Richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen.
CBb, 23-03-2021, nr. 15/923, 16/8 en 16/9
ECLI:NL:CBB:2021:304
- Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum
23-03-2021
- Zaaknummer
15/923, 16/8 en 16/9
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:CBB:2021:304, Uitspraak, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 23‑03‑2021; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:CBB:2020:776, Uitspraak, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 22‑10‑2020; (Geheimhoudingsbeslissing)
ECLI:NL:CBB:2020:1036, Uitspraak, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 13‑08‑2020; (Geheimhoudingsbeslissing)
- Wetingang
art. 8:29 Algemene wet bestuursrecht
- Vindplaatsen
ABkort 2021/246
JBP 2021/22
Uitspraak 23‑03‑2021
Inhoudsindicatie
De beroepen gaan over gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stof imidacloprid, een neonicotinoïde. Er is geen procesbelang meer bij de beroepen die betrekking hebben op vier van deze middelen, omdat de toelatingen ervan zijn ingetrokken en deze middelen niet meer zijn toegelaten op de Nederlandse markt. De door de Bijenstichting de Stichting Noordbrabants Landschap aangevoerde argumenten dat zij desondanks nog wel procesbelang hebben heeft het College afgewezen. Zij hebben gewezen op de gevolgen die imidacloprid kan hebben voor bijen, maar dat onvoldoende als (begin van een) onderbouwing voor de conclusie dat zij daadwerkelijk (zelf) schade hebben geleden als gevolg van het bestreden besluit. Ook is een rechtstreeks verband tussen het bestreden besluit en de achteruitgang van de biodiversiteit in de periode van 2014 tot de momenten waarop de toelatingen zijn ingetrokken niet aangetoond. Wat betreft het aangevoerde belang dat een inhoudelijk oordeel van belang kan zijn voor een besluit voor een toekomstige periode blijft het College bij zijn uitspraak van 7 mei 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:189) dat het toepasselijke toetsingskader voor het Ctgb de verplichting inhoudt om telkens een op dat specifieke middel en het daarmee beoogde gebruik toegesneden beslissing te nemen tegen de achtergrond van de dan voorhanden wetenschappelijke kennis. De beoordeling van een aanvraag tot (wijziging van een) toelating is zo specifiek dat, zo er al sprake zou zijn van enige onwettigheid, deze onwettigheid zich in de toekomst niet mechanisch, onafhankelijk van de bijzondere omstandigheden van de betrokken zaak, zal herhalen. Het College beklemtoont dat het procesbelang van de Bijenstichting en NBL niet (enkel) door tijdsverloop verloren is gegaan, maar (ook) nadat zij met of ten minste gaandeweg hun beroep de nagestreefde uitkomst, namelijk beëindiging van de toelating van de betreffende middelen, hadden bereikt. Het College oordeelt verder dat de situatie in het arrest van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) van 17 juli 2018 in de zaak Ronald Vermeulen/België wezenlijk verschilt, zodat daaraan geen procesbelang ontleend kan worden. Het College beoordeelt nog wel de beroepsgronden die betrekking hebben op Admire. Dit middel is op grond van een nieuwe Europese Verordening ingetrokken, maar het mag gebruikt worden tot 2022. Het College is tot de conclusie gekomen dat de over Admire genomen besluiten in stand kunnen blijven. Het gaat erom dat de aanvrager aantoont dat het op de markt te brengen middel geen schadelijke effecten heeft op de gezondheid van mensen en dieren en geen onaanvaardbare effecten heeft voor het milieu. Daarbij gaat het om effecten van het gebruik volgens de voorschriften. Het niet halen van de waterkwaliteitsnorm en het niet naleven van het waterzuiveringsvoorschrift doen daarom op zichzelf niet af aan de rechtmatigheid van de toelating van Admire.
Partij(en)
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 15/923, 16/8, 16/9
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 maart 2021 in de zaken tussen
De Bijenstichting, te Vorden (de Bijenstichting),
Stichting Het Noordbrabants Landschap, te ‘s-Hertogenbosch (NBL),
(gemachtigde: mr. L.J. Smale),
Stichting Natuur en Milieu, te Utrecht (N&M) en
Stichting Greenpeace Nederland, te Amsterdam (Greenpeace)
(gemachtigde: mr. drs. J. Rutteman),
appellanten,
en
het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb), verweerder
(gemachtigden: mr. D.S.P. Roelands-Fransen en mr. M.G. Nielen).
Als derde-partijen hebben aan de gedingen deelgenomen:
Bayer CropScience SA-N.V. (Bayer), Adama Registrations B.V. (Adama) en Nufarm B.V. (Nufarm)
(gemachtigde: mr. E. Broeren).
Procesverloop
Bij besluit van 25 november 2015 (bestreden besluit) heeft het Ctgb beslist op de bezwaren van appellanten tegen de hierna te noemen besluiten tot toelating, wijziging van de toelating en verlenging van de toelating (herregistratie) van de hierna onder 1.1 vermelde gewasbeschermingsmiddelen.
Appellanten hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep van de Bijenstichting is geregistreerd onder zaaknummer 15/923, dat van NBL onder zaaknummer 16/8 en dat van N&M en Greenpeace onder zaaknummer 16/9.
Ten aanzien van een aantal van de onder 1.1 vermelde middelen heeft het Ctgb nadere besluiten genomen. Die nadere besluiten worden hierna onder 3 tot en met 6 vermeld.
Het Ctgb heeft een verweerschrift ingediend.
Appellanten, het Ctgb, Bayer, Adama en Nufarm hebben (nadere) stukken ingediend en hun standpunten nader uiteengezet.
Over een aantal stukken die het Ctgb verplicht is over te leggen heeft het Ctgb meegedeeld dat uitsluitend het College daarvan kennis zal mogen nemen. Bij beslissingen van 13 augustus 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:1036) en 22 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:776) heeft het College de gevraagde beperking van de kennisneming gedeeltelijk gerechtvaardigd geacht. De andere partijen hebben, voor zover nodig, het College toestemming verleend om mede uitspraak te doen op grondslag van stukken waarvan uitsluitend het College kennis mag nemen.
Na een regiezitting op 17 oktober 2017 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden op 17 november 2020. De beroepen zijn gezamenlijk behandeld.
Aan de zitting van 17 november 2020 hebben deelgenomen namens de Bijenstichting en NBL: mr. L.J. Smale, bijgestaan door de deskundige dr. J.P. van der Sluijs, namens N&M en Greenpeace: mr. drs. J. Rutteman, namens het Ctgb: mr. D.S.P. Roelands-Fransen en mr. M.G. Nielen, bijgestaan door mr. L.W.M. Bruininks, ir. J. Wassenberg en dr. ir. C. van Griethuysen, en namens Bayer: mr. E. Broeren, bijgestaan door ir. R.M.M. Rombouts.
Overwegingen
1.1
De beroepen gaan over Admire, Gaucho Tuinbouw, Kohinor 700 WG, WOPRO Imidacloprid 70 WG en Potatoprid. Deze gewasbeschermingsmiddelen bevatten alle de werkzame stof imidacloprid. Deze stof is een systemisch insecticide die behoort tot de neonicotinoïden. Imidacloprid werkt in op de nicotine acetylcholine receptor, die vooral wordt gevonden in het zenuwsysteem van insecten en minder in dat van andere dieren. Imidacloprid is per 1 augustus 2009 geplaatst op Annex I van Richtlijn 91/4141.en goedgekeurd krachtens Verordening 1107/20092.. Op grond van Uitvoeringsverordening 540/20113.wordt imidacloprid geacht te zijn goedgekeurd op grond van Verordening 1107/2009. In Nederland is sinds 1994 een product op basis van de werkzame stof imidacloprid toegelaten.
1.2
Op Europees niveau is in verband met de geconstateerde achteruitgang van de bijenstand de goedkeuring van werkzame stoffen uit de groep van de neonicotinoïden stapsgewijs afgebouwd. Zo zijn in verband met de risico’s voor bijen restricties gesteld aan het gebruik van neonicotinoïden als gewasbeschermingsmiddel bij Uitvoeringsverordening 485/20134..
1.3
Op nationaal niveau heeft het Ctgb de toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen op basis van werkzame stoffen die behoren tot de groep van de neonicotinoïden, die sinds 1994 in Nederland zijn toegelaten, geleidelijk aangescherpt of ingetrokken. Zo heeft het Ctgb in 2011, naar aanleiding van wetenschappelijke rapporten waarin een verband werd gelegd tussen gewasbeschermingsmiddelen op basis van neonicotinoïden en voortgaande bijensterfte, de toegelaten gewasbeschermingsmiddelen op basis van neonicotinoïden herbeoordeeld op de effecten voor de gezondheid van bijen en een aantal toelatingen van imidaclopridhoudende middelen aangepast. In 2013 heeft het Ctgb ter uitvoering van Uitvoeringsverordening 485/2013 een aantal toelatingen ingetrokken en van andere toelatingen, zoals voor Admire, het gebruiksvoorschrift aangescherpt en een aantal toepassingen laten vervallen. In 2014 heeft het Ctgb deze vervallen toepassingen van Admire niet geherregistreerd.
Bestreden besluit en nadere besluiten
2. Bij het bestreden besluit heeft het Ctgb mede beslist op de bezwaren van appellanten tegen de gedurende de bezwaarprocedure genomen wijzigingsbesluiten. In de loop van de beroepsprocedures heeft het Ctgb nog meer besluiten genomen over de onder 1.1 genoemde gewasbeschermingsmiddelen. Het College stelt vast dat deze besluiten nadere besluiten zijn als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat de beroepen tegen het bestreden besluit van rechtswege mede betrekking hebben op deze besluiten. Hierna is per gewasbeschermingsmiddel aangegeven om welke besluiten het gaat.
Admire
3.1
Voor Admire bestond een toelating tot en met 31 januari 2014. Bij besluit van 30 januari 2014 heeft het Ctgb het wettelijk gebruiksvoorschrift van deze toelating nog gewijzigd (wijzigingsbesluit Admire van 30 januari 2014). De Bijenstichting, N&M en Greenpeace hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij het bestreden besluit heeft het Ctgb deze bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.
3.2.1
Bij besluit van 31 januari 2014 heeft het Ctgb op aanvraag van de toelatinghouder de toelating van Admire voor de in het besluit genoemde toepassingen verlengd tot 1 februari 2024 (herregistratiebesluit Admire). Bij deze herregistratie is in het wettelijk gebruiksvoorschrift onder meer het volgende voorgeschreven:
“Om in het water levende organismen te beschermen is het in de bedekte teelten niet toegestaan om ongezuiverd filterspoelwater, drainwater bij substraatteelten en drainagewater bij grondgebonden teelten op het oppervlaktewater te lozen. Het te lozen drain-, drainage en filterspoelwater mag uitsluitend worden geloosd, nadat het te lozen drain-, drainage en filterspoelwater geleid wordt door een werkende zuiveringsvoorziening [...].
Aanleiding hiervoor was een rapport van Alterra van 3 april 2013, EFSA (European Food Safety Organisation)-journal 20145..
3.2.2
De Bijenstichting, N&M en Greenpeace hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft het Ctgb het herregistratiebesluit Admire gehandhaafd. Wel heeft het Ctgb naar aanleiding van het bezwaar van een andere bezwaarmaker het zuiveringsvoorschrift voor lozingen op het oppervlaktewater uitgebreid naar lozingen op het riool.
3.3
In 2015 heeft het Ctgb, naar aanleiding van een in april 2015 door de European Academies’ Science Advisory Council (EASAC) uitgebracht rapport over het gedrag van neonicotinoïden in het milieu en de effecten daarvan op onder meer zweefvliegen, hommels, solitaire bijen en aquatische organismen, de toelating van neonicotinoïden herbeoordeeld. Hierbij heeft het Ctgb ook betrokken de in het Tijdschrift Nature gepubliceerde studies van 2 en 5 april 2015: “Bees prefer foods containing neonicotinoid pesticides” en “Seed coating with a neonicotinoid insecticide negatively affects wild bees”. Genoemde studies en rapport zijn voor het Ctgb aanleiding geweest om bij besluit van 22 juli 2015 de herregistratie van Admire voor de in het besluit genoemde toepassingen te weigeren (partiële afwijzingsbesluit Admire). Tegen dit besluit hebben de Bijenstichting en NBL bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit zijn deze bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.
3.4
Bij besluit van 9 juli 2015 heeft het Ctgb het wettelijk gebruiksvoorschrift in het herregistratiebesluit Admire aangescherpt om in het water levende organismen beter te beschermen (wijzigingsbesluit Admire van 9 juli 2015). Om het voor bedekte teelten geldende zuiveringsvoorschrift voor het lozen op het oppervlaktewater en het riool beter te kunnen handhaven heeft het Ctgb aanvullend voorgeschreven dat het middel niet mag worden verkocht voor gebruik in glastuinbouw als de gebruiker niet kan aantonen dat hij voldoet aan de voorgeschreven zuiveringsvoorwaarden voor afvalwater, en dat verkoop plaatsvindt volgens het regime van gecontroleerde distributie van de Stichting Certificatie Distributie in Gewasbeschermingsmiddelen (Stichting CDG). Tegen dit besluit hebben de Bijenstichting en NBL bezwaar gemaakt. Het bezwaar van N&M en Greenpeace tegen het herregistratiebesluit Admire heeft het Ctgb op grond van artikel 6:19 van de Awb mede gericht geacht tegen het wijzigingsbesluit Admire van 9 juli 2015. Bij het bestreden besluit heeft het Ctgb dit besluit gehandhaafd.
3.5
In de loop van de beroepsprocedures heeft het Ctgb de toelating van Admire nog gewijzigd met de volgende besluiten, waartegen de beroepen op grond van artikel 6:19 van de Awb mede gericht worden geacht.
