Hof Arnhem-Leeuwarden, 16-06-2015, nr. 200.153.391-01
ECLI:NL:GHARL:2015:4389
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
16-06-2015
- Zaaknummer
200.153.391-01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2015:4389, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 16‑06‑2015; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHARL:2014:7528, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 30‑09‑2014; (Hoger beroep)
- Vindplaatsen
AR 2015/1143
OR-Updates.nl 2015-0251
Uitspraak 16‑06‑2015
Inhoudsindicatie
V.o.f. sluit, als huurder, huurovereenkomst. De oorspronkelijke vennoten treden uit. De huurovereenkomst wordt nadien ontbonden. Verhuurder spreekt eerst de voortzettende vennoten aan, maar later ook de uitgetreden vennoten. Uitgetreden vennoten blijven aansprakelijk voor de nakoming van de verbintenissen uit de huurovereenkomst, ook na verlenging van die overeenkomst. De uitgetreden vennoten hebben onvoldoende onderbouwd dat de verhuurder hen heeft ontslagen uit hun hoofdelijke verplichtingen. Beroep van uitgetreden vennoten op derogerende werking redelijkheid en billijkheid faalt. De vordering van de verhuurder is toewijsbaar.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.153.391/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 2429677 / 13-13223)
arrest van de eerste kamer van 16 juni 2015
in de zaak van
1 [appellant 1],
wonende te [woonplaats],
hierna: [appellant 1],
2. [appellant 2],
wonende te [woonplaats],
hierna: [appellant 2],
appellanten,
in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,
hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],
advocaat: mr. E.D. de Jong, kantoorhoudend te Steenwijk,
tegen
Trapezium Vastgoed B.V.,
gevestigd te Gorredijk,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,
hierna: Trapezium,
advocaat: mr. R. Glas, kantoorhoudend te Leeuwarden.
Het hof neemt de inhoud van het arrest in het incident van 30 september 2014 hier over.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
1.1
Trapezium heeft een memorie van antwoord genomen.
1.2
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.
2. De beoordeling van het geschilVaststaande feiten
2.1
Het hof ziet redenen zelf de feiten vast te stellen. [appellanten] hebben om die reden geen belang bij afzonderlijke bespreking van alle onderdelen van grief I, die zich keert tegen de vaststelling van de feiten door de kantonrechter.
2.2
Het hof zal wel één onderdeel van grief I bespreken. In de toelichting op de grief betogen [appellanten] onder meer dat tussen Trapezium en de v.o.f. [de vennootschap] (hierna: de v.o.f.) geen huurovereenkomst tot stand is gekomen. [appellanten] waren zelf de huurders, stellen zij. Het hof volgt [appellanten] niet in dit betoog. In het huurcontract wordt de huurder aangeduid als“[de vennootschap], gevestigd/wonende te (…), ingeschreven in het handelsregister onder nummer [nummer] vertegenwoordigd door de heer [appellant 1] en mevrouw [appellant 2].”Tussen partijen staat niet ter discussie dat [appellanten] de vennoten waren van een v.o.f. met de naam [de vennootschap] en dat deze vennootschap vanuit het gehuurde pand activiteiten ontplooide. Dat [appellanten] ook buiten de v.o.f., en dan ook nog onder de naam “[de vennootschap]” en vanuit het van Trapezium gehuurde pand zakelijke activiteiten, ontplooiden, hebben zij niet gesteld. Onder deze omstandigheden hebben zij de stelling van Trapezium dat de huurovereenkomst is aangegaan met de v.o.f. onvoldoende weersproken.
2.3
In hoger beroep kan van de volgende feiten worden uitgegaan.
2.3.1
[appellanten] waren vanaf 1 januari 1993 de vennoten van de v.o.f.
2.3.2
Tussen Trapezium en de v.o.f. is in april 2007 een huurovereenkomst tot stand gekomen, waarbij Trapezium aan de v.o.f. met ingang van 1 juni 2007 voor de duur van vijf jaren, met een stilzwijgende verlenging (behoudens tijdige opzegging) van tweemaal vijf jaren, het winkelpand aan [adres] te [plaats] verhuurde tegen een huurprijs van € 2.625,83 per maand. De huurovereenkomst is schriftelijk vastgelegd. In het huurcontract is vermeld dat de v.o.f. door [appellanten] werd vertegenwoordigd.
