttige inlichtingen en/of bewijzen zouden verstrekken, en de ondernemingen ertoe aan zou zetten om zich afwachtend op te stellen in plaats van de Commissie op eigen initiatief zo snel en uitvoerig mogelijk dergelijke inlichtingen en bewijzen te verschaffen.
186
Bijgevolg heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 840 tot en met 853 van het bestreden arrest te oordelen dat het antwoord op verzoeken om inlichtingen die waren gebaseerd op artikel 18, lid 2, van verordening nr. 1/2003, een verlaging van de geldboete rechtvaardigde.
187
Bovendien heeft het Gerecht, zoals blijkt uit de punten 853 tot en met 856 en 880 van het bestreden arrest, blijk gegeven van dezelfde onjuiste rechtsopvatting door in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht de geldboete van Del Monte en Weichert met 10 % te verlagen wegens de medewerking die deze laatste tijdens de administratieve procedure heeft verleend, ook al kan het gedrag van Weichert niet worden geacht te getuigen van een werkelijke geest van samenwerking.
188
In deze omstandigheden dient het eerste middel van de Commissie in zaak C-294/13 P te worden aanvaard en moet het eerste punt van het dictum van het bestreden arrest worden vernietigd.
Tweede middel van de hogere voorziening in zaak C-294/13 P: Del Monte en Weichert vormden tijdens de administratieve procedure geen economische eenheid
189
Aangezien de Commissie het tweede middel subsidiair heeft aangevoerd en het eerste middel is aanvaard, hoeft het tweede middel niet te worden onderzocht.
Incidentele hogere voorzieningen van Weichert en Del Monte in zaak C-294/13 P
Argumenten van partijen
190
Indien het Hof het eerste middel van de hogere voorziening van de Commissie in zaak C-294/13 P zou aanvaarden, dient volgens Del Monte te worden onderzocht of de verzoeken van de Commissie om inlichtingen Weichert ertoe verplichtten toe te geven dat zij inbreuk had gemaakt op artikel 81 EG. Aangezien het Gerecht geen uitspraak heeft gedaan over de vraag of Weichert het recht had om te zwijgen omdat zij zichzelf diende te beschuldigen om de verzoeken om inlichtingen te kunnen beantwoorden, geeft het bestreden arrest blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
191
Weichert betoogt voorts dat, indien de verzoeken om inlichtingen een wettelijke verplichting inhielden om te antwoorden, het recht om niet bij te dragen tot zijn eigen beschuldiging van toepassing zou zijn en de vaststelling van het Gerecht dat Weichert zich niet op dat recht kon beroepen niet meer houdbaar zou zijn. De aan Weichert gestelde vragen dwongen haar immers om de inbreuk te bekennen die de Commissie diende te bewijzen, aangezien haar werd verzocht om in detail uit te leggen wat er tijdens het voorafgaand prijsoverleg was besproken, dit in omstandigheden waarin de Commissie vermoedde dat deze gesprekken tot doel hadden de mededinging te beperken.
192
De Commissie betwist de door Weichert en Del Monte aangevoerde argumenten. Voorts is zij van mening dat de incidentele hogere voorziening van Weichert in zaak C-294/13P niet-ontvankelijk is.
Beoordeling door het Hof
193
Het Hof dient te beoordelen of het in de omstandigheden van het onderhavige geval in het belang is van een goede rechtsbedeling om de incidentele hogere voorziening van Weichert in zaak C-294/13 P ten gronde af te wijzen zonder uitspraak te doen over de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid (zie in die zin arrest Raad/Boehringer, C-23/00 P, EU:C:2002:118, punt 52).
194
Dat is het geval. Zelfs indien deze exceptie van niet-ontvankelijkheid zou moeten worden aanvaard, zouden de argumenten van Del Monte, die in wezen gelijk zijn aan die van Weichert, immers ten gronde moeten worden onderzocht.
195
Dienaangaande blijkt uit de rechtspraak dat het recht om niet tot zijn eigen beschuldiging bij te dragen niet wordt geschonden door verzoeken om inlichtingen die zijn gebaseerd op artikel 18, lid 2, van verordening nr. 1/2003 (zie in die zin arresten Dalmine/Commissie, C-407/04 P, EU:C:2007:53, punt 35, en Erste Group Bank e.a./Commissie, C-125/07 P, C-133/07 P en C-137/07 P, EU:C:2009:576, punt 272).
196
Het verzuim om binnen de gestelde termijn de informatie te verstrekken waar op grond van die bepaling om is verzocht, kan immers niet leiden tot de oplegging van een geldboete of een dwangsom op grond van respectievelijk de artikelen 23 en 24 van verordening nr. 1/2003. Het eenvoudig verzoek om inlichtingen onderscheidt zich aldus van het formele besluit dat wordt vastgesteld op grond van artikel 18, lid 3, van verordening nr. 1/2003. Wanneer niet wordt geantwoord op een dergelijk besluit, kunnen volgens deze verordening financiële sancties worden opgelegd.
197
In casu kan worden volstaan met de vaststelling dat de Commissie geen besluit in de zin van artikel 18, lid 3, van verordening nr. 1/2003 ten aanzien van Weichert heeft genomen.
198
In die omstandigheden kunnen Weichert en Del Monte zich niet met succes beroepen op het recht van Weichert om niet door de Commissie te worden gedwongen tot de bekentenis dat zij aan een inbreuk heeft deelgenomen (zie in die zin arresten Dalmine/Commissie, C-407/04 P, EU:C:2007:53, punt 35, en Erste Group Bank e.a./Commissie, C-125/07 P, C-133/07 P en C-137/07 P, EU:C:2009:576, punt 272).
199
Bijgevolg moeten de incidentele hogere voorzieningen van Weichert en Del Monte in zaak C-294/13 P worden afgewezen.
Geding in eerste aanleg
200
Ingevolge artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.
201
In casu dient enkel het eerste punt van het dictum van het bestreden arrest, dat betrekking heeft op het bedrag van de geldboete, te worden gewijzigd. Het Hof beschikt over de gegevens die nodig zijn om definitief uitspraak te doen over dat bedrag.
202
Gelet op de overwegingen in de punten 183 tot en met 185 van het onderhavige arrest dient de verlaging van de geldboete van 10 % die het Gerecht heeft verleend op grond van het feit dat Weichert tijdens de administratieve procedure heeft meegewerkt, met het oog op de rechtzetting van de in punt 187 van dit arrest vastgestelde onjuiste rechtsopvatting ongedaan te worden gemaakt en dient deze geldboete dus op 9 800 000 EUR te worden vastgesteld.
Kosten
203
Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is of wanneer het Hof, bij gegrondheid ervan, de zaak zelf afdoet.
204
Ingevolge artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd.
205
Volgens artikel 140, lid 3, van dat Reglement, dat ingevolge artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, kan het Hof bepalen dat interveniënten hun eigen kosten zullen dragen.
206
Aangezien Del Monte en Weichert zowel in eerste aanleg als in hogere voorziening in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten van beide procedures. Weichert dient evenwel te worden verwezen in haar eigen kosten in verband met de procedures die Del Monte en de Commissie hebben aangespannen.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart:
- 1)
De hogere voorziening in zaak C-293/13 P en de incidentele hogere voorzieningen in de zaken C-293/13 P en C-294/13 P worden afgewezen.
- 2)
Punt 1 van het dictum van het arrest Fresh Del Monte Produce/Commissie (T-587/08, EU:T:2013:129) wordt vernietigd.
- 3)
Het bedrag van de geldboete die is opgelegd bij artikel 2, onder c), van beschikking C(2008) 5955 van de Commissie van 15 oktober 2008 inzake een procedure op grond van artikel 81 [EG] (zaak COMP/39.188 — Bananen), wordt vastgesteld op 9 800 000 EUR.
- 4)
Fresh Del Monte Produce Inc. wordt verwezen in de kosten van de principale hogere voorzieningen in de zaken C-293/13 P en C-294/13 P en van haar incidentele hogere voorziening in zaak C-294/13 P, met uitzondering van die van Internationale Fruchtimport Gesellschaft Weichert GmbH & Co. KG, die haar eigen kosten in verband met al deze procedures zal dragen.
- 5)
Internationale Fruchtimport Gesellschaft Weichert GmbH & Co. KG wordt verwezen in de kosten van haar incidentele hogere voorzieningen in de zaken C-293/13 P en C 294/13 P.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 24‑06‑2015
Conclusie 11‑12‑2014
J. Kokott
Partij(en)
Gevoegde zaken C-293/13 P en C-294/13 P1.
Fresh Del Monte Produce, Inc. e.a.
tegen
Europese Commissie e.a.
Inhoud
- I —
Inleiding
- II —
Achtergrond van het geding
- A —
Rechtsbetrekkingen tussen Del Monte en Weichert
- B —
Administratieve procedure en litigieuze beschikking
- III —
Procedure voor het Hof en conclusies van partijen
- A —
Conclusies in zaak C-293/13 P
- B —
Conclusies in zaak C-294/13 P
- C —
Voeging van de zaken en mondelinge behandeling
- IV —
Beoordeling van de hogere voorzieningen
- A —
Preliminaire vragen over de toelating tot interventie van Weichert
- 1.
Bevoegdheid van Weichert tot indiening van een memorie van antwoord
- 2.
Bevoegdheid van Weichert tot het instellen van incidentele hogere voorziening
- 3.
Tussenconclusie
- B —
Principale hogere voorziening van Del Monte in zaak C-293/13 P
- 1.
Eerste, derde en vierde middel: geen economische eenheid tussen Del Monte en Weichert, bewijslast, vermoeden van onschuld
- a)
Eerste middel: criteria voor de vaststelling van een economische eenheid
- i)
Ontvankelijkheid
- ii)
Gegrondheid
- —
Beïnvloeding van Weichert door Del Monte (tweede onderdeel van het eerste middel)
- —
Vermeende niet-opvolging van instructies door Weichert (eerste onderdeel van het eerste middel)
- b)
Derde en vierde middel: bewijslast en vermoeden van onschuld
- i)
Derde middel: bewijslast
- ii)
Vierde middel: vermoeden van onschuld
- iii)
Tussenconclusie
- 2.
Tweede middel: onjuiste opvatting van bewijzen
- a)
De verschillende grieven inzake onjuiste opvattingen van de feiten
- i)
Verwijt van een onjuiste opvatting van de vennotenovereenkomst
- —
Vetorecht van de stille vennoot
- —
Vetorecht van de beherende vennoot
- —
Benoeming en ontslag van het bestuur
- —
Arbitragestelsel
- ii)
Onjuiste opvatting van een aantal andere stukken
- —
‘Evenwicht van de bevoegdheden’
- —
Verklaringen van andere importeurs over de prijsvorming
- —
Brief van een externe advocaat aan Del Monte
- —
Memorie uit een nationale procedure
- —
Geen consolidatie van de financiële resultaten
- iii)
Tussenconclusie
- b)
Verplichting van het Gerecht tot een volledige beoordeling van het bewijsmateriaal
- 3.
Vijfde middel: één enkele voortgezette inbreuk
- C —
Incidentele hogere voorziening van Weichert in zaak C-293/13 P
- 1.
Eerste middel: bestaan van een onderling afgestemde feitelijke gedraging
- a)
Grief inzake tegenstrijdige motivering van het arrest
- b)
Grief inzake de onjuiste opvatting van bewijsmiddelen
- c)
Grief inzake het ontbreken van een toekomstgerichte informatie-uitwisseling
- d)
Tussenconclusie
- 2.
Tweede middel: mededingingsbeperkende strekking
- a)
Relevante juridische criteria
- b)
Toepassing van de relevante juridische criteria op het concrete geval
- —
Aard en inhoud van de informatie-uitwisseling
- —
Frequentie en geregeld karakter van de informatie-uitwisseling
- c)
Tussenconclusie
- 3.
Samenvatting van de incidentele hogere voorziening in zaak C-293/13 P
- D —
Principale hogere voorziening van de Commissie in zaak C-294/13 P
- 1.
Eerste middel: Beantwoording van verzoeken om inlichtingen van de Commissie als grond voor een verlaging van de boete
- 2.
Tweede middel: economische eenheid als voorwaarde voor de uitbreiding van verzachtende omstandigheden van dochteronderneming tot moedermaatschappij
- a)
Ontvankelijkheid
- b)
Gegrondheid
- 3.
Samenvatting van de principale hogere voorziening in zaak C-294/13 P
- E —
Incidentele hogere voorzieningen van Weichert en Del Monte in zaak C-294/13 P: draagwijdte van het recht niet mee te werken aan de eigen veroordeling
- V —
Nieuwe berekening van de geldboete
- VI —
Kosten
- VII —
Conclusie
I — Inleiding
1.
Deze hogere voorziening biedt het Hof de gelegenheid om zich uit te spreken over twee vraagstukken die van groot belang zijn voor het toekomstige administratieve optreden van de Commissie als mededingingsautoriteit.
2.
Enerzijds moet worden toegelicht onder welke juridische voorwaarden een moedermaatschappij hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de kartelinbreuken van haar dochteronderneming, wanneer dit niet een 100% of nagenoeg 100 % dochter is.
3.
Anderzijds moet worden bezien of bij de berekening van een geldboete altijd van een verzachtende omstandigheid moet worden uitgegaan zodra een onderneming in de administratieve procedure naar behoren antwoordt op de inlichtingenverzoeken van de Commissie, of integendeel alleen ingeval de onderneming de Commissie op eigen initiatief — dus niet slechts vrijwillig, maar ook spontaan — inlichtingen verstrekt.
4.
Daarnaast gaat het om een aantal detailkwesties in verband met de in het Europese mededingingsrecht gebruikte concepten ‘onderling afgestemde feitelijke gedraging’, ‘mededingingsbeperkende strekking’ en ‘één enkele voortgezette inbreuk’.
5.
Al deze kwesties spelen tegen de achtergrond van een ‘bananenkartel’, waarvan de deelnemers zich in verschillende lidstaten van de Europese Unie schuldig hebben gemaakt aan onderling afgestemde mededingingsverstorende gedragingen. De Europese Commissie heeft bij beschikking van 15 oktober 20082. tegen een aantal karteldeelnemers miljoenenboetes opgelegd wegens schending van artikel 81 EG (thans artikel 101 VWEU). Op verzoek van Fresh Del Monte Produce heeft het Gerecht van de Europese Unie bij arrest van 14 maart 2013 (zaak T-587/08)3. de door de Commissie opgelegde geldboete duidelijk verminderd. Blijkbaar strekte dit arrest in eerste aanleg niet tot algemene tevredenheid, daar het thans door verschillende partijen deels in hogere voorziening, deels in incidentele hogere voorziening wordt aangevochten; op deze hogere voorzieningen dient het Hof hier gezamenlijk uitspraak te doen.
6.
De onderhavige procedure in de gevoegde zaken C-293/13 P en C-294/13 P houdt nauw verband met de procedure in hogere voorziening in zaak C-286/13 P, waarin ik heden eveneens conclusie neem. De daarin gestelde rechtsvragen verschillen evenwel — met uitzondering van de problematiek van de ‘mededingingsbeperkende strekking’ — duidelijk van die welke in de onderhavige zaken moeten worden opgelost.
II — Achtergrond van het geding
A — Rechtsbetrekkingen tussen Del Monte en Weichert
7.
Het concern Fresh Del Monte Produce4. is een van de grootste verticaal geïntegreerde producenten, handelaars en distributeurs van verse en versgesneden groente en fruit ter wereld, en ook een van de belangrijkste producenten en distributeurs van vruchten- en groenteconserven, vruchtensappen, dranken, snacks en toetjes in Europa, de Verenigde Staten, het Midden-Oosten en Afrika. Het verhandelt zijn producten, met name bananen, in de hele wereld onder het merk Del Monte.
8.
Internationale Fruchtimport Gesellschaft Weichert & Co. KG5. was ten tijde van de feiten een commanditaire vennootschap naar Duits recht, die zich hoofdzakelijk bezig hield met de verkoop van bananen, ananas en ander exotische vruchten in Noord-Europa. Van 24 juni 1994 tot en met 31 december 2002 had Del Monte een indirect belang van 80 % in Weichert, en wel via Del Monte-dochter Westeuropa-Amerika-Linie GmbH, waarover Del Monte in 1994 door middel van haar dochteronderneming Global Reefer Carriers Ltd. 100 % zeggenschap had verworven6.. Weichert was tot en met 31 december 2002 de exclusieve distributeur van bananen van het merk Del Monte in Noord-Europa.
B — Administratieve procedure en litigieuze beschikking
9.
Voorwerp van de administratieve procedure bij de Commissie was een onderling afgestemde feitelijke gedraging van meerdere op de bananenmarkt actieve ondernemingen (hierna: ‘betrokken ondernemingen’) — waaronder Weichert en, via Weichert, ook Del Monte — die gedurende de jaren 2000, 2001 en 2002 was gericht op coördinatie van de referentieprijzen voor bananen die in het noordelijke deel van Europa in de handel werden gebracht.
10.
Naar het Gerecht heeft vastgesteld, worden bananen gewoonlijk groen vanuit Latijns-Amerikaanse havens naar Noord-Europa verscheept, waar zij meestal eenmaal per week worden aangevoerd.
11.
De bananen worden ofwel rechtstreeks, in groene staat, of na een rijpingsproces van zeven dagen als gele bananen aan de Europese afnemers geleverd. De rijping kan worden verricht door of in naam van de invoerder of door de koper zelf worden georganiseerd. De klanten van de invoerders zijn over het algemeen rijpers of winkelketens.
12.
De prijzen van deze bananen werden tijdens de betrokken periode in Noord-Europa volgens wekelijkse cycli aan de hand van referentieprijzen voor groene bananen vastgesteld. De referentieprijs voor gele bananen werd gewoonlijk bepaald op basis van de referentieprijs voor groene bananen, vermeerderd met een rijpingsvergoeding. De prijzen die door detailhandelaars en distributeurs werden betaald (‘reële prijzen’ of ‘transactieprijzen’ genoemd) berustten vervolgens ofwel op wekelijkse onderhandelingen, die normaliter op donderdagmiddag of vrijdag plaatsvonden, ofwel op leveringsovereenkomsten met vooraf bepaalde tariefformules.
13.
De betrokken ondernemingen voerden vóór het vaststellen van de prijzen bilaterale gesprekken waarin zij de factoren bespraken die relevant waren voor de wekelijkse vaststelling van de referentieprijzen, prijstendensen bespraken of onthulden of aanwijzingen verstrekten over de te verwachten referentieprijs voor de daaropvolgende weken. Deze gesprekken vonden plaats voordat de betrokken ondernemingen hun referentieprijs vaststelden, wat gewoonlijk op woensdag gebeurde, en hadden alle betrekking op de toekomstige referentieprijzen. Het bedoelde voorafgaande prijsoverleg diende ertoe de onzekerheid te beperken over de referentieprijzen die de ondernemingen donderdagochtend dienden vast te stellen.
14.
Bovendien wisselden de betrokken ondernemingen na de vaststelling van hun referentieprijzen op donderdagochtend bilateraal informatie over hun prijzen uit. Door die informatie-uitwisseling konden zij de individuele prijsbeslissingen toetsen aan de gesprekken die voordien, vóór de vaststelling van de tarieven, hadden plaatsgevonden, en hun samenwerking versterken.
15.
De bedoelde referentieprijzen dienden ten minste als marktsignalen, markttendensen en/of aanwijzingen met betrekking tot de gewenste ontwikkeling van de bananenprijs. Bovendien waren de prijzen bij bepaalde transacties rechtstreeks aan de referentieprijzen gekoppeld op grond van contractueel overeengekomen prijsformules.
16.
De betrokken ondernemingen moesten bij het bepalen van hun marktgedrag noodzakelijkerwijs rekening houden met de informatie die zij van de concurrenten ontvingen. Chiquita en Dole hebben dit zelfs uitdrukkelijk toegegeven.
17.
Op 8 april 2005 diende Chiquita bij de Commissie een verzoek om clementie in op grond van de mededeling inzake medewerking van 20027.. Nadat de Commissie bij verschillende ondernemingen, onder meer in de kantoren van Del Monte en Weichert, inspecties had verricht en verschillende verzoeken om inlichtingen had verstuurd, zond zij op 20 juli 2007 een mededeling van punten van bezwaar aan tal van ondernemingen die actief waren op de bananenmarkt. De betrokken ondernemingen is tijdens de administratieve procedure inzage van het dossier verleend en zij werden van 4 tot en met 6 februari gehoord. Ten slotte stelde de Commissie de litigieuze beschikking op 15 oktober 2008 vast.
18.
In de litigieuze beschikking stelde de Commissie vast dat een aantal ondernemingen, waaronder Del Monte en Weichert, inbreuk hadden gemaakt op artikel 81 EG door deel te nemen aan een onderling afgestemde feitelijke gedraging waarmee zij de prijsnoteringen voor bananen coördineerden. Geografisch strekte de inbreuk zich uit tot België, Denemarken, Duitsland, Finland, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk en Zweden8.. Naar de Commissie heeft vastgesteld waren Del Monte en Weichert in het tijdvak van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2002 bij de inbreuk betrokken 9..
19.
Naar mening van de Commissie had de onderling afgestemde feitelijke gedraging een aanzienlijke invloed op de handel tussen de lidstaten, aangezien de grensoverschrijdende bananenmarkt in Noord-Europa werd gekenmerkt door een omvangrijk handelsvolume en het mededingingsverstorende gedrag een groot deel van de Gemeenschap bestreek.
20.
De Commissie kwam tot de slotsom dat de gesprekken die Dole en Chiquita en Dole en Weichert vóór het vaststellen van de prijzen voerden, invloed konden hebben op de door de ondernemingen toegepaste prijzen in zoverre zij betrekking hadden op de prijsstelling. Deze gesprekken hebben volgens haar geleid tot een onderling afgestemde feitelijke gedraging die ertoe strekte de mededinging te beperken in de zin van artikel 81 EG (punten 54 en 271 van de litigieuze beschikking).
21.