3.6
Bij besluit van 16 januari 2017 is het wettelijk gebruiksvoorschrift van de toelating van Admire gewijzigd (wijzigingsbesluit Admire van 16 januari 2017). De aanleiding hiervoor was de constatering dat de toelatingsnorm voor middelen op basis van imidacloprid nog steeds substantieel wordt overschreden, dat de verplichting tot waterzuivering voorafgaande aan lozing op oppervlaktewater of riool niet het beoogde effect heeft - er wordt niet of nauwelijks gezuiverd, terwijl er wel wordt geloosd - en dat het systeem van gecontroleerde distributie, met aanvullende voorschriften, een belangrijke rol blijft vervullen bij terugdringing van de verontreiniging van het oppervlaktewater met imidacloprid. Het Ctgb heeft daarom ter bescherming van in het water levende organismen het wettelijk gebruiksvoorschrift verder aangescherpt door per 15 maart 2017 het gebruik van imidaclopridhoudende middelen in kassen te verbieden, tenzij een teler kan aantonen dat hij geen afvalwater loost of het afvalwater zuivert met ten minste 99,5%. Dit moet controleerbaar zijn en worden geborgd met een certificaat.
3.7
Bij besluit van 4 mei 2017 heeft het Ctgb de toelating van Admire gewijzigd. De door de toelatinghouder aangevraagde aanpassing van driftreducerende maatregelen in fruitteelt is afgewezen en de aangevraagde aanpassing van de emissiebeperkende zinnen voor de bloembollenteelt is toegewezen.
3.8
Bij besluit van 6 april 2018 heeft het Ctgb het etiketteringsvoorschrift van Admire gewijzigd (wijzigingsbesluit Admire van 6 april 2018).
3.9
Naar aanleiding van Uitvoeringsverordening 2018/7836., waarbij het gebruik van imidaclopridhoudende middelen is ingeperkt om het risico voor bijen te beperken, heeft het Ctgb bij besluit van 7 september 2018 het wettelijk gebruiksvoorschrift van de toelating van Admire gewijzigd (wijzigingsbesluit Admire van 7 september 2018). Door deze wijziging mag Admire alleen nog worden toegepast op gewassen die hun gehele levenscyclus in een permanente kas doorbrengen. De toepassing in onbedekte teelten is niet meer toegestaan en aan de toepassing in bedekte teelten worden beperkingen opgelegd.
Gaucho Tuinbouw
4.1
Ook voor Gaucho Tuinbouw bestond een toelating tot en met 31 januari 2014. Bij besluit van 30 januari 2014 heeft het Ctgb het wettelijk gebruiksvoorschrift van deze toelating nog gewijzigd (wijzigingsbesluit Gaucho Tuinbouw van 30 januari 2014). De Bijenstichting, N&M en Greenpeace hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij het bestreden besluit zijn deze bezwaren niet-ontvankelijk verklaard om dezelfde reden als waarom de bezwaren tegen het wijzigingsbesluit Admire van 30 januari 2014 niet-ontvankelijk zijn verklaard.
4.2
Bij besluit van 31 januari 2014 heeft het Ctgb op aanvraag van de toelatinghouder de toelating van Gaucho Tuinbouw verlengd tot 1 februari 2024 (herregistratiebesluit Gaucho Tuinbouw). Bij deze herregistratie is in het wettelijk gebruiksvoorschrift hetzelfde zuiveringsvoorschrift voor lozingen op het oppervlaktewater opgenomen als in het herregistratiebesluit Admire. De aanvraag is afgewezen voor de in het besluit genoemde toepassingen. De Bijenstichting, N&M en Greenpeace hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft het Ctgb het herregistratiebesluit voor Gaucho Tuinbouw gehandhaafd. Wel heeft het Ctgb naar aanleiding van het bezwaar van een andere bezwaarmaker het zuiveringsvoorschrift voor lozingen op het oppervlaktewater uitgebreid naar lozingen op het riool.
4.3
Bij besluit van 5 december 2014 heeft het Ctgb het etiketteringsvoorschrift voor de toelating van Gaucho Tuinbouw gewijzigd (wijzigingsbesluit Gaucho Tuinbouw van 5 december 2014). De Bijenstichting, N&M en Greenpeace hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft het Ctgb het wijzigingsbesluit Gaucho Tuinbouw van 5 december 2014 gehandhaafd.
4.4
Bij besluit van 9 juli 2015 heeft het Ctgb voor Gaucho Tuinbouw dezelfde aanvullende voorschriften opgenomen als in het wijzigingsbesluit Admire van 9 juli 2015 (wijzigingsbesluit Gaucho Tuinbouw van 9 juli 2015). Tegen dit besluit hebben de Bijenstichting en NBL bezwaar gemaakt. Het bezwaar van N&M en Greenpeace tegen het herregistratiebesluit Gaucho Tuinbouw heeft het Ctgb op grond van artikel 6:19 van de Awb mede gericht geacht tegen het wijzigingsbesluit Gaucho Tuinbouw van 9 juli 2015. Bij het bestreden besluit heeft het Ctgb dit besluit gehandhaafd.
4.5
In de loop van de beroepsprocedures heeft het Ctgb de toelating van Gaucho Tuinbouw nog gewijzigd met de volgende besluiten, waartegen de beroepen op grond van artikel 6:19 van de Awb mede gericht worden geacht.
4.6
Bij besluit van 16 januari 2017 heeft het Ctgb het wettelijk gebruiksvoorschrift van de toelating van Gaucho Tuinbouw gewijzigd (wijzigingsbesluit Gaucho Tuinbouw van 16 januari 2017).
4.7
Bij besluit van 7 september 2018 heeft het Ctgb de toelating van Gaucho Tuinbouw ingetrokken naar aanleiding van de Uitvoeringsverordening 2018/783 (intrekkingsbesluit Gaucho Tuinbouw).
Kohinor 700 WG
5.1
Kohinor 700 WG is toegelaten tot 1 oktober 2022. Bij besluit van 30 januari 2014 heeft het Ctgb het wettelijk gebruiksvoorschrift van deze toelating gewijzigd (wijzigingsbesluit Kohinor 700 WG van 30 januari 2014). Tegen dit besluit van 30 januari 2014 hebben de Bijenstichting, N&M en Greenpeace bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft het Ctgb dit besluit gehandhaafd. Bij uitspraak van 7 mei 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:189) heeft het College het beroep van de Bijenstichting tegen het wijzigingsbesluit Kohinor 700 WG van 30 januari 2014 niet-ontvankelijk verklaard.
5.2
Bij besluit van 9 juli 2015 heeft het Ctgb voor Kohinor 700 WG dezelfde aanvullende voorschriften opgenomen als in het wijzigingsbesluit Admire van 9 juli 2015 (wijzigingsbesluit Kohinor 700 WG van 9 juli 2015). Tegen dit besluit hebben de Bijenstichting en NBL bezwaar gemaakt. Het bezwaar van N&M en Greenpeace tegen het wijzigingsbesluit Kohinor 700 WG van 30 januari 2014 heeft het Ctgb op grond van artikel 6:19 van de Awb mede gericht geacht tegen het wijzigingsbesluit Kohinor 700 WG van 9 juli 2015. Bij het bestreden besluit heeft het Ctgb dit besluit gehandhaafd. Wel heeft het Ctgb naar aanleiding van het bezwaar van een andere bezwaarmaker het zuiveringsvoorschrift voor lozingen op het oppervlaktewater uitgebreid naar lozingen op het riool. Bij uitspraak van 7 mei 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:189) heeft het College het beroep van de Bijenstichting tegen het wijzigingsbesluit Kohinor 700 WG van 9 juli 2015 niet-ontvankelijk verklaard.
5.3
In de loop van de beroepsprocedures heeft het Ctgb de toelating van Kohinor 700 WG nog gewijzigd met de volgende besluiten, waartegen de beroepen op grond van artikel 6:19 van de Awb mede gericht worden geacht.
5.4
Bij besluit van 16 januari 2017 heeft het Ctgb het wettelijk gebruiksvoorschrift van de toelating van Kohinor 700 WG op dezelfde manier gewijzigd als bij het wijzigingsbesluit Admire van 16 januari 2017 (wijzigingsbesluit Kohinor 700 WG van 16 januari 2017).
5.5
Bij besluit van 7 september 2018 heeft het Ctgb het wettelijk gebruiksvoorschrift van de toelating van Kohinor 700 WG gewijzigd op dezelfde manier als bij het wijzigingsbesluit Admire van 7 september 2018 (wijzigingsbesluit Kohinor 700 WG van 7 september 2018). Bij uitspraak van 7 mei 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:189) heeft het College het beroep van de Bijenstichting tegen het wijzigingsbesluit Kohinor 700 WG van 7 september 2018 niet-ontvankelijk verklaard.
5.6
Bij besluit van 13 september 2019 is op aanvraag van de toelatinghouder de toelating van Kohinor 700 WG ingetrokken (intrekkingsbesluit Kohinor 700 WG).
WOPRO Imidacloprid 70 WG
6.1
WOPRO Imidacloprid 70 WG is als een parallelle toelating van Admire toegelaten voor gebruik in Nederland. Bij besluit van 9 juli 2015 heeft het Ctgb voor WOPRO Imidacloprid 70 WG dezelfde aanvullende voorschriften opgenomen als in het wijzigingsbesluit Admire van 9 juli 2015 (wijzigingsbesluit WOPRO Imidacloprid 70 WG van 9 juli 2015). Tegen het wijzigingsbesluit WOPRO Imidacloprid 70 WG van 9 juli 2015 hebben de Bijenstichting en NBL bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft het Ctgb dit besluit gehandhaafd. Wel heeft het Ctgb naar aanleiding van het bezwaar van een andere bezwaarmaker het zuiveringsvoorschrift voor lozingen op het oppervlaktewater uitgebreid naar lozingen op het riool.
6.2
In de loop van de beroepsprocedures heeft het Ctgb de toelating van WOPRO Imidacloprid 70 WG nog gewijzigd met de volgende besluiten, waartegen de beroepen op grond van artikel 6:19 van de Awb mede gericht worden geacht.
6.3
Bij besluit van 16 januari 2017 heeft het Ctgb de toelating van WOPRO Imidacloprid 70 WG gewijzigd op dezelfde manier als bij het wijzigingsbesluit Admire van 16 januari 2017 (wijzigingsbesluit WOPRO Imidacloprid 70 WG van 16 januari 2017).
6.4
Bij besluit van 7 september 2018 heeft het Ctgb het wettelijk gebruiksvoorschrift van de toelating van WOPRO Imidacloprid 70 WG gewijzigd op dezelfde manier als bij het wijzigingsbesluit Admire van 7 september 2018 (wijzigingsbesluit WOPRO Imidacloprid 70 WG van 7 september 2018).
6.5
Bij besluit van 6 maart 2020 is op aanvraag van de toelatinghouder de toelating van WOPRO Imidacloprid 70 WG ingetrokken (intrekkingsbesluit WOPRO Imidacloprid).
Potatoprid
7. Het Ctgb heeft het middel Potatoprid bij besluit van 10 januari 2014 toegelaten voor gebruik in Nederland (toelatingsbesluit Potatoprid). Dit besluit is gewijzigd bij besluit van 5 december 2014 (wijzigingsbesluit Potatoprid van 5 december 2014). Tegen het toelatingsbesluit Potatoprid is bezwaar gemaakt door N&M en Greenpeace. Het Ctgb heeft dit bezwaar op grond van artikel 6:19 van de Awb mede gericht geacht tegen het wijzigingsbesluit Potatoprid van 5 december 2014. De Bijenstichting heeft bezwaar gemaakt tegen alleen het wijzigingsbesluit Potatoprid van 5 december 2014. Bij het bestreden besluit heeft het Ctgb het bezwaar van Greenpeace niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat was ingediend. Naar aanleiding van het bezwaar van N&M heeft het Ctgb het toelatingsbesluit Potatoprid herroepen. Naar aanleiding van het bezwaar van N&M en de Bijenstichting heeft het Ctgb het wijzigingsbesluit Potatoprid van 5 december 2014 herroepen.
Procesbelang
8.1.1
Het College stelt vast dat Gaucho Tuinbouw, Kohinor 700 WG, WOPRO-Imidacloprid en Potatoprid niet meer zijn toegelaten op de Nederlandse markt. De toelating van Potatoprid is bij het bestreden besluit herroepen en de toelatingen van Gaucho Tuinbouw, Kohinor 700 WG en WOPRO Imidacloprid 70 WG zijn nadien ingetrokken.
8.1.2
Admire valt onder de met ingang van 26 november 2020 in werking getreden Uitvoeringsverordening 2020/16437.. Uit deze verordening vloeit voort dat sinds 1 december 2020 geen imidaclopridhoudende middelen meer gebruikt mogen worden. Wel kunnen nog respijttermijnen worden toegekend op grond van artikel 46 van Verordening 1107/2009. Het Ctgb heeft bij besluit van 27 november 2020 op aanvraag van Bayer de toelating van Admire ingetrokken met ingang van 1 december 2020 (intrekkingsbesluit Admire). Daarbij heeft het Ctgb respijttermijnen toegekend voor afleveren van het middel tot 1 juni 2021 en voor opgebruik van het middel tot 1 januari 2022. Tevens heeft het Ctgb in het intrekkingsbesluit Admire bepaald dat de bij het wijzigingsbesluit Admire van 16 januari 2017 en de bij het besluit van 4 mei 2017 opgelegde tijdelijke toepassingsvoorwaarden van kracht blijven tot het einde van de opgebruiktermijn. Het voorgaande brengt mee dat appellanten belang hebben bij de beoordeling van hun beroepen die betrekking hebben op Admire.
8.1.3
Het College ziet zich voor de vraag gesteld of appellanten ook nog belang hebben bij de beoordeling van hun beroepen die betrekking hebben op de niet meer op de Nederlandse markt toegelaten middelen Gaucho Tuinbouw, Kohinor 700 WG, WOPRO-Imidacloprid en Potatoprid. Voor de vraag of er nog procesbelang bestaat, is van belang wat appellanten met hun beroepen nastreven. Het doel dat appellanten hiermee willen bereiken, moeten zij ook daadwerkelijk kunnen bereiken en dat resultaat moet voor hen feitelijke betekenis hebben en niet alleen een hypothetische. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang. Daarbij geldt dat in beginsel geen procesbelang kan zijn gelegen in de beoordeling van een reeds verstreken periode of een inmiddels ingetrokken of vervallen besluit, tenzij sprake is van een onderbouwd verzoek om schadevergoeding dan wel indien een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn bij toekomstige (terugkerende) besluiten.