2.3.3
In het handelsregister is betreffende de v.o.f. onder meer geregistreerd dat [appellanten] met ingang van 1 augustus 2007 “uit functie” zijn. Ook is vermeld dat met ingang van die datum [zoon 1] en [zoon 2], de zonen van [appellanten] (hierna: de zonen), vennoot van de v.o.f. zijn. In het uittreksel waarin dat laatste is vermeld, is ook aangegeven dat de v.o.f. op 1 augustus 2007 is opgericht.
2.3.4
Trapezium heeft in een brief van 17 maart 2009 aan de v.o.f. ter attentie van “de heer [appellant 1]” de v.o.f. gemaand tot betaling van achterstallige huurtermijnen.
2.3.5
[zoon 1] en [X] hebben in de maanden juni en oktober 2009 per e-mail met elkaar gecorrespondeerd over (het inlopen van) de achterstand. [X] heeft op19 juni 2009 in een per e-mailbericht en per fax verzonden brief gericht aan [appellanten] aangekondigd de vordering uit handen te geven.
2.3.6
Nadat [X] in een e-mailbericht van 19 mei 2010 aan “fam. [appellant 1]” had aangedrongen op het nakomen van de afspraken, heeft [zoon 1] in een e-mailbericht van 20 mei 2010 het volgende aan [X] geschreven:“Daar mijn vader niet meer in staat is de dingen te regelen kost het even wat tijd om alles weer op de rails te krijgen.Wij zouden het volgende willen voorstellen om deze maand 1 betaling daarna 2 betalingen per maand tot wij helemaal bij zijn.Ook zijn er maatregelen genomen dat dit in de toekomst niet weer kan gebeuren.Aanspreekpunt is voortaan [zoon 2] (…)[zoon 1][de vennootschap]”
2.3.7
In een brief aan Trapezium van 28 juni 2011 heeft [zoon 2] “namens [de vennootschap]” het volgende geschreven: “Hierbij willen wij u meedelen dat wij niet automatisch onze huurtermijn met 5 jaar voor het pand op [adres] te [plaats] willen verlengen. In verband met de ontwikkelingen in de vastgoedbranche en met name in het aanbod aan winkelruimte te [plaats] zijn wij bezig met het kijken naar alternatieve huisvesting. Wij hebben hierin al een aantal aanbiedingen ontvangen (zowel huur als koop). Wij staan natuurlijk open voor een aanbod van uw kant.”
2.3.8
In een aan “Foto [appellant 2] tav dhr [zoon 2]” gerichte brief van18 juli 2011 heeft [X] onder meer het volgende geschreven:“Met deze brief bevestigen wij wat door ons reeds mondeling is overeengekomen. Wij verzoeken u om te controleren of onderstaande juist en volledig is verwoord. Als het e.e.a. niet juist en/of volledig is, dan verzoeken wij u om ons dit zsm kenbaar te maken. Als u akkoord gaat met onderstaande, dan verzoeken wij u om deze te ondertekenen en retour te sturen in de bijgevoegde, reeds gefrankeerde, retourenvelop.In overleg met u is besloten dat de door u verzonden brief dagtekening 28-06-2011 als niet verzonden beschouwd mag worden. In deze brief gaf u aan af te zien van verlenging van de huurperiode van het pand aan [adres] te [plaats].U heeft aangegeven dat u enig opknapwerk aan het pand uit eigen middelen zal financieren. Daarnaast hebben wij aangegeven dat wij onze verplichtingen als verhuurder ook zullen nakomen, zodat het door u gehuurde er weer goed zal bijstaan.Met ondertekening van deze afspraken is opzegging (als bijlage toegevoegd) teniet gedaan. Hiermee blijft de bestaande huurovereenkomst dan ook van kracht.”[zoon 2] heeft de brief op de daartoe bestemde plaats (onder de vermelding van zijn naam) ondertekend.
