Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/8.5.2
8.5.2 Schadebegroting bij onrechtmatig beslag
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS492248:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 8 juli 2011, LJN BQ1823, BER 2011-1, m.nt. A.J. van der Meer en «JBPr» 2012, 5 m.nt. L.P. Broekveldt (STAK Forward/Huber c.s.).
Rechtbank ’s-Gravenhage 9 maart 2005, LJN AT6331, «JOR» 2005/137, m.nt. Kortmann.
Conclusie AG Huydecoper voor HR 8 juli 2011, LJN BQ1823, BER 2011-1, m.nt. A.J. van der Meer en «JBPr» 2012, 5 m.nt. L.P. Broekveldt (STAK Forward/Huber c.s.), onderdelen 15-16. Huydecoper wijst hierbij op het risico van een potentieel aanzienlijke uitbreiding van het aansprakelijkheidsrisico, verbonden aan het leggen van een conservatoir beslag, doch meent dat aansprakelijkheid voor vergoeding van de wettelijke rente over het niet beschikbare saldo, indien het beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd, gerechtvaardigd is (onderdelen 14 en 15). Ook Van der Meer meent in diens annotatie bij dit arrest dat er goede argumenten zijn voor een ruime uitleg van artikel 6:119 BW. Anders: Broekveldt in diens annotatie.
HR 8 juli 2011, rov. 3.2.2, LJN BQ1823, BER 2011-1, m.nt. A.J. van der Meer en «JBPr» 2012, 5 m.nt. L.P. Broekveldt (STAK Forward/Huber c.s.).
Ibid, rov. 3.3.
Ibid, annotatie in BER 2011-1, onder verwijzing naar Meijsen & Jongbloed 2010a (Research Memorandum).
Ibid, Conclusie, nr. 16.
Ibid, annotatie in «JBPr» 2012, 5.
Meijsen & Jongbloed 2010a (Research Memorandum), p. 98.
Ter illustratie: voor toepassing van artikel 6:119 BW heeft te gelden dat de schuldeiser enerzijds niet behoeft te bewijzen enige schade te hebben geleden ten gevolge van de vertraging in de voldoening van de geldsom, maar kan anderzijds geen hogere vergoeding worden gevorderd indien de schade meer dan het fixum zou belopen (HR 14 januari 2005, LJN AR0220, NJ 2007, 481).
Zie paragraaf 8.5 over de preventieve werking van aansprakelijkheid en schadeplicht.
Zie omtrent onrechtmatig beslag en vermogensschade ook Broekveldt onder 6c. van diens annotatie, welke wijst op de noodzaak van een op het concrete geval toegespitst maatwerk, in het kader waarvan moet worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate er door de beslagene werkelijk vermogensschade is geleden.
Zie ook Hartkamp & Sieburgh 2012/31: bij het vaststellen van de omvang van te vergoeden schade moet als beginsel worden vooropgesteld, dat de schuldeiser zoveel mogelijk in de toestand wordt gebracht waarin hij zou verkeren indien het schadeveroorzakende feit achterwege was gebleven.
De begroting van schade ten gevolge van onrechtmatig beslag kwam aan de orde in HR 8 juli 2011 (STAK Forward/Huber c.s.).1 In zijn conclusie voor dit arrest bespreekt A-G Huydecoper uitgebreid de door Forward in de procedure in eerste aanleg2 ingestelde reconventionele vordering tot vergoeding van schade, gegrond op de in cassatie vaststaande onterechtheid van het door Huber c.s. gelegde beslag. STAK Forward vorderde primair vergoeding van de wettelijke dan wel commerciële rente over de door STAK Forward te ontvangen koopprijs van aandelen die door het beslag niet konden worden geleverd. Zowel rechtbank als gerechtshof wezen de vordering af. In zijn conclusie brak A-G Huydecoper een lans voor een ruime toepassing van artikel 6:119 BW (fixeren van schadevergoeding op wettelijke rente bij vertraging in het voldoen van een verschuldigde geldsom) bij schadebegroting in het geval van onrechtmatige beslaglegging.3 De Hoge Raad volgde deze suggestie niet:
(…) ‘Artikel 6:119 BW is niet rechtstreeks van toepassing omdat het in dit geding niet gaat om schade die is geleden als gevolg van vertraging in de voldoening van een geldsom, maar om een vordering tot vergoeding van schade, veroorzaakt door een onrechtmatig beslag’ (…).4
en
(…) ‘De dientengevolge verschuldigde schadevergoeding moet worden berekend door met elkaar te vergelijken de situatie waarin laatstgenoemde (STAK Forward: MM) als gevolg van de beslaglegging daadwerkelijk verkeert, en de situatie waar zij zou hebben verkeerd als het beslag niet was gelegd en gehandhaafd.’5