Procesbelang Bijenstichting en NBL
8.2
De Bijenstichting en NBL betogen dat zij onverminderd procesbelang hebben bij al hun beroepen. Bij brief van 16 september 2019 hebben zij daartoe gesteld dat een inhoudelijk oordeel van belang is vanwege de vergoeding van de geleden schade en een mogelijk opvolgend besluit voor een toekomstige periode. Bij brief van 13 november 2019 hebben zij nog gewezen op rechtspraak waaruit volgens hen voortvloeit dat bij een geëxpireerd besluit procesbelang niet verloren gaat door tijdsverloop. Ter zitting hebben de Bijenstichting en NBL verder nog gesteld dat ook vanwege de vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten van professionele rechtsbijstand en deskundigenkosten nog een procesbelang bestaat. Het Ctgb en derde-partijen zijn van mening dat appellanten hun procesbelang hebben verloren voor Gaucho Tuinbouw, Kohinor 700 WG, WOPRO-Imidacloprid en Potatoprid.
Schade
8.3.1
De Bijenstichting en NBL stellen dat de bestreden toelatingen hebben bijgedragen aan het in het milieu komen van de werkzame stof imidacloprid, die daar grote schade heeft aangericht aan niet-doelsoorten. Deze schade bestaat uit de achteruitgang van de stand van bijen en hommels en hun leefomgeving. NBL stelt dat daarnaast ook schade is aangericht aan andere dieren, zoals waterbeestjes, vogels, kevers en schade aan de natuurlijke leefomgeving.
8.3.2
Met hun beroepen streefden de Bijenstichting en NBL na het gebruik van imidaclopridhoudende middelen te beëindigen. Dat doel is bereikt en zij vinden het niet meer dan redelijk dat de redelijke kosten van herstel van de milieuschade worden vergoed. Dat is een belang dat de Bijenstichting en NBL zich aantrekken en daarmee gaat het, in hun visie, om door hen geleden schade. Voor het opstellen van een programma van herstel- en preventiemaatregelen is er nader onderzoek nodig naar het gebruik van imidacloprid en de effecten daarvan op de biodiversiteit. De Bijenstichting en NBL hebben bewust ervan afgezien om voor dit onderzoek een offerte te vragen, omdat de onderzoeker die zij op het oog hebben door het College mogelijk als deskundige benoemd kan worden. Het is de bedoeling van de Bijenstichting en NBL om een statistisch onderzoek te laten uitvoeren aan de hand van bij de Nederlandse Database Flora en Fauna (NDFF) voorhanden zijnde data en de monitoringgegevens van het oppervlaktewater. Ter indicatie van de kosten van dit onderzoek hebben de Bijenstichting en NBL een e-mail van de NDFF overgelegd met een opgave van de kosten van het opvragen van data. Naast de kosten van het onderzoek stellen de Bijenstichting en NBL kosten te moeten maken voor de begeleiding van het onderzoek tegen een uurtarief van € 85,-.
8.3.3
Het Ctgb en de derde-partijen betwisten het bestaan van een causaal verband tussen de gestelde schade en de in deze beroepsprocedures aan de orde zijnde besluiten over Gaucho Tuinbouw, Kohinor 700 WG, WOPRO Imidacloprid 70 WG en Potatoprid.
8.3.4
Zoals het College eerder heeft overwogen, ook in zijn uitspraak van 7 mei 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:189), kan de mogelijkheid om naderhand een actie tot schadevergoeding in te stellen een procesbelang met zich brengen bij een beroep tegen een besluit dat beweerdelijk schade toebrengt. Er moet dan wel een (begin van een) onderbouwing worden gegeven voor een mogelijk causaal verband tussen de gestelde schade en het vermeend onrechtmatige besluit, terwijl niet van tevoren onaannemelijk mag zijn dat schade is geleden.
8.3.5
De Bijenstichting en NBL hebben onder verwijzing naar diverse publicaties gewezen op de (zeer) ernstige gevolgen die imidacloprid kan hebben voor bijen en hommels (en andere fauna) en hun leefomgeving. Dit is echter onvoldoende als (begin van een) onderbouwing voor de conclusie dat zij daadwerkelijk (zelf) schade hebben geleden als gevolg van het bestreden besluit en de nadere besluiten over Gaucho Tuinbouw, Kohinor 700 WG, WOPRO Imidacloprid 70 WG en Potatoprid.
8.3.6
De Bijenstichting en NBL gaan voorts eraan voorbij dat er meer middelen met de werkzame stof imidacloprid op de markt waren dan Gaucho Tuinbouw, Kohinor 700 WG, WOPRO Imidacloprid 70 WG en Potatoprid. Bovendien gaat het bij Kohinor 700 WG en WOPRO Imidacloprid 70 WG alleen om besluiten waarbij het gebruik van het middel is ingeperkt. De Bijenstichting en NBL hebben niet duidelijk gemaakt hoe dat zou kunnen leiden tot een milieuverslechtering. Alleen bij Gaucho Tuinbouw en Potatoprid gaat het om toelatings- of herregistratiebesluiten, maar die dateren pas vanaf januari 2014, terwijl in Nederland middelen op basis van imidacloprid al veel langer zijn toegestaan. De Bijenstichting en NBL hebben dan ook niet aangetoond dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen – enerzijds – de besluiten waarover bij het bestreden besluit is beslist en de op grond van artikel 6:19 van de Awb bij de beoordeling betrokken besluiten en – anderzijds – de achteruitgang van de biodiversiteit in de periode van 2014 tot de momenten waarop de toelatingen zijn ingetrokken.
8.3.7
Bij een rechtspersoon die een ideëel doel nastreeft, zoals de Bijenstichting en NBL, is behoud van procesbelang niet reeds gegeven wanneer wordt opgekomen tegen een besluit dat strijdig wordt geacht met de door die rechtspersoon nagestreefde doelstelling. In een zodanig geval mag worden gevergd dat deze op zijn minst, al was het maar een ruwe schets, een plan van aanpak om de gestelde schade vergoed of hersteld te krijgen geeft. De Bijenstichting en NBL hebben op dit punt te weinig gesteld en aannemelijk gemaakt waaruit zou kunnen blijken hoe zij zich de vergoeding of het herstel van de beweerde schade voorstellen. De verwijzing van de Bijenstichting en NBL naar milieuaansprakelijkheid op grond van titel 17.2 van de Wet milieubeheer (Wm) kan niet tot een ander oordeel leiden, alleen al omdat de Bijenstichting en NBL met betrekking tot mogelijke schade nu eenmaal te weinig gesteld en aannemelijk hebben gemaakt. Anders dan Bijenstichting en NBL betogen, ziet het College in het Verdrag van Aarhus (Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden), het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen.
8.3.8
Gelet op het voorgaande oordeelt het College dat de Bijenstichting en NBL onvoldoende hebben onderbouwd dat zij schade hebben geleden door de aangevochten bestuurlijke besluitvorming vanaf 2014 over de niet meer op de markt zijnde middelen. Hieraan ontlenen zij dus geen procesbelang.
Toekomstige besluitvorming
8.4.1
De Bijenstichting en NBL voeren aan dat een inhoudelijk oordeel van belang kan zijn voor een besluit voor een toekomstige periode en haken in op een passage in 4.7 van de uitspraak van het College van 7 mei 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:189), een zaak waarbij de Bijenstichting partij was:
“ [...] In dit verband herinnert het College er in de eerste plaats aan dat het hier toepasselijke normatieve kader, dat voor gewasbeschermingsmiddelen in hoofdzaak wordt gevormd door Verordening 1107/2009 [...], niet alleen de aanvrager van een (wijziging van een) toelating telkenmale dwingt zijn aanvraag van specifieke gegevens te voorzien, maar ook voor het Ctgb de verplichting inhoudt om telkens een op dat specifieke middel en het daarmee beoogde gebruik toegesneden beslissing te nemen tegen de achtergrond van de dan voorhanden wetenschappelijke kennis.”
8.4.2
Volgens de Bijenstichting en NBL blijkt uit de openbaar gemaakte studies van Bayer dat bij de aanvragen telkens geen onderbouwing van de realistische en normale landbouwgebruiksomstandigheden is gegeven en de veldstudies onvoldoende statistisch onderscheidend vermogen hebben om te kunnen aantonen dat er geen onaanvaardbare schadelijke effecten ontstaan door het middel. Daarom is een oordeel van het College van belang om duidelijk te maken dat bij elke intrekking of wijziging van een toelating op grond van artikel 44 of 45 van Verordening 1107/2009 een nieuwe risicobeoordeling moet plaatsvinden op basis van artikel 29 van Verordening 1107/2009 waarin de cumulatieve effecten van andere neonicotinoïden in het toepassingsgebied betrokken worden op grond van het voorzorgsbeginsel en het algemeen beginsel dat de cumulatieve effecten van belang zijn om de nadelige gevolgen van milieubelastende besluiten te beoordelen. In dit verband wijzen de Bijenstichting en NBL ook naar de uniforme beginselen in 2.5.2.3, sub a, onder iv, en 2.5.2.4, onder iv, van Verordening 546/20118.dat bij de evaluatie van de blootstelling van honingbijen en andere geleedpotigen aan gewasbeschermingsmiddelen ook andere toegelaten toepassingen, in het gebied waarvoor de toepassing wordt beoogd, van gewasbeschermingsmiddelen die dezelfde werkzame stof bevatten of dezelfde residuen opleveren moeten worden betrokken. Ook een oordeel over het gecontroleerde distributievoorschrift is volgens de Bijenstichting en NBL van belang voor nog niet geëxpireerde toelatingen en toekomstige besluitvorming, omdat nog geenszins vast staat dat er een einde is gekomen aan de overschrijding van de imidaclopridnormen voor het oppervlaktewater.
8.4.3
Het College blijft bij de hiervoor aangehaalde overweging in zijn uitspraak van 7 mei 2019 dat het toepasselijke toetsingskader voor het Ctgb de verplichting inhoudt om telkens een op dat specifieke middel en het daarmee beoogde gebruik toegesneden beslissing te nemen tegen de achtergrond van de dan voorhanden wetenschappelijke kennis. De beoordeling van een aanvraag tot (wijziging van een) toelating is zo specifiek dat, zo er al sprake zou zijn van enige onwettigheid, deze onwettigheid zich in de toekomst niet mechanisch, onafhankelijk van de bijzondere omstandigheden van de betrokken zaak, zal herhalen. Het College ziet gelet op het voorgaande niet in welke van de gestelde, de Bijenstichting en NBL rakende, onwettigheden zich in de toekomst kunnen herhalen, onafhankelijk van de bijzondere omstandigheden van de betrokken zaak.
Tijdsverloop
8.5.1
De Bijenstichting en NBL stellen zich op het standpunt dat het niet zo kan zijn dat zij hun procesbelang door het tijdsverloop hebben verloren. Zij hebben daarbij verwezen naar het arrest van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) van 17 juli 2018 in de zaak Ronald Vermeulen/België (ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506).
8.5.2
Het EHRM aanvaardt in algemene zin het bestaan van procesbelang als ontvankelijkheidsvereiste. In de Nederlandse bestuursrechtspraak gaat het procesbelang niet snel enkel door tijdsverloop verloren. Vaak dient het doorzetten van het beroep een zelfstandig belang, veelal omdat het bestreden besluit nog werking heeft, in andere gevallen vaak vanwege het verkrijgen van schadevergoeding, maar ook bij zogenoemde repeterende besluiten met het oog op toekomstige aanvragen (zoals aan de orde in de uitspraak van het College van 19 juni 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BJ0699). Door artikel 6:19 van de Awb wordt een wijziging van het bestreden besluit (tenzij die volledig tegemoet komt aan hetgeen de belanghebbende in beroep heeft verzocht) in het lopende beroep betrokken; ook tussentijdse wijziging van het bestreden besluit doet het procesbelang behoudens genoemde uitzondering niet verloren gaan. Het procesbelang gaat dus alleen bij uitzondering door het verstrijken van de geldigheidsduur van het bestreden besluit verloren en dat tast het recht op de toegang tot de rechter niet in de kern aan. Het College beklemtoont dat het procesbelang van de Bijenstichting en NBL niet (enkel) door tijdsverloop verloren is gegaan, maar (ook) nadat zij met of ten minste gaandeweg hun beroep de nagestreefde uitkomst, namelijk beëindiging van de toelating van de betreffende middelen, hadden bereikt. Dat verschilt wezenlijk van de situatie van het door Vermeulen niet behalen van zijn toelatingsexamen voor het Belgische ambtenarenapparaat. Vermeulen zag zijn verzoek tot vernietiging afgewezen wegens het verloren gaan van zijn procesbelang doordat de resultaten van de overige kandidaten definitief waren geworden (en de geldigheidsduur van de reservelijst was verstreken). De Belgische Raad van State liet hem daarmee met lege handen staan. Zoals gezegd doet zich dat hier niet voor.
In bezwaar gemaakte kosten
8.6
De in bezwaar gemaakte kosten voor het inschakelen van een deskundige heeft het Ctgb al aan de Bijenstichting vergoed. Verder heeft het Ctgb op de zitting toegezegd de in bezwaar gemaakte kosten voor professionele rechtsbijstand, voor zover niet reeds vergoed bij het besluit van het Ctgb van 26 oktober 2016, te zullen vergoeden aan de Bijenstichting en NBL. De Bijenstichting en NBL hebben op de zitting ingestemd met een vergoeding op basis van het in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) neergelegde puntensysteem. Andere kosten hebben de Bijenstichting en NBL in bezwaar niet gemaakt. Daarmee is ook in de vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten geen procesbelang (meer) gelegen.
Procesbelang N&M en Greenpeace
8.7.1
N&M en Greenpeace hebben ter zitting verklaard dat hun beroep erop is gericht dat de hier aan de orde zijnde toelatingen worden ingetrokken. Hun (resterend) procesbelang is gelegen in het verkrijgen van een duidelijk oordeel over wat acceptabel is als het gaat om de handhaafbaarheid van de voorschriften bij toelating van een middel dat de werkzame stof imidacloprid bevat.
8.7.2
Het College zal hierna, bij de beoordeling van de toelating van Admire, de grieven van N&M en Greenpeace over de handhaafbaarheid van de voorschriften bespreken. De toelatingen van de andere middelen zijn inmiddels ingetrokken en de respijttermijnen daarvan zijn verstreken, zodat N&M en Greenpeace bij de beoordeling van die toelatingen geen procesbelang meer hebben, zoals zij ook zelf ten aanzien van een deel van die toelatingen al eerder schriftelijk hebben verklaard.