2.3.9
Nadat er vanaf 2011 opnieuw een huurachterstand was ontstaan en partijen ([zoon 2] voor de v.o.f.) in 2012 vergeefs hadden onderhandeld over een minnelijke regeling heeft Trapezium de v.o.f. en de zoons, in hun hoedanigheid van vennoten van de v.o.f., gedagvaard tot ontbinding van de huurovereenkomst, tot betaling van de huurachterstand van € 24.723,31 (berekend tot 31 december 2012) en de toekomstige huurtermijnen tot aan de datum waarop de huurovereenkomst zonder ontbinding rechtsgeldig zou zijn beëindigd. De kantonrechter te Groningen heeft de vorderingen van Trapezium bij vonnis van 5 juni 2013 grotendeels toegewezen. De huurovereenkomst is ontbonden per 5 juni 2013.Tegen dit vonnis is geen appel ingesteld.
2.3.10
Het pand is niet meer in gebruik bij de v.o.f.
2.3.11
In een brief van 3 april 2013 heeft de advocaat van Trapezium [appellanten] als oud-vennoten van de v.o.f. (hoofdelijk) aansprakelijk gesteld voor de schulden van de v.o.f. en hen gesommeerd tot betaling. [appellanten] hebben geen gehoor gegeven aan deze sommatie.
2.3.12
Na verkregen verlof heeft Trapezium conservatoir beslag doen leggen op onroerende zaken van [appellanten] Procedure in eerste aanleg
2.4
Trapezium heeft [appellanten] gedagvaard en betaling gevorderd van de achterstallige huur tot een bedrag van € 35.133,40, te vermeerderen met de huurtermijnen vanaf1 april 2013 tot aan het moment waarop de huurovereenkomst eindigt en de schade vanwege het toerekenbaar tekortschieten van de v.o.f. in de verplichtingen uit de huurovereenkomst, waaronder de na ontbinding gederfde toekomstige huurtermijnen, een en ander met rente en kosten. Aan deze vorderingen heeft Trapezium ten grondslag gelegd dat [appellanten] als gewezen vennoten van de v.o.f. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van de v.o.f. die voortvloeien uit de rechtsverhoudingen die bestonden ten tijde van hun uittreden uit de v.o.f., waaronder de huurovereenkomst tussen Trapezium en de v.o.f.
2.5
[appellanten] hebben verweer gevoerd en in reconventie opheffing van de gelegde beslagen gevorderd. Zij hebben daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat zij niet hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van de v.o.f., omdat het Trapezium reeds geruime tijd bekend is dat zij zijn uitgetreden als vennoten en Trapezium hun uittreding en de toetreding van de zonen ook heeft geaccepteerd, althans de indruk heeft gewekt dat te doen.
2.6
De kantonrechter heeft, nadat een comparitie van partijen was gehouden, in het eindvonnis van 16 april 2014 de verweren van [appellanten] verworpen, de vorderingen in conventie grotendeels toegewezen en de vordering in reconventie afgewezen, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten in conventie en in reconventie. Volgens de kantonrechter hebben [appellanten] hun stelling dat Trapezium bekend was met hun uittreding en de indruk heeft gewekt hen uit hun hoofdelijke verplichtingen te hebben ontslagen onvoldoende onderbouwd. Bespreking van de (overige) grieven
2.7
Met de grieven II tot en met V komen [appellanten] op tegen (de onderbouwing van) het oordeel van de kantonrechter dat [appellanten] aansprakelijk zijn voor de huurtermijnen die voortkomen uit de huurovereenkomst van 26 april 2007 en de verlenging daarvan per 31 mei 2012. De grieven hangen met elkaar samen. Het hof zal de grieven tezamen behandelen en daarbij ook de toelichting op grief I betrekken.
2.8
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [appellanten] per 1 augustus 2007 zijn uitgetreden uit de vennootschap. Volgens [appellanten] hebben hun zoons de door de v.o.f. gedreven onderneming voortgezet in een nieuw opgerichte v.o.f. Die v.o.f. heeft met instemming van Trapezium de huurovereenkomst overgenomen, dan wel is in de plaats gesteld van de oude v.o.f.
2.9
Het hof volgt [appellanten] niet in dit betoog. [appellanten] hebben hun stelling dat hun zoons een nieuwe v.o.f. hebben opgericht niet onderbouwd. Dat had wel op hun weg gelegen, nu uit de door Trapezium al bij dagvaarding in eerste aanleg overgelegde informatie uit het handelsregister, volgt dat de zoons per 1 augustus 2007 vennoot zijn geworden van dezelfde vennootschap (met dezelfde naam en hetzelfde KvK-nummer) waarvan [appellanten] tot die datum vennoot waren. Uit de door [appellanten] overgelegde schriftelijke verklaringen van hun zoons volgt ook niet dat een nieuwe vennootschap is opgericht. Integendeel, in de verklaring van [zoon 1] van 29 april 2014 wordt melding gemaakt van “nieuwe vennoten”, niet van een nieuwe vennootschap.