De Commissie beschouwde alle in de litigieuze beschikking beschreven geheime afspraken als één enkele voortgezette inbreuk die ertoe strekte de mededinging in de Gemeenschap te beperken in de zin van artikel 81 EG. Chiquita en Dole waren volgens de Commissie aansprakelijk voor de inbreuk in haar geheel, terwijl zij Weichert slechts ter verantwoording riep voor het deel van de inbreuk waaraan zij had deelgenomen, namelijk het deel van de inbreuk dat betrekking had op de geheime afspraken met Dole.
22.
Wegens hun deelneming aan de inbreuk legde de Commissie bij de litigieuze beschikking geldboeten op aan verschillende betrokken ondernemingen. Aan Weichert en Del Monte legde zij een hoofdelijk verschuldigde geldboete van 14,7 miljoen EUR10.. Voor het besluit om Weichert en Del Monte hoofdelijk aansprakelijk te stellen was volgens de Commissie beslissend het feit dat Del Monte samen met de beherende vennoten van Weichert de mogelijkheid had om een beslissende invloed uit te oefenen op de wijze waarop Weichert haar bedrijf leidde en dat zij die invloed in de periode van de inbreuk daadwerkelijk had uitgeoefend, zodat Weichert haar marktgedrag niet op onafhankelijke wijze kon bepalen en zij met Del Monte een economische eenheid vormde.
23.
Tegen de litigieuze beschikking stelden verscheidene adressaten in eerste aanleg beroep tot nietigverklaring in bij het Gerecht. Del Monte stelde op 31 december 2008 beroep in, waarin zij werd ondersteund door Weichert als interveniënte. Het beroep van Del Monte was succesvol voor zover het Gerecht de door de Commissie aan Del Monte en Weichert opgelegde geldboete bij arrest van 14 maart 2013 heeft verlaagd tot 8,82 miljoen EUR. Voor het overige wees het Gerecht het beroep af en verwees Del Monte in haar eigen kosten alsmede in driekwart van de kosten van de Commissie, terwijl Weichert haar eigen kosten en de Commissie een kwart van haar eigen kosten diende te dragen.
III — Procedure voor het Hof en conclusies van partijen
24.
Tegen het arrest van het Gerecht zijn door verschillende partijen (incidentele) hogere voorzieningen ingesteld: in zaak C-293/13 P hogere voorziening door Del Monte bij verzoekschrift van 24 mei 2013 alsook incidentele hogere voorziening door Weichert bij verzoekschrift van 7 augustus 2013; in zaak C-294/13 P hogere voorziening door de Commissie bij verzoekschrift van 27 mei 2013, incidentele hogere voorziening door Del Monte bij verzoekschrift van 1 augustus 2013 en ook door Weichert bij verzoekschrift van 7 augustus 2013.
A — Conclusies in zaak C-293/13 P
25.
In haar hogere voorziening in zaak C-293/13 P verzoekt Del Monte het Hof:
- —
het arrest van het Gerecht van 14 maart 2013 in zaak T-587/08 te vernietigen,
- —
de litigieuze beschikking nietig te verklaren voor zover zij betrekking heeft op rekwirante, en
- —
de Commissie te verwijzen in de kosten van eerste aanleg en van de hogere voorziening.
26.
De Commissie verzoekt het Hof:
- —
de hogere voorziening af te wijzen,
- —
rekwirante te verwijzen in de kosten.
27.
Daarentegen verzoekt Weichert het Hof:
- —
de hogere voorziening van Del Monte wat betreft de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij af te wijzen;
- —
de hogere voorziening van Del Monte toe te wijzen met betrekking tot de kwestie van de enkele voortgezette inbreuk;
- —
het bestreden arrest te vernietigen en de litigieuze beschikking in haar geheel nietig te verklaren;
- —
subsidiair, het bestreden arrest te vernietigen voor zover het de litigieuze beschikking met betrekking tot de kwestie van de enkele voortgezette inbreuk bevestigt, en de aan Del Monte en Weichert opgelegde geldboete dienovereenkomstig te verlagen;
voorts:
- —
de Commissie te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure en van de procedure in eerste aanleg.
28.
Met haar incidentele hogere voorziening in zaak C-293/13 P verzoekt Weichert het Hof daarnaast:
- —
het bestreden arrest te vernietigen;
- —
de litigieuze beschikking nietig te verklaren, en
- —
de Commissie te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure en van de procedure in eerste aanleg.
29.
In haar antwoord op de incidentele hogere voorziening sluit Del Monte zich in hoofdzaak bij de conclusies van Weichert aan11., terwijl de Commissie het Hof verzoekt om de incidentele hogere voorziening af te wijzen, met verwijzing in de kosten.
B — Conclusies in zaak C-294/13 P
30.
Met haar hogere voorziening in zaak C-294/13 P verzoekt de Commissie het Hof:
- —
punt 1 van het dictum van het bestreden arrest te vernietigen;
- —
de zaak definitief af te doen en de geldboete van Del Monte vast te stellen op 9 800 000 EUR; en
- —
Del Monte te verwijzen in de kosten van de hogere voorziening en in het deel van de kosten van de procedure voor het Gerecht dat het Hof passend acht.
31.
Del Monte verzoekt op haar beurt:
- —
de door de Commissie ingestelde hogere voorziening af te wijzen, en
- —
de Commissie te verwijzen in de kosten.
32.
Weichert verzoekt van haar kant:
- —
de hogere voorziening van de Commissie in haar geheel af te wijzen;
- —
de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hogere voorziening.
33.
In haar incidentele hogere voorziening in zaak C-294/13 P verzoekt Weichert het Hof bovendien:
- —
het bestreden arrest te vernietigen voor zover daarin wordt vastgesteld dat Weichert geen beroep kan doen op het recht niet mee te werken aan de eigen veroordeling;
- —
de aan Del Monte en Weichert hoofdelijk opgelegde geldboete te verlagen op grond van de omstandigheid dat Weichert door beantwoording van de verzoeken om inlichtingen meer dan de wettelijk verplichte medewerking heeft verleend aan de Commissie;
- —
de litigieuze beschikking nietig te verklaren;
- —
de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hogere voorziening.
34.
In haar memorie van antwoord op deze incidentele hogere voorziening verzoekt Del Monte het Hof, indien de hogere voorziening van de Commissie wordt toegewezen:
- —
het bestreden arrest te vernietigen voor zover in punt 839 daarvan wordt verklaard dat het zwijgrecht niet van toepassing is op eenvoudige inlichtingenverzoeken van de Commissie;
- —
subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht teneinde te beslissen of zij zichzelf zou hebben beschuldigd met het verstrekken van de gewenste inlichtingen aan de Commissie, en of de boete voor Weichert en Del Monte dientengevolge had moeten worden verlaagd;
- —
de Commissie in de kosten te verwijzen.
35.
De conclusies van Del Monte in haar eigen incidentele hogere voorziening in zaak C-294/13 P zijn gelijkluidend.
36.
De Commissie verzoekt het Hof op haar beurt de beide incidentele hogere voorzieningen af te wijzen, met verwijzing in de kosten.
C — Voeging van de zaken en mondelinge behandeling
37.
Bij beschikking van 22 juli 2014 heeft de president van de Tweede kamer besloten de zaken C-293/13 P en C-294/13 P te voegen voor de mondelinge behandeling en het arrest. De mondelinge behandeling voor het Hof vond plaats op 9 oktober 2014.
IV — Beoordeling van de hogere voorzieningen
A — Preliminaire vragen over de toelating tot interventie van Weichert
38.
Alvorens in te gaan op de middelen die door de verschillende partijen in hun principale en incidentele hogere voorzieningen zijn aangevoerd, moet worden onderzocht of Weichert wel tot interventie kan worden toegelaten in de zaken C-293/13 P en C-294/13 P. De Commissie betwijfelt dit.
39.
Het door de Commissie gemaakte bezwaar moet worden gezien tegen de achtergrond dat Weichert als adressaat van de litigieuze beschikking de termijn voor het instellen van een eigen beroep tot nietigverklaring tegen die beschikking heeft laten verstrijken12.. De litigieuze beschikking is daarom ten aanzien van Weichert onherroepelijk13..
40.
Weichert kon alleen aan de procedure voor het Gerecht deelnemen, omdat het Gerecht haar heeft toegelaten als interveniënte aan de zijde van Del Monte. Hoewel kan worden betwijfeld of deze gang van zaken correct is, is de rechtmatigheid van de interventie van Weichert in eerste aanleg als zodanig geen voorwerp van de onderhavige hogere voorziening.
41.
Op basis van haar hoedanigheid van interveniënte in eerste aanleg heeft Weichert zowel aan zaak C-293/13 P als aan zaak C-294/13 P deelgenomen, doordat zij in beide zaken een memorie van antwoord heeft neergelegd en bovendien in beide zaken incidenteel hogere voorziening heeft ingesteld. Deze twee wijzen waarop Weichert aan de procedure heeft deelgenomen, moeten zorgvuldig worden onderscheiden.
1. Bevoegdheid van Weichert tot indiening van een memorie van antwoord
42.
Volgens artikel 172 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof kan elke partij in de desbetreffende zaak voor het Gerecht die een ‘belang heeft bij de toewijzing of de afwijzing van de hogere voorziening’, binnen twee maanden te rekenen vanaf de betekening van de hogere voorziening een memorie van antwoord indienen.
43.
Op grond hiervan kunnen in beginsel ook interveniënten in eerste aanleg zoals Weichert via een memorie van antwoord deelnemen aan de procedure in hogere voorziening, op voorwaarde dat zij een belang hebben bij het slagen of falen van een door een van de andere partijen ingestelde hogere voorziening.
44.
Het belang bij de deelname aan een dergelijke hogere voorziening is niet noodzakelijk gelijk aan het belang dat interveniënten aannemelijk moeten maken om tot interventie in eerste aanleg te kunnen worden toegelaten (artikel 4, tweede alinea, van het Statuut van het Hof). Bijgevolg is er geen sprake van een automatische toelating tot interventie voor het Hof voor interveniënten die zijn toegelaten tot de procedure voor het Gerecht. Veeleer moet het belang bij de deelname aan elk van deze procedures telkens in het licht van het voorwerp van de procedure in kwestie worden beoordeeld. Terwijl de litigieuze beschikking en de rechtmatigheid ervan het voorwerp zijn geweest van de procedure voor het Gerecht, gaat het in de procedure voor het Hof om het bestreden arrest en de bevestiging of nietigverklaring ervan op juridische gronden.
45.
Overeenkomstig vaste rechtspraak inzake het procesbelang dient steeds een belang bij de deelname aan een hogere voorziening te worden aanvaard wanneer de uitslag van de procedure in het voordeel kan zijn van de partij die een memorie van antwoord indient14.. Een dergelijk voordeel hoeft niet per se van juridische aard te zijn. Ook een economisch of ideëel belang kan al naargelang de feitelijke omstandigheden een deelname aan de hogere voorziening rechtvaardigen.
46.
In het onderhavige geval heeft Weichert, anders dan de Commissie lijkt aan te nemen, kennelijk een belang bij de uitkomst van de twee hogere voorzieningen in de zaken C-293/13 P en C-294/13 P. In beide zaken zijn voor Weichert namelijk aanzienlijke juridische en economische gevolgen verbonden aan het slagen dan wel falen van de ingestelde principale hogere voorzieningen van Del Monte (C-293/13 P) en de Commissie (C-294/13 P) alsook van incidentele hogere voorziening van Del Monte (C-293/13 P).
47.
Weliswaar kan Weichert haar eigen betrokkenheid bij de inbreuk en de verplichting tot betaling van een geldboete niet meer principieel aanvechten, aangezien zij niet tijdig tegen de litigieuze beschikking in beroep is gegaan, zodat deze te haren aanzien onherroepelijk is. Alle conclusies en argumenten in de memorie van antwoord en in de mondelinge opmerkingen van Weichert die ertoe strekken de litigieuze beschikking als zodanig nietig te verklaren, zijn daarom niet-ontvankelijk.
48.
Maar al naargelang de beslissing van het Hof in zaak C-293/13 P is Weichert de vastgestelde geldboete ofwel alleen of hoofdelijk met Del Monte verschuldigd, waarbij zij de daarmee gemoeide kosten in het geval van hoofdelijke aansprakelijkheid eventueel geheel of gedeeltelijk op Del Monte kan verhalen, afhankelijk van hun interne verhouding. En al naargelang hoe het Hof uitspraak doet in zaak C-294/13 P, valt het bedrag van de geldboete waarvoor Weichert hoofdelijk mede aansprakelijk is, hoger of lager uit. Weichert heeft er een legitiem belang bij om een standpunt in te nemen ten aanzien van alle rechtsvragen in dit verband, wat een deelname aan de procedure voor het Hof rechtvaardigt.
49.
In zoverre was Weichert dus overeenkomstig artikel 172 van het Reglement voor de procesvoering bevoegd om in beide zaken een memorie van antwoord in te dienen en op deze wijze aan de hogere voorziening deel te nemen, zij het dat deze deelname is beperkt tot de in punt 48 hierboven genoemde punten.
2. Bevoegdheid van Weichert tot het instellen van incidentele hogere voorziening
50.
Anders is het gesteld met de twee incidentele hogere voorzieningen die Weichert in de zaken C-293/13 P en C-294/13 P heeft ingesteld.
51.
Aan de instelling van een incidentele hogere voorziening is weliswaar krachtens artikel 172 juncto artikel 176, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof eveneens de voorwaarde verbonden dat degene die de incidentele hogere voorziening instelt, partij was in de desbetreffende voor het Gerecht dienende zaak en een ‘belang heeft bij de toewijzing of de afwijzing van de hogere voorziening’ heeft.
52.
Maar dit is niet alles: volgens artikel 56, tweede alinea, tweede zin, van het Statuut van het Hof staat hogere voorziening voor een niet-geprivilegieerde tussenkomende partij slechts open wanneer de beslissing van het Gerecht diens ‘situatie rechtstreeks aantast’. Aan deze bepaling van het Statuut, die in het primaire recht is verankerd en daarom voorrang heeft boven het Reglement voor de procesvoering, zou iedere betekenis worden ontnomen, indien men haar inhoudelijk gelijkstelt aan het vereiste van een ‘belang […] bij de toewijzing of de afwijzing van de hogere voorziening’, dat overeenkomstig artikel 172 van het Reglement voor de procesvoering toch al van toepassing is.
53.
Met andere woorden, de niet-geprivilegieerde interveniënt in eerste aanleg die hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht wenst in te stellen, moet ook voldoen aan een verdere ontvankelijkheidsvoorwaarde15.. Deze strikte regeling vindt haar rechtvaardiging in de procespositie van de rekwirant, die het voorwerp van geding voor het Hof per slot van rekening mede kan bepalen met de door hem aangevoerde middelen en argumenten. De andere partijen in de procedure, die slechts op een reeds ingestelde hogere voorziening antwoorden, hebben deze mogelijkheid niet.
54.
Tevens geldt dat, wil een niet-geprivilegieerde interveniënt in eerst aanleg een incidentele hogere voorziening kunnen instellen, de uitspraak van het Gerecht zijn situatie rechtstreeks moet aantasten. Ten eerste duidt namelijk niets in het Reglement voor de procesvoering erop dat voor incidentele hogere voorzieningen minder strenge ontvankelijkheidsvoorwaarden gelden, en ten tweede is artikel 56, tweede alinea, tweede zin, zonder onderscheid van toepassing op alle soorten — zowel principale als incidentele — hogere voorzieningen.
55.
Weliswaar is de incidentele hogere voorziening nevengeschikt aan de principale hogere voorziening16., maar zij stelt de rekwirant in een incidentele hogere voorziening op soortgelijke wijze als de rekwirant in een principale hogere voorziening in de gelegenheid, het voorwerp van geding voor het Hof door eigen middelen en argumenten mede te bepalen, temeer omdat de in de incidentele hogere voorziening voorgedragen argumenten andere moeten zijn dan de middelen en argumenten die hij in zijn memorie van antwoord aanvoert (artikel 178, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering). Daarom is het gerechtvaardigd dat het vereiste van ‘rechtstreekse aantasting’, dat verder gaat dan de eis van een belang bij de uitkomst van de procedure (artikel 172 juncto artikel 176, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering), ook in het geval van de incidentele hogere voorziening als aanvullende ontvankelijkheidsvoorwaarde geldt.
56.
Maar wat houdt deze ontvankelijkheidsvoorwaarde concreet in?
57.
De situatie van de rekwirant in principale dan wel incidentele hogere voorziening wordt rechtstreeks aangetast in de zin van artikel 56, tweede alinea, tweede zin, van het Statuut, als het bestreden arrest voor hem een nadelige wijziging van zijn rechtspositie tot gevolg heeft of nadelige uitwerkingen heeft voor zijn economische of ideële belangen. Het arrest moet voor hem dus in materieel opzicht bezwarend zijn.
58.
Met betrekking tot Weichert is dit in casu niet het geval.
59.
Het bestreden arrest heeft tot een duidelijke verlaging van de aan Del Monte en Weichert hoofdelijk opgelegde geldboete geleid. Het arrest is voor Weichert niet bezwarend; hij is er juist door begunstigd.
60.
Weliswaar is en blijft het voor Weichert bezwarend dat haar betrokkenheid bij een inbreuk op artikel 81 EG is vastgesteld en dat zij tot betaling van een geldboete gehouden is — ook al valt deze inmiddels lager uit. Maar deze bezwarende gevolgen voor Weichert vloeien niet rechtstreeks uit het bestreden arrest, maar uit de litigieuze beschikking voort.
61.
Het voorwerp van de onderhavige procedure is daarentegen alleen de verantwoordelijkheid van Del Monte voor de inbreuk. In haar bij het Gerecht ingestelde beroep tot nietigverklaring heeft Del Monte uitsluitend verzocht om nietigverklaring van de artikelen 1 tot en met 4 van de litigieuze beschikking voor zover deze op haar (dus Del Monte) betrekking hebben17.. Dientengevolge onderzoekt het bestreden arrest alleen de verantwoordelijkheid van Del Monte. Het Gerecht gaat daarin hooguit op het gedrag van Weichert in voor zover dat voor de beoordeling van de verantwoordelijkheid van Del Monte van belang is.
62.
Indien Weichert haar eigen verantwoordelijkheid voor de inbreuk voor het Gerecht had willen betwisten, zou zij als adressaat van de litigieuze beschikking — anders dan de interveniënten in de zaken waarover het Hof in deze problematiek tot dusver uitspraak heeft gedaan18. — ongetwijfeld het recht hebben gehad om zelf beroep tot nietigverklaring in te stellen bij het Gerecht (artikel 263, vierde alinea, eerste variant, VWEU). Weichert heeft echter niet binnen de geldende termijn van haar recht van beroep gebruik gemaakt, zodat de litigieuze beschikking te haren aanzien definitief is geworden. Zoals reeds vermeld19., kan Weichert het definitieve karakter van die beschikking niet omzeilen door incidentele hogere voorziening in te stellen in de procedures die door andere adressaten van de litigieuze beschikking zijn aangespannen met betrekking tot hun eigen verantwoordelijkheid.
63.
De mogelijkheid die de niet-geprivilegieerde interveniënt is gegeven om in eerste aanleg deel te nemen aan de procedure, mag, evenmin als zijn recht om de beslissing van het Gerecht in eerste aanleg met een eigen hogere voorziening aan te vechten, niet worden misbruikt ter compensatie van het feit dat die partij heeft nagelaten gebruik te maken van de mogelijkheid om zelf een beroep tot nietigverklaring aanhangig te maken. Een dergelijk parasitair gebruik van het rechtsmiddel van de incidentele hogere voorziening is niet toegestaan.
64.
De onderhavige zaak biedt het Hof een bijzondere gelegenheid om deze procesrechtelijke finesses te verduidelijken, om een signaal te doen uitgaan voor toekomstige mededingingszaken en voor hogere voorzieningen meer in het algemeen.
65.
Aangezien het bestreden arrest Weichert in procesrechtelijke zin niet rechtstreeks aantast, voldoen haar beide incidentele hogere voorzieningen in de zaken C-293/13 P en C-294/13 P niet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 56, tweede alinea, tweede zin, van het Statuut. Zij zijn niet-ontvankelijk.
3. Tussenconclusie
66.
Uit een en ander volgt dat de deelname van Weichert aan de procedure slechts is toegestaan voor zover zij antwoordt op de hogere voorzieningen in de zaken C-293/13 P en C-294/13 P, teneinde haar legitieme belangen met betrekking tot haar hoofdelijke aansprakelijkheid met Del Monte te verdedigen. Daarentegen is Weichert bij gebreke van een rechtstreekse aantasting in de zin van artikel 56, tweede alinea, tweede zin, van het Statuut niet bevoegd om, buiten het voorwerp van geding van de beide principale hogere voorzieningen in de zaken C-293/13 P en C-294/13 P om, in een incidentele hogere voorziening eigen middelen tegen het bestreden arrest aan te voeren.
B — Principale hogere voorziening van Del Monte in zaak C-293/13 P
67.
De door Del Monte in zaak C-293/13 P ingestelde hogere voorziening, die op niet minder dan vijf middelen steunt, is hoofdzakelijk gericht op de betrekkingen tussen Del Monte en Weichert. Het verdient aanbeveling om de middelen in enigszins gewijzigde volgorde te onderzoeken.
1. Eerste, derde en vierde middel: geen economische eenheid tussen Del Monte en Weichert, bewijslast, vermoeden van onschuld
68.
Del Monte verwijt het Gerecht dat het ten onrechte is uitgegaan van haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de kartelinbreuken van Weichert. In het kader van het eerste middel laakt Del Monte dit als schending van artikel 81 EG (thans artikel 101 VWEU) en artikel 23, lid 2, sub a, van verordening nr. 1/200320.. Daarnaast zijn ook het derde en het vierde middel in zaak C-293/13 P gewijd aan deze problematiek, waarbij het thema van de medeaansprakelijkheid van Del Monte vanuit het oogpunt van de bewijslast (derde middel) en het vermoeden van onschuld — het beginsel in dubio pro reo — (vierde middel) wordt belicht. Gezien de inhoudelijke overlappingen tussen deze drie middelen worden zij hieronder gezamelijk behandeld.
a) Eerste middel: criteria voor de vaststelling van een economische eenheid
69.