Tussenconclusie procesbelang
8.8
Uit het voorgaande volgt dat alle appellanten geen procesbelang meer hebben bij de beroepen voor zover deze betrekking hebben op de middelen Gaucho Tuinbouw, Kohinor 700 WG, WOPRO-Imidacloprid 70 WG en Potatoprid.
De inhoudelijke beoordeling
9. De inhoudelijke beoordeling beperkt zich tot de beroepen tegen het bij het bestreden besluit gehandhaafde en aangepaste herregistratiebesluit Admire van 31 januari 2014 (zie 3.2) en de wijzigingsbesluiten Admire van 9 juli 2015, 16 januari 2017, 4 mei 2017, 6 april 2018 en 7 september 2018 (zie 3.4 en 3.6 tot en met 3.9).
10. Op het moment van het nemen van het herregistratiebesluit Admire en de daarop genomen wijzigingsbesluiten Admire was de werkzame stof imidacloprid nog steeds goedgekeurd krachtens Verordening 1107/2009. Deze op Europees niveau plaatsvindende goedkeuring staat in deze beroepsprocedures niet ter discussie. De toelating van een gewasbeschermingsmiddel, waarin een goedgekeurde werkzame stof zoals als imidacloprid wordt toegepast, wordt voor Nederland beoordeeld door het Ctgb aan de hand van Verordening 1107/2009, de uitvoeringsverordeningen, de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb), het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Bgb), de Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Rgb) en (thans) het Bestuursreglement toelatingsprocedure gewasbeschermingsmiddelen en biociden Ctgb 2018. In Verordening 1107/2009 zijn de eisen opgenomen waaraan de lidstaten de toelating voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen moeten toetsen. Voor het herregistratiebesluit Admire en de daaropvolgende wijzigingsbesluiten Admire zijn relevant de artikelen 29 en 44 van Verordening 1107/2009. De inhoud van enkele voor deze uitspraak relevante artikelen uit Verordening 1107/2009 is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Gronden Bijenstichting en NBL
11.1
De Bijenstichting en NBL voeren, samengevat, aan dat de toelating in strijd is met het Europees en het nationaal recht, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en Unierechtelijke beginselen, zoals het preventiebeginsel, het voorzorgsbeginsel en het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron moeten worden bestreden. De besluiten zijn niet zorgvuldig voorbereid als het gaat om de beoordeling van de risico’s voor bijen en hommels bij het gebruik van het middel in Nederland. Het ontbreekt nog steeds aan deugdelijk voorafgaand onderzoek. De aanvrager heeft niet aangetoond dat er zich geen onaanvaardbare risico’s zullen voordoen voor bijen en hommels. Met name de blootstellingsroute via het oppervlaktewater voor bijen en hommels is onvoldoende onderzocht, cumulatieve en synergetische effecten met andere neonicotinoïden zijn buiten de risicobeoordeling gelaten en van monitoring op imidacloprid van de foerageergebieden van bijen en hommels is in het geheel geen sprake, terwijl het Ctgb daartoe op grond van Verordening 485/2013 verplicht is. Nu daardoor niet bekend is aan welke hoeveelheden imidacloprid en andere neonicotinoïden bijen en hommels in Nederland worden blootgesteld, mist het Ctgb voldoende gegevens voor de conclusie dat er zich geen onaanvaardbare effecten op bijen en hommels in Nederland zullen voordoen. Verder stellen de Bijenstichting en NBL dat het waterzuiveringsvoorschrift niet waarborgt dat de oppervlaktewaternorm voor imidacloprid niet wordt overschreden.
11.2
De Bijenstichting voert aan dat het herregistratiebesluit Admire niet genomen had mogen worden, omdat de aanvrager niet heeft aangetoond dat zich door het gebruik van dit middel volgens de toelating geen onaanvaardbare effecten zullen voordoen op bijen en hommels en hun leefomgeving. Met het opnemen van het waterzuiveringsvoorschrift en het afwachten of dat effect heeft, is dat niet aangetoond. Op grond van artikel 29, zesde lid, van Verordening 1107/2009 moet de aanvrager al bij de aanvraag aantonen dat er geen onaanvaardbare risico’s zijn en de lidstaat moet dit op grond van artikel 1, derde en vierde lid, van Verordening 1107/2009 garanderen. De Bijenstichting verwijst naar een CML-rapport9., waaruit blijkt dat ondanks de verplichte zuivering van afvalwater in kassenregio’s de hoeveelheden imidacloprid niet zijn gedaald. Naar aanleiding van dit rapport heeft de staatssecretaris van Economische Zaken in 2016 gesteld dat er wegens de overschrijdingen drastische maatregelen nodig zijn.10.De Bijenstichting merkt voorts op dat de stukken die zij heeft ingediend in eerdere procedures (onder meer de verzoeken om voorlopige voorziening onder de zaaknummers 14/677 en 14/777) als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.
12. Het Ctgb heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
13. De opmerking van de Bijenstichting dat de stukken die zij heeft ingediend in eerdere procedures als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd, is te algemeen om als beroepsgrond te kunnen beoordelen. Het College zal dan ook, evenals in zijn uitspraak van 2 juni 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:371), niet ingaan op de stukken waarnaar de Bijenstichting met deze opmerking verwijst.
14. Het College heeft in de beroepsgronden van de Bijenstichting en NBL geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het Ctgb tekortgeschoten is bij de risicobeoordeling en dat het waterzuiveringsvoorschrift onvoldoende bescherming bood. Op grond van artikel 29 van Verordening 1107/2009 moet de aanvrager inderdaad aantonen dat aan de in het eerste lid van dit artikel genoemde eisen is voldaan met inachtneming van de in het zesde lid bedoelde uniforme beginselen, die zijn vastgesteld in Verordening 546/2011. Dat neemt echter niet weg dat wanneer op deze aanvraag is besloten degene die hiertegen rechtsmiddelen instelt zal moeten onderbouwen waarom het besluit onrechtmatig is. Dat is, anders dan de Bijenstichting meent, geen omkering van de bewijslast. Het gaat erom dat de aanvrager aantoont dat het op de markt te brengen middel geen schadelijke effecten heeft op de gezondheid van mensen en dieren, met inbegrip van die van kwetsbare groepen, noch onaanvaardbare effecten heeft voor het milieu (zie overweging 24 bij Verordening 1107/2009). Daarbij gaat het om effecten van het gebruik volgens de voorschriften, zie bijvoorbeeld onderdeel 2.4.1.1 van de Bijlage bij Verordening 546/2011. Het niet halen van de waterkwaliteitsnorm en het niet naleven van het waterzuiveringsvoorschrift doen daarom op zichzelf niet af aan de rechtmatigheid van de toelating van Admire. Bovendien heeft het Ctgb bij het wijzigingsbesluit Admire van 16 januari 2017 extra voorwaarden verbonden aan het gebruik van Admire om het waterzuiveringsvoorschrift beter te kunnen handhaven (zie 3.6). Hierna zal het College nader ingaan op de gronden die de Bijenstichting en NBL aanvoeren over achtereenvolgens blootstelling van bijen via oppervlaktewater, synergetische effecten, monitoring, het waterzuiveringsvoorschrift en overige gronden.
Blootstelling van bijen via oppervlaktewater
15.1
De Bijenstichting en NBL stellen dat bijen en hommels oppervlaktewater drinken en via die weg worden blootgesteld aan te hoge concentraties imidacloprid. Bij de risicobeoordeling is met name de blootstellingsroute via het oppervlaktewater onvoldoende onderzocht, terwijl het een belangrijke blootstellingsroute voor bijen en hommels is. Het oppervlaktewater is op sommige plaatsen zo vervuild met imidacloprid dat dit water voor bijen en hommels acuut dodelijk is. De Bijenstichting bestrijdt het standpunt van het Ctgb dat de blootstellingsroute via oppervlaktewater niet relevant zou zijn voor bijen en hommels en dat bijen voldoende beschermd zijn door het waterzuiveringsvoorschrift. De Bijenstichting kan hiervoor in het EFSA-journal 2014, waarnaar het Ctgb in dit verband heeft verwezen, geen onderbouwing vinden. Ook biedt het EFSA-journal 2014 geen onderbouwing voor de stelling van het Ctgb dat imidacloprid niet veel toxischer voor bijen is dan voor aquatische geleedpotigen. Het standpunt van het Ctgb is niet in overeenstemming met de wetenschappelijke inzichten in het EASAC-rapport: water- en synergetische effecten uit 2015 (EASAC 2015), waarin is geconcludeerd dat hommels en solitaire bijen gevoeliger zijn dan honingbijen. De Bijenstichting stelt dat de schadelijke effecten van toxiciteit voor waterorganismen en bijen niet vergelijkbaar zijn. De Bijenstichting verwijst naar studies (Eiri 2011 en Fischer et al 2014) waaruit blijkt dat bijenkolonies gevoeliger zijn voor de schadelijke effecten van verontreinigd water vanwege de gespecialiseerde taakverdeling in een kolonie. Als bijvoorbeeld waterdragers door subletale (= niet dodelijke) blootstelling niet terug komen naar de kolonie, verzwakt dat de hele kolonie. De Bijenstichting stelt dat er onvoldoende gegevens zijn om de risico’s voor bijen van verontreinigd oppervlaktewater te kunnen beoordelen en dat een robuuste risicobeoordeling vanwege meerdere stressfactoren op bijen ontbreekt. Ter onderbouwing verwijst de Bijenstichting naar onder meer EFSA 2015 – waarin staat dat: “The risk assessment for honeybees from residues in surface water could not be finalised with the available information”.
15.2
Het Ctgb erkent dat bijen inderdaad oppervlaktewater kunnen drinken dat verontreinigd is met imidacloprid, maar stelt dat het belang van oppervlaktewater voor bijen wetenschappelijk gezien niet is vastgesteld en dat de beoordelingsmethodiek daarom geen rekening houdt met die blootstellingsroute. Hoewel een kwantitatieve beoordelingsmethodiek van het risico voor bijen via drinkwater dus ontbreekt, heeft het Ctgb deze blootstellingsroute voor bijen wel kwalitatief getoetst. Verder wijst het Ctgb op het EFSA journal 2018; 16(2):5178 Conclusions on the peer review of the pesticide risk assessment for bees for the active substance imidacloprid considering the uses as seed treatments and granules (EFSA-journal 2018), waarin wordt geconcludeerd dat ook bij toepassing van het strengere, nog niet geldende EFSA Guidance Document on the risk assessment of plant protection products on bees, EFSA Journal 2013;11(7):3295 (Bijenrichtsnoer 2013) het risico van imidacloprid voor bijen via oppervlaktewater acceptabel is. Uitgaande van een concentratie in het oppervlaktewater van maximaal 0,075 microgram/l, is de in het Bijenrichtsnoer 2013 genomen norm voor waterorganismen van maximaal 0,027 microgram/l beschermend voor bijen. Daaruit heeft het Ctgb geconcludeerd dat de gemeten waarden in oppervlaktewater geen reden geven tot zorg over blootstelling van bijen aan oppervlaktewater.
15.3
Het Ctgb heeft in het aanvullende verweerschrift van 2 november 2020 met cijfermatige gegevens naar het oordeel van het College overtuigend onderbouwd dat de door de Bijenstichting ter onderbouwing van haar standpunt aangehaalde studies geen oorzakelijk verband aantonen tussen het gebruik van imidacloprid in Nederland en de achteruitgang van de bijenstand. Het Ctgb heeft de risicobeoordeling uitgevoerd volgens de richtsnoeren die golden ten tijde van het nemen van het herregistratiebesluit Admire en de daarop volgende wijzigingsbesluiten Admire. Bovendien heeft toetsing aan het strengere Bijenrichtsnoer 2013 niet tot andere uitkomsten geleid. De Bijenstichting en NBL hebben de nadere beoordeling door het Ctgb aan de hand van het Bijenrichtsnoer 2013 niet voldoende gemotiveerd betwist. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Synergetische effecten
16.1
De Bijenstichting stelt dat het Ctgb cumulatieve en synergetische effecten met andere neonicotinoïden in de risicobeoordeling had moeten betrekken. Naar de laatste wetenschappelijke inzichten stapelt bij neonicotinoïden de schade aan het zenuwstelsel zich op. De risico’s voor bijen mede door synergetische en cumulatieve effecten van neonicotinoïden zijn daardoor onaanvaardbaar. De cumulatieve blootstelling gedurende het leven van een bij moet het Ctgb in zijn beoordeling betrekken. Het ontbreken van een beoordelingskader voor synergetische effecten ontslaat het Ctgb niet van de plicht om dit risico te onderzoeken en de omvang van dit risico bij de afweging te betrekken.
16.2
Het Ctgb stelt bij de toelating wel de gecombineerde toxiciteit te hebben beoordeeld van middelen die uit meer dan één werkzame stof bestaan of van tankmixen. Synergisme is echter moeilijk te vatten in de risicobeoordeling bij de toelating van een specifiek middel. Het blootstellingsniveau speelt daarbij een belangrijke rol en het is lastig te bepalen op welk niveau van blootstelling aan verschillende middelen zich synergetische effecten kunnen voordoen. Synergetische effecten doen zich immers voor bij de concrete toepassing in het veld van meerdere neonicotinoïden in dezelfde omgeving of bij een combinatie van de toepassing van neonicotinoïden met bijvoorbeeld fungiciden. Onderzoek zal antwoord moeten geven op de vraag in hoeverre sprake is van synergetische effecten bij de toepassing van middelen op basis van neonicotinoïden. Totdat hierover meer duidelijkheid bestaat, biedt het toetsingskader geen aanknopingspunten om dit bij de beoordeling van toelatingen te betrekken.
16.3
Naar het oordeel van het College heeft het Ctgb overtuigend toegelicht dat er wetenschappelijk nog onvoldoende duidelijkheid bestaat over synergetische effecten bij de toepassing van middelen op basis van neonicotinoïden en dat het toetsingskader op grond van Verordening 1107/2009 geen aanknopingspunten biedt om die effecten in de risicobeoordeling te betrekken. Dat het Ctgb synergetische effecten buiten beschouwing heeft gelaten betekent dan ook niet dat het Ctgb tekortgeschoten is bij de risicobeoordeling die ten grondslag ligt aan het herregistratiebesluit Admire en de daarop volgende wijzigingsbesluiten Admire.