2.10
[appellanten] hebben ook niet onderbouwd dat sprake is geweest van een contractsovername of indeplaatsstelling. Voor een contractovername is, gelet op het bepaalde in artikel 6:159 BW, een akte vereist. Dat een dergelijke akte is opgesteld, hebben [appellanten] niet gesteld. Voor een indeplaatsstelling is een rechterlijke machtiging vereist (artikel 7:307 BW) en dat die machtiging is gevraagd en verkregen hebben [appellanten] evenmin aangevoerd. Indien de v.o.f. van [appellanten] door hun zoons is voortgezet, was een contractsovername of indeplaatsstelling ook niet noodzakelijk; de huurovereenkomst met de (voortgezette) v.o.f. bleef immers in stand.
2.11
Indien, zoals hier, een huurovereenkomst is gesloten met een v.o.f., zijn de vennoten naast de v.o.f. hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst tot de huurovereenkomst tussen de verhuurder en de v.o.f. is geëindigd(vgl. artikel 18 WvK). Indien de vennoten nadien uittreden, blijven zij ook na hun uittreding hoofdelijk aansprakelijk. Dat is niet alleen het geval wanneer de v.o.f. door de overblijvende, of door nieuw ingetreden vennoten wordt voortgezet, maar ook wanneer de v.o.f. door de uittreding wordt ontbonden (vgl. voor die situatie artikel 32 WvK). Zolang de huurovereenkomst door de (voortgezette) v.o.f. wordt voortgezet, blijft de uitgetreden vennoot derhalve aansprakelijk voor de nakoming van de verbintenissen uit de huurovereenkomst. Dat hij - in de situatie van voortzetting van de v.o.f. - geen zeggenschap meer heeft over de nakoming, voortzetting of beëindiging van de overeenkomst doet daaraan niet af, nu de verhuurder op nakoming van de overeenkomst door alle vennoten mocht rekenen. Het hof verwijst in dit verband naar jurisprudentie van het hof Den Bosch(16 juli 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BN2822 en 20 juli 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:3642 t.a.v. een andere duurovereenkomst) en het voormalige hof Arnhem (29 januari 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BV3197 en 08 februari 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BP5692) waarin een vergelijkbaar uitgangspunt is gehanteerd.
2.12
Het enkele feit dat de verhuurder weet dat de vennoot is uitgetreden en zich niet meer tot de uitgetreden vennoot richt, betekent niet dat de uitgetreden vennoot niet meer hoofdelijk aansprakelijk is. De verhuurder hoeft zich immers voor zaken betreffende de huurovereenkomst niet meer tot de uitgetreden vennoot te wenden. Niet de uitgetreden vennoot, maar de voortzettende vennoot (vennoten) is (zijn) bevoegd de v.o.f., met wie de huurovereenkomst is aangegaan, te vertegenwoordigen. De uitgetreden vennoot is niet langer hoofdelijk aansprakelijk voor nakoming door de v.o.f. van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst indien de (oorspronkelijke) huurovereenkomst is geëindigd, of de verhuurder hem uit zijn hoofdelijke verplichtingen heeft ontslagen. Onder (door de uitgetreden vennoot te stellen en bij betwisting te bewijzen) omstandigheden kan toewijzing van een vordering van de verhuurder tot nakoming van de hoofdelijke verplichtingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Daartoe is onvoldoende dat de verhuurder bekend is geworden met het uittreden van de vennoot, maar niet (uitdrukkelijk) te kennen heeft gegeven dat hij de uitgetreden vennoot nog steeds aansprakelijk hield voor de uit de huurovereenkomst voortkomende verplichtingen (vgl. de aangehaalde uitspraak van het hof Arnhem van 29 januari 2008).