In het kader van haar eerste middel voert Del Monte aan dat het Gerecht ten onrechte is uitgegaan van een economische eenheid tussen haarzelf en Weichert Hiervoor draagt Del Monte hoofdzakelijk argumenten aan die met de concrete feiten van deze zaak te maken hebben en hoofdzakelijk betrekking hebben op de organisatie van Weichert als commanditaire vennootschap naar Duits recht, de tussen Del Monte en Weichert gesloten distributieovereenkomst, de discussies tussen Del Monte en Weichert en het prijsbeleid van Weichert.
i) Ontvankelijkheid
70.
De Commissie, en interessant genoeg, ook Weichert maken bezwaar tegen dit middel, dat volgens hen neerkomt op een toetsing van de beoordeling die het Gerecht aan de feiten en bewijzen heeft gegeven.
71.
Inderdaad raakt dit eerste middel van Del Monte de grenslijn tussen de beoordeling van feiten en bewijzen enerzijds en vraagstukken van de juridische kwalificatie van feiten anderzijds. Weliswaar is het Hof in hogere voorziening niet bevoegd tot beoordeling van feiten en bewijzen — behoudens een eventuele grief inzake de onjuiste opvatting van feiten of bewijzen —, is de juridische kwalificatie van de feiten onderworpen aan zijn toetsing in hogere voorziening21.. Het Hof is wel degelijk bevoegd te controleren of het Gerecht bij de rechtmatigheidstoetsing van de litigieuze beschikking passende juridische criteria heeft gehanteerd en of het de juiste rechtsgevolgen heeft verbonden aan de vastgestelde feiten22..
72.
Bijgevolg is het eerste middel van Del Monte slechts ontvankelijk voor zover zij het Gerecht miskenning verwijt van de bij het Europese mededingingsrecht geldende criteria voor de vaststelling of er sprake is van een economische eenheid tussen twee of meer vennootschappen. Bij de beoordeling van het door Del Monte aangevoerde middel dient het Hof echter de verleiding te weerstaan, zijn eigen beoordeling van feiten of bewijsmiddelen in de plaats stellen van die van het Gerecht, aangezien het daartoe niet bevoegd is. Indien het Hof de hogere voorziening niet wil laten verworden tot een hogerberoepsprocedure, moet het strikt binnen het kader van de door het Gerecht vastgestelde feiten blijven.
ii) Gegrondheid
73.
Volgens vaste rechtspraak kan een inbreuk van een dochteronderneming op de mededingingsregels met name dan aan de moedermaatschappij worden toegerekend wanneer de dochteronderneming, hoewel zij eigen rechtspersoonlijkheid bezit, niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt, inzonderheid gelet op de economische, organisatorische en juridische banden tussen de twee juridische entiteiten23..
74.
Met andere woorden, de moedermaatschappij kan mede aansprakelijk worden gesteld voor de kartelinbreuken van haar dochteronderneming wanneer de moedermaatschappij ten tijde van de inbreuk beslissende invloed heeft uitgeoefend op de dochteronderneming24.. Daarbij is het van ondergeschikt belang of de moedermaatschappij haar invloed op de dochteronderneming alleen of gezamenlijk met andere vennootschappen heeft uitgeoefend.
75.
In het geval van Del Monte en Weichert kan weliswaar niet van een klassieke moeder-dochter-relatie worden gesproken, maar eerder van een partnerschap tussen Del Monte en de familie W.25. Evenwel kunnen de genoemde criteria zonder problemen ook op een dergelijk partnerschap worden toegepast. Hierover waren de partijen bij de procedure het eens en ook het Gerecht is hiervan terecht uitgegaan26..
76.
Aangezien Del Monte geen belang van (nagenoeg) 100 % in Weichert had, kon in casu niet van een weerlegbaar vermoeden worden uitgegaan dat Del Monte beslissende invloed uitoefende op Weichert27., maar moest de Commissie hiervoor positief bewijs leveren28..
77.
In het bestreden arrest is het Gerecht na een uitvoerige behandeling van het bewijsmateriaal van oordeel dat de Commissie hiervoor inderdaad de nodige bewijzen heeft29.. Hiertoe baseert het Gerecht zich op een gezamenlijke beoordeling van verschillende omstandigheden van de onderhavige zaak, zoals daar zijn:
- —
de banden tussen Del Monte en familie W. in de vorm van een commanditaire vennootschap naar Duits recht, waarbij Del Monte weliswaar slechts als stille vennoot optrad, maar 80 % van de aandelen bezat en over bepaalde vetorechten beschikte;
- —
de distributieovereenkomst tussen Del Monte en Weichert, die er in de praktijk toe leidde dat Weichert alleen door Del Monte met bananen werd bevoorraad en in ruil daarvoor als exclusieve distributeur van bananen van Del Monte in Noord-Europa optrad;
- —
de informatiestroom tussen Weichert en Del Monte, in het kader waarvan Weichert geregeld en gedetailleerd verslag uitbracht aan Del Monte over haar dagelijkse activiteiten, en
- —
de besprekingen over het prijsbeleid en de bevoorrading van Weichert, in het kader waarvan Del Monte en Weichert intensief informatie uitwisselden en soms ook twistten over het marketing- en prijsbeleid van Weichert.
78.
Zoals reeds vermeld, is het absoluut onverenigbaar met het karakter van de hogere voorziening wanneer het Hof het gehele bewijsmateriaal nu opnieuw zou onderzoeken en zijn eigen beoordeling in de plaats zou stellen van die van het Gerecht. In hogere voorziening kan het alleen om een toetsing gaan of het Gerecht op basis van de in het bestreden arrest gedane feitelijke vaststellingen, rechtens de juiste criteria heeft gehanteerd.
79.
Er zij op gewezen dat het bestaan van een economische eenheid kan worden afgeleid uit een reeks concordante omstandigheden, ook al volstaat geen van deze omstandigheden op zich om te kunnen spreken van een dergelijke eenheid30.. Er moet dus worden gekeken naar alle relevante omstandigheden van het individuele geval in hun totaliteit en naar de gevolgtrekkingen die het Gerecht daaraan heeft ontleend, zonder de aandacht selectief op afzonderlijke omstandigheden te richten, zoals Del Monte dit tracht te doen.
80.
Daar bovendien elk geval gekenmerkt wordt door bijzondere omstandigheden, is het ook niet van doorslaggevend belang of in de rechtspraak van het Hof of het Gerecht precedenten kunnen worden aangewezen, waarin het om identieke of soortgelijke omstandigheden gaat als in de onderhavige zaak.
81.
Vanuit dit uitgangspunt zal ik mij nu bezighouden met de twee door Del Monte aangevoerde grieven waarmee zij enerzijds betwist dat zij een beslissende invloed op Weichert heeft uitgeoefend en anderzijds in elk geval bestrijdt dat een dergelijke beïnvloeding doeltreffend was.
— Beïnvloeding van Weichert door Del Monte (tweede onderdeel van het eerste middel)
82.
Enerzijds ontkent Del Monte dat zij überhaupt een beslissende invloed op Weichert heeft uitgeoefend. Volgens Del Monte voldeden de feiten waaruit de Commissie met instemming van het Gerecht heeft geconcludeerd dat er in casu sprake was van een beslissende invloed, niet aan de juridische vereisten voor de vaststelling van een medeaansprakelijkheid van een vennootschap voor kartelinbreuken van een andere vennootschap. Del Monte verwijt het Gerecht in dit verband een ‘onjuiste opvatting van de criteria voor de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij’.
83.
De argumenten waarop Del Monte dit verwijt steunt, kunnen worden onderscheiden naar twee vraagstukken waarop zij betrekking hebben: enerzijds de vraag of Del Monte de mogelijkheid had een beslissende invloed uit te oefenen en anderzijds de vraag of zij daadwerkelijk een dergelijke invloed heeft uitgeoefend.
84.
Wat in de eerste plaats de mogelijkheden tot uitoefening van een beslissende invloed betreft, geeft Del Monte aan dat zij in een partnerschap met familie W., dat de rechtsvorm van een commanditaire vennootschap naar Duits recht had, slechts als stille vennoot optrad, dat zij was uitgesloten van het beheer en dat zij slechts in beperkte mate medezeggenschap had. In dit verband haalt Del Monte het Handelsgesetzbuch (Duits wetboek van koophandel) en de voor Weichert geldende vennotenovereenkomst aan.
85.
Vanuit juridisch oogpunt zij hierbij opgemerkt dat de vraag of een vennootschap haar marktgedrag zelfstandig kan bepalen of integendeel is blootgesteld aan de beslissende invloed van een andere vennootschap, niet alleen op basis van het geldende vennootschapsrecht (wettelijke bepalingen, maar ook bedingen in vennotenovereenkomsten) kan worden beoordeeld. Weliswaar moet rekening worden gehouden met de bevoegdheden waarover de organen en de vennoten beschikken, maar uiteindelijk geven de economische feiten de doorslag. In het mededingingsrecht staan immers niet de formaliteiten centraal, maar het feitelijke gedrag van ondernemingen31..
86.
Ongetwijfeld volstaat de vennootschapsrechtelijke positie van een stille vennoot die is uitgesloten van het beheer, op zichzelf beschouwd niet om te kunnen veronderstellen dat er sprake is van de mogelijkheid tot uitoefening van een beslissende invloed. Het is evenwel goed denkbaar dat er nog andere economische, organisatorische en juridische omstandigheden zijn, waaraan zelfs een stille vennoot zoveel macht kan ontlenen dat hij de facto een beslissende invloed kan uitoefenen op de betrokken vennootschap.
87.
In casu heeft het Gerecht inderdaad dergelijke omstandigheden vastgesteld.
88.
Ten eerste heeft het Gerecht gewezen op de vetorechten van Del Monte binnen de organisatie van de vennootschap Weichert. Op zichzelf kan uit dergelijke vetorechten de iure geen exclusieve zeggenschap van Del Monte over Weichert worden afgeleid. Evenwel is het niet uitgesloten dat ze samen met andere omstandigheden de facto tot een exclusieve zeggenschap hebben geleid32.. In ieder geval kan worden aangenomen dat deze vetorechten de basis vormden voor een gezamenlijke zeggenschap van Del Monte en familie W., die volgens recente rechtspraak reeds kan volstaan voor de toerekenbaarheid van aansprakelijkheid in de zin van het kartelrecht33..
89.
Overigens hoeven dergelijke vetorechten juridisch geen betrekking te hebben op de dagelijkse leiding of het concrete marktgedrag van de vennootschap; in plaats daarvan volstaat het wanneer de betrokken vennoot op grond van die rechten in het algemeen een toereikende invloed krijgt op het commerciële beleid van de vennootschap34..
90.
Naar het Gerecht heeft vastgesteld, hadden de vetorechten van Del Monte onder meer betrekking op belangrijke besluiten van de vennotenvergadering over de planning inzake het financieel beleid, investeringen en de personeelsbezetting35.. Door dergelijke vetorechten verkrijgt een vennoot normaliter een aanzienlijke feitelijke invloed op het commerciële beleid, ook al leveren ze hem zuiver juridisch gezien geen medezeggenschap over de dagelijkse activiteiten op.
91.
Ten tweede heeft het Gerecht benadrukt dat Del Monte in haar hoedanigheid van stille vennoot 80 % van de aandelen van Weichert bezat. Hieruit trok het de conclusie dat Del Monte een belangrijke economische beweegreden had om invloed uit te oefenen op Weichert36..
92.
Ten derde is het Gerecht ingegaan op de tussen Del Monte en Weichert gesloten distributieovereenkomst, die er in de praktijk toe heeft geleid dat Weichert alleen door Del Monte met bananen werd bevoorraad en in ruil daarvoor als exclusieve distributeur van bananen van Del Monte in Noord-Europa optrad 37..
93.
Normaliter kunnen dergelijke exclusieve betrekkingen, vooral gekoppeld aan een positie van de betrokken handelaar als verreweg grootste aandeelhouder, een situatie van economische en organisatorische afhankelijkheid tot gevolg hebben en de mogelijkheid bieden tot uitoefening van een beslissende invloed.
94.
De vraag of er inderdaad sprake was van een dergelijke afhankelijkheidsrelatie tussen Del Monte en Weichert, is van zuiver feitelijke aard, zodat het alleen aan het Gerecht staat die vraag te beantwoorden. In elk geval bestond er geen juridisch beletsel voor de veronderstelling van het Gerecht dat Del Monte, gezien alle in eerste aanleg vastgestelde economische en vennootschapsrechtelijke banden met Weichert, in staat was om ondanks haar positie als stille vennoot een beslissende invloed op deze vennootschap uit te oefenen.
95.
Uiteindelijk kan in het midden blijven of Del Monte rechtens over toereikende mogelijkheden beschikte om beslissende invloed op Weichert uit te oefenen, en of Del Monte de iureexclusieve zeggenschap over Weichert had, dan wel of er sprake was van gezamenlijke zeggenschap met familie W., zodra vaststaat dat Del Monte de facto een beslissende invloed heeft uitgeoefend38..
96.
Wat betreft deze feitelijke uitoefening van een beslissende invloed, heeft het Gerecht vastgesteld dat Del Monte zich door Weichert voortdurend in detail liet inlichten over haar dagelijkse activiteiten op de bananenmarkt, waarbij deze inlichtingen veel verder gingen dan de informatie waar Del Monte krachtens de vennotenovereenkomst en de distributieovereenkomst recht op had39.. Vooral heeft Del Monte echter, naar het Gerecht heeft vastgesteld40., meermaals uitdrukkelijke en rechtstreekse instructies gegeven met betrekking tot het marketing- en prijsbeleid voor de door Weichert onder de merknaam Del Monte in de handel gebrachte bananen41..
97.
Hiertoe beschikte het Gerecht over verschillende bewijsmiddelen op grond waarvan het terecht heeft geconcludeerd dat Del Monte inderdaad een beslissende invloed op het commerciële beleid van Weichert had verkregen en zich zelfs rechtstreeks met het marktgedrag van Weichert bemoeide. Bovendien kon het Gerecht het feit dat Del Monte concrete instructies betreffende de marketing van haar bananen en het bijbehorende prijsbeleid had gegeven, gevoeglijk als een bijzonder duidelijke aanwijzing voor het bestaan van een beslissende invloed van deze vennootschap op Weichert beschouwen42..
98.
Het moge wellicht zijn dat ook een andere opvatting van de bewijzen mogelijk is dan die van het Gerecht. Het is echter niet de taak van het Hof om in hogere voorziening, zijn eigen beoordeling van de bewijsmiddelen in de plaats te stellen van de soevereine en rechtens juiste beoordeling door het Gerecht.
— Vermeende niet-opvolging van instructies door Weichert (eerste onderdeel van het eerste middel)
99.
Aan de andere kant betwist Del Monte dat haar beïnvloeding van Weichert doeltreffend was. In hoofdzaak voert Del Monte aan dat Weichert in de praktijk niet alle instructies van Del Monte heeft opgevolgd en zelfs verwikkeld was in — gerechtelijk en buitengerechtelijk beslechte —geschillen met Del Monte. In deze omstandigheden had het Gerecht volgens Del Monte noch van het bestaan van een economische eenheid tussen Del Monte en Weichert mogen uitgaan noch een beslissende invloed van Del Monte op Weichert mogen aannemen.
100.
Zoals reeds vermeld, kan alleen van een economische eenheid tussen twee vennootschappen worden gesproken, indien de ene haar marktgedrag niet zelfstandig bepaalt, maar in hoofdzaak de door de andere verstrekte instructies volgt43..
101.
Dit criterium mag echter niet verkeerd worden opgevat in de zin dat de ene vennootschap zonder uitzondering alle instructies van de andere moet opvolgen en dat er tussen hen geen sprake van meningsverschillen mag zijn. Veeleer hoeven de bedoelde instructies slechts in hoofdzaak te worden opgevolgd. Evenmin hoeft de ene vennootschap niet elk tegengeluid en alle juridische stappen van de andere tegen haar beïnvloeding in de kiem te smoren, opdat er sprake kan zijn van een economische eenheid.
102.
Zelfs in een klassieke concernstructuur zijn interne meningsverschillen aan de orde van de dag. Het komt voor dat dochterondernemingen waarover de moedermaatschappij (nagenoeg) 100 % zeggenschap heeft, haar instructies naast zich neerleggen en zelfs in strijd met zeer belangrijke instructies handelen. Zo is het gebruikelijk dat moedermaatschappijen in het kader van nalevingsprogramma's aan alle dochterondernemingen zogenoemde compliance-instructies verstrekken, teneinde hen aan te sporen zich te onthouden van mededingingsbeperkende praktijken. Een eventuele niet-nakoming van dergelijke compliance-instructies — die voor het bedrijfsleven, maar ook voor het mededingingsrecht ongetwijfeld van groot belang zijn —, staat volgens de rechtspraak geenszins in de weg aan toerekening van de verantwoordelijkheid voor kartelinbreuken van de ene vennootschap aan de andere44..
103.
Dientengevolge was er in het onderhavige geval rechtens geen beletsel voor de vaststelling van het Gerecht dat er een economische eenheid tussen Del Monte en Weichert bestond, ook al had Weichert niet alle instructies van Del Monte opgevolgd en op bepaalde punten juridische stappen tegen Del Monte ondernomen.
104.
Daarentegen kan niet meer van een economische eenheid worden gesproken wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat het de regel was dat de instructies van de ene vennootschap door de andere niet werden opgevolgd en dit tot een zelfstandig optreden van de laatstgenoemde op de markt leidde.
105.
Het Gerecht is in casu dan ook volledig terecht aan de hand van het beschikbare bewijsmateriaal nagegaan of Weichert de instructies van Del Monte in het algemeen niet heeft opgevolgd en of zij zelfstandig is opgetreden op de markt45.. In dit verband is het zeer uitvoerig ingegaan op de argumentatie van Del Monte dat Weichert enerzijds, door zich te richten naar het prijsniveau van Dole, een ander prijsbeleid had gevoerd dan door Del Monte gewenst, en dat Weichert anderzijds geen uitvoering had gegeven aan de nieuwe marketingaanpak van Del Monte, waarmee Del Monte haar bananen in een premiumsegment wilde positioneren om prijzen te kunnen vragen die in de buurt lagen van die van Chiquita.
106.
Dergelijke omstandigheden, voor zover hiervoor bewijzen zijn aangedragen, zouden inderdaad een belangrijke aanwijzing zijn dat er géén sprake was van een (doeltreffende) uitoefening door Del Monte van beslissende invloed op Weichert en dus evenmin van een economische eenheid tussen deze beide vennootschappen.
107.
Del Monte heeft dan ook in haar schriftelijke en mondelinge opmerkingen in de onderhavige hogere voorziening steeds gepoogd de indruk te wekken dat het een vaststaand feit zou zijn dat Weichert haar prijsinstructies en haar nieuwe marketingaanpak tijdens de duur van de inbreuk in de jaren 2000 tot en met 2002 niet heeft nageleefd.
108.
Indien men echter niet alleen de enige door Del Monte aangehaalde passage46. in aanmerking neemt, maar het gehele aan deze kwestie gewijde deel van het arrest47., valt op dat het Gerecht de door Del Monte aangevoerde feiten geenszins bewezen achtte. Zo benadrukt het Gerecht dat Del Monte ‘niet het bewijs [levert] dat zij haar verwachtingen duidelijk jegens Weichert heeft laten blijken’48.. Bovendien stelt het Gerecht vast dat de verklaringen van andere importeurs, waarop Del Monte zich trachtte te beroepen, in werkelijkheid in tegenspraak zijn met haar eigen betoog49..
109.
Na deze feitelijke vaststellingen van het Gerecht, die voor de beoordeling van het eerste middel — behoudens een eventuele onjuiste opvatting van feiten50. — de enig relevante zijn, moeten de stellingen van rekwirante over het vermeende zelfstandige prijsbeleid van Weichert en over de niet-naleving van de marketingaanpak van Del Monte door Weichert als loutere beweringen worden beschouwd51., die voor het Gerecht in het licht van andere bewijsmiddelen geenszins overtuigend zijn gebleken.
110.
Tegen deze achtergrond kan het Gerecht op dit punt geen onjuiste juridische kwalificatie van feiten worden verweten. Het Gerecht was op grond van de vaststellingen in eerste aanleg rechtens niet gehouden om van het ontbreken van een economische eenheid tussen Del Monte en Weichert uit te gaan.
b) Derde en vierde middel: bewijslast en vermoeden van onschuld
111.
Met haar derde middel verwijt Del Monte het Gerecht een omkering van de bewijslast, terwijl het vierde middel op het vermoeden van onschuld (met het beginsel in dubio pro reo) berust. Deze twee middelen zijn beide gebaseerd op de stelling dat op grond van de bewijsmiddelen in de onderhavige procedure niet van een beslissende invloed van Del Monte op Weichert kan worden uitgegaan, zodat niet kan worden gesteld dat Del Monte mede aansprakelijk is voor kartelinbreuken van Weichert.
112.
Mij dunkt dat deze argumentatie erop is gericht het Hof, onder het voorwendsel van juridisch gemotiveerde grieven, tot een herbeoordeling van de feiten en bewijzen te bewegen, waartoe het in hogere voorziening niet bevoegd is. Dientengevolge dienen deze beide middelen niet-ontvankelijk te worden verklaard52..
113.
Alleen voor de volledigheid voeg ik hieraan toe dat het betoog van Del Monte ook inhoudelijk niet overtuigend kan worden geacht.
i) Derde middel: bewijslast
114.
In het kader van haar derde middel voert Del Monte aan dat het Gerecht de bewijslast ten onrechte heeft omgekeerd door te oordelen dat bepaalde door Del Monte overgelegde bewijsmiddelen er niet toe strekten de beweerde onafhankelijke positie van Weichert ten opzichte van Del Monte niet konden schragen.
115.
Concreet gaat het hierbij om vetorechten binnen de vennootschap Weichert53., de prijsvorming door Weichert54., Weicherts standpunt in een geding voor een nationale rechter55. en de achterwege gebleven consolidatie van de resultaten van Del Monte en Weichert56..