16.4
Ook in wat de Bijenstichting en NBL overigens hebben aangevoerd over synergetische effecten vindt het College geen aanknopingspunten dat de besluiten niet in overeenstemming met het uit Verordening 1107/2009 voortvloeiende toetsingskader tot stand zijn gekomen. Het Ctgb heeft de verschillende door de Bijenstichting aangevoerde argumenten naar het oordeel van het College voldoende weerlegd. Het Ctgb heeft, naar aanleiding van de stelling dat het wijzigingsbesluit Admire van 16 januari 2017 in strijd zou zijn met artikel 44 van Verordening 1107/2009 wegens het ontbreken van een PEC/PNEC-berekening, uiteengezet dat deze berekening in het kader van de beoordeling van de toelating van Admire bij het herregistratiebesluit Admire is uitgevoerd en waarom een PEC/PNEC-berekening in het kader van het wijzigingsbesluit Admire van 16 januari 2017 niet nodig was. De Bijenstichting en NBL hebben dit niet weersproken. Ook heeft het Ctgb onweersproken uiteengezet dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) in zijn arrest van 1 oktober 2019, C-616/17, Blaise e.a. (ECLI:EU:C:2019:800, rechtsoverweging 71-76) heeft geoordeeld dat het (volgen van het) toetsingskader op grond van Verordening 1107/2009 bij een toelatingsprocedure volstaat voor een beoordeling van de cumulatieve en synergetische effecten van het middel. Uit dit arrest volgen dus geen nieuwe criteria voor het rekening houden met cumulatieve en synergetische effecten. Ook deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Monitoring
17.1
Volgens de Bijenstichting had het Ctgb moeten kijken naar de daadwerkelijke effecten van imidacloprid en andere neonicotinoïden op bijen en hommels in hun foerageergebieden en was hij op grond van Verordening 485/2013 verplicht tot monitoring. Het Ctgb heeft ten onrechte de monitoringgegevens uit het EFSA-journaal 2013;11(1):3068 bij de besluitvorming betrokken, omdat deze gegevens geen betrekking hebben op Nederland. Ook de monitoringgegevens van de waterschappen in het CML-rapport zijn niet bruikbaar, omdat dat geen monitoringgegevens zijn als bedoeld in Verordening 485/2013. Volgens de Bijenstichting zijn er geen monitoringgegevens over Nederland. Het Ctgb had zodoende onvoldoende gegevens om te kunnen concluderen dat er zich geen onaanvaardbare effecten op bijen en hommels in Nederland zullen voordoen en heeft daarom niet kunnen volstaan met het stellen van waterzuiveringsvoorschriften.
17.2
Het Ctgb bestrijdt niet dat de monitoringgegevens in het CML-rapport en de bestrijdingsmiddelenatlas geen monitoringgegevens in de zin van Verordening 485/2013 zijn. Deze gegevens hebben immers betrekking op oppervlaktewaterconcentraties en niet op bijen en hommels en hun foerageergebieden. Het Ctgb stelt dat er sinds 2014 een observatieonderzoek loopt om de bijengezondheid en wintersterfte in kaart te brengen, maar dat deze monitoring geen toelatingscriterium vormt. Als deze monitoring zorgen wekt over de toelating van bepaalde middelen, kan dat voor het Ctgb aanleiding zijn om de toelating van die middelen te herbeoordelen. Het Ctgb heeft zich in de beslissing op bezwaar gehouden aan het toen geldende toetsingskader, waarvan de berekening op basis van 0,1% emissie naar oppervlaktewater voor kastoepassingen onderdeel uitmaakte. Verbruiksgegevens maken geen onderdeel uit van het toetsingskader voor een besluit tot toelating. Een aantal kastoepassingen is op grond van berekeningen met 0,1% emissie in combinatie met een aangescherpte toelatingsnorm aangepast. Daarmee zijn de risico’s voldoende ingeperkt.
17.3
In Uitvoeringsverordening 485/2013 is in deel B bepaald dat de lidstaten ervoor moeten zorgdragen dat monitoringprogramma’s worden opgezet om de daadwerkelijke blootstelling van bijen aan imidacloprid in gebieden die extensief door bijen voor het foerageren of door bijenhouders worden gebruikt zo nodig te verifiëren. Het College volgt het Ctgb in zijn standpunt dat de door Uitvoeringsverordening 485/2013 voorgeschreven monitoringgegevens geen criterium vormen bij de beoordeling van de toelating van Admire. Het ontbreken van deze monitoringgegevens betekent dan ook niet dat het bestreden besluit en de nadere besluiten over Admire op onvoldoende gegevens berusten.
Waterzuiveringsvoorschrift
18.1
De Bijenstichting stelt dat niet duidelijk is welke teelten precies vallen onder het waterzuiveringsvoorschrift, dat met het waterzuiveringsvoorschrift bijen en hommels onvoldoende worden beschermd en dat de private handhaving van dit voorschrift via de Stichting CDG onvoldoende rechtsbescherming biedt aan derden.
18.2
Het Ctgb stelt dat het waterzuiveringsvoorschrift is opgenomen voor het gebruik van Admire in kassen, omdat uit de gegevens van oppervlaktewatermonitoring (www.bestrijdingsmiddelenatlas.nl) is gebleken dat in kassengebieden sprake is van normoverschrijdingen van imidacloprid in het oppervlaktewater. Het waterzuiveringsvoorschrift is opgenomen ter bescherming van de in het water levende organismen en niet ter bescherming van bijen. Ter verbetering van de handhaafbaarheid ervan is bij de wijzigingsbesluiten Admire van 9 juli 2015 en 16 januari 2017 het waterzuiveringsvoorschrift aangescherpt. Verkoop vindt sindsdien plaats via het regime van gecontroleerde distributie van de Stichting CDG. Dat houdt in dat de verkoop van gewasbeschermingsmiddelen alleen is toegestaan aan distributeurs die zich door een overeenkomst met de Stichting CDG committeren aan de desbetreffende voorschriften. Deze overeenkomst is op grond van artikel 111 van de Wgb algemeen verbindend verklaard. De naleving van het waterzuiveringsvoorschrift wordt gewaarborgd doordat middelen alleen verkocht mogen worden aan een koper die zich heeft aangemeld bij de Stichting CDG en die bij die melding aantoonbaar beschikt over een certificaat. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) ziet toe op de handel in gewasbeschermingsmiddelen.
18.3
Het waterzuiveringsvoorschrift is uitsluitend van toepassing op het gebruik in kassen met het doel om de emissie vanuit kassen te beperken. Het College is het eens met het Ctgb (in zijn verweerschrift) dat van een lacune in de begripsomschrijvingen in de regelgeving geen sprake is en dat voldoende duidelijk is welke toepassingen wel en niet onder het waterzuiveringsvoorschrift vallen. De stelling dat er door het betrekken van de Stichting CDG bij de uitvoering van het waterzuiveringsvoorschrift sprake is van een tekort aan rechtsbescherming volgt het College niet, alleen al omdat er geen rechtsregel is aan te wijzen die verplicht steeds bestuursrechtelijke rechtsbescherming open te stellen. Het College ziet evenmin aanleiding om de handhaafbaarheid van het door het waterzuiveringsvoorschrift in het leven geroepen meldingssysteem in twijfel te trekken.
Overige beroepsgronden Bijenstichting en NBL
19.1
De Bijenstichting heeft aangevoerd dat de toelatingen hadden moeten worden gebaseerd op artikel 54 van Verordening 1107/2009 omdat zij een experimenteel karakter dragen.
19.2
Het Ctgb heeft bestreden dat sprake is van toelatingen met een experimenteel karakter. Aan de hand van de stand van de wetenschap ten tijde van de oorspronkelijke toelating is beoordeeld of Admire kon worden toegelaten. De toelatingsvoorwaarden zijn naderhand aangepast aan nieuwe kennis omtrent de door imidacloprid veroorzaakte risico’s. Van een onjuiste juridische basis is geen sprake.
19.3
Het College is met het Ctgb op de door hem aangevoerde gronden van oordeel dat de toelatingen terecht zijn gebaseerd op artikel 29 van Verordening 1107/2009.
20. Met betrekking tot het in algemene zin gedane – en niet nader geconcretiseerde –beroep van de Bijenstichting en NBL op Unierechtelijke beginselen, zoals het preventiebeginsel, het voorzorgsbeginsel en het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron moeten worden bestreden, en algemene beginselen van behoorlijk bestuur, overweegt het College dat hij geen aanknopingspunten heeft gevonden om tot het oordeel te komen dat een of meer van deze beginselen zijn geschonden.
21. De Bijenstichting en NBL hebben het College verzocht een deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek naar de antwoorden op een aantal door de Bijenstichting en NBL geformuleerde vragen. Het College ziet echter geen aanleiding tot het benoemen van een deskundige nu de Bijenstichting en NBL geen (voldoende gemotiveerde) twijfel hebben gezaaid over de juistheid van de door het Ctgb uitgevoerde risicobeoordeling.
Gronden N&M en Greenpeace
22.1
N&M en Greenpeace hebben op de zitting hun gronden tegen het herregistratiebesluit Admire en de wijzigingsbesluiten Admire beperkt tot de handhaafbaarheid van het waterzuiveringsvoorschrift. Het Ctgb is bij de invoering van het waterzuiveringsvoorschrift niet nagegaan of dit zou werken, terwijl het Ctgb wist dat dergelijke voorschriften problematisch zijn. In de jaren ’90 van de vorige eeuw heeft het Ctgb namelijk ervaren dat soortgelijke voorschriften niet effectief waren. De toelating van toepassingen waarbij overschrijdingen plaatsvonden had moeten worden beëindigd.
22.2
Volgens het Ctgb mocht hij destijds ervan uitgaan dat het waterzuiveringsvoorschrift voldoende effectief was. Hij heeft de handhaafbaarheid van het waterzuiveringsvoorschrift afgestemd met de toezichthoudende instantie, de NVWA. Naderhand is pas gebleken dat de voorschriften in de praktijk niet werkten en dat gaf het Ctgb de aanleiding voor de aanscherping van het waterzuiveringsvoorschrift. Voorschriften ter verbetering van de naleving mogen worden opgenomen in een toelating. De intrekking van een toelating is volgens het Ctgb disproportioneel als waterkwaliteitsnormen kunnen worden gehaald door de toevoeging van restricties ten aanzien van de distributie.
22.3
Het College is niet gebleken dat het Ctgb op het moment van het nemen van het herregistratiebesluit Admire al had kunnen voorzien dat het waterzuiveringsvoorschrift ineffectief zou zijn. Het College ziet in het betoog van N&M en Greenpeace onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het Ctgb de toelating van toepassingen, waarbij overtredingen van het waterzuiveringsvoorschrift plaatsvonden, had moeten beëindigen.
Overige gronden Bijenstichting, NBL, N&M en Greenpeace
23. Hetgeen appellanten overigens hebben aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden. Aan de bespreking van die gronden komt het College dan ook niet toe.
Conclusie
24. Het College zal de beroepen ten dele niet-ontvankelijk verklaren vanwege het ontbreken van procesbelang, zoals hierna gespecificeerd is in de beslissing, en zal de beroepen voor het overige ongegrond verklaren.
25. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College:
- -
verklaart de beroepen niet-ontvankelijk voor zover die betrekking hebben op het toelatingsbesluit Potatoprid van 10 januari 2014, het wijzigingsbesluit Admire van 30 januari 2014, het wijzigingsbesluit Kohinor 700 WG van 30 januari 2014, het herregistratiebesluit Gaucho Tuinbouw van 31 januari 2014, het wijzigingsbesluit Gaucho Tuinbouw van 5 december 2014, het wijzigingsbesluit Potatoprid van 5 december 2014, het wijzigingsbesluit Gaucho Tuinbouw van 9 juli 2015, het wijzigingsbesluit Kohinor 700 WG van 9 juli 2015, het wijzigingsbesluit WOPRO Imidacloprid 70 WG van 9 juli 2015 en het partiële afwijzingsbesluit Admire van 22 juli 2015;
- -
verklaart de beroepen voor het overige ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, mr. R.C. Stam en mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2021.
De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.
Bijlage
Artikel 29
Eisen voor de toelating voor het op de markt brengen
1. Onverminderd artikel 50 wordt een gewasbeschermingsmiddel slechts toegelaten indien het overeenkomstig de in lid 6 bedoelde uniforme beginselen aan de volgende eisen voldoet:
a. a) de werkzame stoffen, beschermstoffen en synergisten die het bevat, zijn goedgekeurd;
b) de werkzame stof, de beschermstof of de synergist is afkomstig uit een andere bron, of uit dezelfde bron met een wijziging in het productieproces en/of de plaats van productie, maar
i. i) de specificatie overeenkomstig artikel 38 wijkt niet significant af van de specificatie in de verordening tot goedkeuring van die stof, die beschermstof of die synergist; en
ii) de werkzame stof, die beschermstof of die synergist heeft niet ingevolge de onzuiverheden ervan meer schadelijke effecten in de zin van artikel 4, leden 2 en 3, dan wanneer zij zou zijn geproduceerd volgens het productieproces gespecificeerd in het dossier ter onderbouwing van de toelating;
c) de formuleringshulpstoffen zijn niet vermeld in bijlage III;
d) de technische formule ervan is van dien aard dat blootstelling van de gebruiker of andere risico’s zo veel mogelijk beperkt worden zonder de werking van het middel in het gedrang te brengen;
e) op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis voldoet het aan de eisen van artikel 4, lid 3;
f) de aard en hoeveelheid van de werkzame stoffen, beschermstoffen en synergisten en, indien van toepassing, in toxicologisch, ecotoxicologisch of ecologisch opzicht relevante onzuiverheden en formuleringshulpstoffen, kunnen aan de hand van passende methoden worden vastgesteld;
g) de residuen die het gevolg zijn van geoorloofd gebruik en die in toxicologisch, ecotoxicologisch of ecologisch opzicht relevant zijn, kunnen worden bepaald door middel van algemeen in alle lidstaten gebruikte passende methoden, met passende bepalingsgrenzen op relevante monsters;
h) de fysische en chemische eigenschappen ervan zijn vastgesteld en voor juist gebruik en adequate opslag van het middel aanvaardbaar geacht;
i. i) voor planten of plantaardige producten die als voedsel of diervoeder worden gebruikt, zijn de maximumresidugehalten in de landbouwproducten die het voorwerp van het in de toelating vermelde gebruik zijn, in voorkomend geval vastgesteld of gewijzigd in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 396/2005.