2.13
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan in het midden blijven of Trapezium ermee bekend was dat [appellanten] op 1 augustus 2007 waren uitgetreden uit de v.o.f. Ook indien Trapezium daarmee bekend was, bleven [appellanten] (naast de v.o.f. en de nieuw toegetreden vennoten) hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst tussen Trapezium en de v.o.f. nu deze overeenkomst niet was geëindigd per 1 augustus 2007 (vgl. hetgeen het hof hiervoor in rechtsoverweging 2.9 heeft overwogen).
2.14
Ook indien Trapezium, zoals [appellanten] stellen maar Trapezium betwist, zich na1 augustus 2007 uisluitend met (een van) de zoon(s) van [appellanten] heeft verstaan, betekent dat niet dat [appellanten] uit hun hoofdelijkheid zijn ontslagen. De zoons, en niet van [appellanten], waren na het uittreden van [appellanten] bevoegd de v.o.f. te vertegenwoordigen. Het hof laat dan nog daar dat uit de door Trapezium overgelegde stukken, waaronder de factuur van de huur betreffende de maand oktober 2012, de in rechtsoverweging 2.3.4 aangehaalde brief van 17 maart 2009 en de in rechtsoverweging aangehaalde brief van 19 juni 2009, volgt dat Trapezium zich tot [appellant 1], of tot[appellanten], heeft gewend en dat in het in rechtsoverweging 2.3.6 aangehaalde e-mailbericht van 20 mei 2010 niet uitdrukkelijk is aangegeven dat [appellanten] geen vennoten meer zijn, maar dat [appellant 1] niet meer in staat is om de zaken van de vennootschap te regelen en dat [zoon 1] om die reden als aanspreekpunt van de v.o.f. fungeert.
2.15
Het enkele feit dat Trapezium [appellanten] niet eerder dan bij brief van 3 april 2013 heeft laten weten hen ook na hun uittreden hoofdelijk aansprakelijk te houden, betekent gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet dat toewijzing van de vordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [appellanten] mochten er op die enkele grond niet van uitgaan dat zij waren ontslagen uit hun hoofdelijke verplichtingen. Dat mochten zij, anders dan zij veronderstellen, ook nog niet toen Trapezium wel de v.o.f. en hun zoons, maar niet henzelf, in rechte betrok. Het stond Trapezium vrij om eerst de v.o.f. en haar vennoten te dagvaarden en vervolgens, mogelijk omdat de verhaalsmogelijkheden beperkt (b)leken te zijn, ook de andere hoofdelijk aansprakelijke personen.
2.16
Het hof ziet geen reden om anders te oordelen over de verplichtingen uit de huurovereenkomst betreffende de periode na de verlenging van de oorspronkelijke huurperiode van vijf jaar. Een huurovereenkomst betreffende bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 lid 2 BW eindigt niet van rechtswege na het verstrijken van de overeengekomen duur. In het huurcontract was bovendien uitdrukkelijk voorzien in verlenging van de huur na afloop van de eerste periode van vijf jaren. Toen de huurovereenkomst (uiteindelijk) niet werd opgezegd, liep de oorspronkelijke huurovereenkomst door. Het hof volgt [appellanten] dan ook niet in hun betoog dat vervolgens een nieuwe huurovereenkomst tot stand is gekomen. Gesteld noch gebleken is dat de kernbepalingen van de bestaande huurovereenkomst (zoals bestemming van het gehuurde, huurprijs, duur van de overeenkomst) zijn gewijzigd. Uit de in rechtsoverweging 2.3.8 aangehaalde brief van Trapezium van 18 juli 2011 volgt dat ook niet. Uit die brief volgt veeleer dat Trapezium haar verplichtingen uit de bestaande overeenkomst zal nakomen.
2.17
[appellanten] hebben aangevoerd dat zij telefonisch aan Trapezium hebben doorgegeven dat zij zijn uitgetreden uit de v.o.f. en dat hun zoons de onderneming gaan voortzetten in een nieuwe v.o.f. [zoon 1] heeft dat ook meegedeeld aan Trapezium, aldus [appellanten] Trapezium is daarmee akkoord gegaan, aldus [appellanten] wijzen er in dat verband op dat Trapezium heeft aangegeven dat een nieuw huurcontract niet nodig was en dat Trapezium zich vervolgens ten aanzien van de huurovereenkomst steeds tot hun zoons heeft gewend. Aldus beroepen [appellanten] zich er op dat Trapezium hen heeft ontslagen uit hun hoofdelijke verplichtingen, althans dat zij de gedragingen van Trapezium in de gegeven omstandigheden in redelijkheid zo mochten opvatten dat Trapezium hen uit hun hoofdelijke verplichtingen heeft ontslagen.