116.
Inderdaad heeft was het Gerecht van oordeel dat deze bewijsmiddelen van Del Monte onvoldoende bewijskracht hadden om een onafhankelijke positie van Weichert ten opzichte van Del Monte te kunnen staven. Anders dan Del Monte meent, betekent dit echter geen omkering van de bewijslast. Veeleer gaat het Gerecht er volledig terecht van uit dat de Commissie de bewijslast draagt als het erom gaat een medeverantwoordelijkheid van Del Monte voor de inbreuk aan te tonen57..
117.
Op basis van deze verdeling van de bewijslast heeft het Gerecht de bewijskracht van het gehele aan hem voorgelegde bewijsmateriaal onderzocht, waarna het tot de conclusie kwam dat enerzijds voldoende bewijs bestond voor een beslissende invloed van Del Monte op Weichert en dat anderzijds de tegenargumenten van Del Monte niet toereikend waren om het betoog van de Commissie te weerleggen. Deze aanpak is rechtens niet aanvechtbaar58.. Het gaat hierbij niet om een omkering van de bewijslast, maar om het normale, aan de objectieve bewijslast voorafgaande wisselspel van bewijsverplichtingen59..
ii) Vierde middel: vermoeden van onschuld
118.
In het kader van haar vierde middel verwijt Del Monte het Gerecht het vermoeden van onschuld (het beginsel in dubio pro reo)60. te hebben geschonden door enkel op basis van zwakke aanwijzingen uit te gaan van een medeverantwoordelijkheid van Del Monte voor de kartelinbreuk door Weichert.
119.
Dit vierde middel kan inhoudelijk slechts op dezelfde wijze worden beantwoord als het eerste. Zoals ik hierboven heb uiteengezet61., kon het Gerecht op basis van alle aan hem voorgelegde bewijzen terecht concluderen dat Del Monte tijdens de duur van de inbreuk een beslissende invloed op Weichert heeft uitgeoefend en dat beide vennootschappen destijds dus een economische eenheid vormden.
120.
Indien er toereikende bewijzen zijn om een medeverantwoordelijkheid te kunnen vaststellen, kan er geen sprake zijn van schending van het vermoeden van onschuld.
iii) Tussenconclusie
121.
Bijgevolg moet het vierde middel even ongegrond worden geacht als het derde.
2. Tweede middel: onjuiste opvatting van bewijzen
122.
Aangezien het eerste middel, zoals hierboven uiteengezet, evenmin als het derde en het vierde steekhoudend is, ga ik nu in op het tweede, dat slechts subsidiair wordt aangevoerd. In het kader van dit middel verwijt Del Monte het Gerecht in verschillende opzichten bewijzen onjuist te hebben opgevat die opnieuw alle verband houden met de mogelijkheden van Del Monte tot beïnvloeding van Weichert.
a) De verschillende grieven inzake onjuiste opvattingen van de feiten
123.
Volgens vaste rechtspraak kan alleen van een onjuiste opvatting van feiten of bewijzen worden uitgegaan indien aan een aantal strikte voorwaarden is voldaan. Van een dergelijke verkeerde opvatting van feiten of bewijzen is slechts sprake wanneer, zonder gebruik te maken van nieuwe bewijsmiddelen, de beoordeling van de bestaande bewijsmiddelen kennelijk onjuist blijkt te zijn62.. Ik wijs er nu reeds op dat de door Del Monte geuite verwijten met betrekking tot een onjuiste opvatting van bewijzen geenszins aan deze strikte voorwaarden voldoen.
124.
Met de Commissie en Weichert heb ik de indruk dat Del Monte zich eenvoudig niet kan vinden in de beoordeling van de bewijsmiddelen door het Gerecht en nu tracht voor het Hof een alternatieve lezing van het bewijsmateriaal aannemelijk te maken, die echter geenszins overtuigend is.
i) Verwijt van een onjuiste opvatting van de vennotenovereenkomst
125.
Ten eerste stelt Del Monte dat er sprake is van een aantal onjuiste opvattingen inzake de vennotenovereenkomst, waarmee Weichert de rechtsvorm van een commanditaire vennootschap naar Duits recht heeft aangenomen.
— Vetorecht van de stille vennoot
126.
Ten eerste baseert Del Monte zich op artikel 7, lid 3, van de vennotenovereenkomst, dat bepaalde dat de beherende vennoten voor een aantal handelingen van tevoren de schriftelijke toestemming van alle vennoten moesten vragen. Del Monte is van mening dat het Gerecht deze bepaling verkeerd heeft opgevat door in punt 101 van het bestreden arrest aan te nemen dat ‘een reeks belangrijke handelingen die noodzakelijkerwijs, ook indirect, invloed hadden op het bestuur van Weichert, niet zonder de instemming van de stille vennoot konden worden verricht’.
127.
Dit verwijt is ongegrond.
128.
Bij de handelingen waarvoor volgens artikel 7, lid 3, van de vennotenovereenkomst de toestemming van alle vennoten vereist was, ging het om de aan- en verkoop van alle onroerende goederen en van ieder belang in het kapitaal dan wel van een andere deelname in een andere onderneming, investeringen boven de 100 000 Duitse mark (DEM), leningen aan werknemers boven een bedrag van 10 000 DEM, leningen aan Weichert die niet onder de gebruikelijke gang van zaken vielen, het verstrekken van waarborgen door Weichert, beloningen van iedere aard aan de beherende vennoot en iedere overeenkomst gesloten door de beherende vennoot of beherende vennoten waarbij reguliere betalingsverplichtingen boven 10 000 DEM per maand voor Weichert werden aangegaan met uitzondering van arbeidsovereenkomsten, althans voor zover die in een jaarlijks bezoldiging van minder dan 60 000 DEM voorzagen.
129.
Het is zeer wel verdedigbaar — en in elk geval niet kennelijk onjuist — om dergelijke verrichtingen als ‘een reeks belangrijke handelingen’ te beschouwen en om aan te nemen dat de desbetreffende vetorechten van Del Monte ‘noodzakelijkerwijs, ook indirect, invloed hadden op het bestuur van Weichert’63.. Anders dan Del Monte veronderstelt, is in de genoemde passage van het arrest geen sprake van de specifieke gevolgen voor het marktgedrag van Weichert. De vaststelling van dergelijke gevolgen is overigens volgens de rechtspraak ook in het geheel niet nodig64..
— Vetorecht van de beherende vennoot
130.
Ten tweede maakt Del Monte bezwaar tegen punt 114 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht verklaart dat ‘uit de bepalingen van de vennotenovereenkomst niet [kan] worden opgemaakt dat de beherende vennoot volgens verzoekster een vetorecht had op ‘alle’ vennootschapsbesluiten’. Del Monte is daarentegen van opvatting dat zij in de vennootschap geen enkel besluit tegen een veto van de beherende vennoot had kunnen afdwingen.
131.
De bekritiseerde uiteenzettingen van het Gerecht moeten worden gelezen in verband met de direct eraan voorafgaande punten van het bestreden arrest en vormen een antwoord op een argument van Del Monte inzake artikel 9, lid 2, tweede zin, van de vennotenovereenkomst65.. Die bepaling heeft slechts betrekking op bepaalde, in artikel 9, lid 4, van die overeenkomst omschreven besluiten van de vennotenvergadering. Volgens bedoelde bepaling was de toestemming van de beherende vennoot uitsluitend voor de aldaar genoemde besluiten vereist.
132.
De conclusie van het Gerecht volgens welke niet aan de bepalingen van de vennotenovereenkomst kan worden ontleend dat de beherende vennoot een vetorecht had ‘op ‘alle’ vennootschapsbesluiten’, is tegen deze achtergrond zeer wel verdedigbaar en kan in elk geval niet als kennelijk onjuist worden beschouwd.
133.
In aanvulling hierop zij eraan herinnerd dat een eventuele onjuiste opvatting van de feiten alleen tot vernietiging van het bestreden arrest leidt, als deze van invloed kan zijn geweest op het dictum66.. In dit verband is het van belang dat zelfs een algemeen vetorecht van de beherende vennoot ‘op ‘alle’ vennootschapsbesluiten’ op zichzelf nog niets zegt over de vraag over welke juridische en feitelijke mogelijkheden de beherende vennoot zelf binnen de vennootschap beschikte. Del Monte heeft geen argumenten aangedragen op grond waarvan het Gerecht had moeten concluderen dat de beherende vennoot het alleen voor het zeggen had — en ook tegen de wil van de stille vennoot kon handelen.
134.
Los daarvan is, zoals reeds gezegd, volledige zeggenschap van de stille vennoot geen noodzakelijke voorwaarde voor zijn medeaansprakelijkheid voor kartelinbreuken van de vennootschap; veeleer kan ook bij een gezamenlijk zeggenschap met een of meer beherende vennoten een kartelrechtelijke aansprakelijkheid worden toegerekend67..
— Benoeming en ontslag van het bestuur
135.
Ten derde maakt rekwirante bezwaar tegen punt 117 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht het argument van Del Monte afwijst dat zij ‘niet de noodzakelijke bevoegdheden had om de bestuurders van de vennootschap te benoemen, te vervangen dan wel bij die benoeming haar veto te gebruiken’. Del Monte ziet in deze afwijzing van haar argument door het Gerecht een ‘onjuiste opvatting van bewijs’.
136.
Hierbij zij opgemerkt dat een rekwirant, wanneer hij stelt dat het Gerecht het bewijsmateriaal verkeerd heeft opgevat, precies moet aangeven welk bewijs volgens hem door het Gerecht verkeerd is opgevat en moet aantonen welke fouten in de analyse het Gerecht tot deze verkeerde opvatting hebben gebracht68..
137.
Een dergelijke uiteenzetting ontbreekt in casu volledig. Del Monte heeft nagelaten een concreet processtuk aan te wijzen en aannemelijk te maken in hoeverre het Gerecht dat processtuk verkeerd heeft opgevat. Vastgesteld moet worden, dat het eerste onderdeel van het tweede middel niet-ontvankelijk is.
138.
Overigens bedoelt Del Monte vermoedelijk een verkeerde opvatting van artikel 9, lid 3, van de vennotenovereenkomst, aangezien de bekritiseerde passage van het arrest hierop betrekking heeft. In die bepaling is echter letterlijk neergelegd, wat het Gerecht in punt 117 van het bestreden arrest weergeeft, namelijk dat unanimiteit van de vennoten voor iedere wijziging van de vennotenovereenkomst vereist was.
139.
Aangezien artikel 7, lid 1, van de vennotenovereenkomst uitdrukkelijk voorziet in een bestuurlijke functie van een persoonlijk aansprakelijke beherende vennoot, kon die functie slechts door middel van een wijziging van die overeenkomst en dus niet zonder toestemming van Del Monte worden gecreëerd of aangepast. Daarom was het argument van Del Monte dat zij niet eens over een vetorecht met betrekking tot de benoeming of het ontslag van bestuurders beschikte, in elk geval in deze algemene formulering onjuist.
140.
Van een onjuiste opvatting van bewijzen kan dus geen sprake zijn. het Veeleer lijkt Del Monte hier te pogen het Hof, onder het voorwendsel van een grief inzake onjuiste opvatting van bewijzen, gewoonweg tot een herbeoordeling van de feiten te bewegen, wat in hogere voorziening niet is toegestaan.69.
— Arbitragestelsel
141.
Ten vierde verwijt Del Monte het Gerecht een onjuiste opvatting van artikel 9, lid 5, van de vennotenovereenkomst, die in de instelling van een arbitrageraad voorzag ter beslechting van patsituaties in de vennotenvergadering70..
142.
Inzonderheid maakt Del Monte bezwaar tegen de volgende twee verklaringen van het Gerecht in punt 116 van het bestreden arrest:
- —
Ten eerste is het Gerecht van oordeel dat ‘de stelling dat de besluiten binnen deze raad met een eenvoudige meerderheid, en dus voor die familie per se gunstige, besluiten werden genomen, […] niet [wordt] onderbouwd’.
- —
Ten tweede merkt het Gerecht aldaar op dat ‘[d]e omvang van het betrokken voordeel […] in ieder geval [moet] worden gerelativeerd gezien de specifieke bevoegdheden van de vennotenvergadering’.
143.
Na bestudering van artikel 9, lid 5, van de vennotenovereenkomst lijkt mij geen van deze beide verklaringen van het Gerecht kennelijk onjuist. In tegendeel:
- —
Ten aanzien van de eerste verklaring zij opgemerkt dat artikel 9, lid 5, van de vennotenovereenkomst geen informatie bevat over de vereiste meerderheden voor de besluitvorming in de arbitrageraad. Mogelijk kan het vereiste van een besluitvorming met eenvoudige meerderheid worden afgeleid uit andere bepalingen van de vennotenovereenkomst. Del Monte heeft in dit verband echter geen bezwaar gemaakt tegen een onjuiste opvatting van die bepalingen. Overigens heeft de verklaring van het Gerecht betrekking op de meerderheden waarmee besluiten van de arbitrageraad werden genomen. Vanzelfsprekend kan aan een bepaling in een vennotenovereenkomst op zichzelf geen informatie worden ontleend over de toepassing ervan in de praktijk binnen de vennootschap.
- —
Uit de tweede verklaring komt slechts naar voren dat het Gerecht het belang van de aan het arbitragestelsel verbonden voordelen voor familie W. in de context van de vennotenovereenkomst als geheel heeft beoordeeld en gerelativeerd. In hoeverre een dergelijk onderzoek van de bredere achtergrond van de bewijzen kennelijk onjuist zou zijn, wordt niet duidelijk en door rekwirante op generlei wijze beredeneerd.
144.
Ik voeg hieraan toe dat het bestaan op zich van een arbitragestelsel in de vorm van een arbitrageraad allerminst overtuigend bewijs is voor de stelling van Del Monte ‘dat beslissingen over het handelsbeleid van Weichert uiteindelijk alleen door de familie [W.] werden genomen’. Want ook als de bewering van Del Monte waar is dat familie W. in de arbitrageraad over drie van de zes stemmen beschikte, had zij daarmee juist geen — namelijk ook geen eenvoudige — meerderheid.
ii) Onjuiste opvatting van een aantal andere stukken
145.
Afgezien van de vennotenovereenkomst heeft het Gerecht volgens Del Monte ook de strekking van een aantal andere dossierstukken onjuist opgevat. Hieronder zal ik hier kort op ingaan.
— ‘Evenwicht van de bevoegdheden’
146.
Ten eerste maakt Del Monte bezwaar tegen een ‘kennelijke onjuiste opvatting’ van haar eigen verklaringen uit het verzoekschrift in eerste aanleg71., waarin zij gewag had gemaakt van een ‘evenwicht van de bevoegdheden’ tussen de stille vennoot en de beherende vennoot. Naar mening van rekwirante heeft het Gerecht in punt 118 van het bestreden arrest ten onrechte uit haar opmerkingen over het ‘evenwicht van de bevoegdheden’ geconcludeerd dat familie W. en Del Monte gezamenlijke zeggenschap over Weichert hadden, en dit als aanwijzing beschouwd dat Del Monte de mogelijkheid had om een beslissende invloed op Weichert uit te oefenen.
147.
Van een onjuiste opvatting van de argumentatie van een partij in eerste aanleg moet — analoog aan de rechtspraak inzake onjuiste opvatting van feiten en bewijsmiddelen — worden uitgegaan, wanneer het Gerecht die argumentatie kennelijk onjuist heeft opgevat of de strekking ervan verkeerd heeft weergegeven72..
148.
Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake. Weliswaar heeft het Gerecht in punt 118 van het bestreden arrest het door Del Monte gebezigde begrip ‘evenwicht van de bevoegdheden’ overgenomen, maar inhoudelijk heeft het de argumentatie van Del Monte in de bedoelde passage van het arrest niet weergegeven. In plaats daarvan verwees het Gerecht naar zijn direct aan die passage voorafgaande uiteenzetting over specifieke bepalingen van de vennotenovereenkomst73., waaruit zij concludeerde dat Del Monte de mogelijkheid had om een beslissende invloed op Weichert uit te oefenen.
— Verklaringen van andere importeurs over de prijsvorming
149.
Ten tweede verwijt Del Monte het Gerecht dat het in de punten 211 tot en met 215 van het bestreden arrest, op basis van de antwoorden van andere importeurs (Chiquita en Dole) op verzoeken om inlichtingen van de Commissie, had verondersteld dat Weichert ‘ook aan de verwachtingen van Del Monte voldeed’ door haar referentieprijzen aan die van Dole aan te passen. Naar de mening van Del Monte heeft het Gerecht de verklaringen van die importeurs hiermee onjuist opgevat.
150.
Dit verwijt berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest, waarbij zelfs de tekst wordt verdraaid. In de bedoelde passage van het arrest wordt namelijk in het geheel niet vastgesteld of ook maar aangeduid dat Weichert ‘ook aan de verwachtingen van Del Monte voldeed’ door haar referentieprijzen aan die van Dole aan te passen. Del Monte legt het Gerecht een opmerking in de mond die het op deze wijze nooit heeft gemaakt en baseert daarop het ernstige verwijt van een onjuiste opvatting van bewijs.
151.
In werkelijkheid gaat het Gerecht in die passage in op de beweringen van Del Monte dat Weichert geheel zelfstandig was, dat Del Monte zelf referentieprijzen had willen zien die dichtbij die van Chiquita lagen, en dat Del Monte haar desbetreffende verwachtingen duidelijk jegens Weichert had laten blijken74.. Het Gerecht komt aldaar slechts tot de voorlopige conclusie dat de door Del Monte aangehaalde verklaringen van Chiquita en Dole haar eigen beweringen weerleggen75.. In de gelaakte punten 211 tot en met 215 van het bestreden arrest trekt het Gerecht geenszins een definitieve conclusie over de zelfstandigheid van Weichert ten opzichte van Del Monte.
152.
Bovendien zij opgemerkt dat de genoemde verklaringen van Chiquita en Dole geenszins zo ondubbelzinnig waren als door Del Monte wordt beweerd. Zij laten integendeel zeker ruimte voor interpretatie. Dat geldt met name voor de verklaring van Dole dat Del Monte ontevreden was ‘over de marketingresultaten van Weichert’ en ‘blijkbaar aan haar verhouding met Weichert een einde [heeft] gemaakt om haar eigen agressieve marketingaanpak toe te passen’76..
153.
Uit deze verklaringen komt ten eerste — zoals hierboven reeds werd aangeduid77. — niet duidelijk naar voren of Del Monte alleen om bedrijfseconomische redenen ontevreden was met Weichert, of ook met betrekking tot de marketingaanpak. Evenmin kan ten tweede uit het genoemde bewijsmateriaal worden opgemaakt óf, en zo ja, wanneer het bestuur van Weichert aanwijzingen van Del Monte heeft gekregen voor de tenuitvoerlegging van die marketingaanpak. Ook is ten derde niet duidelijk of die marketingaanpak destijds inderdaad op het verzet van het bestuur van Weichert is gestuit of dat de marktacceptatie voor die aanpak eenvoudigweg uitbleef, zoals Weichert stelt. Aan de hand van het bewijsmateriaal dat het Gerecht volgens Del Monte onjuist heeft opgevat, kan nog niet eens ondubbelzinnig worden vastgesteld op welk tijdstip Del Monte haar ‘eigen agressieve marketingaanpak’ heeft ontwikkeld en een begin heeft gemaakt met haar pogingen het in de praktijk te brengen: nog tijdens de periode van de inbreuk in de jaren 2000 tot en met 2002 of pas in 2003, dat wil zeggen na beëindiging van de inbreuk.
154.
Indien op basis van het bewijsmateriaal verschillende beoordelingen verdedigbaar lijken te zijn en het Gerecht de voorkeur heeft gegeven aan een daarvan, kan het Gerecht redelijkerwijs niet worden verweten bewijzen onjuist te hebben opgevat. Dit is het geval met de bewijsmiddelen die in de punten 211 tot en met 215 van het bestreden arrest worden aangehaald.
— Brief van een externe advocaat aan Del Monte
155.
Ten derde voert Del Monte een onjuiste opvatting van bewijzen aan met betrekking tot een brief van een externe advocaat aan Del Monte uit 1997. Volgens Del Monte wekt het Gerecht in punt 236 van het bestreden arrest de indruk dat die brief in opdracht van een van de vennoten van Weichert was verstuurd, terwijl de brief in werkelijkheid in opdracht van de vennootschap zelf was opgesteld.
156.
Hierbij zij direct opgemerkt dat het Gerecht zich in die passage van het arrest geenszins met de auteur van de brief bezighoudt, maar slechts algemene overwegingen over de vraag of uit het feit dat een van de vennoten een vennoot beroep doet op een juridisch adviseur, conclusies kunnen worden getrokken met betrekking tot de zeggenschap van de andere vennoot over de vennootschap. Het verwijt van Del Monte dat er sprake zou zijn van een onjuiste opvatting van bewijs lijkt me daarom ver gezocht.
157.
Bij zorgvuldige lezing van de genoemde brief valt bovendien op dat deze — anders dan Del Monte meent — voor meer dan één uitleg vatbaar is en dat geenszins duidelijk is namens wie en in wiens opdracht daarin opmerkingen worden gemaakt over bepaalde onderwerpen. Uit de inleiding blijkt weliswaar dat in de brief advies wordt uitgebracht aan de vennootschap78.. De verdere opmerkingen worden echter ten minste gedeeltelijk ook namens de heer W. en deels zelfs uitdrukkelijk namens de heer W. en de vennootschap gezamenlijk gemaakt79..
158.
Het gaat dus opnieuw om een bewijsstuk dat veel ruimte voor uiteenlopende interpretaties laat. In deze omstandigheden kan het Gerecht geen onjuiste opvatting van bewijs verweten door in punt 236 van het bestreden arrest te stellen dat ‘een vennoot beroep doet op een juridisch adviseur om te weten wat zijn rechten zijn en zich te verdedigen tegen degene die ervan verdacht wordt die rechten niet te respecteren’.
159.