2. De aanvrager toont aan dat aan de eisen van lid 1, onder a) tot en met h), is voldaan.
3. De naleving van de in lid 1, onder b) en onder e) tot en met h), genoemde eisen wordt vastgesteld door middel van officiële of officieel erkende proeven en analysen, die worden uitgevoerd onder agrarische, fytosanitaire en ecologische omstandigheden die relevant zijn voor het gebruik van het desbetreffende gewasbeschermingsmiddel en die representatief zijn voor de omstandigheden in de zone waar het middel zal worden gebruikt.
4. Wat lid 1, onder f), betreft, kunnen volgens de in artikel 79, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing geharmoniseerde methoden worden vastgesteld.
5. Artikel 81 is van toepassing.
6. Er worden, bij verordeningen die volgens de raadplegingsprocedure van artikel 79, lid 2, worden vastgesteld, uniforme beginselen voor de beoordeling en de toelating van gewasbeschermingsmiddelen vastgesteld die de in bijlage VI bij Richtlijn 91/414/EEG vastgelegde eisen bevatten, zonder ingrijpende wijzigingen. Latere wijzigingen in deze verordeningen kunnen worden aangenomen overeenkomstig artikel 78, lid 1, onder c).
Volgens deze beginselen wordt interactie tussen de werkzame stof, beschermstoffen, synergisten en formuleringshulpstoffen in aanmerking genomen bij de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen.
Artikel 44
Intrekking of wijziging van een toelating
1. Lidstaten kunnen een toelating te allen tijde opnieuw bekijken indien er aanwijzingen bestaan dat niet langer wordt voldaan aan een van de in artikel 29 genoemde eisen.
2. Wanneer een lidstaat voornemens is een toelating in te trekken of te wijzigen, licht hij de houder van de toelating in en biedt hij hem de mogelijkheid om opmerkingen te formuleren of nadere gegevens te verstrekken.
3. In voorkomend geval trekt de lidstaat de toelating in of wijzigt die, wanneer:
a. a) niet of niet meer wordt voldaan aan de eisen van artikel 29;
b) onjuiste of misleidende informatie is verstrekt met betrekking tot de gegevens op basis waarvan de toelating werd verstrekt;
c) niet voldaan is aan een voorwaarde in de toelating;
d) de wijze van gebruik en de gebruikte hoeveelheden kunnen worden gewijzigd op grond van de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis; of
e) de houder van een toelating de verplichtingen uit hoofde van deze verordening niet nakomt.
4. Wanneer een lidstaat overeenkomstig lid 3 een toelating intrekt of wijzigt, licht hij de houder van de toelating, de andere lidstaten, de Commissie en de Autoriteit onmiddellijk in. De andere lidstaten die tot dezelfde zone behoren, trekken de toelating dan eveneens in of wijzigen haar dienovereenkomstig, met inachtneming van nationale voorwaarden en risicobeperkende maatregelen, behalve in gevallen waarin artikel 36, lid 3, tweede, derde en vierde alinea, is toegepast. Artikel 46 is in voorkomend geval van toepassing.
Artikel 45
Intrekking of wijziging van een toelating op verzoek van de houder van de toelating
1. Een toelating kan worden ingetrokken of gewijzigd op verzoek van de houder van de toelating, met opgave van de redenen van zijn verzoek.
2. Wijzigingen kunnen slechts worden toegestaan indien vaststaat dat nog steeds aan de eisen van artikel 29 is voldaan. 3. Artikel 46 is in voorkomend geval van toepassing.
Artikel 46
Respijtperiode
Wanneer een lidstaat een toelating intrekt, wijzigt of niet verlengt, kan hij een respijtperiode toekennen om de bestaande voorraden te verwijderen, op te slaan, op de markt te brengen en te gebruiken. Voor zover de redenen waarom de toelating wordt ingetrokken, gewijzigd of niet wordt verlengd geen verband houden met de bescherming van de gezondheid van mens of dier of van het milieu, is de respijtperiode beperkt en bedraagt zij ten hoogste zes maanden voor de verkoop en distributie, en ten hoogste nogmaals één jaar voor de verwijdering, de opslag en het gebruik van bestaande voorraden van de betrokken gewasbeschermingsmiddelen.
Artikel 54
Onderzoek en ontwikkeling
1. In afwijking van artikel 28 mogen experimenten of proeven voor onderzoeks- of ontwikkelingsdoeleinden waarbij een niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddel in het milieu wordt gebracht of die gepaard gaan met het niet-toegelaten gebruik van een gewasbeschermingsmiddel, worden uitgevoerd wanneer de lidstaat op wiens grondgebied het experiment of de proef zal worden uitgevoerd, de beschikbare gegevens heeft beoordeeld en een toelating voor experimentele doeleinden heeft verleend. De toelating kan een beperking inhouden van de hoeveelheden die mogen worden gebruikt en de gebieden die mogen worden behandeld, en kan bijkomende voorwaarden opleggen om schadelijke gevolgen voor de gezondheid van mens of dier of onaanvaardbare schadelijke gevolgen voor het milieu te voorkomen, zoals de noodzaak te voorkomen dat levensmiddelen of diervoeders die residuen bevatten in de voedselketen terechtkomen, tenzij reeds krachtens Verordening (EG) nr. 396/2005 een relevante bepaling is vastgesteld. De lidstaat kan vooraf toelating verlenen voor een programma van experimenten en proeven, of kan voor elk experiment of elke proef afzonderlijk een vergunning eisen.
2. De aanvraag, vergezeld van een dossier met alle beschikbare gegevens op grond waarvan de mogelijke gevolgen voor de gezondheid van mens en dier en het mogelijke effect op het milieu kunnen worden beoordeeld, wordt ingediend bij de lidstaat op wiens grondgebied het experiment of de proef zal worden uitgevoerd.
3. Voor experimenten of proeven waarbij een genetisch gemodificeerd organisme in het milieu wordt gebracht, wordt geen vergunning voor experimentele doeleinden verleend, tenzij een dergelijke introductie krachtens Richtlijn 2001/18/EG werd geaccepteerd.
4. Lid 2 is niet van toepassing indien de lidstaat de betrokkene het recht heeft verleend bepaalde experimenten en proeven uit te voeren en de omstandigheden voor de uitvoering heeft vastgesteld.
5. Gedetailleerde regels voor de uitvoering van dit artikel, met name de maximumhoeveelheden gewasbeschermingsmiddelen die bij experimenten of tests mogen vrijkomen en de minimuminformatie die overeenkomstig lid 2 moet worden verstrekt, kunnen volgens de in artikel 79, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 23‑03‑2021
Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen.
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft.
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 485/2013 van de Commissie van 24 mei 2013 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011, wat de voorwaarden voor goedkeuring van de werkzame stoffen clothianidin, thiamethoxam en imidacloprid betreft, en houdende een verbod op het gebruik en de verkoop van zaden die zijn behandeld met gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stoffen bevatten.
The Neonicotinoids imidacloprid shows high toxicity to mayfly nymphs”, dat ook is betrokken in het EFSA-journal 2014;12(10):3835 “Conclusion on the risk assessment for aquatic organisms for the active substance imidacloprid.
Uitvoeringsverordening (EU) 2018/783 van de Commissie van 29 mei 2018 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de voorwaarden voor de goedkeuring van de werkzame stof imidacloprid.
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2020/1643 van de Commissie van 5 november 2020 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de geldigheidsduur van de goedkeuring van de werkzame stoffen calciumfosfide, denatoniumbenzoaat, haloxyfop-P, imidacloprid, pencycuron en zèta-cypermethrin.
Verordening (EU) nr. 546/2011 van de Commissie van 10 juni 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat uniforme beginselen voor de evaluatie en de toelating van gewasbeschermingsmiddelen betreft.
Centrum voor Milieuwetenschappen (CML), Analyse van imidacloprid in het oppervlaktewater gebruikmakend van recente meetgegevens uit de Bestrijdingsmiddelenatlas.
Uitspraak 22‑10‑2020
Inhoudsindicatie
8:29-beslissing. Verzoek herziening. Toetsingskader terugkomen op beslissing omtrent toepassing van artikel 8:29 Awb. Belangenafweging. Motiveringsplicht. Artikel 8:119 Awb niet van toepassing nu het niet om een uitspraak gaat. Beslissing wordt aangevuld op grond van nieuwe gegevens. Art 8:29 Awb
Partij(en)
beslissing
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 15/923 16/8 16/9
beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen
De Bijenstichting, te Vorden, (de Bijenstichting),
(gemachtigde: mr. L.J. Smale),
Stichting het NoordBrabants Landschap, te Haaren (NBL)
(gemachtigde: mr. L.J. Smale),
Stichting Natuur en Milieu, te Utrecht (N&M)
(gemachtigde mr. drs. J. Rutteman),
Stichting Greenpeace Nederland, te Amsterdam (Greenpeace)
(gemachtigde mr. drs. J. Rutteman),
appellanten,
en
het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen (Ctgb), verweerder
(gemachtigde: mr. D.S.P. Roelands-Fransen).
Als derde-partijen hebben aan het de gedingen deelgenomen:
Bayer CropScience SA-NV (Bayer) en Nufarm B.V. (Nufarm)
(gemachtigde: mr. E. Broeren).
Procesverloop
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 25 november 2015, waarbij het Ctgb heeft beslist op hun bezwaren tegen besluiten tot toelating, wijziging van de toelating en verlenging van de toelating (herregistratie) van een aantal gewasbeschermingsmiddelen, alle met de werkzame stof imidacloprid.
Het Ctgb heeft op 30 juli 2020 de vertrouwelijke versie van een aantal gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meegedeeld dat uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van deze stukken. Het betreft de stukken 45 tot en met 47, 49 tot en met 59, 62 en 64 tot en met 67 (reguliere processtukken zoals correspondentie en aanvraagformulieren) en de stukken 201 tot en met 237, 239, 240 en 242 tot en met 252 (studies).
Bij beslissing van 13 augustus 2020 heeft het College beslist dat beperking van de kennisneming van de studies (stukken 201 tot en met 237, 239, 240 en 242 tot en met 252) en het reguliere stuk 62 voor zover het betreft de bedrijfsvertrouwelijke gegevens, gerechtvaardigd is en dat voor het overige beperking van de kennisneming van de reguliere stukken niet gerechtvaardigd is. Het College heeft de reguliere stukken aan het Ctgb teruggezonden met het verzoek om een nieuwe versie van de reguliere stukken in te sturen.
De Bijenstichting, NBL, Bayer en het Ctgb hebben verzocht om deze beslissing te herzien. Het Ctgb heeft daarbij de aan hem teruggestuurde reguliere stukken in ongewijzigde vorm weer ingestuurd.
Overwegingen
1. Het Ctgb heeft verzocht om herziening van de beslissing van 13 augustus 2020 voor zover het College de kennisneming niet gerechtvaardigd heeft bevonden. Het Ctgb stelt de beslissing van het College dat beperking van de kennisneming van de reguliere processtukken wat betreft persoonsgegevens niet gerechtvaardigd is niet te begrijpen, omdat
(1) appellanten door geen kennis te kunnen nemen van de persoonsgegevens niet worden belemmerd in het belang bij kennisneming van de op de zaak betrekking hebbende stukken in het algemeen, (2) appellanten niet naar voren hebben gebracht dat zij wel belang zouden hebben bij kennisneming van deze persoonsgegevens, terwijl Ctgb en Bayer hebben gesteld dat appellanten dat belang niet hebben en de Bijenstichting in eerdere zaken heeft aangegeven geen behoefte te hebben aan kennisneming van deze persoonsgegevens, (3) net als bij de studies ook bij de reguliere stukken de lopende bezwaarprocedures over de openbaarmakingsbesluiten worden doorkruist als appellanten kennis nemen van deze persoonsgegevens en (4) Bayer op meerdere gronden aannemelijk heeft gemaakt dat haar belang bij vertrouwelijkheid van deze persoonsgegevens groot is, waarbij het Ctgb verwijst naar de als bijlage bijgevoegde brief van Bayer aan het Ctgb van 8 september 2020.
2. Bayer heeft om dezelfde redenen als het Ctgb verzocht om herziening van de beslissing van 13 augustus 2020.
3. Het College stelt voorop dat artikel 8:119 van de Awb niet van toepassing is, aangezien de verzoeken geen betrekking hebben op een uitspraak in de zin van de Awb. Voor het terugkomen op een beslissing omtrent de toepassing van artikel 8:29 van de Awb kan aanleiding zijn in zeer uitzonderlijke gevallen, als naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek blijkt van evidente misslagen of nieuwe feiten. In dit licht overweegt het College het volgende omtrent de ingediende verzoeken.
4.1
De door het Ctgb onder 1 en 2 aangevoerde argumenten zijn een herhaling van de argumenten waarmee het Ctgb in zijn brief van 30 juli 2020 de beperking van de kennisneming van de persoonsgegevens in de reguliere stukken heeft onderbouwd en waarover het College onder overwegingen 3.1 tot en met 3.5 van de beslissing van 13 augustus 2020, voor zover hier van belang, het volgende heeft overwogen:
“3.1 Voor de reguliere processtukken heeft verweerder een beroep gedaan op vertrouwelijkheid van persoonsgegevens. Verweerder heeft gesteld dat het belang van Bayer bij bescherming van deze persoonsgegevens groot is, terwijl appellanten geen belang hebben bij kennisname van die gegevens in het kader van de milieubelangen waar zij voor staan.
[...]
3.3
Verweerder heeft ter onderbouwing van de vertrouwelijkheid gewezen op de zienswijze van Bayer, waarin Bayer erop heeft gewezen dat openbaarmaking van persoonsgegevens in het verleden heeft geleid tot misbruik, zoals rechtstreeks mailcontact en publieke beschuldigingen en dat dat risico ook nu reëel is. [...]