Zowel Huydecoper als Van der Meer, die zich naar aanleiding van deze zaak beiden gecharmeerd toonden van een ruime uitleg van artikel 6:119 BW, geven aan dat redenen van evenwichtigheid binnen het systeem van conservatoir beslag hierbij meespelen. Van der Meer noemt de omstandigheid dat het in de praktijk moeilijk is om in geval van onrechtmatig beslag schadevergoeding van de beslaglegger te vorderen.6 Huydecoper stelt dat een ruime uitleg aanbevelenswaardig is omdat de voorgestelde uitleg van artikel 6:119 BW meebrengt dat een betere verdeling wordt verkregen van de risico's die door het leggen van beslag worden ondervangen aan de ene kant, tegenover de risico's die beslag in het leven roept, aan de andere kant.7
Anders oordeelt Broekveldt, welke meent dat de Hoge Raad in deze zaak terecht de in het schadevergoedingsrecht gebruikelijke vergelijkingsmethode toepast.8 Ik ben geneigd om mij aan te sluiten bij het standpunt van Broekveldt, alhoewel ik sympathie heb voor de achterliggende argumenten van een versterking van de derde pijler, zoals door Huydecoper en Van der Meer bepleit. De vraag is echter of dit – ook in mijn ogen beslist nastrevenswaardige doel – moet worden bewerkstelligd langs de weg van ruime uitleg van bepalingen inzake schadevergoeding of forfaitaire regelingen waarbij de werkelijk geleden schade buiten beeld raakt. De invulling van het leerstuk van schadevergoeding na onrechtmatig beslag wordt bepaald door het leerstuk van onrechtmatige daad in samenhang met de algemene regels inzake schadevergoeding. Dat deze opzet in de praktijk leidt tot een zwakke waarborg voor de beslagene binnen de derde pijler wordt inmiddels steeds meer onderschreven.9 Ik zou willen pleiten voor een verandering langs wettelijk weg, waarbij wordt gestreefd naar een specifieke regeling voor schadevergoeding in geval van onrechtmatig beslag, zoals deze in het verleden ook heeft bestaan in de artikelen 732 en 739 Rv (oud). Dat geeft ruimte om voor een zeer specifieke categorie van schade een toegesneden regeling te ontwikkelen. Hoe deze er zou moeten uitzien is een kwestie van het maken van keuzes, waarbij in mijn visie gewicht zou moeten worden toegekend aan de positie die de aansprakelijkheid voor onrechtmatig beslag inneemt in het pijlersysteem. Een forfaitaire benadering zou de bewijspositie van onterecht beslagene aanzienlijk vergemakkelijken10 en een preventieve werking kunnen hebben,11 doch anderzijds leiden tot een inperking van de mogelijkheden tot het vorderen van een reële schadevergoeding in situaties waarin de schade (aanzienlijk) omvangrijker is dan het bedrag waar op grond van bijvoorbeeld een renteberekening aanspraak op zou kunnen worden gemaakt.12 Dit laatste lijkt mij ongewenst.
Ik meen derhalve dat de Hoge Raad in de onderhavige kwestie tot een te verdedigen besluit is gekomen. Het is een systematisch juiste benadering om uit te gaan van een schadeberekening op basis van een vergelijking van de ontstane situatie met die waarin geen sprake van een beslag zou zijn geweest.13
Bovendien meen ik dat er enige reserve dient te worden betracht bij het aan deze specifieke zaak verbinden van de conclusie dat hiermee de zwakke werking van de derde pijler wordt bevestigd. Een andere processtrategie aan de zijde van STAK Forward, waarbij (tijdig) een beroep op schade door fiscale gevolgen van het beslag zou zijn gedaan, had in mijn visie een goede kans op een (reële) vergoeding van schade gegeven.
Uit de in het voorgaande besproken zaken ontstaat het beeld dat het, hoewel het risico voor onrechtmatig beslag in bewoordingen van de Hoge Raad ‘bij de beslaglegger dient te berusten’ en deze ‘bij afwijzing van de vordering voor het door het beslag ontstane schade zal kunnen worden aangesproken’, voor de beslagene geen eenvoudige opgave is om de schade van een onrechtmatig beslag vergoed te krijgen, waarbij opgemerkt dient te worden dat de eisen die in een situatie van onrechtmatig beslag gesteld worden aan bewijsvoering een algemeen karakter hebben in die zin dat zij inherent zijn aan de vigerende regels inzake schadevergoeding.