In aanvulling hierop zij opgemerkt dat Del Monte in het geheel niet heeft toegelicht in hoeverre de vermeende onjuiste opvatting van de strekking van genoemde brief gevolgen heeft gehad voor het arrest van het Gerecht. Het bestreden arrest kan echter alleen op grond van een onjuiste opvatting van bewijzen worden vernietigd, wanneer deze onjuiste opvatting kan hebben doorgewerkt in het dictum 80.. Hiervoor zijn in casu geen aanwijzingen te vinden.
— Memorie uit een nationale procedure
160.
Ten vierde is Del Monte met betrekking tot de punten 237 en 238 van het bestreden arrest van mening dat het Gerecht de bewijskracht van een memorie uit een nationale gerechtelijke procedure onjuist heeft opgevat. In dit verweerschrift antwoord Weichert op een klacht van Del Monte dat alle toegevoegde economische waarde van Weichert, te weten de aankopen, de marketing en de logistiek uitsluitend konden worden toegerekend aan de beherende vennoten, en de rol van Del Monte binnen de vennootschap zich tot een financiële deelneming beperkte.
161.
Het Gerecht heeft — geheel conform de feiten — opgemerkt dat de klacht door Del Monte werd ingediend in plaats van door Weichert, dat die klacht verband hield met een opzegging van de distributieovereenkomst en dat de instelling van een gerechtelijke procedure door Del Monte inzake de economische waarde van de onderneming de conclusie van de uitoefening van een beslissende invloed niet uitsluit81..
162.
Ik zie niet in op welke wijze het Gerecht met deze opmerkingen blijk geeft van een onjuiste opvatting van de genoemde memorie. Het Gerecht heeft die memorie slechts tegen de procedurele en economische achtergrond ervan beoordeeld en daaruit zeer redelijke — en zeker geen kennelijk onjuiste — conclusies getrokken wat betreft de bewijskracht ervan in de onderhavige mededingingszaak.
— Geen consolidatie van de financiële resultaten
163.
Ten vijfde bekritiseert Del Monte met betrekking tot punt 259 van het bestreden arrest dat het Gerecht de achterwege gebleven consolidatie van de resultaten van Del Monte en Weichert ten onrechte als ‘volstrekt irrelevant’ heeft afgedaan. Volgens Del Monte komt dit neer op een onjuiste opvatting van bewijs.
164.
Dit argument snijdt geen hout. Del Monte mag dan van mening zijn dat het Gerecht uit het achterwege blijven van een consolidatie van resultaten juridisch onjuiste conclusies heeft getrokken en voorbij is gegaan aan de desbetreffende rechtspraak. Evenwel heeft dit niets te maken met een onjuiste opvatting van bewijs.
iii) Tussenconclusie
165.
Samenvattend kan worden geconstateerd dat de specifieke verwijten van Del Monte inzake een onjuiste opvatting van bewijzen allerminst gegrond zijn.
b) Verplichting van het Gerecht tot een volledige beoordeling van het bewijsmateriaal
166.
Tot slot voert Del Monte in het kader van haar tweede middel aan dat het Gerecht heeft nagelaten het aan hem voorgelegde bewijsmateriaal volledig te beoordelen. Volgens Del Monte heeft het Gerecht het bewijsmateriaal onjuist opgevat door elk bewijsstuk op zichzelf te onderzoeken, zonder echter te beoordelen of het bewijsmateriaal in zijn geheel tegen een beslissende invloed van Del Monte op Weichert pleit of — subsidiair — dat het in dit opzicht aan duidelijk bewijs ontbreekt (non liquet).
167.
Ook dit verwijt lijkt op een zeer selectieve lezing van het bestreden arrest te berusten. Zo blijkt alleen al uit punt 266 van het arrest dat het Gerecht de door Del Monte overgelegde schriftelijke bewijsstukken ‘op zichzelf dan wel gezamenlijk beschouwd’ niet kunnen afdoen aan de toerekening van de kartelinbreuk door Weichert aan Del Monte. Het Gerecht heeft dus geenszins nagelaten, het bewijsmateriaal in zijn totaliteit te beoordelen.
168.
Ondanks de betiteling als grief inzake onjuiste opvatting van bewijs blijkt het verwijt van Del Monte eerder een grief inzake een juridisch onjuiste kwalificatie van feiten te zijn. Del Monte stelt dat het Gerecht uit de beoordeling van het hem voorgelegde bewijsmateriaal in zijn totaliteit onjuiste juridische conclusies getrokken aangaande het bestaan van een economische eenheid tussen Del Monte en Weichert. Deze laatste in het kader van het tweede middel aangevoerde grief vertoont in zoverre overlappingen met het eerste middel en moet worden afgewezen om de redenen die in dat verband reeds werden uiteengezet82..
3. Vijfde middel: één enkele voortgezette inbreuk
169.
Met haar vijfde en laatste middel voert Del Monte aan dat het Gerecht de litigieuze beschikking nietig had moeten verklaren, omdat daarin één enkele en voortgezette inbreuk van Dole, Chiquita en Del Monte/Weichert werd vastgesteld, hoewel vaststaat dat Weichert niet op de hoogte was van de informatie-uitwisseling tussen Dole en Chiquita.
170.
Del Monte stelt nu dat het Gerecht het feit dat Weichert niet op de hoogte was van de informatie-uitwisseling tussen Dole en Chiquita had, ten onrechte slechts als verzachtende omstandigheid heeft beschouwd en daarmee de toepasselijke rechtspraak van het Hof niet in aanmerking heeft genomen.
171.
Mijns inziens berust dit middel op een onjuiste lezing van zowel het bestreden arrest als de rechtspraak van het Hof.
172.
Het concept van één enkele voortgezette inbreuk maakt het mogelijk om de bijdrage aan de inbreuk van elk van de karteldeelnemers aan alle andere karteldeelnemers — in zekere zin als medeplichtigen — toe te rekenen, ook al waren zij zelf niet actief betrokken bij elk afzonderlijk onderdeel van het kartel als geheel83..
173.
Zoals algemeen wordt erkend, veronderstelt een dergelijke toerekening dat wordt bewezen dat de betrokken onderneming de onrechtmatige gedragingen van de andere deelnemers kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden84..
174.
Een onderlinge toerekening van de deelname aan de inbreuk is met andere woorden mogelijk wanneer de betrokken karteldeelnemer wist of had moeten weten dat hij door zijn eigen deelname aan de inbreuk deel ging uitmaken van een kartel en met zijn eigen gedrag bijdroeg aan het bereiken van de gemeenschappelijke mededingingsverstorende doelstellingen van alle karteldeelnemers85..
175.
Indien echter niet is aangetoond dat een karteldeelnemer kennis had of had moeten hebben van bepaalde aspecten van een enkele voorgezette inbreuk, kan hij voor deze aspecten niet aansprakelijk worden gesteld86..
176.
Het feit dat een karteldeelnemer niet van alle aspecten kennis had of hoefde te hebben, doet echter niets af aan het objectieve bestaan van de enkele voortgezette inbreuk. In geen geval mag deze omstandigheid tot gevolg hebben dat deze onderneming wordt bevrijd van haar aansprakelijkheid voor de gedragingen ten aanzien waarvan haar deelname vaststaat of waarvoor zij daadwerkelijk aansprakelijk kan worden gesteld87.. Het gaat namelijk slechts om graduele verschillen die niets afdoen aan het feit dat de betrokken onderneming inbreuk heeft gemaakt op artikel 81 EG, ook al kunnen haar niet alle onderdelen van de enkele voortgezette inbreuk worden toegerekend88..
177.
Al met al moeten dus de omvang en het belang van de respectieve deelnames aan de inbreuk in verhouding tot het kartel in zijn geheel voor elke karteldeelnemer individueel in aanmerking worden genomen bij de bepaling van de geldboete89..
178.
Het Gerecht heeft bij de toepassing van deze regels in het onderhavige geval geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
179.
Het Gerecht heeft erkend dat Weichert geen kennis had van de informatie-uitwisseling tussen Dole en Chiquita en hiervan ook geen kennis hoefde te hebben. Het Gerecht heeft op grond van deze omstandigheid niet het bestaan van één enkele voortgezette inbreuk als zodanig in twijfel getrokken, maar het bestreden arrest terecht uitsluitend afgestemd op de rechtsgevolgen voor Weichert en vastgesteld dat aan Weichert — in tegenstelling tot Dole en Chiquita — de aansprakelijkheid van de inbreuk niet in haar geheel kon worden toegerekend en haar bijgevolg een lagere boete diende te worden opgelegd90..
180.
Weliswaar lijkt het vreemd dat het Gerecht in dit verband — waarschijnlijk in navolging van de woordkeuze van de Commissie in de litigieuze beschikking — van ‘verzachtende omstandigheden’ voor Weichert spreekt. In werkelijkheid is het namelijk eenvoudigweg de geringere bijdrage van Weichert aan de inbreuk, die een lagere sanctie wettigt. Ook het Gerecht gaat hier ten slotte van uit, gezien de toelichting dat het basisbedrag van de geldboete voor Weichert lager uitviel omdat deze onderneming niet op de hoogte was van het voorafgaande prijsoverleg tussen Chiquita en Dole dan wel dit overleg redelijkerwijs niet kon voorzien.
181.
Bijgevolg dient het vijfde middel te worden afgewezen.
C — Incidentele hogere voorziening van Weichert in zaak C-293/13 P
182.
De door Weichert in zaak C-293/13 P ingestelde incidentele hogere voorziening is, zoals hierboven uiteengezet91., niet-ontvankelijk, daar zij niet voldoet aan artikel 56, tweede alinea, tweede zin, van het Statuut van het Hof van Justitie. Ten aanzien van de gegrondheid neem ik hieronder daarom slechts subsidiair een standpunt in.
1. Eerste middel: bestaan van een onderling afgestemde feitelijke gedraging
183.
Ten eerste maakt Weichert met haar incidentele hogere voorziening in zaak C-293/13 P bezwaar tegen de vaststellingen van het Gerecht betreffende een tussen Weichert en Dole onderling afgestemde feitelijke gedraging. Volgens Weichert kan er geen sprake zijn van een tussen deze ondernemingen afgestemde feitelijke gedraging, aangezien Weichert zich enkel als volger had gedragen en zich steeds eenzijdig had gericht naar de referentieprijzen van Dole.
184.
In dit verband voert Weichert in totaal drie grieven tegen het bestreden arrest aan, waarop ik hieronder een voor een zal ingaan.
a) Grief inzake tegenstrijdige motivering van het arrest
185.
Ten eerste vindt Weichert de motivering van het arrest tegenstrijdig, omdat het Gerecht enerzijds in punt 580 ontkent dat er aanwijzingen waren voor haar rol als volger en anderzijds in punt 847 juist een dergelijke rol mogelijk acht.
186.
In dit verband is de vraag of de motivering van een arrest van het Gerecht tegenstrijdig dan wel ontoereikend is, een rechtsvraag die als zodanig in het kader van een hogere voorziening kan worden opgeworpen92..
187.
In casu stelt het Gerecht in de laatste zin van punt 580 van het bestreden arrest vast dat een bepaalde — aldaar nader besproken — verklaring van Chiquita in de administratieve procedure niet volstaat ter staving van de bewering ‘dat Weichert iedere week wachtte totdat zij op de hoogte was van de prijs van Dole om vervolgens haar eigen referentieprijs op hetzelfde bedrag vast te stellen’.
188.
Daarentegen merkt het Gerecht in punt 847 van het bestreden arrest op dat dezelfde verklaring van Chiquita ‘ook de indruk [kan] wekken dat Weichert met betrekking tot het prijsbeleid van Dole zich enkel als volger had gedragen’.
189.
Op het eerste gezicht lijkt er tussen deze beide punten van het bestreden arrest een zekere spanning te bestaan, bij nadere beschouwing zijn zij echter niet tegenstrijdig. In beide passages van het arrest buigt het Gerecht zich — zij het in zeer uiteenlopende contexten — over de bewijskracht van een en dezelfde verklaring van Chiquita uit de administratieve procedure. En in beide gevallen komt het Gerecht uiteindelijk tot de slotsom dat die verklaring een relatief zwakke bewijskracht heeft.
190.
Juist vanwege de zwakke bewijskracht van de betrokken verklaring van Chiquita heeft het Gerecht er al met al weinig bewijswaarde aan gehecht voor wat betreft het al dan niet bestaan van een tussen Dole en Weichert onderling afgestemde feitelijke gedraging: Zo heeft het Gerecht de verklaring van Chiquita enerzijds in de punten 580 en 581 van het bestreden arrest niet willen beschouwen als ontlastend bewijs waaruit blijkt dat Weichert in verhouding tot Dole slechts de rol van volger had. Evenmin is het Gerecht er anderzijds in de punten 847 tot en met 853 van het bestreden arrest van uitgegaan dat de bedoelde verklaring als belastend bewijs dient met betrekking tot het mededingingsverstorende karakter van de bilaterale betrekkingen tussen Weichert en Dole.
191.
Daarom is er geen sprake van schending van de krachtens artikel 36 juncto artikel 53, eerste alinea, van het Statuut van het Hof op het Gerecht rustende motiveringsplicht.
192.
Los daarvan moet meer in het algemeen worden opgemerkt dat het Gerecht niet zozeer zijn beoordeling van afzonderlijke bewijsmiddelen, maar veeleer zijn arrest moet motiveren. Men mag dan — ongeacht mijn bovenstaande uiteenzetting — de formulering van de punten 580 en 847 van het bestreden arrest niet geheel consequent achten, toch is de eigenlijke beslissing van het Gerecht over het bij hem ingestelde beroep duidelijk en coherent gemotiveerd, en wel met de strekking dat er sprake is van een onderling afgestemde feitelijke gedraging waarbij Weichert betrokken was93..
193.
Bijgevolg snijdt de door Weichert aangevoerde grief inzake de motivering geen hout.
b) Grief inzake de onjuiste opvatting van bewijsmiddelen
194.
Ten tweede verwijt Weichert het Gerecht een onjuiste opvatting van bewijsmiddelen. De vaststelling in punt 580 van het bestreden arrest dat de verklaring van Chiquita niet toereikend is om aannemelijk te maken dat Weichert zich enkel als volger had gedragen, vormt volgens haar een onjuiste opvatting van de duidelijke bewijzen. Weichert leidt dit af door dat punt te lezen in samenhang met punt 847 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht — zoals vermeld — opmerkt dat de bedoelde verklaring van Chiquita ‘ook de indruk [kon] wekken dat Weichert met betrekking tot het prijsbeleid van Dole zich enkel als volger had gedragen’.
195.
Zoals reeds vermeld, kan alleen van een onjuiste opvatting van feiten of bewijzen worden uitgegaan indien aan een aantal strikte voorwaarden is voldaan. Van een dergelijke verkeerde opvatting van feiten of bewijzen is slechts sprake wanneer, zonder gebruik te maken van nieuwe bewijsmiddelen, de beoordeling van de bestaande bewijsmiddelen kennelijk onjuist blijkt te zijn94.. Daarentegen is er geen sprake van een onjuiste opvatting van feiten of bewijzen wanneer op basis van het de feiten of het bewijsmateriaal verschillende beoordelingen verdedigbaar lijken te zijn en het Gerecht de voorkeur heeft gegeven aan een daarvan.
196.
Dat is in casu inderdaad het geval. Uit bedoelde verklaring van Chiquita uit de administratieve procedure kon niet duidelijk worden opgemaakt of Weichert enkel als volger de referentieprijzen van Dole eenzijdig heeft overgenomen of met Dole betrokken was bij een onderling afgestemde feitelijke gedraging met een mededingingsbeperkende strekking. Het Gerecht kwam tot de conclusie dat Chiquita de bewering inzake de rol van volger niet kon staven95.. Een dergelijke conclusie is zeer wel verdedigbaar, gezien de zwakke bewijskracht die de verklaring heeft ten aanzien van de verhouding tussen Weichert en Dole; in geen geval was deze conclusie van het Gerecht kennelijk onjuist.
197.
Bijgevolg is het verwijt van een onjuiste opvatting van bewijsmiddelen ongegrond.
c) Grief inzake het ontbreken van een toekomstgerichte informatie-uitwisseling
198.
Tot slot stelt Weichert dat in casu niet is vastgesteld dat er op enig tijdstip tussen Dole en Weichert een informatie-uitwisseling over hun eigen toekomstige marktgedrag heeft plaatsgevonden. Ook om deze reden kan volgens Weichert niet worden uitgegaan van een tussen beide ondernemingen onderling afgestemde feitelijke gedraging met mededingingsbeperkende strekking.
199.
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het alleen aan het Gerecht staat om feiten en bewijzen te beoordelen, terwijl het Hof daartoe in hogere voorziening niet bevoegd is — met uitzondering van een eventuele grief met betrekking tot onjuiste opvatting van feiten of bewijzen96.. De argumentatie van Weichert lijkt er uiteindelijk op gericht het Hof te bewegen tot een nieuwe beoordeling van de feiten, en moet bijgevolg niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
200.
Alleen voor de volledigheid wijs ik erop dat in tegenstelling tot wat Weichert betoogt, het Gerecht in verschillende passages van het bestreden arrest wel degelijk vaststelt dat Dole en Weichert informatie hebben uitgewisseld over hun toekomstige marktgedrag97..
201.
In dit verband is overigens niet van belang of slechts één onderneming haar concurrenten eenzijdig heeft geïnformeerd over haar voorgenomen marktgedrag of dat alle betrokken ondernemingen elkaar over hun afwegingen of intenties informeren. Wanneer slechts één onderneming het waagt om aan haar concurrenten vertrouwelijke informatie door te geven over haar commerciële beleidsvoornemens, vermindert dat voor alle betrokken concurrenten de onzekerheid over de toekomstige marktwerking en neemt het risico op een verzwakte mededinging en op collusie toe98..
202.
Hierbij is het om het even of Dole en Weichert in het kader van voorafgaand prijsoverleg elkaar over en weer inlichtingen over hun toekomstige marktgedrag hebben verstrekt of dat enkel Dole eenzijdig informatie van dien aard aan Weichert heeft doorgegeven, maar Weichert omgekeerd niet aan Dole. In beide gevallen is er sprake van een overeenkomstig artikel 81 EG (artikel 101 VWEU) verboden onderling afgestemde feitelijke gedraging met mededingingsbeperkende strekking.
d) Tussenconclusie
203.
Bijgevolg is het eerste middel dat Weichert in het kader van haar incidentele hogere voorziening in zaak C-293/13 P heeft aangevoerd, in zijn totaliteit ongegrond.
2. Tweede middel: mededingingsbeperkende strekking
204.
Met haar incidentele hogere voorziening in zaak C-293/13 P verwijt Weichert het Gerecht ten tweede dat het in het onderhavige geval ten onrechte is uitgegaan van een mededingingsbeperkende strekking. Volgens Weichert heeft het Gerecht slechts ‘beweerd’ dat het voorafgaande prijsoverleg reeds naar zijn aard een verstoring van de mededinging inhoudt en nagelaten uiteen te zetten hoe het in de gegeven juridische en economische omstandigheden concreet tot een beperking van de mededinging strekte.
205.
Op het eerste gezicht lijkt het erop dat Weichert het Hof met dit argument op ontoelaatbare wijze ertoe wil bewegen, in hogere voorziening zijn eigen beoordeling van de feiten en bewijzen in de plaats te stellen van die van het Gerecht. In werkelijkheid wordt het Hof hier echter verzocht na te gaan of het Gerecht bij zijn beoordeling van de feiten en de bewijzen is uitgegaan van de juiste criteria en maatstaven. Dit is een rechtsvraag die in hogere voorziening door het Hof kan worden getoetst99. en die van bijzonder belang is in verband met het recente arrest in de zaak CB/Commissie100..
206.
Ik wijs er vooraf op dat het Gerecht zich in casu zeer uitvoerig over de marktomstandigheden en de desbetreffende, door Weichert aangevoerde argumenten heeft gebogen en zeer helder heeft gemotiveerd waarom de informatie-uitwisseling tussen de betrokken ondernemingen geacht moet worden naar haar aard schadelijk te zijn weest voor de werking van de normale mededinging. Hierin verschilt de onderhavige zaak fundamenteel van de genoemde zaak CB/Commissie.
a) Relevante juridische criteria
207.
Binnen de werkingssfeer van artikel 81 EG (thans artikel 101 VWEU) kan het mededingingsverstorende karakter van gedragingen van ondernemingen niet alleen voortvloeien uit de gevolgen ervan, maar ook uit de strekking ervan. Dit geldt evenzeer voor overeenkomsten en besluiten als voor onderling afgestemde feitelijke gedragingen101..
208.
Niet elke uitwisseling van informatie tussen concurrenten strekt er noodzakelijkerwijs toe dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst in de zin van artikel 81, lid 1, EG102..
209.
Of een dergelijke informatie-uitwisseling reeds naar haar aard de mededinging in die mate nadelig beïnvloedt dat zij kan worden geacht een mededingingsbeperkende strekking in de zin van artikel 81, lid 1, EG te hebben, moet worden beoordeeld op basis van de inhoud en de beoogde doelen ervan, alsook de economische en juridische context waarin die uitwisseling plaatsvindt103.. Bij de beoordeling van deze context moet ook rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en met de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de specifieke markt of markten104.. De bedoelingen van de betrokkenen vormen weliswaar geen noodzakelijk element van die beoordeling, maar kunnen hierbij wel in aanmerking worden genomen105..
210.
Wanneer op basis van de hierboven genoemde criteria blijkt dat de informatie-uitwisseling tussen concurrenten reeds naar haar aard kan worden geacht schadelijk te zijn voor de werking van de normale mededinging — met andere woorden, dat die uitwisseling op zichzelf de mededinging in voldoende mate verstoort — hoeven de concrete gevolgen ervan voor de mededinging niet te worden onderzocht en in aanmerking te worden genomen106.. Het volstaat in dat geval dat de informatie-uitwisseling de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt concreet kan verhinderen, beperken of vervalsen107..
211.