2.18
Het hof volgt [appellanten] niet in dit betoog. [appellanten] hebben niet aangevoerd dat Trapezium hun (of hun zoons) heeft meegedeeld dat zij niet langer hoofdelijk aansprakelijk waren voor de nakoming van hun verplichtingen uit de huurovereenkomst. Zij hebben dat afgeleid uit het feit dat Trapezium heeft aangegeven dat een nieuw huurcontract niet nodig was en dat Trapezium zich vervolgens tot hun zoon heeft gewend voor kwesties betreffende de huurovereenkomst. Daaruit konden [appellanten] echter in redelijkheid niet opmaken dat zij werden ontslagen uit hun hoofdelijke verplichtingen. Hiervoor (vgl. rechtsoverweging 2.9) heeft het hof reeds overwogen dat [appellanten] onvoldoende hebben onderbouwd dat een nieuwe v.o.f. is opgericht. Dat zij dat aan Trapezium hebben meegedeeld, hebben zij ook niet voldoende onderbouwd. Het volgt ook niet uit de overgelegde schriftelijke verklaringen van de zoons. Indien zij al hebben meegedeeld dat de v.o.f. werd voortgezet door andere vennoten - Trapezium heeft dat gemotiveerd betwist - , was een nieuw huurcontract niet nodig en lag het voor de hand dat Trapezium zich tot de nieuwe vennoten wendde. [appellanten] konden daaraan niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat zij werden ontslagen uit hun hoofdelijke verplichtingen.
2.19
Nu [appellanten] hun betoog dat Trapezium hen heeft ontslagen uit hun hoofdelijke verplichtingen onvoldoende hebben onderbouwd, komt het hof niet toe aan bewijslevering op dit punt. Het hof zal het daartoe strekkende bewijsaanbod van [appellanten] dan ook passeren.
2.20
De slotsom is dat de grieven falen.
2.21
De grieven VI tot en met IX hebben geen zelfstandige betekenis en delen het lot van de andere grieven. Nu [appellanten] geen (als zodanig kenbare) grief hebben gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellanten] ook gehouden zijn tot betaling van de huurtermijnen vanaf de ontbinding van de huurovereenkomst tot aan het moment waarop de huurovereenkomst rechtsgeldig zou zijn geëindigd, staat dit oordeel in appel niet ter discussie.
2.22
Als de in het ongelijk gestelde partij zullen [appellanten] worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep (geliquideerd salaris van de advocaat: 2 punten, tarief V).
3. De beslissing
Het gerechtshof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van Trapezium gevallen, op € 1.920,- aan verschotten en op € 5.264,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;
verklaart de beslissing betreffende de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. M.E.L. Fikkers en mr. D.H. de Witte en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 16 juni 2015.
Uitspraak 30‑09‑2014
Inhoudsindicatie
Incident tot schorsing tenuitvoerlegging. Geen sprake van een kennelijke juridische of feitelijke misslag.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.153.391/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 2429677 / 13-13223)
arrest van de eerste kamer in het incident tot schorsing tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv van dinsdag 30 september 2014
in de zaak van
1. [appellant],
wonende te [woonplaats],
2. [appellante],
wonende te [woonplaats],
appellanten,
in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,
hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],
advocaat: mr. E.D. de Jong, kantoorhoudend te Steenwijk,
tegen
Trapezium Vastgoed B.V.,
gevestigd te Gorredijk,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,
hierna: Trapezium,
advocaat: mr. R. Glas, kantoorhoudend te Leeuwarden.
1. Het geding in eerste aanleg
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het tussenvonnis van 11 december 2013 en het eindvonnis van 16 april 2014 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter).
2. Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure is als volgt:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 15 juli 2014, met grieven en producties, tevens met vordering in het incident,
- de incidentele memorie van antwoord.
2.2
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest in incident overgelegd en heeft het hof arrest in incident bepaald.