3.4
Het College is van oordeel dat de motivering van verweerder niet toereikend is om beperking van de kennisneming van de persoonsgegevens van medewerkers van de toelatinghouder te rechtvaardigen. Verweerder heeft niet uitgelegd in welk opzicht kennisneming van deze gegevens de belangen van deze personen concreet en daadwerkelijk zou kunnen aantasten. Een enkele, niet onderbouwde bewering over een algemeen risico van misbruik is onvoldoende om het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken medewerkers zwaarder te laten wegen dan het belang van appellanten bij kennisneming van de op de zaak betrekking hebbende stukken.
3.5
Voor het weglakken van de namen van auteurs van in de reguliere processtukken geciteerde studies geldt hetzelfde als hiervoor is overwogen bij de namen van medewerkers. [...]”
4.2
Doordat het Ctgb het gestelde misbruik van persoonsgegevens niet heeft geconcretiseerd voor betreffende personen, is het College niet gebleken of en hoe kennisneming door appellanten van deze persoonsgegevens die personen onevenredig kunnen schaden. Het College heeft dan ook niet het door het Ctgb gewenste gewicht aan deze belangen gegeven. Zoals het College onder 2 van de beslissing van 13 augustus 2020 heeft overwogen ligt aan de beslissing of de weigering of beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is een belangenafweging ten grondslag, waarbij enerzijds speelt het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het beroep relevante informatie en het belang dat het College beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen, terwijl anderzijds openbaarmaking van bepaalde gegevens het belang van een of meer partijen onevenredig kan schaden, terwijl het Ctgb er belang bij heeft ook in de toekomst de informatie aangeleverd te krijgen die hij voor een goede uitoefening van zijn taken nodig heeft. Bij deze belangenafweging is dus, anders dan het Ctgb lijkt te betogen, niet het uitgangspunt hoe groot het belang van appellanten is bij kennisneming van de persoonsgegevens in de reguliere stukken. Het gaat er immers om dat artikel 8:42 Awb volledige kennisneming als uitgangspunt neemt, waarop alleen een uitzondering gemaakt kan worden als er sprake is van zwaarwegende belangen voor beperking van de kennisneming. Het ligt op de weg van degene die zich op de uitzondering beroept om aannemelijk te maken dat zich een uitzonderingssituatie voordoet.
5. In overweging 3.5 van de beslissing van 13 augustus 2020 heeft het College overwogen dat kennisneming van de in de reguliere stukken genoemde namen van auteurs van vertebratenstudies normaliter gerechtvaardigd is op grond van artikel 63, tweede lid, aanhef en onder g, van Verordening 1107/2009, maar dat hij niet kan vaststellen om welke studies het gaat en dat daarom de beperking van de kennisneming van deze gegevens onvoldoende onderbouwd is. Het Ctgb heeft bij zijn brief van 10 september 2020 alsnog de stukken 49, 50, 65 en 67 met vertebratenstudies overgelegd, waarin (alleen) de namen van de auteurs zwart gemaakt zijn. Nu het College alsnog kan vaststellen dat het gaat om vertebratenstudies en om welke gegevens het daarin precies gaat is op grond van artikel 63, tweede lid, aanhef , en onder g, van Verordening 1107/2009 vertrouwelijkheid van deze gegevens gerechtvaardigd. In zoverre geeft het verzoek van het Ctgb dan ook aanleiding voor aanvulling van de beslissing, nu sprake is van nieuwe feiten die dit rechtvaardigen.
6.1
De door het Ctgb onder 3 aangevoerde reden dat de lopende bezwaarprocedures over de openbaarmakingsbesluiten worden doorkruist als appellanten kennis nemen van de persoonsgegevens heeft het Ctgb in zijn verzoek van 30 juli 2020 alleen gegeven ter onderbouwing van de beperking van de kennisneming van de studies. Voor de reguliere stukken geeft het Ctgb deze reden nu voor het eerst gegeven als onderbouwing van de vertrouwelijkheid van de persoonsgegevens. Het College heeft deze reden dan ook niet meegewogen in zijn beslissing van 13 augustus 2020 en niet valt in te zien dat het Ctgb deze reden niet toen niet had kunnen geven voor de beperking van de kennisneming van de reguliere stukken. Het College ziet in het onder 3 aangevoerde argument daarom geen aanleiding terug te komen op de beslissing van 13 augustus 2020.
6.2
Bij het onder 4 aangevoerde argument dat Bayer op meerdere gronden aannemelijk heeft gemaakt dat haar belang bij vertrouwelijkheid van deze persoonsgegevens groot is, heeft het Ctgb verwezen naar een als bijlage bijgevoegde brief van Bayer aan het Ctgb van 8 september 2020, waarin Bayer haar zienswijze nader heeft toegelicht, onder toevoeging van stukken behorend bij de eerdere door Bayer aan het Ctgb gegeven zienswijze. Het Ctgb stelt dat hij bij zijn verzoek van 30 juli 2020 om toepassing te geven aan artikel 8:29 van de Awb heeft gewezen op de zienswijze van Bayer en de conclusie van deze zienswijzen heeft verwerkt in het verzoek. Het Ctgb begrijpt dan ook niet dat het College oordeelt dat een onderbouwing van Bayer over de vertrouwelijkheid van persoonsgegevens ontbreekt, omdat het enkele feit dat de zienswijzen van Bayer niet integraal zijn opgenomen in of bijgevoegd bij het verzoek van 30 juli 2020, nog niet betekent dat die onderbouwing ontbreekt. Daarbij merkt het Ctgb op dat het College ook niet eerder van hem heeft verlangd dat de volledige zienswijzen van de toelatinghouders bij een verzoek op grond van artikel 8:29 van de Awb worden gevoegd.
6.3
Het College merkt hierover op dat het Ctgb in het begin van deze procedure bij brief van 30 september 2016 de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingestuurd met voor een aantal stukken het verzoek om toepassing te geven aan artikel 8:29 van de Awb. Naar aanleiding van de op de regiezitting van 17 oktober 2017 gemaakte afspraken heeft het College deze stukken geretourneerd en heeft het Ctgb op 30 juli 2020 de op de zaak betrekking hebbende stukken in aangepaste vorm opnieuw ingediend met opnieuw voor een aantal stukken het verzoek om toepassing te geven aan artikel 8:29 van de Awb. Bij dit nieuwe verzoek heeft het Ctgb in zijn brief van 30 juli 2020 bij het schetsen van de achtergrond van de zaak zijn eerdere brief van 30 september 2016 genoemd, alsmede een brief van Bayer van 26 augustus 2016 en een e-mail van derde-partijen van 22 september 2016. Het Ctgb heeft daarbij echter niet duidelijk gemaakt dat deze eerdere brieven dienden ter onderbouwing van het op 30 juli 2020 ingediende verzoek om toepassing te geven aan artikel 8:29 van de Awb. Integendeel, in de brief van 30 juli 2020 heeft het Ctgb onder randnummers 14 en 15 het volgende gesteld:
“14. Het Ctgb heeft vervolgens aan Bayer en Syngenta, de thans bekende data-eigenaren van de documenten op de geschoonde referentielijst, verzocht om aan te geven ten aanzien van welke stukken het Ctgb een verzoek ex artikel 8:29 Awb moet indien. Bayer heeft hierop gereageerd bij e-mails van 25, 26, 27 en 28 juni 2020. Syngenta heeft bij e-mail van 24 juni 2020 een reactie ingediend bij het Ctgb.
15. De zienswijze van Bayer en Syngenta zijn door het Ctgb betrokken bij de hiernavolgende motivering van het verzoek.”
6.4
Het Ctgb heeft bij zijn brief van 30 juli 2020 niet de zienswijzen van Bayer, uit 2016 noch uit 2020, als bijlage bijgevoegd. Het College heeft de zienswijze van Bayer daarom slechts bij zijn beslissing van 13 augustus 2020 kunnen betrekken voor zover die door het Ctgb is verwoord in zijn brief van 30 juli 2020. Daarbij merkt het College op dat het gaat om een beperking van het recht van partijen om gelijkelijk kennis te kunnen nemen van alle stukken en de volledige inhoud ervan, zodat het College zich bij zijn belangenafweging strikt beperkt tot de door het Ctgb aangevoerde redenen voor het beperken van de kennisneming. Ook hier geldt wat het College hiervoor onder 5 heeft overwogen dat niet valt in te zien dat het Ctgb de zienswijze van Bayer niet had kunnen overleggen bij zijn brief van 30 juli 2020 of daarin de zienswijze van Bayer niet uitgebreid had kunnen toelichten. Het College ziet in het onder 4 aangevoerde argument daarom evenmin aanleiding om terug te komen op de beslissing van 13 augustus 2020.
7. Naar aanleiding van de reactie van de Bijenstichting en NBL van 27 en 28 augustus 2020 bevestigt het College dat hij aan partijen de niet-vertrouwelijke versies van de door het Ctgb ingestuurde op de zaak betrekking hebbende stukken heeft doorgestuurd. Het College ziet dan ook geen aanleiding om terug te komen op de beslissing van 13 augustus 2020, waarom de Bijenstichting en NBL hebben verzocht, te minder nu zij in hun verzoek niet duidelijk hebben aangegeven wat er aan die beslissing gewijzigd zou moeten worden.
8. Naar aanleiding van de reactie van 28 augustus 2020 van Nufarm bevestigt het College dat onder het tweede gedachtestreepje van het dictum van de beslissing van 13 augustus 2020 inderdaad “252” weggevallen is, maar dat dit, gelet op de juiste opsomming onder het eerste gedachtestreepje, niet tot misverstanden kan hebben geleid, zoals ook blijkt uit de reactie van de Bijenstichting in haar brieven van 27 en 28 augustus 2020.
9. Verder brengt het College onder de aandacht van het Ctgb het verzoek van de Bijenstichting en NBL om toezending van de bijlage bij de herregistratieaanvraag Admire (stuk 63) met de referentielijst ingediende dierproeven NL 08/01. Ervan uitgaande dat het gaat om een op de zaak betrekking hebbend stuk verzoekt het College het Ctgb dit stuk alsnog in te dienen, zo nodig met een verzoek op grond van artikel 8:29 van de Awb.
10. Het College merkt verder op dat het Ctgb de onder overweging 10 van de beslissing van 13 augustus 2020 gesignaleerde gebreken naar genoegen heeft hersteld.
11. Gelet op het voorgaande wijst het College de verzoeken om terug te komen op de beslissing van 13 augustus 2020 af en handhaaft hij zijn beslissing van 13 augustus 2013 met de aanvulling dat beperking van de kennisneming van de stukken 49, 50, 65 en 67 alsnog gerechtvaardigd is.
12. Het College stuurt de map met de gelakte reguliere stukken nogmaals terug aan het Ctgb. Het Ctgb is verplicht deze stukken in te sturen en dient binnen twee weken na de verzending van deze beslissing een nieuwe versie van deze stukken aan het College en de andere partijen toe te sturen. Stuurt het Ctgb een of meer stukken niet in, dan kan het College daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.
13. Het College kan alleen met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die stukken uitspraak doen. Die toestemming is niet nodig voor een stuk dat een partij al kent. Appellanten en derde-partijen worden verzocht om binnen twee weken na heden schriftelijk kenbaar te maken of zij ermee instemmen dat het College uitspraak doet op het beroep mede op grondslag van de vertrouwelijke versie van stuk 62 voor zover het betreft de bedrijfsvertrouwelijke gegevens, de stukken 49, 50, 65 en 67 voor zover het betreft persoonsgegevens van de auteurs, en de stukken 201 tot en met 237, 239, 240 en 242 tot en met 252, voor zover zij deze stukken niet kennen.
Beslissing
Het College
- wijst de verzoeken af;
- beslist dat beperking van de kennisneming van de stukken 49, 50, 65 en 67 voor zover het betreft persoonsgegevens van de auteurs gerechtvaardigd is en vult daarmee de beslissing van 13 augustus 2020 aan;
- bepaalt dat de reguliere stukken worden teruggezonden aan het Ctgb;
- verzoekt appellanten en derde-partijen om binnen twee weken na heden schriftelijk aan het College kenbaar te maken of zij ermee instemmen dat het College mede op grondslag van de vertrouwelijke versie van stuk 62 voor zover het betreft de bedrijfsvertrouwelijke gegevens, de stukken 49, 50, 65 en 67 voor zover het betreft persoonsgegevens van de auteurs, en de stukken 201 tot en met 237, 239, 240 en 242 tot en met 252 uitspraak doet op het beroep, voor zover zij deze stukken niet kennen;
- verzoekt het Ctgb binnen twee weken na heden een nieuwe versie van de stukken de stukken 45 tot en met 47, 51 tot en met 59, 62 en 64 en 66 aan het College en de andere partijen toe te sturen.
Aldus genomen door mr. J.L. Verbeek, in tegenwoordigheid van mr. M.B. van Zantvoort griffier, op
De raadsheer is verhinderd te ondertekenen. De griffier is verhinderd te ondertekenen.
Uitspraak 13‑08‑2020
Inhoudsindicatie
8:29-beslissing. Misbruik in het verleden van persoonsgegevens van medewerkers.Persoonsgegevens van auteurs van studies. Bescherming persoonsgegevens ogv AGV, art 10,1, sub d, Wob, art 63,1 Verordening 1107/2009. Conclurrentiegevoeligheid certificaten. Doorkruising lopende procedure over openbaarmaking van de vertrouwelijke gegevens.
Partij(en)
beslissing
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 15/923 16/8 16/9
beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen
De Bijenstichting, te Vorden, (de Bijenstichting)
(gemachtigde: mr. L.J. Smale),
Stichting het NoordBrabants Landschap, te Haaren (NBL)
(gemachtigde: mr. L.J. Smale),
Stichting Natuur en Milieu, te Utrecht (N&M)
(gemachtigde mr. drs. J. Rutteman),
Stichting Greenpeace Nederland, te Amsterdam (Greenpeace)
(gemachtigde mr. drs. J. Rutteman),
appellanten,
en
het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen (Ctgb), verweerder
(gemachtigde: mr. D.S.P. Roelands-Fransen).
Als derde-partijen hebben aan het de gedingen deelgenomen:
Bayer CropScience SA-NV (Bayer) en Nufarm B.V. (Nufarm)
(gemachtigde: mr. E. Broeren).