Volgens de rechtspraak van het Hof bestaat er, behoudens door de betrokken ondernemers te leveren tegenbewijs, een weerlegbaar vermoeden dat ondernemingen die aan de afstemming deelnemen en op de markt actief blijven, bij de bepaling van hun gedrag op de markt rekening houden met de met hun concurrenten uitgewisselde informatie108..
b) Toepassing van de relevante juridische criteria op het concrete geval
212.
Anders dan Weichert ben ik van mening dat niets erop wijst dat het Gerecht in casu de hierboven vermelde juridische criteria onjuist heeft toegepast of onzorgvuldig heeft onderzocht.
213.
In het algemeen lijkt het erop dat Weichert de voorwaarden voor de vaststelling van een mededingingsbeperkende strekking en mededingingsbeperkende gevolgen door elkaar haalt, gezien haar reeds in eerste aanleg aangevoerde argument dat het Gerecht rekening had moeten houden met ‘de economische gevolgen van het ten laste gelegde gedrag op de bananenmarkt in Noord-Europa’. Want dat is op grond van artikel 81 EG (artikel 101 VWEU) niet noodzakelijk voor de strekking van een gedraging, maar uitsluitend voor de beoordeling van het gevolg of de gevolgen ervan109..
— Aard en inhoud van de informatie-uitwisseling
214.
Inzonderheid beweert Weichert in de eerste plaats dat een informatie-uitwisseling over referentieprijzen niet geacht kan worden naar haar aard mededingingsverstorend te zijn.
215.
Dienaangaande zij opgemerkt dat een uitwisseling van informatie niet alleen een mededingingsbeperkende strekking heeft wanneer zij rechtstreeks betrekking heeft op de prijzen die door de betrokken ondernemingen op de markt worden gehanteerd. Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, is artikel 81 EG (artikel 101 VWEU) er namelijk op gericht de structuur van de markt en daarmee de mededinging als zodanig veilig te stellen110.. Dienovereenkomstig is er niet eerst sprake van een onderling afgestemde feitelijke gedraging met een mededingingsbeperkende strekking wanneer er een rechtstreeks verband met de verbruikersprijzen bestaat111.. Evenmin moet er een rechtstreeks verband tussen de uitgewisselde informatie en de groothandelsprijzen bestaan. Om te kunnen spreken van een mededingingsbeperkende strekking volstaat het veeleer dat tussen concurrenten informatie wordt uitgewisseld over factoren die van belang zijn voor hun prijsbeleid of — meer algemeen — hun marktgedrag112.
216.
Dat is in casu nu juist het geval.
217.
Volgens de zeer uitvoerige vaststellingen van het Gerecht, waartegen Weichert geen bezwaar wegens onjuiste opvatting van feiten of bewijzen maakt, hebben de betrokken ondernemingen in het onderhavige geval telkens voorafgaand bilateraal prijsoverleg gevoerd in het kader waarvan zij hun referentieprijzen en bepaalde prijstendensen hebben besproken113.. De niet onderbouwde bewering van Weichert dat de informatie-uitwisseling slechts betrekking had op de algemene op de markt heersende voorwaarden, maar niet om de individuele prijsvoorstellingen van de betrokken ondernemingen, is niet verenigbaar met de door het Gerecht vastgestelde feiten en is daarom — bij gebrek aan een grief inzake een onjuiste opvatting van de feiten — niet relevant in de onderhavige hogere voorziening.
218.
Naar het Gerecht tevens heeft vastgesteld — overigens niet in de laatste plaats op basis van de verklaringen van Weichert zelf — waren de referentieprijzen relevant voor de betrokken markt114.. Inzonderheid konden aan de bedoelde referentieprijzen van de bananenimporteurs in het onderhavige geval ten minste marktsignalen, markttendensen of indicaties over de voorziene ontwikkeling van de bananenprijs worden ontleend; bovendien was de prijs bij bepaalde transacties op grond van contractueel overeengekomen prijsformules rechtstreeks aan de referentieprijzen gekoppeld115..
219.
Ik vermeld hier nog bij dat het uit commercieel oogpunt niet bijzonder zinvol zou zijn om referentieprijzen vast te leggen en informatie over de verdere ontwikkeling ervan uit te wisselen met concurrenten, tenzij de eigen referentieprijzen en de over de referentieprijzen van de concurrentie verkregen informatie een rol spelen bij het bepalen van het toekomstige marktgedrag van de verschillende ondernemingen en de door hen daadwerkelijk gehanteerde prijzen.
220.
Na een zeer uitvoerige behandeling van de concrete marktomstandigheden en de door Weichert aangevoerde argumenten heeft het Gerecht derhalve terecht geconcludeerd dat de uitwisseling van informatie tussen de betrokken ondernemingen een mededingingsbeperkende strekking had116..
221.
Een dergelijke informatie-uitwisseling tussen concurrenten over factoren die relevant zijn voor de prijsvorming, staat namelijk haaks op de eis van zelfstandigheid, die kenmerkend is voor het marktgedrag van ondernemingen in een op effectieve mededinging gebaseerd marktstelsel117.. Een dergelijke uitwisseling zal dus — zonder dat dit verdere toelichting behoeft — op zichzelf volstaan om de mededinging in voldoende mate te verstoren en kan worden geacht naar zijn aard schadelijk te zijn voor de normale mededinging118..
222.
Op dit punt verschilt de onderhavige zaak fundamenteel van de door Dole aangevoerde zaak Asnef-Equifax119., die betrekking had op het Spaanse systeem voor de uitwisseling van kredietinformatie. Want de uitwisseling van informatie over de kredietwaardigheid van kredietnemers, die in de zaak Asnef-Equifax aan de orde was, diende er in de eerste plaats toe de werking van de markt te verbeteren en gelijke mededingingsvoorwaarden voor alle kredietverstrekkers te scheppen, zonder dat de marktdeelnemers hun concurrenten hierbij op enige wijze werden ingelicht over de condities die zij hun klanten zouden bieden. De hier in geding zijnde uitwisseling van informatie had hoofdzakelijk betrekking op de factoren die relevant waren voor de vaststelling van de te verwachten referentieprijzen en op prijstendensen, en werkte daarom omgekeerd: bij deze uitwisseling stelden de betrokken ondernemingen hun concurrenten — ten minste gedeeltelijk — op de hoogte van hun beoogde marktgedrag en van gevoelige gegevens in verband met hun prijsvooruitzichten. Overduidelijk is dat een dergelijke uitwisseling de mogelijkheid biedt onzekerheden van de betrokken onderneming ten aanzien van het voorgenomen gedrag weg te nemen en mededingingsvoorwaarden doet ontstaan die niet met de normale voorwaarden op de betreffende markt overeenkomen.
223.
Tegen deze achtergrond moet de kritiek van Weichert betreffende de aard en de inhoud van de informatie-uitwisseling van de hand worden gewezen.
— Frequentie en geregeld karakter van de informatie-uitwisseling
224.
Een verder bezwaar van Weichert betreft de frequentie en het geregelde karakter van de informatie-uitwisseling met Dole. Weichert benadrukt dat er ‘slechts’ ca. 20 tot en met 25 keer per jaar bilateraal voorafgaand prijsoverleg werd gevoerd, terwijl de referentieprijzen wekelijks werden bepaald. Bovendien werd ‘slechts zelden’ over de ‘mogelijke toekomstige ontwikkeling van de referentieprijzen in het algemeen’ gesproken.
225.
Zelfs al lijkt moeilijk te ontkennen dat een informatie-uitwisseling die 20 à 25 keer per jaar plaatsvindt, gekenmerkt is door een indrukwekkende regelmatigheid en frequentie, biedt de onderhavige hogere voorziening, waarin alleen rechtsvragen aan de orde zijn, niet het juiste kader voor allerlei rekensommen, die uiteindelijk zou uitdraaien op een nieuwe beoordeling van de feiten.
226.
Weinig steekhoudend is in dit verband ook het argument van Weichert dat weliswaar wekelijks referentieprijzen werden vastgelegd, maar dat niet elke week een informatie-uitwisseling over de bepalende factoren voor die prijzen plaatsvond. Want ook al mocht de bewering kloppen dat het ritme van de vastlegging van referentieprijzen niet helemaal synchroon met dat van de informatie-uitwisseling, doet dit niet af aan het feit dat er sprake is van een informatie-uitwisseling met mededingingsbeperkende strekking.
227.
Anders dan Weichert lijkt te denken, is de vaststelling van het bestaan van een informatie-uitwisseling met mededingingsbeperkende strekking niet afhankelijk van de vraag of een frequente dan wel geregelde — of zelfs wekelijkse — uitwisseling van informatie tussen de betrokken ondernemingen kan worden aangetoond. Volgens de rechtspraak kan reeds op grond van een eenmalige informatie-uitwisseling een inbreuk worden vastgesteld en een geldboete worden opgelegd, als de betrokken ondernemingen na die informatie-uitwisseling op de markt actief zijn gebleven120..
228.
Het verwijt van Weichert dat het Gerecht de frequentie en het geregelde karakter van de informatie-uitwisseling met Dole niet zou hebben onderzocht, snijdt daarom geen hout.
c) Tussenconclusie
229.
Al met al slaagt Weichert er met haar argumentatie niet in te weerleggen dat de in geding zijnde informatie-uitwisseling overeenkomstig de juridische kwalificatie door het Gerecht moet worden beschouwd als een bij artikel 81 EG verboden onderling afgestemde feitelijke gedraging met mededingingsbeperkende strekking. Bijgevolg kan ook het tweede middel van de incidentele hogere voorziening in zaak C-293/13 P niet slagen.
3. Samenvatting van de incidentele hogere voorziening in zaak C-293/13 P
230.
Aangezien geen van de door Weichert aangevoerde middelen kan slagen, dient de incidentele hogere voorziening in zaak C-293/13 P te worden afgewezen.
D — Principale hogere voorziening van de Commissie in zaak C-294/13 P
231.
Ook de Commissie was overduidelijk niet tevreden met het bestreden arrest. Haar hogere voorziening in zaak C-294/13 P heeft betrekking op de vraag onder welke voorwaarden de medewerking van een onderneming met de Commissie in een administratieve procedure bij de berekening van de geldboete als verzachtende omstandigheid in aanmerking moet worden genomen.
1. Eerste middel: Beantwoording van verzoeken om inlichtingen van de Commissie als grond voor een verlaging van de boete
232.
Met haar tweede middel komt de Commissie op tegen de punten 840 tot en met 853 van het bestreden arrest. In deze passage van het arrest stelt het Gerecht, onder meer op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002, dat de gezamenlijk en hoofdelijk aan Del Monte en Weichert opgelegde geldboete moet worden verlaagd, als erkenning voor het feit dat Weichert in de administratieve procedure vrijwillig inlichtingen had verstrekt121.. De Commissie meent dat die verlaging ten onrechte wordt toegekend en redeneert in hoofdzaak dat Weichert slechts haar verplichting tot het beantwoorden van verzoeken om inlichtingen is nagekomen. Del Monte en Weichert brengen hiertegen in dat er geen sprake was van een dergelijke verplichting en dat Weichert vrijwillig inlichtingen had verstrekt.
233.
Het lijkt erop dat de hardnekkige discussie tussen de partijen in het kader van dit eerste middel gedeeltelijk te wijten is aan een zekere begripsverwarring aangaande de conceptenvrijwilligheid, medewerking en het recht niet mee te werken aan de eigen veroordeling in verband met de verstrekking van inlichtingen in de administratieve procedure. Deze begripsverwarring begint al in het bestreden arrest en duurt voort in de hogere voorziening van de Commissie.
234.
Duidelijk is dat de Commissie bevoegd is om ondernemingen en ondernemersverenigingen kan verzoeken alle nodige inlichtingen te verstrekken ten behoeve van de opsporing van vermeende kartelinbreuken. De Commissie kan hiertoe naar eigen inzicht bepalen of zij inlichtingen inwint via een eenvoudig verzoek of bij beschikking (artikel 18, lid 1, van verordening nr. 1/2003).
235.
Het verstrekken van inlichtingen is alleen verplicht wanneer de Commissie hierom bij beschikking vraagt, terwijl de beantwoording van een eenvoudig verzoek vrijwillig is122.. Deze lezing wordt bevestigd door de sancties voor niet-verstrekking van inlichtingen: zij gelden alleen voor inlichtingen die bij beschikking worden verlangd, maar niet voor eenvoudige verzoeken123.; alleen op het verstrekken van onjuiste of misleidende inlichtingen staat in beide gevallen een geldboete124.. Op deze wijze waarborgt verordening nr. 1/2003 het fragiele evenwicht tussen doeltreffende onderzoeken door de Commissie en een gepaste bescherming voor de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen.
236.
Partijen zijn het erover eens dat Weichert in het onderhavige geval niet bij beschikking als bedoeld in artikel 18, lid 3, van verordening nr. 1/2003 tot het verstrekken van inlichtingen werd verplicht, maar slechts informeel, via een eenvoudig verzoek overeenkomstig artikel 18, lid 2, van die verordening door de Commissie werd opgeroepen inlichtingen te verschaffen125.. Anders dan de Commissie lijkt te denken, staat hiermee vast dat Weichert met de beantwoording van het eenvoudig verzoek in de administratieve procedure niet een eventuele wettelijke verplichting is nagekomen, maar alle inlichtingen op vrijwillige basis heeft verstrekt.
237.
Uit dit vrijwillige karakter volgt echter niet noodzakelijk of automatisch dat in casu de mededeling inzake medewerking van toepassing is.
238.
Zelfs wanneer men ervan uitgaat dat de door Weichert verstrekte inlichtingen niet alleen, zoals het Gerecht heeft vastgesteld, vrijwillig waren, maar bovendien ook van bijzonder belang voor de administratieve procedure waren126. en de Commissie in staat stelden de inbreuk gemakkelijker vast te stellen127., kan hieruit nog niet worden opgemaakt of het om een echte medewerking met de Commissie ging waarvoor Weichert volgens de mededeling inzake medewerking diende te worden beloond met een verlaging van haar geldboete.
239.
Er zijn aan herinnerd dat een vermindering van de geldboete op grond van de mededeling inzake medewerking volgens de rechtspraak slechts gerechtvaardigd kan zijn indien de verstrekte informatie en meer algemeen het gedrag van de betrokken onderneming getuigen van een werkelijke medewerking van haar kant met de Commissie. Met andere woorden moet het gedrag van de betrokken onderneming gedurende de administratieve procedure blijk moet geven van een werkelijke geest van samenwerking128..
240.
Het zou verkeerd zijn om reeds van een geest van medewerking te spreken wanneer een onderneming naar behoren alle verzoeken om inlichtingen van de Commissie beantwoordt. Door enkel de concrete verzoeken van de Commissie te beantwoorden, ook al gaat het om juridisch niet bindende eenvoudige verzoeken, voldoet een onderneming slechts aan de eisen die in een administratieve procedure aan haar worden gesteld, overeenkomstig het normale gedrag van een redelijke partij bij de procedure129..
241.
Dat een onderneming in de administratieve procedure geen obstructie pleegt, wettigt nog geen beloning. Want daardoor belet de onderneming alleen dat zich bezwarende omstandigheden voordoen, op grond waarvan eventueel een verhoging van de aan haar opgelegde geldboete gerechtvaardigd is130.. Uit het ontbreken van dergelijke bezwarende omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat er sprake is van verzachtende omstandigheden. Wie in het genot wil komen van verzachtende omstandigheden moet meer doen dan het normale gedrag aan de dag te leggen dat redelijkerwijs van elke partij bij de procedure kan worden verwacht. Hij moet op eigen initiatief volledig open kaart spelen.
242.
Zoals de Commissie bovendien terecht beklemtoont, strookt het in het geheel niet met de doelstelling van de clementieregeling zoals die is neergelegd in de mededeling inzake medewerking, wanneer alle karteldeelnemers automatisch in het genot van een boeteverlaging komen, zodra zij de Commissie op verzoek bewijsmateriaal of andere nuttig informatie met het oog op een inbreuk doen toekomen.
243.
Anders zou de toepassing van de clementieregeling, die volgens de rechtspraak uitdrukkelijk tot uitzonderingsgevallen beperkt dient te blijven131., juist de regel worden, zodat het aantal toe te kennen boeteverlagingen een enorme vlucht zou nemen.
244.
Indien de boeteverlaging ook zou openstaan voor ondernemingen die informatie en bewijsmiddelen achterhouden, totdat de Commissie er met concrete verzoeken om inlichtingen naar vraagt, zou de clementieregeling bovendien geen prikkels meer bieden. Voor de ondernemingen zou het dan om tactische redenen en vooral in economisch opzicht de moeite waard zijn om zich afwachtend en passief op te stellen, in plaats van onmiddellijk tot legale praktijken terug te keren en de Commissie zo snel en uitvoerig mogelijk informatie en bewijsmateriaal te verschaffen. De effectieve handhaving van de Europese mededingingsregels132., een van de hoofddoelstellingen van de Verdragen, zou daarmee allerminst zijn gebaat.
245.
Dat een onderneming in de administratieve procedure niet voor zuiver afwachtend en passief gedrag mag worden beloond met verzachtende omstandigheden, blijkt eveneens uit een vergelijking met de richtsnoeren van 2006, waarin een actieve medewerking met de Commissie wordt verlangd133.. Er zijn geen aanwijzingen voor dat de eisen betreffende de kwaliteit van door ondernemingen aan de Commissie verleende medewerking, binnen de werkingssfeer van de clementieregeling, zoals neergelegd in de mededeling inzake medewerking, geringer lager zijn dan binnen de werkingssfeer van de algemene regels voor de berekening van geldboeten zoals vervat in de richtsnoeren van 2006.
246.
Tegen deze achtergrond is een boeteverlaging zoals die waarin de mededeling inzake medewerking voorziet, alleen gerechtvaardigd wanneer een onderneming de Commissie op eigen initiatief inlichtingen verstrekt. Anders gezegd moet de aan de Commissie verleende medewerking niet alleen vrijwillig, maar ook spontaan zijn134..
247.
Bijgevolg heeft het Gerecht in de punten 840 tot en met 853 van het bestreden arrest ten onrechte aangenomen dat reeds de vrijwillige beantwoording van een eenvoudig verzoek om inlichtingen overeenkomstig artikel 18, lid 2, van verordening nr. 1/2003 een verlaging van de opgelegde geldboete in de zin van de punten 20 tot en met 23 van de mededeling inzake medewerking van 2002 rechtvaardigt.
248.
Dat de contacten tussen Weichert en de Commissie niet bepaald door een geest van medewerking waren gekenmerkt, blijkt overigens niet alleen uit het feit dat de verstrekking van inlichtingen aan de Commissie geen spontaan karakter had, maar ook uit de vaststelling van het Gerecht dat Weichert tijdens de administratieve procedure iedere inbreuk is blijven ontkennen135.. Elk van deze beide aspecten — het ontbreken van spontane informatieverstrekking enerzijds en de hardnekkige ontkenning anderzijds — sluit een toepassing van de punten 20 tot en met 23 van de mededeling inzake medewerking van 2002 strikt uit.
249.
Het feit dat het Gerecht zich bij zijn motivering van de bij zijn arrest vastgestelde verlaging van de geldboete voor Del Monte en Weichert heeft gebaseerd op een onjuiste uitlegging van de mededeling inzake medewerking, heeft weliswaar niet dwingend de vernietiging van het bestreden arrest tot gevolg136.. Er zij namelijk aan herinnerd dat in die mededeling enkel de toenmalige administratieve praktijk van de Commissie als mededingingsautoriteit haar weerslag heeft gevonden en dat de Commissie met de publicatie ervan een zelfbinding heeft aanvaard, zonder dat aan deze mededeling rechtskracht is verleend137.. Niets belet het Gerecht om in uitoefening van haar volledige rechtsmacht (artikel 261 VWEU juncto artikel 31 van verordening nr. 1/2003) andere maatstaven te hanteren en zo nodig genereuzere boeteverlagingen vast te stellen138..
250.
Het Hof ziet alleen op uitoefening van deze rechtsmacht door het Gerecht toe voor zover het om kennelijke onjuiste rechtsopvattingen gaat139.. Van een dergelijke kennelijk onjuiste rechtsopvatting kan ten eerste worden uitgegaan wanneer het Gerecht de grenzen van zijn bevoegdheden krachtens artikel 261 VWEU heeft miskend140., ten tweede wanneer het niet uitvoerig alle relevante elementen heeft onderzocht141., en ten derde wanneer het onjuiste juridische criteria heeft toegepast142., niet in de laatste plaats in het licht van de beginselen van gelijke behandeling 143. en evenredigheid144..
251.
De onderhavige zaak valt onder de tweede categorie: het Gerecht heeft in uitoefening van zijn rechtsmacht overeenkomstig artikel 261 VWEU niet alle relevante elementen uitvoerig onderzocht. Zo heeft het, zoals vermeld, enerzijds het verschil tussen enkel vrijwillige en spontane medewerking miskend145.. Anderzijds heeft het geen rekening gehouden met de nadelige gevolgen die een door een Unierechter ingevoerde praktijk van boeteverlagingen voor vrijwillige, maar niet-spontane medewerking, kan hebben voor de werking van de clementieregeling en — meer algemeen — de doeltreffende handhaving van de mededingingsregels146..
252.
Bijgevolg moet het eerste middel in hogere voorziening van de Commissie worden toegewezen.
2. Tweede middel: economische eenheid als voorwaarde voor de uitbreiding van verzachtende omstandigheden van dochteronderneming tot moedermaatschappij
253.
De Commissie voert haar tweede middel slechts subsidiair aan voor het geval dat het eerste middel niet slaagt. Ofschoon ik hierboven heb voorgesteld om het eerste middel toe te wijzen147., ga ik hieronder voor de volledigheid ook in op het tweede.
254.
De Commissie verwijt het Gerecht een onjuiste rechtsopvatting en een gebrekkige motivering, daar het de aan Weichert voor haar medewerking aan de administratieve procedure toegekende verlaging van de geldboete ook voor Del Monte toepast, zonder te onderzoeken of Del Monte en Weichert nog tot een en dezelfde onderneming behoorden.
a) Ontvankelijkheid
255.
