V-N 2021/13.19
Grote storting bij Zwitserse bank rechtvaardigt niet vermoeden dat in eerdere jaren ook vermogen aanwezig was
Hof Den Haag 09-12-2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2482, m.nt. Redactie Vakstudie Nieuws
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
9 december 2020
- Magistraten
Obbink-Reijngoud, Kroon, Van Leijenhorst
- Zaaknummer
BK-19/00704 en BK-19/00705
- Noot
Redactie Vakstudie Nieuws
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS258835:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Fiscaal procesrecht / Bewijs
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
- Brondocumenten
ECLI:NL:GHDHA:2020:2482, Uitspraak, Hof Den Haag, 09‑12‑2020
- Wetingang
art. 16 lid 4 AWR
Essentie
Hof Den Haag oordeelt in hoger beroep dat een storting in 2010 van € 100.000 niet alleen het vermoeden rechtvaardigt dat er in 2003 en 2004 ook al een aanzienlijk vermogen in het buitenland was gestald.
Samenvatting
X en/of zijn partner houden een verzwegen bankrekening in Zwitserland aan. In 2017 is daarom jegens hen een informatiebeschikking genomen. In geschil is thans de navorderingsaanslag IB/PVV 2003 en 2004. X stelt dat de rekening bij de UBS-bank pas in 2010 is geopend voor een zakenrelatie die het geld tegen een jaarlijkse vergoeding van € 10.000 buiten het zicht van de Belastingdienst wilde ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.