Procesverloop
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 25 november 2015, waarbij verweerder heeft beslist op hun bezwaren tegen besluiten tot toelating, wijziging van de toelating en verlenging van de toelating (herregistratie) van een aantal gewasbeschermingsmiddelen, alle met de werkzame stof imidacloprid.
Verweerder heeft de vertrouwelijke versie van een aantal gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meegedeeld dat uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van deze stukken.
Het betreft de volgende stukken:
- -
45 tot en met 47, 49 tot en met 59, 62 en 64 tot en met 67: reguliere processtukken zoals correspondentie en aanvraagformulieren, en
- -
201 tot en met 237, 239, 240 en 242 tot en met 252: studies.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:29, derde lid, Awb beslist het College of de weigering dan wel beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
2. Deze door het College te nemen beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het beroep relevante informatie en het belang dat het College beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daar tegenover staat dat openbaarmaking van bepaalde gegevens het belang van een of meer partijen onevenredig kan schaden, terwijlverweerder er belang bij heeft ook in de toekomst de informatie, waaronder concurrentiegevoelige gegevens, aangeleverd te krijgen die hij voor een goede uitoefening van zijn taken nodig heeft.
Reguliere processtukken
3.1
Voor de reguliere processtukken heeft verweerder een beroep gedaan op vertrouwelijkheid van de persoonsgegevens. Verweerder heeft gesteld dat het belang van Bayer bij bescherming van deze persoonsgegevens groot is, terwijl appellanten geen belang hebben bij kennisname van die gegevens in het kader van de milieubelangen waar zij voor staan
3.2
Het College stelt vast dat verweerder de motivering van de vertrouwelijkheid van de weggelakte gegevens niet gespecificeerd heeft per stuk of gegeven. Bestudering van de vertrouwelijke reguliere processtukken laat zien dat het gaat om correspondentie van Bayer waarin weggelakt zijn de namen van medewerkers, telefoon- en faxnummers, emailadressen, Kamer van Koophandelnummers, handtekeningen en namen van auteurs van geciteerde studies.
3.3
Verweerder heeft ter onderbouwing van de vertrouwelijkheid gewezen op de zienswijze van Bayer, waarin Bayer erop heeft gewezen dat openbaarmaking van persoonsgegevens in het verleden heeft geleid tot misbruik, zoals rechtstreeks mailcontact en publieke beschuldigingen en dat dat risico ook nu reëel is. Verweerder heeft over het weglakken van de namen van auteurs van geciteerde studies gesteld dat deze ook op grond van artikel 63, tweede lid, aanhef en onder g, van Verordening 1107/2009 vertrouwelijk moeten blijven.
3.4
Het College is van oordeel dat de motivering van verweerder niet toereikend is om beperking van de kennisneming van de persoonsgegevens van medewerkers van de toelatinghouder te rechtvaardigen. Verweerder heeft niet uitgelegd in welk opzicht kennisneming van deze gegevens de belangen van deze personen concreet en daadwerkelijk zou kunnen aantasten. Een enkele, niet onderbouwde bewering over een algemeen risico van misbruik is onvoldoende om het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken medewerkers zwaarder te laten wegen dan het belang van appellanten bij kennisneming van de op de zaak betrekking hebbende stukken.
3.5
Voor het weglakken van de namen van auteurs van in de reguliere processtukken geciteerde studies geldt hetzelfde als hiervoor is overwogen bij de namen van medewerkers. Voor zover verweerder de beperking van de kennisneming van de namen van auteurs van geciteerde studies heeft onderbouwd met van artikel 63, tweede lid, aanhef en onder g, van Verordening 1107/2009 overweegt het College het volgende. Op grond van deze bepaling wordt openbaarmaking van namen en adressen van personen die betrokken zijn bij tests op gewervelde dieren normaliter geacht de bescherming van de commerciële belangen of van de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van de betrokkenen in het gedrang te brengen. Het is niet zonder meer duidelijk om welke studies het gaat. Het College kan niet vaststellen of het gaat om studies waarbij sprake is van tests op gewervelde dieren. Het beroep dat verweerder heeft gedaan op deze bepaling is daarom onvoldoende onderbouwd om beperking van de kennisneming van de auteursnamen te rechtvaardigen.
4.1
Daarnaast stelt verweerder dat de persoonsgegevens vertrouwelijk zijn, omdat deze gegevens beschermd moeten worden op grond van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (AVG) in combinatie met de absolute weigeringsgrond in artikel 10, eerste lid, onder d, van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), en in het bijzonder op grond van artikel 63, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (Verordening 1107/2009) in combinatie met artikel 4, tweede lid, sub f, van Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van (Richtlijn 2003/4).
4.2
Het College kan het beroep dat verweerder doet op de AVG en artikel 10, eerste lid, onder d, van de Wob, ter onderbouwing van de vertrouwelijkheid van de weggelakte persoonsgegevens niet volgen. In die bepaling wordt verwezen naar artikelen in de AVG die gaan over persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, of het lidmaatschap van een vakbond blijken, genetische gegevens, biometrische gegevens, gegevens over gezondheid, gegevens met betrekking tot iemands seksueel gedrag of seksuele gerichtheid (artikel 9 AVG), persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten (artikel 10 AVG) en het nationaal identificatienummer (artikel 87 AVG). Deze gegevens zijn hier niet aan de orde.
4.3
Ook met de verwijzing naar artikel 63, eerste lid, van Verordening 1107/2009 en artikel 4, eerste lid, sub f van Richtlijn 2003/4 is beperking van de kennisneming van de persoonsgegevens van medewerkers van de toelatinghouders onvoldoende onderbouwd. In artikel 63, eerste lid, van Verordening 1107/2009 is bepaald:
“Een persoon die verzoekt om vertrouwelijke behandeling van de informatie die hij uit hoofde van deze verordening indient, verstrekt een verifieerbare verantwoording om aan te tonen dat openbaarmaking zijn commerciële belangen of de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de persoonlijke integriteit in het gedrang kan brengen.”
In artikel 4, eerste lid, sub f, van Richtlijn 2003/4 is bepaald:
“De lidstaten kunnen bepalen dat een verzoek om milieu-informatie kan worden geweigerd, indien:
f) de vertrouwelijkheid van persoonsgegevens en/of -dossiers met betrekking tot een natuurlijk persoon wanneer die persoon niet heeft ingestemd met bekendmaking van de informatie aan het publiek, wanneer in deze vertrouwelijkheid is voorzien naar nationaal of Gemeenschapsrecht”
4.4
Verweerder heeft geen stukken van de toelatinghouders overgelegd met daarin een verantwoording als bedoeld in artikel 63, eerste lid, van Verordening 1107/2009. Verweerder heeft volstaan met het verwoorden van het standpunt van een van de toelatinghouders. Zoals hiervoor onder 3.4 is overwogen is daarmee onvoldoende onderbouwd waarom de kennisneming van de persoonsgegevens van medewerkers van de toelatinghouders beperkt moet worden. Artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 2003/4 is gericht tot de lidstaten. Mogelijk heeft verweerder met het noemen van deze bepaling bedoeld te verwijzen naar de Wob, waarin Richtlijn 2003/4 is geïmplementeerd. Artikel 10, tweede lid, sub e, van de Wob ziet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, op basis van een belangenafweging. Verweerder heeft echter het belang van het vertrouwelijk blijven van de persoonsgegevens van de werknemers van de toelatinghouders onvoldoende gemotiveerd, om daaraan een zodanig gewicht te geven dat het belang van appellanten bij kennisneming van het dossier daarvoor zou moeten wijken.
Stuk 62
5.1
Voor stuk 62, een aanvraagformulier, heeft verweerder naast de hiervoor besproken redenen ook verzocht om beperking van de kennisneming van informatie over de banden tussen een producent of importeur en de aanvrager of de houder van de toelating. Het gaat om concurrentiegevoelige informatie, omdat daaruit de onderlinge verhoudingen tussen bedrijven en toelatinghouders duidelijk worden. Het gaat over afspraken tussen toelatinghouders waaraan financiële verplichtingen kunnen zijn verbonden. De toelatinghouder heeft een groot belang bij vertrouwelijke kennisname van deze gegevens, omdat de schade aanzienlijk is als deze informatie onverhoopt uitlekt.
5.2
Het College acht beperking van de kennisneming van deze gegevens in stuk 62 gerechtvaardigd, omdat het gaat om bedrijfsvertrouwelijke gegevens of gegevens waaruit (een deel van) de marktstrategie van betrokkenen zou kunnen worden afgeleid, zo al niet zonder meer sprake is van concurrentiegevoelige gegevens. Deze vertrouwelijkheid dient te worden geëerbiedigd, omdat openbaarmaking van deze informatie tot een onevenredig nadeel voor de verstrekker van de gegevens zal kunnen leiden, terwijl verweerder er belang bij heeft ook in de toekomst de informatie, waaronder concurrentiegevoelige gegevens, aangeleverd te krijgen die hij voor een goede uitoefening van zijn taken nodig heeft, terwijl kennisneming van deze informatie door de partij die er niet over beschikt niet noodzakelijk is om haar belangen naar behoren te kunnen bepleiten. Onder concurrentiegevoelige bedrijfsgegevens vallen ook gegevens die, hoewel zelf niet als bedrijfsgegevens aan te merken, niettemin inzicht kunnen bieden in de door betrokkene(n) voorgestane (markt)strategie
Studies
6.1
Verweerder heeft de vertrouwelijkheid van de in de studies weggelakte gegevens (persoonsgegevens, GLP-certificaten, GLP-verklaringen en QA-verklaringen) gesteld dat met betrekking tot de openbaarmaking van deze studies op dit moment bezwaarprocedures lopen van de Bijenstichting tegen het besluit waarbij deze studies gedeeltelijk openbaar zijn gemaakt. Als het College beperking van de kennisneming van deze studies nu niet zou toestaan, zou dat betekenen dat het College ten onrechte vooruit zou lopen op de nog te nemen beslissing op bezwaar en dat de Bijenstichting dan al inzage krijgt in stukken die in de parallelle openbaarmakingsprocedure nog voorwerp van geschil zijn. Deze situatie acht verweerder onwenselijk en in strijd met overweging 16 in de overzichtsuitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 juni 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1367).
6.2
Het College overweegt onder verwijzing naar zijn beslissing van 17 maart 2015 in de zaken 11/662, 13/477, 14/573 en 14/574 (niet gepubliceerd) dat beperking van de kennisneming van deze stukken in deze situatie reeds daarom gerechtvaardigd is, omdat anders de lopende bezwaarprocedures over de openbaarheid van de weggelakte gegevens zou worden doorkruist. Een beoordeling van de andere door verweerder aangevoerde gronden voor vertrouwelijkheid van de weggelakte gegevens in de studies laat het College achterwege.
7.1
Uit het voorgaande volgt dat wat verweerder ter motivering van de geheimhouding van de persoonsgegevens van medewerkers van de toelatinghouder en auteurs van studies in de reguliere processtukken 45 tot en met 47, 49 tot en met 59, 62 en 64 tot en met 67 heeft aangevoerd, onvoldoende is om de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd te achten. Het verzoek om beperking van de kennisneming wordt in zoverre afgewezen.
7.2
Het College stuurt de map met de gelakte stukken 45 tot en met 47, 49 tot en met 59, 62 en 64 tot en met 67 terug aan verweerder. Verweerder is verplicht deze stukken in te sturen en dient binnen twee weken na de verzending van deze beslissing een nieuwe versie van deze stukken aan het College en de andere partijen toe te sturen. Stuurt verweerder een of meer stukken niet in, dan kan het College daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.
8. Het College acht beperking van de kennisneming voor het overige gerechtvaardigd.
9. Het College kan alleen met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die stukken uitspraak doen. Die toestemming is niet nodig voor een stuk dat een partij al kent. Appellanten en derde-partijen worden verzocht om binnen twee weken na heden schriftelijk kenbaar te maken of zij ermee instemmen dat het College uitspraak doet op het beroep mede op grondslag van de vertrouwelijke versie van stuk 62 voor zover het betreft de bedrijfsvertrouwelijke gegevens en de stukken 201 tot en met 237, 239, 240 en 242 tot en met 252, voor zover zij deze stukken niet kennen.
10. Tot slot wijst het College op het volgende. Bij het bestuderen van de stukken blijkt dat van de stukken 201 en 202 verschillende versies zitten in de map met vertrouwelijke stukken en de map met niet-vertrouwelijke (weggelakte) stukken. In de map met vertrouwelijke stukken zitten de versies: interim rapport (stuk 201) en de versie uit 2003 (stuk 202) en in de map met niet-vertrouwelijke stukken zitten: final report (stuk 201) en re-evaluatie 2016 (stuk 202). Verder ontbreekt de niet-vertrouwelijke versie van stuk 208. Het College verzoekt verweerder om deze onjuistheden te herstellen.
Beslissing
Het College:
- beslist dat beperking van de kennisneming van stuk 62 voor zover het betreft de bedrijfsvertrouwelijke gegevens en de stukken 201 tot en met 237, 239, 240 en 242 tot en met 252 gerechtvaardigd is;
- verzoekt appellanten en derde-partijen om binnen twee weken na heden schriftelijk aan het College kenbaar te maken of zij ermee instemmen dat het College mede op grondslag van de vertrouwelijke versie van de vertrouwelijke versie van stuk 62 voor zover het betreft de bedrijfsvertrouwelijke gegevens en de stukken 201 tot en met 237, 239, 240 en 242 tot en met uitspraak doet op het beroep, voor zover zij deze stukken niet kennen.
- beslist dat beperking van de kennisneming van de stukken 45 tot en met 47, 49 tot en met 59, 62 (voor zover het betreft persoonsgegevens) en 64 tot en met 67 niet gerechtvaardigd is;
- bepaalt dat de documenten genoemd onder het vorige aandachtsstreepje worden teruggezonden aan verweerder;
- verzoekt verweerder binnen twee weken na heden een nieuwe versie van de stukken de stukken 45 tot en met 47, 49 tot en met 59, 62 en 64 tot en met 67 aan het College en de andere partijen toe te sturen.
Aldus genomen door mr. J.L. Verbeek, in tegenwoordigheid van mr. M.B. van Zantvoort griffier, op
De raadsheer is verhinderd te ondertekenen. De griffier is verhinderd te ondertekenen.