Del Monte acht dit tweede middel van de Commissie niet-ontvankelijk, aangezien de Commissie noch in de litigieuze beschikking noch in de procedure in eerste aanleg ooit met het argument is gekomen, dat Del Monte en Weichert wat betreft de hoogte van de boete apart moeten worden beoordeeld.
256.
Deze exceptie moet worden aanvaard.
257.
De Commissie mag weliswaar geen nadeel ondervinden van het feit dat de litigieuze beschikking geen opmerkingen bevat over het onderhavige vraagstuk. De Commissie heeft in die beschikking namelijk zelf alleen boeteverlagingen vastgesteld die betrekking hebben op feiten uit het tijdvak van 2000 tot en met 2002. Daar de Commissie Del Monte en Weichert wat dit tijdvak betreft nog als één onderneming beschouwde, was het hier besproken probleem van geldboeten van uiteenlopende hoogte voor de respectievelijke vennootschappen niet aan de orde.
258.
Evenwel had de Commissie haar argument uiterlijk in eerste aanleg kunnen en moeten aanvoeren. Voor het Gerecht had Del Monte om een verlaging van de geldboete verzocht als beloning voor de door Weichert aan de Commissie verleende medewerking in de administratieve procedure. In antwoord op dit middel kon de Commissie het argument aanvoeren dat Del Monte en Weichert na 2002, met name tijdens de administratieve procedure, niet langer één onderneming vormden en dat Del Monte derhalve niet mocht worden beloond voor de eventueel door Weichert aan de Commissie te verlenen medewerking.
259.
In deze omstandigheden kan niet worden geredeneerd dat de Commissie in de onderhavige zaak een middel aanvoert dat uit het bestreden arrest zelf voortvloeit en daarom noodzakelijkerwijs ontvankelijk is148.. Dit is des temeer het geval omdat het Gerecht volgens vaste rechtspraak149. niet verplicht was om in uitoefening van zijn volledige rechtsmacht (artikel 261 VWEU juncto artikel 31 van verordening nr. 1/2003) het dossier ambtshalve volledig opnieuw te onderzoeken en zich daarbij te buigen over vraagstukken zoals die welke in casu door de Commissie zijn aangekaart.
260.
Indien de Commissie thans in de gelegenheid zou worden gesteld om dat vraagstuk in de fase van de hogere voorziening voor het eerst op te werpen, zou het een geschil aanhangig mogen maken met een ruimere strekking dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen. Een dergelijk middel is in hogere voorziening niet-ontvankelijk.150..
b) Gegrondheid
261.
Voor het geval dat het Hof het tweede middel van de Commissie toch ontvankelijk verklaart, voeg ik hieraan toe dat de door de Commissie aangevoerde grief in inhoudelijk gegrond is.
262.
Zoals het Hof onlangs heeft vastgesteld kan de verlaging van een geldboete ter beloning van de door een karteldeelnemer in de administratieve procedure aan de Commissie verleende medewerking, niet worden uitgebreid tot een onderneming die gedurende de gehele of een bepaald tijdvak van de inbreukperiode deel heeft uitgemaakt van een door een onderneming gevormde economische eenheid, maar die daarvan niet langer deel uitmaakte op het moment waarop de bedoelde karteldeelnemer met de Commissie heeft samengewerkt151..
263.
Anders dan Del Monte en Weichert lijken te denken, kan de hoofdelijke medeaansprakelijkheid van de moedermaatschappij voor kartelinbreuken van een dochteronderneming waarover zij een beslissende invloed uitoefent, niet op een zuiver ondergeschikte verhouding berusten zoals in het geval van een garantstelling. Weliswaar noemt het Hof de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij ‘afgeleid en ondergeschikt’ waar het gaat om het bestaan en de duur van een inbreuk152.. Verder bestaat er echter in het Unierecht geen algemeen beginsel volgens hetwelk aan een moedermaatschappij in geen geval een hogere geldboete zou kunnen worden opgelegd dan aan de dochteronderneming153..
3. Samenvatting van de principale hogere voorziening in zaak C-294/13 P
264.
Al met al slaagt de hogere voorziening van de Commissie in zaak C-294/13 P op grond van het eerste middel, wat tot vernietiging van punt 1 van het dictum van het bestreden arrest leidt (artikel 61, eerste alinea, eerste zin, van het Statuut van het Hof). Het tweede middel, waarmee weliswaar inhoudelijk juiste argumenten worden aangevoerd, maar dat niet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden voldoet, is in deze omstandigheden niet meer relevant.
E — Incidentele hogere voorzieningen van Weichert en Del Monte in zaak C-294/13 P: draagwijdte van het recht niet mee te werken aan de eigen veroordeling
265.
De incidentele hogere voorzieningen van Weichert en Del Monte in zaak C-294/13 P zijn gericht tegen punt 839 van het bestreden arrest en stellen allebei hetzelfde vraagstuk aan de orde: volgens rekwirantes heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het niet is ingegaan op de vraag of de tot Weichert gerichte verzoeken om inlichtingen van de Commissie in overeenstemming waren met het recht om niet mee te werken aan de eigen veroordeling (nemo tenetur se ipsum accusare)154..
266.
De rekwirantes in incidentele hogere voorziening voeren deze grief slechts aan voor het geval dat het Hof zich aansluit bij door de Commissie in haar principale hogere voorziening verdedigde stelling en ervan uitgaat dat Weichert wettelijk verplicht is om op eenvoudige verzoeken om inlichtingen in de zin van artikel 18, lid 2, van verordening nr. 1/2003 te antwoorden.
267.
Zoals hierboven reeds uiteengezet155., volstond de medewerking door Weichert in de administratieve procedure niet om als verzachtende omstandigheid te kunnen worden beschouwd en een verlaging van de geldboete overeenkomstig de mededeling inzake medewerking te wettigen. Los daarvan hadden de antwoorden van Weichert op de eenvoudige verzoeken om inlichtingen van de Commissie echter een vrijwillig karakter; bij gebrek aan een besluit krachtens artikel 18, lid 3, van verordening nr. 1/2003 was Weichert niet verplicht de Commissie de gewenste inlichtingen te verstrekken. Om die reden kon Weichert met de eenvoudige verzoeken om informatie van de Commissie uit aard der zaak niet worden verplicht om aan zijn eigen veroordeling mee te werken156..
268.
Derhalve zijn de beide incidentele hogere voorzieningen in zaak C-294/13 P zonder voorwerp, zodat zij zonder beslissing kunnen worden afgedaan.
V — Nieuwe berekening van de geldboete
269.
Uit de bovenstaande uiteenzetting volgt dat alleen de hogere voorziening van de Commissie in zaak C-294/13 P slaagt. De door mij in antwoord op dit middel voorgestelde vernietiging van punt 1 van het bestreden arrest157. heeft tot gevolg dat de hoogte van de geldboeten die bij artikel 2, sub c, van de litigieuze beschikking gezamenlijk en hoofdelijk aan Del Monte en Weichert zijn opgelegd, opnieuw moet worden vastgesteld
270.
De partijen hadden in dezen in eerste aanleg en voor het Gerecht en ook in de onderhavige hogere voorziening de gelegenheid om hun standpunten over alle wezenlijke elementen uit te wisselen. Ook de feiten behoeven geen verdere toelichting. Derhalve is de zaak in staat van wijzen (artikel 61, eerste alinea, tweede zin, van het Statuut van het Hof).
271.
In het kader van zijn evocatierecht beschikt het Hof over volledige rechtsmacht, zoals deze is vastgesteld in artikel 261 VWEU juncto artikel 31 van verordening (EG) nr. 1/2003 Het Hof kan het bedrag van de geldboete dus naar eigen inzicht opnieuw vaststellen158..
272.
Teneinde de geconstateerde onjuiste rechtsopvatting in het bestreden arrest te corrigeren, dient de verlaging van de geldboete met 10 % die het Gerecht aan Weichert heeft toegekend wegens haar medewerking aan de administratieve procedure159., ongedaan te worden gemaakt.
273.
Bovendien kan worden overwogen de geldboete te verhogen vanwege het feit dat Weichert de inbreuk tijdens de administratieve procedure steeds hardnekkig heeft ontkend160.. In beginsel kan aan de volledige rechtsmacht ook deze mogelijkheid worden ontleend161.. Noch in eerste aanleg noch in hogere voorziening is er namelijk sprake van een verbod vanreformatio in peius; evenmin is de Unierechter wat betreft de hoogte van de geldboete niet aan de vorderingen van de partijen gebonden, voor zover zij binnen het kader van het in hun beroep tot nietigverklaring en de hogere voorziening(en) bepaalde voorwerp van geding blijven.
274.
Toch stel ik voor om in de onderhavige zaak af te zien van een boeteverhoging. Weichert heeft de inbreuk weliswaar hardnekkig ontkend, maar ook telkens naar behoren op de verzoeken van de Commissie om inlichtingen geantwoord. Gezien het vermoeden van onschuld en de rechten van verdediging staat het elke onderneming vrij de onrechtmatigheid van het gedrag dat haar ten laste wordt gelegd, te betwisten; op zichzelf rechtvaardigt een dergelijke betwisting geen bijzondere verzwaring van de op te leggen sanctie.
275.
Ook de partijen hebben ter terechtzitting voor het Hof unaniem hetzelfde standpunt ingenomen. Met name heeft de Commissie bepleit de ontkenning van de inbreuk niet reeds op zichzelf als bezwarende omstandigheid te beschouwen.
276.
Afgezien van de zojuist behandelde vraagstukken aangaande de passende beoordeling van het gedrag van ondernemingen in administratieve procedures, zie ik in casu voor het overige ook geen elementen die erop wijzen dat de aan Del Monte en Weichert opgelegde geldboetes onjuist zijn berekend of dat deze onevenredig of gewoonweg inadequaat zijn.
277.
Gelet op alle omstandigheden van de onderhavige zaak, in het bijzonder de aard, de zwaarte en de duur van de inbreuk, lijkt een geldboete van 9,8 miljoen EUR in verhouding te staan tot de feiten en de inbreuk. Het blijft bij de hoofdelijke aansprakelijkheid van Del Monte en Weichert.
VI — Kosten
278.
Wanneer de hogere voorziening gegrond is en het Hof zelf de zaak afdoet, beslist het Hof ten aanzien van de proceskosten (artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering).
279.
Uit artikel 138, lid 1, juncto artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering volgt dat de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien Del Monte en Weichert in hun vorderingen — zij het in hun hogere voorzieningen, incidentele hogere voorzieningen of in de beantwoording van de hogere voorzieningen van andere partijen — in het ongelijk zijn gesteld, worden beide in hun eigen kosten verwezen in zaak C-293/13 P en zaak C-294/13 P alsook — en wel hoofdelijk — in de volledige kosten van de Commissie in beide zaken162..
VII — Conclusie
280.
Op grond van het bovenstaande geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:
- 1)
Punt 1 van het dictum van het arrest Fresh Del Monte Produce/Commissie (T-587/08, EU:T:2013:129) wordt vernietigd.
- 2)
Het bedrag van de geldboete, door de Commissie op 15 oktober 2008 opgelegd bij artikel 2, sub c, van beschikking C(2008) 5955, wordt vastgesteld op 9 800 000 miljoen EUR.
- 3)
De hogere voorziening en de incidentele hogere voorziening in zaak C-293/13 P worden afgewezen.
- 4)
Op de twee incidentele hogere voorzieningen in zaak C-294/13 P hoeft niet meer te worden beslist.
- 5)
Fresh Del Monte Produce, Inc. en Internationale Fruchtimport Gesellschaft Weichert GmbH & Co. KG worden verwezen in hun eigen kosten in de zaken C-293/13 P en C-294/13 P. Bovendien worden deze vennootschappen hoofdelijk verwezen in de volledige kosten van de Europese Commissie in beide zaken.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑12‑2014
Oorspronkelijke taal: Duits.
Beschikking C(2008) 5955 def. van de Commissie van 15 oktober 2008 in een procedure overeenkomstig artikel 81 [EG] (zaak COMP/39.188 — Bananen, samengevat PB 2009, C 189, blz. 12); hierna: ‘litigieuze beschikking’.
Arrest Fresh Del Monte Produce/Commissie (T-587/08, EU:T:2013:129); hierna: ‘bestreden arrest’ of ‘arrest van het Gerecht’.
Hierna aangeduid als ‘Del Monte’.
Hierna aangeduid als ‘Weichert’.
Gemakshalve gebruik ik de naam Del Monte ook ter aanduiding van de genoemde dochterondernemingen.
Mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3); hierna: ‘mededeling inzake medewerking’.
Artikel 1 van de litigieuze beschikking.
Artikel 1, sub g en h, van de litigieuze beschikking.
Artikel 2, sub c, van de litigieuze beschikking.
Del Monte verzoekt echter alleen om nietigverklaring van de litigieuze beschikking voor zover deze betrekking heeft op rekwirante.
Het door Weichert ingestelde beroep tot nietigverklaring werd door het Gerecht wegens termijnoverschrijding als kennelijk niet-ontvankelijk afgewezen (zie de beschikkingen Internationale Fruchtimport Gesellschaft Weichert/Commissie, T-2/09, EU:T:2009:478, en Internationale Fruchtimport Gesellschaft Weichert/Commissie, C-73/10 P, EU:C:2010:684).
Arrest Commissie/AssiDomän Kraft Products e.a. (C-310/97 P, EU:C:1999:407, Punten 52–57). In zoverre verschilt de onderhavig zaak fundamenteel van de zaak Commissie/Tomkins (C-286/11 P, EU:C:2013:29), waarin de moedermaatschappij en de dochteronderneming apart beroep tot nietigverklaring tegen een beschikking van de Commissie hadden ingesteld.
Arresten Rendo e.a./Commissie (C-19/93 P, EU:C:1995:339, punt 13), Akzo Nobel Chemicals en Akcros Chemicals/Commissie (C-550/07 P, EU:C:2010:512, punt 23) en Frankrijk/People's Mojahedin Organization of Iran (C-27/09 P, EU:C:2011:853, punt 43).
In dezelfde zin arrest Falck en Acciaierie di Bolzano/Commissie (C-74/00 P en C-75/00 P, EU:C:2002:524, punt 55).
Zie artikel 183 van het Reglement voor de procesvoering.
Punt 46 van het bestreden arrest.
Arresten Falck en Acciaierie di Bolzano/Commissie (C-74/00 P en C-75/00 P, EU:C:2002:524, punten 55–58) en International Power e.a./NALOO (C-172/01 P, C-175/01 P, C-176/01 P en C-180/01 P, EU:C:2003:534, punten 51–53).
Zie hierboven, punt 47 van deze conclusie.
Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1).
Arresten Commissie/Brazzelli Lualdi e.a. (C-136/92 P, EU:C:1994:211, punt 49), Raad/Zhejiang Xinan Chemical Industrial Group (C-337/09 P, EU:C:2012:471, punt 55) en Ziegler/Commissie (C-439/11 P, EU:C:2013:513, punt 74).
Arresten Sumitomo Metal Industries en Nippon Steel/Commissie (C-403/04 P en C-405/04 P, EU:C:2007:52, punt 40), Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala (C-413/06 P, EU:C:2008:392, punt 117), Solvay/Commissie (C-109/10 P, EU:C:2011:686, punt 51) en Commissie/Stichting Administratiekantoor Portielje (C-440/11 P, EU:C:2013:514, punt 59).
Zie in dit verband de — fundamentele — arresten Imperial Chemical Industries/Commissie (48/69, EU:C:1972:70, punten 132–135), Geigy/Commissie (52/69, EU:C:1972:73, punt 44) en Europemballage en Continental Can/Commissie (6/72, EU:C:1973:22, punt 15); zie onder meer ook de meer recente arresten ETI e.a. (C-280/06, EU:C:2007:775, punt 39 juncto punt 49), Akzo Nobel e.a./Commissie (C-97/08 P, EU:C:2009:536, punt 58), Alliance One International en Standard Commercial Tobacco/Commissie (C-628/10 P en C-14/11 P, EU:C:2012:479, punt 43) en Areva/Commissie (C-247/11 P en C-253/11 P, EU:C:2014:257, punt 30).
In dezelfde zin arresten Akzo Nobel e.a./Commissie (C-97/08 P, EU:C:2009:536, punten 60 en 61), Elf Aquitaine/Commissie (C-521/09 P, EU:C:2011:620, punten 56, 63 en 95), Commissie/Stichting Administratiekantoor Portielje (C-440/11 P, EU:C:2013:514, met name punten 40 en 41) en Areva/Commissie (C-247/11 P en C-253/11 P, EU:C:2014:257, punten 32 en 33).
Punt 72 van het bestreden arrest alsook de punten 382 en 383 van de considerans van de litigieuze beschikking.
Zie inzonderheid de punten 50–56 en de punten 87 en 88 van het bestreden arrest.
Zie met betrekking tot het weerlegbare vermoeden van een daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed de hierboven voetnoot 24 aangehaalde rechtspraak.
Zie inzonderheid het arrest Alliance One International en Standard Commercial Tobacco/Commissie (C-628/10 P en C-14/11 P, EU:C:2012:479, punten 102, 104 en 105); in dezelfde zin, zij het in een andere context, arrest AceaElectrabel Produzione/Commissie (C-480/09 P, EU:C:2010:787, punten 46 e.v.).
Punt 276 van het bestreden arrest.
Arrest Knauf Gips/Commissie (C-407/08 P, EU:C:2010:389, punt 65).
Zie dienaangaande het recente arrest Commissie/Stichting Administratiekantoor Portielje (C-440/11 P, EU:C:2013:514, met name de punten 66–68) alsook mijn conclusie in die zaak (EU:C:2012:763, punten 71 en 72).
In dezelfde zin arresten Alliance One International en Standard Commercial Tobacco/Commissie (C-628/10 P en C-14/11 P, EU:C:2012:479, punten 102–105) en arrest Sasol e.a./Commissie (T-541/08, EU:T:2014:628, punten 53 en 54).
Arresten Dow Chemical/Commissie (C-179/12 P, EU:C:2013:605), EI du Pont de Nemours/Commissie (C-172/12 P, EU:C:2013:601) en Avebe/Commissie (T-314/01, EU:T:2006:266).
Zie dienaangaande arrest Akzo Nobel e.a./Commissie (C-97/08 P, EU:C:2009:536, punten 73 en 74) alsook mijn conclusie in die zaak (C-97/08 P, EU:C:2009:262, punten 89–93), voorts arrest Schindler Holding e.a./Commissie (C-501/11 P, EU:C:2013:522, inzonderheid punt 112).
Punt 99 van het bestreden arrest en punt 387 van de considerans van de litigieuze beschikking.
Punt 122, 125 en 130 van het bestreden arrest alsook de punten 387 en 404 van de considerans van de litigieuze beschikking.
Punt 135 van het bestreden arrest en punt 383 van de considerans van de litigieuze beschikking.
Zie dienaangaande mijn conclusie in de zaak Alliance One International en Standard Commercial Tobacco/Commissie (C-628/10 P en C-14/11 P, EU:C:2012:11, punten 144, 145 en 154).
Punten 156–158 van het bestreden arrest alsook de punten 388 en 39. van de considerans van de litigieuze beschikking.
Punten 204 en 220 en daarnaast de punten 171, 175, 176 en 185 van het bestreden arrest alsook de punten 389 en 390 van de considerans van de litigieuze beschikking.
De vraag of deze instructies door Weichert in voldoende mate zijn opgevolgd en dus ‘doeltreffend’ waren, wordt behandeld in een apart onderdeel van het eerste middel, waarop ik straks zal ingaan (zie hieronder, punten 96–107 van deze conclusie).
Zie mijn conclusie in de zaak Akzo Nobel e.a./Commissie (C-97/08 P, EU:C:2009:262, punt 89).
Zie dienaangaande nogmaals de in voetnoot 23 aangehaalde rechtspraak.
Arrest Schindler Holding e.a./Commissie (C-501/11 P, EU:C:2013:522, met name punt 144).
Punt 208 van het bestreden arrest.
Del Monte beroept zich verschillende malen op punt 208 van het bestreden arrest.
Zie inzonderheid de punten 208–215 van het bestreden arrest.
Punt 210 van het bestreden arrest.
Punt 211 van het bestreden arrest.
Zie met betrekking tot de door Del Monte aangevoerde grief inzake onjuiste opvatting van feiten mijn uiteenzetting in het kader van het tweede middel in de punten 122–165 van deze conclusie.
Zelfs na daarom uitdrukkelijk door mij te zijn verzocht, kon Del Monte ter terechtzitting voor het Hof niet zeggen welk punt van het bestreden arrest een feitelijke vaststelling bevat die haar bewering staaft, of welk bewijsmiddel het Gerecht in dit verband heeft veronachtzaamd.
Arresten Lafarge/Commissie (C-413/08 P, EU:C:2010:346, punt 23), Ziegler/Commissie (C-439/11 P, EU:C:2013:513, punten 75 en 76) en FLSmidth/Commissie (C-238/12 P, EU:C:2014:284, punt 31).
Punt 113 van het bestreden arrest.
Punt 208 van het bestreden arrest.
Punten 237 en 238 van het bestreden arrest.
Punten 259 en 260 van het bestreden arrest.
Punten 104 en 221 van het bestreden arrest.
Zie tevens arrest Knauf Gips/Commissie (C-407/08 P, EU:C:2010:389, punt 80).
In dezelfde zin arrest Aalborg Portland e.a./Commissie (C-204/00 P, C-205/00 P, C-211/00 P, C-213/00 P, C-217/00 P en C-219/00 P, EU:C:2004:6, punten 79 en 132) en — in de context van artikel 86 EEG-Verdrag — arrest Lucazeau e.a. (110/88, 241/88 en 242/88, EU:C:1989:326, punt 25). Zie daarnaast met betrekking tot het wisselspel van bewijsverplichtingen in uiteenlopende contexten mijn conclusies in de zaken Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie (C-105/04 P, EU:C:2005:751, punt 73), T-Mobile Netherlands e.a. (C-8/08, EU:C:2009:110, punt 89), Akzo Nobel e.a./Commissie (C-97/08 P, EU:C:2009:262, punt 74) en Alliance One International en Standard Commercial Tobacco/Commissie (C-628/10 P en C-14/11 P, EU:C:2012:11, punt 170).