2.3
De vordering van [appellanten] luidt:
"in incidentte bepalen dat de uitvoerbaarheid van het vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, sector kanton d.d. 16 april 2014 wordt geschorst totdat en in kracht van gewijsde uitspraak is verkregen met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het incident;
in de hoofdzaakte vernietigen het vonnis d.d. 16 april 2014, door de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, tussen partijen gewezen, (…), en opnieuw rechtdoende, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering der gronden de vorderingen zijdens appellanten zoals ingesteld in eerste aanleg (in conventie) alsnog af te wijzen, en die van geïntimeerde zoals in eerste aanleg (in reconventie) ingesteld toe te wijzen, zulks met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van de procedure in appel alsook in de kosten van de procedure in eerste aanleg."
3. Aanduiding van het geschil
3.1
Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. [appellanten] hebben namens de vennootschap onder firma '[V.O.F.]' per 26 april 2007 een bedrijfspand van Trapezium gehuurd. De huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van vijf jaren met de mogelijkheid van vijf jaar verlenging. Per 1 augustus 2007 zijn [appellanten] als vennoten uitgetreden. De zoons van [appellanten] zijn per diezelfde datum als vennoten ingeschreven in het register bij de Kamer van Koophandel. In 2010 is er ter zake van de huur van het bedrijfspand een huurachterstand ontstaan die onbetaald werd gelaten.
3.2
Trapezium heeft daarop in december 2012 [V.O.F.] en de zonen van [appellanten] in rechte betrokken. Bij vonnis van 5 juni 2013 (met zaaknummer 571111 CV EXPL 13-148) heeft de kantonrechter de huurovereenkomst ontbonden en [V.O.F.] en de zonen van [appellanten] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur alsmede de toekomstige huurtermijnen tot 17 mei 2017. Van dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.
3.3
De kern van het thans aanhangige geschil tussen partijen betreft het antwoord op de vraag of (ook) [appellanten] aansprakelijk zijn voor de vorderingen van Trapezium welke voortvloeien uit de huurovereenkomst van 26 april 2007 en de verlenging daarvan per
31 mei 2012.
3.4
In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter in conventie te dier zake als volgt beslist:"veroordeelt [appellanten] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten, om tegen kwijting aan Trapezium te betalen € 35.133,40 vermeerderd met de wettelijke (handels)rente over de respectievelijke achterstallige huurtermijnen vanaf het moment dat deze opeisbaar zijn tot de dag der algehele voldoening voor zover dit niet is voldaan door [V.O.F.] naar aanleiding van hun veroordeling in de eerdere procedure met zaaknummer 571111 CV EXPL 13-148;veroordeelt [appellanten] voorts hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten, om tegen kwijting aan Trapezium te betalen de, vanaf 1 april 2013 tot de datum waarop de huurovereenkomst eindigt middels het (in zaaknummer 571111 CV EXPL 13-148) gewezen vonnis, te vervallen huurtermijnen voor zover dit niet is voldaan door [V.O.F.] naar aanleiding van hun veroordeling in de eerdere procedure met zaaknummer 571111 CV EXPL 13-148;veroordeelt [appellanten] eveneens hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten, om tegen kwijting aan Trapezium te voldoen de huurtermijnen waarop zij bij voortzetting van de huurovereenkomst aanspraak had kunnen maken tot aan de datum waarop de huurovereenkomst anders op rechtsgeldige wijze zou eindigen voor zover dit niet is voldaan door [V.O.F.] naar aanleiding van hun veroordeling in de eerdere procedure met zaaknummer 571111 CV EXPL 13-148;".
4. De motivering van de beslissing in het incident
4.1
[appellanten] hebben gevorderd de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank van 16 april 2014 te schorsen op grond van artikel 351 Rv.
4.2
Het hof stelt bij de beoordeling van deze vordering voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft verkregen in beginsel bevoegd is dat vonnis te executeren, ook indien tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld. Bij de beoordeling van de vraag of, in afwijking van voornoemd uitgangspunt, de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis dient te worden geschorst, dienen de navolgende maatstaven te worden aangelegd (vgl. Hoge Raad 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008: BC5012):
(i) de incidenteel eiser moet belang hebben bij de door hem verlangde schorsing van de tenuitvoerlegging;
(ii) bij de in het licht van de omstandigheden van het geval te verrichten afweging van de belangen van partijen moet worden nagegaan of het belang van degene die schorsing verzoekt bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de door hem verkregen veroordeling direct ten uitvoer te leggen;
(iii) bij deze belangenafweging dient de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing te blijven.
Bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing als hier bedoeld geldt ook, dat in beginsel moet worden uitgegaan van de beslissing van de vorige rechter en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen omtrent de uitvoerbaar bij voorraadverklaring. Dit kan anders zijn indien het vonnis, waarvan de incidenteel eiser beroep heeft ingesteld, klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag dan wel indien na de bestreden beslissing feiten en omstandigheden zijn voorgevallen of aan het licht gekomen, die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.
4.3
[appellanten] hebben zich op het standpunt gesteld dat het bestreden vonnis een kennelijke misslag bevat. Zij stellen zich daartoe op het standpunt dat de kantonrechter in het bestreden vonnis meer heeft toegewezen dan door Trapezium gevorderd was, nu de vordering van Trapezium zoals deze is weergegeven onder rechtsoverweging 2 van het vonnis waarvan beroep, niet overeenstemt met het dictum van dat vonnis.
4.4
Trapezium heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
4.5
Het hof is van oordeel dat de incidentele vordering van [appellanten] moet worden afgewezen. Van een juridische of feitelijke misslag is slechts sprake indien deze misslag evident, direct duidelijk en redelijkerwijs niet voor discussie vatbaar is. Het hof is van oordeel dat daarvan in dit geval geen sprake is en overweegt daartoe als volgt. Het petitum van de inleidende dagvaarding van Trapezium d.d. 12 april 2013 luidt als volgt: "1. Gedaagden hoofdelijk, dat als de een betaalt de ander zal zijn gekweten, te veroordelen aan eiseres te betalen een bedrag van € 35.133,40 te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente over de respectievelijke achterstallige huurtermijnen vanaf de datum dat deze opeisbaar werden (steeds de eerste dag van de maand), tot aan de dag der algehele voldoening;2. Gedaagden hoofdelijk, dat als de een betaalt dat de ander zal zijn gekweten, te veroordelen aan eiseres te betalen de, vanaf 1 april 2013, tot de datum waarop de huurovereenkomst eindigt middels het (in zaaknummer 571111 CV EXPL 13-148) te wijzen vonnis, te vervallen huurtermijnen, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente over deze termijnen vanaf de datum dat ze opeisbaar worden (steeds de eerste dag van de maand) tot aan de dag der algehele voldoening;3. Gedaagden hoofdelijk, dat als de een betaalt dat de ander zal zijn gekweten, te veroordelen aan eiseres te betalen de schade ten gevolge van het toerekenbaar tekort schieten van de v.o.f. [V.O.F.] lijdt, ondermeer, maar niet beperkt tot, de derving van toekomstige huurtermijnen vanaf de datum van ontbinding, tot aan de datum waarop huurovereenkomst anders op rechtsgeldige wijze zou eindigen.4. Gedaagden hoofdelijk, dat als de een betaalt dat de ander zal zijn gekweten, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van dit geding."Het hof constateert dat de kantonrechter in het (hiervoor onder rechtsoverweging 3.4 weergegeven) dictum van het bestreden vonnis in conventie niet ten nadele van [appellanten] is afgeweken van het door Trapezium in het petitum van haar inleidende dagvaarding gevorderde. In zoverre berust het vonnis dan ook niet op een kennelijke juridische of feitelijke misslag.
4.6
Het hof stelt voorts vast dat [appellanten] in dit incident geen (nieuwe) omstandigheden hebben aangevoerd waarmee de rechter in eerste aanleg geen rekening heeft kunnen houden en die een belangenafweging in het voordeel van [appellanten] zouden kunnen doen uitvallen.
4.7
De incidentele vordering van [appellanten] zal worden afgewezen.
4.8
Een beslissing over de kosten van het incident zal worden aangehouden totdat bij einduitspraak over de kosten zal worden beslist.
5. In de hoofdzaak
5.1
De zaak zal naar de rol worden verwezen voor memorie van antwoord. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
De beslissing Het gerechtshof:
in het incident
wijst de vordering van [appellanten] af;
houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot de beslissing in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 11 november 2014 voor het nemen van memorie van antwoord door Trapezium;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. M.E.L. Fikkers en mr. D.H. de Witte en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 23 september 2014.