Del Monte beroept zich in dit verband op artikel 48 van het Handvest van de grondrechten en op artikel 6, lid 2, EVRM.
Zie hierboven, de punten 82–110 van deze conclusie.
Arresten PKK en KNK/Raad (C-229/05 P, EU:C:2007:32, punt 37), Sniace/Commissie (C-260/05 P, EU:C:2007:700, punt 37) en Lafarge/Commissie (C-413/08 P, EU:C:2010:346, punt 17).
Punt 101 van het bestreden arrest (cursivering van mij).
Zie dienaangaande nogmaals het arrest Akzo Nobel e.a./Commissie (C-97/08 P, EU:C:2009:536, punten 73 en 74) alsook mijn conclusie in die zaak (C-97/08 P, EU:C:2009:262, punten 89–93), voorts arrest Schindler Holding e.a./Commissie (C-501/11 P, EU:C:2013:522, inzonderheid punt 112).
Zie punten 111–114 van het bestreden arrest.
Arresten P & O European Ferries (Vizcaya) en Diputación Foral de Vizcaya/Commissie (C-442/03 P en C-471/03 P, EU:C:2006:356, punten 67–69), Sison/Raad (C-266/05 P, EU:C:2007:75, punten 70–72) en Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad (C-583/11 P, EU:C:2013:625, punt 112).
Zie hierboven punt 87 van deze conclusie.
Arresten Aalborg Portland e.a./Commissie (C-204/00 P, C-205/00 P, C-211/00 P, C-213/00 P, C-217/00 P en C-219/00 P, EU:C:2004:6, punten 50 en 159), Lafarge/Commissie (C-413/08 P, EU:C:2010:346, punt 16) en Comitato ‘Venezia vuole vivere’ e.a./Commissie (C-71/09 P, C-73/09 P en C-76/09 P, EU:C:2011:368, punt 152).
Arresten Lafarge/Commissie (C-413/08 P, EU:C:2010:346, punt 23), Ziegler/Commissie (C-439/11 P, EU:C:2013:513, punten 75 en 76) en FLSmidth/Commissie (C-238/12 P, EU:C:2014:284, punt 31).
De werking van dit arbitragestelsel is samengevat in punt 115 van het bestreden arrest.
In concreto gaat het om punt 63 van het verzoekschrift in eerste aanleg.
Zie dienaangaande mijn conclusie in de zaken Solvay/Commissie (C-110/10 P, EU:C:2011:257, punten 126 en 131) en Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad (C-583/11 P, EU:C:2013:21, punt 134).
Zie de inleidende formulering van punt 118 van het bestreden arrest: ‘Blijkens de voorafgaande overwegingen, vertaalt de vennotenovereenkomst zich […]’.
Vgl. punten 209 en 210 van het bestreden arrest.
Punt 211 van het bestreden arrest.
Punt 214 van het bestreden arrest.
Zie hierboven, punten 107–109 van deze conclusie.
De inleidende zin van de brief luidt: ‘We were retained by Interfrucht as legal counsel … Interfrucht wishes to stress the following …’, waarbij ‘Interfrucht’ als afkorting werd gebruikt voor de handelsnaam van Weichert.
Zie formuleringen als ‘Mr. [W.] instructed us’, ‘Mr. [W.] never consented’, ‘Mr. [W.] further wishes to remind you’, en ‘Mr. [W.] and Interfrucht’ of ‘he and Interfrucht’.
Arresten P & O European Ferries (Vizcaya) en Diputación Foral de Vizcaya/Commissie (C-442/03 P en C-471/03 P, EU:C:2006:356, punten 67–69), Sison/Raad (C-266/05 P, EU:C:2007:75, punten 70–72) en Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad (C-583/11 P, EU:C:2013:625, punt 112).
Punt 238 van het bestreden arrest.
Zie nogmaals hierboven, de punten 82–110 van deze conclusie.
Zie mijn conclusie in de zaak Commissie/Verhuizingen Coppens (C-441/11 P, EU:C:2012:317, punt 34).
Arresten Commissie/Anic Partecipazioni (C-49/92 P, EU:C:1999:356, punten 83, 87 en 203), Aalborg Portland e.a./Commissie (C-204/00 P, C-205/00 P, C-211/00 P, C-213/00 P, C-217/00 P en C-219/00 P, EU:C:2004:6, punt 83) en Commissie/Verhuizingen Coppens (C-441/11 P, EU:C:2012:778, punten 43 en 44); in dezelfde zin ook arrest Dansk Rørindustri e.a./Commissie (C-189/02 P, C-202/02 P, C-205/02 P tot en met C-208/02 P en C-213/02 P, EU:C:2005:408, punt 143), waar sprake is van de ‘stilzwijgende goedkeuring van een onrechtmatig initiatief’, die leidt tot ‘medeplichtigheid’ en een ‘passieve vorm van deelneming aan de inbreuk’.
Zie mijn conclusie in de zaak Commissie/Verhuizingen Coppens (C-441/11 P, EU:C:2012:317, punt 36); in dezelfde zin arrest Commissie/Anic Partecipazioni (C-49/92 P, EU:C:1999:356, punt 87).
In dezelfde zin arrest Commissie/Verhuizingen Coppens (C-441/11 P, EU:C:2012:778, punt 44).
Arrest Commissie/Verhuizingen Coppens (C-441/11 P, EU:C:2012:778, punt 45).
Zie in die zin mijn conclusie in de zaak Commissie/Verhuizingen Coppens (C-441/11 P, EU:C:2012:317, punt 33).
Arresten Commissie/Anic Partecipazioni (C-49/92 P, EU:C:1999:356, punt 90), Aalborg Portland e.a./Commissie (C-204/00 P, C-205/00 P, C-211/00 P, C-213/00 P, C-217/00 P en C-219/00 P, EU:C:2004:6, punt 86) en Commissie/Verhuizingen Coppens (C-441/11 P, EU:C:2012:317, punt 45).
Punten 646 en 649 van het bestreden arrest; zie ook de punten 258 en 476 van de considerans van de litigieuze beschikking.
Zie hierboven, de punten 50–65 van deze conclusie.
Arresten FIAMM e.a./Raad en Commissie (C-120/06 P en C-121/06 P, EU:C:2008:476, punt 90), Masdar (UK)/Commissie (C-47/07 P, EU:C:2008:726, punt 76) en Melli Bank/Raad (C-380/09 P, EU:C:2012:137, punt 41); in dezelfde zin reeds arrest Commissie/Anic Partecipazioni (C-49/92 P, EU:C:1999:356, punten 190 en 202).
Zie inzonderheid punten 583–585 en 788 van het bestreden arrest.
Arresten PKK en KNK/Raad (C-229/05 P, EU:C:2007:32, punt 37), Sniace/Commissie (C-260/05 P, EU:C:2007:700, punt 37) en Lafarge/Commissie (C-413/08 P, EU:C:2010:346, punt 17).
Punten 850 en 851 van het bestreden arrest.
Beschikking San Marco/Commissie (C-19/95 P, EU:C:1996:331, punten 39 en 40) en arresten Commissie/Schneider Electric (C-440/07 P, EU:C:2009:459, punt 103) en Telefónica en Telefónica de España/Commissie (C-295/12 P, EU:C:2014:2062, punt 84); in dezelfde zin arrest MasterCard e.a./Commissie (C-382/12 P, EU:C:2014:2201, punt 60).
Zie inzonderheid punten 583–585 alsook punt 362 van het bestreden arrest.
Zie mijn conclusie in de zaak T-Mobile Netherlands e.a. (C-8/08, EU:C:2009:110, punt 54).
Arresten Aalborg Portland e.a./Commissie (C-204/00 P, C-205/00 P, C-211/00 P, C-213/00 P, C-217/00 P en C-219/00 P, EU:C:2004:6, punt 125), Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala (C-413/06 P, EU:C:2008:392, punt 117) en Commissie/Stichting Administratiekantoor Portielje (C-440/11 P, EU:C:2013:514, punt 59).
C-67/13 P, EU:C:2014:2204.
Arrest T-Mobile Netherlands e.a. (C-8/08, EU:C:2009:343, punt 24).
Zie dienaangaande mijn conclusie in de zaak T-Mobile Netherlands e.a. (C-8/08, EU:C:2009:110, punt 37).
Arrest T-Mobile Netherlands e.a. (C-8/08, EU:C:2009:343, punt 27); in dezelfde zin arresten Allianz Hungária Biztosító e.a. (C-32/11, EU:C:2013:160, punt 37) en CB/Commissie (C-67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 53).
Arresten Allianz Hungária Biztosító e.a. (C-32/11, EU:C:2013:160, punt 36) en CB/Commissie (C-67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 53).
Arresten T-Mobile Netherlands e.a. (C-8/08, EU:C:2009:343, punt 27), Allianz Hungária Biztosító e.a. (C-32/11, EU:C:2013:160, punt 37) en CB/Commissie (C-67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 54).
Arrest T-Mobile Netherlands e.a. (C-8/08, EU:C:2009:343, punten 29 en 30); in dezelfde zin arresten Football Association Premier League e.a. (C-403/08 en C-429/08, EU:C:2011:631, punt 135), Allianz Hungária Biztosító e.a. (C-32/11, EU:C:2013:160, punt 34) en CB/Commissie (C-67/13 P, EU:C:2014:2204, punten 49–52 en 57 in fine).
Arrest T-Mobile Netherlands e.a. (C-8/08, EU:C:2009:343, punten 31 en 43); in dezelfde zin arrest Allianz Hungária Biztosító e.a. (C-32/11, EU:C:2013:160, punt 38).
Arresten Commissie/Anic Partecipazioni (C-49/92 P, EU:C:1999:356, punten 121 en 126), Hüls/Commissie (C-199/92 P, EU:C:1999:358, punten 162 en 167) en T-Mobile Netherlands e.a. (C-8/08, EU:C:2009:343, punt 51) en mijn conclusie in de zaak T-Mobile Netherlands e.a. (C-8/08, EU:C:2009:110, punt 75).
Arrest T-Mobile Netherlands e.a. (C-8/08, EU:C:2009:343, punten 29 en 30); in dezelfde zin arresten Football Association Premier League e.a. (C-403/08 en C-429/08, EU:C:2011:631, punt 135), Allianz Hungária Biztosító e.a. (C-32/11, EU:C:2013:160, punt 34) en CB/Commissie (C-67/13 P, EU:C:2014:2204, punten 49–52 en 57 in fine).
Arresten T-Mobile Netherlands e.a. (C-8/08, EU:C:2009:343, punt 38) en GlaxoSmithKline Services/Commissie (C-501/06 P, C-513/06 P, C-515/06 P en C-519/06 P, EU:C:2009:610, punt 63).
Arrest T-Mobile Netherlands e.a. (C-8/08, EU:C:2009:343, punten 36–39).
In dezelfde zin arresten Suiker Unie e.a./Commissie (40/73 tot en met 48/73, 50/73, 54/73 tot en met 56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, EU:C:1975:174, punt 173), Deere/Commissie (C-7/95 P, EU:C:1998:256, punt 86) en T-Mobile Netherlands e.a. (C-8/08, EU:C:2009:343, punt 32).
Zie inzonderheid punten 17–20, 583–585 en 788 van het bestreden arrest alsook punten 51.–57 van de considerans van de litigieuze beschikking.
Punten 450–562 van het bestreden arrest; zie daarnaast punten 850–852 van het arrest, die betrekking hebben op de eigen verklaringen van Weichert.
Punten 21, 553 en 583 van het bestreden arrest alsook punt 115 van de considerans van de litigieuze beschikking.
Zie inzonderheid punt 585 van het bestreden arrest.
Zie met betrekking tot de eis van zelfstandigheid onder andere arresten Suiker Unie e.a./Commissie (40/73 tot en met 48/73, 50/73, 54/73 tot en met 56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, EU:C:1975:174, punt 173), Deere/Commissie (C-7/95 P, EU:C:1998:256, punten 86 en 87) en T-Mobile Netherlands e.a. (C-8/08, EU:C:2009:343, punten 32 en 33).
Zie met betrekking tot deze criteria nogmaals het recente arrest CB/Commissie (C-67/13 P, EU:C:2014:2204, met name punten 50 en 57).
Arrest Asnef-Equifax en Administración del Estado (C-238/05, EU:C:2006:734).
Arrest T-Mobile Netherlands e.a. (C-8/08, EU:C:2009:343, punten 58 en 59); zie tevens arresten Commissie/Anic Partecipazioni (C-49/92 P, EU:C:1999:356, punt 121) en Hüls/Commissie (C-199/92 P, EU:C:1999:358, punt 162); zie daarnaast mijn conclusie in zaak T-Mobile Netherlands e.a. (C-8/08, EU:C:2009:110, punten 97–107).
Zie inzonderheid punt 853 van het bestreden arrest.
Arrest Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie (C-238/99 P, C-244/99 P, C-245/99 P, C-247/99 P, C-250/99 P tot en met C-252/99 P en C-254/99 P, EU:C:2002:582, punt 279).
Artikel 23, lid 1, sub b, en artikel 24, lid 1, sub d, van verordening nr. 1/2003.
Artikel 23, lid 1, sub a en b, van verordening nr. 1/2003.
Punt 838 van het bestreden arrest en punt 46 van de considerans van de litigieuze beschikking.
Punt 852 van het bestreden arrest.
Punt 855 van het bestreden arrest.
Arresten Dansk Rørindustri e.a./Commissie (C-189/02 P, C-202/02 P, C-205/02 P tot en met C-208/02 P en C-213/02 P, EU:C:2005:408, punten 395 en 396) en Schenker e.a. (C-681/11, EU:C:2013:404, punt 48).
Zie in deze zin arrest AOI/Commissie (C-668/11 P, EU:C:2013:614, punt 78), waar echter mijn inziens ten onrechte wordt verwezen naar een in eerste veronderstelde wettelijke verplichting om eenvoudige verzoeken om inlichtingen te beantwoorden (zie arrest Agroexpansión/Commissie, T-38/05, EU:T:2011:585, punt 268).
Zie met betrekking tot bezwarende omstandigheden punt 28, tweede streepje, van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, sub a, van verordening nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2, hierna: richtsnoeren van 2006).
In dezelfde zin arrest Schenker e.a. (C-681/11, EU:C:2013:404, punt 49), dat evenwel betrekking heeft op de immuniteit en het achterwege blijven van een boete.
Zie met betrekking tot het belang van de mededingingsregels voor de interne markt arrest Eco Swiss (C-126/97, EU:C:1999:269, punt 36), alsook — met betrekking tot de juridische situatie sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon — arresten TeliaSonera (C-52/09, EU:C:2011:83, punt 20) en Commissie/Italië (C-496/09, EU:C:2011:740, punt 60). De noodzaak van een doeltreffende handhaving van de artikelen 81 en 82 EG (thans artikel 101 en 102 VWEU) werd recentelijk bijvoorbeeld in den arresten X BV (C-429/07, EU:C:2009:359, punten 33–35), VEBIC (C-439/08, EU:C:2010:739, punt 59), Pfleiderer (C-360/09, EU:C:2011:389, punt 19) en Schenker e.a. (C-681/11, EU:C:2013:404, punt 46) benadrukt.
Punt 29, vierde streepje, van de richtsnoeren van 2006.
Alleen voor de volledigheid merk ik hier op dat ook in een antwoord op een verzoek om inlichtingen van de Commissie spontane antwoorden kunnen worden gegeven, voor zover deze verder gaan dan de daarin gestelde vragen of gewenste documentatie.
Punt 855 van het bestreden arrest.
In dezelfde zin arresten Lestelle/Commissie (C-30/91 P, EU:C:1992:252, punt 28), FIAMM e.a./Raad en Commissie (C-120/06 P en C-121/06 P, EU:C:2008:476, punt 187) en MasterCard e.a./Commissie (C-382/12 P, EU:C:2014:2201, punt 170).
Arresten Dansk Rørindustri e.a./Commissie (C-189/02 P, C-202/02 P, C-205/02 P tot en met C-208/02 P en C-213/02 P, EU:C:2005:408, punten 209–211), KME e.a./Commissie (C-272/09 P, EU:C:2011:810, punt 100) en Ziegler/Commissie (C-439/11 P, EU:C:2013:513, punt 60).
Het arrest ThyssenKrupp/Commissie (C-65/02 P en C-73/02 P, EU:C:2005:454, punten 51 en 54) kan aldus worden opgevat dat een verlaging van een geldboete reeds in aanmerking komt wanneer de betrokken onderneming zich ertoe heeft beperkt de kern van de tegen haar ingebrachte feiten waarop de Commissie haar punten van bezwaar had gebaseerd, niet te ontkennen. Evenwel zij erop gewezen dat het Hof met het arrest in die zaak slechts uitspraak heeft gedaan over de uitlegging van een voorloper van de mededeling inzake medewerking, maar niet over de vraag wat in het kader van de uitoefening van de overeenkomstig artikel 261 VWEU aan het Hof verleende volledige rechtsmacht redelijk geacht moet worden.
Arrest Aalborg Portland e.a./Commissie (C-204/00 P, C-205/00 P, C-211/00 P, C-213/00 P, C-217/00 P en C-219/00 P, EU:C:2004:6, punt 365).
Zie dienaangaande mijn conclusies in de zaken Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie (C-105/04 P, EU:C:2005:751, punt 137) en Schindler Holding e.a./Commissie (C-501/11 P, EU:C:2013:248, punt 190); in dezelfde zin arresten Schindler Holding e.a./Commissie (C-501/11 P, EU:C:2013:522, punten 155 en 156) en Kone e.a./Commissie (C-510/11 P, EU:C:2013:696, punten 40 en 42).
Arresten Baustahlgewebe/Commissie (C-185/95 P, EU:C:1998:608, punt 128), Dansk Rørindustri e.a./Commissie (C-189/02 P, C-202/02 P, C-205/02 P tot en met C-208/02 P en C-213/02 P, EU:C:2005:408, punten 244 en 303) en Papierfabrik August Koehler e.a./Commissie (C-322/07 P, C-327/07 P en C-338/07 P, EU:C:2009:500, punt 125).
Arresten Baustahlgewebe/Commissie (C-185/95 P, EU:C:1998:608, punt 128), Dansk Rørindustri e.a./Commissie (C-189/02 P, C-202/02 P, C-205/02 P tot en met C-208/02 P en C-213/02 P, EU:C:2005:408, punten 244 en 303) en Papierfabrik August Koehler e.a./Commissie (C-322/07 P, C-327/07 P en C-338/07 P, EU:C:2009:500, punt 125).
Arresten Weig/Commissie (C-280/98 P, EU:C:2000:627, punten 63 en 68) en Sarrió/Commissie (C-291/98 P, EU:C:2000:631, punten 97 en 99).
Arresten E.ON Energie/Commissie (C-89/11 P, EU:C:2012:738, punt 126) en Schindler Holding e.a./Commissie (C-501/11 P, EU:C:2013:522, punt 165).
Zie hierboven, punten 232–236 en 241 van deze conclusie.
Zie hierboven, punten 237–240 van deze conclusie.
Zie hierboven, punt 247 van deze conclusie.
Zie dienaangaande arresten Commissie/Siemens Österreich e.a. (C-231/11 P tot en met C-233/11 P, EU:C:2014:256, punten 100–102) en FLS Plast/Commissie (C-243/12 P, EU:C:2014:2006, punt 48).
Arresten Chalkor/Commissie (C-386/10 P, EU:C:2011:815, punt 66), Kone e.a./Commissie (C-510/11 P, EU:C:2013:696, punt 32) alsook Telefónica en Telefónica de España/Commissie (C-295/12 P, EU:C:2014:2062, punt 55).
Arresten Dansk Rørindustri e.a./Commissie (C-189/02 P, C-202/02 P, C-205/02 P tot en met C-208/02 P en C-213/02 P, EU:C:2005:408, punt 165), Zweden/API en Commissie (C-514/07 P, C-528/07 P en C-532/07 P, EU:C:2010:541, punt 126) en Telefónica en Telefónica de España/Commissie (C-295/12 P, EU:C:2014:2062, punt 99).
Arrest FLS Plast/Commissie (C-243/12 P, EU:C:2014:2006, punt 85); in dezelfde zin reeds eerder arrest FLSmidth/Commissie (C-238/12 P, EU:C:2014:284, punt 85).
Arrest Commissie/Tomkins (C-286/11 P, EU:C:2013:29, punten 38 en 39).
Arrest FLS Plast/Commissie (C-243/12 P, EU:C:2014:2006, punt 107).
Arresten Orkem/Commissie (374/87, EU:C:1989:387, punten 28–35), Aalborg Portland e.a./Commissie (C-204/00 P, C-205/00 P, C-211/00 P, C-213/00 P, C-217/00 P en C-219/00 P, EU:C:2004:6, punten 62–65) en Commissie/SGL Carbon (C-301/04 P, EU:C:2006:432, punten 40–49).
Zie ter zake mijn opmerkingen over het eerste middel van de Commissie in zaak C-294/13 P (punten 227–247 van deze conclusie).
Zie in deze zin arresten Dalmine/Commissie (C-407/04 P, EU:C:2007:53, punten 34 en 35) en Erste Group Bank e.a./Commissie (C-125/07 P, C-133/07 P en C-137/07 P, EU:C:2009:576, punten 271 en 272).
Zie hierboven, punt 264 van deze conclusie.
Zie dienaangaande de arresten Commissie/Anic Partecipazioni (C-49/92 P, EU:C:1999:356, punt 218) en Commissie/Verhuizingen Coppens (C-441/11 P, EU:C:2012:778, punt 79).
Punt 856 van het bestreden arrest.
Punt 855 van het bestreden arrest.
Arrest Groupe Danone/Commissie (C-3/06 P, EU:C:2007:88, punt 61).
In dezelfde zin arrest D en Zweden/Raad (C-122/99 P en C-125/99 P, EU:C:2001:304, punt 65); in die zaak hadden D. en het Koninkrijk Zweden eveneens apart hogere voorziening ingesteld en werden beide hoofdelijk verwezen in de kosten.