Rb. Oost-Brabant, 02-09-2014, nr. C/01/271258 / EX RK 13-182
ECLI:NL:RBOBR:2014:7190
- Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
- Datum
02-09-2014
- Zaaknummer
C/01/271258 / EX RK 13-182
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBOBR:2014:7190, Uitspraak, Rechtbank Oost-Brabant, 02‑09‑2014; (Op tegenspraak)
ECLI:NL:RBOBR:2014:7195, Uitspraak, Rechtbank Oost-Brabant, 30‑07‑2014; (Op tegenspraak)
ECLI:NL:RBOBR:2014:7192, Uitspraak, Rechtbank Oost-Brabant, 11‑04‑2014; (Op tegenspraak)
- Vindplaatsen
GZR-Updates.nl 2014-0489
GZR-Updates.nl 2014-0488
GZR-Updates.nl 2014-0487
Uitspraak 02‑09‑2014
Inhoudsindicatie
Verzoekschrift bevel voorlopig deskundigenbericht. Derde tussenbeschikking, waarin de rechtbank het voorlopig deskundigenbericht beveelt met benoeming van de door haar voorgestelde deskundige. Aan deze deskundige worden allereerst de vragen uit de disclosure statement voorgelegd. Pas na de afgifte van de disclosure statement door de deskundige, zullen de zaak-inhoudelijke vragen aan hem worden voorgelegd, tenzij de inhoud van de disclosure statement - en de reacties van partijen daarop - aanleiding zouden geven tot een andere beslissing.
Partij(en)
beschikking
RECHTBANK OOST-BRABANT
Handelsrecht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rekestnummer: C/01/271258 / EX RK 13-182
Tussenbeschikking van 2 september 2014
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats],
verzoeker, hierna te noemen: [verzoeker],
advocaat mr. M.J.J. de Ridder te Utrecht,
tegen
1. [verweerder sub 1],
wonende te [woonplaats],
verweerder, hierna te noemen: [verweerder sub 1],
advocaat mr. M.B. Bruinsma te Soest,
2. de rechtspersoon naar buitenlands recht
[verweerder sub 2] ,
gevestigd te [woonplaats],
3. de commanditaire vennootschap
[verweerder sub 3] ,
gevestigd te [woonplaats],
verweersters, hierna te noemen: [verweersters],
advocaat mr. H.J. Harmeling te Amsterdam.
waarin als belanghebbende is gehoord
de stichting
STICHTING JEROEN BOSCH ZIEKENHUIS,
gevestigd te ’s‑Hertogenbosch,
belanghebbende, hierna te noemen: JBZ,
advocaat mr. M.J.J. de Ridder te Utrecht.
1. De verdere procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de tussenbeschikking van 30 juli 2014;
- -
de brieven van [verzoeker] en JBZ van 7 augustus 2014 en 1 september 2014;
- -
het faxbericht van [verweerder sub 1] van 26 augustus 2014;
- -
de faxberichten van [verweersters] van 26 en 27 augustus 2014.
1.2.
Vervolgens heeft de rechtbank bepaald in deze zaak heden een tussenbeschikking te geven.
2. De verdere beoordeling
2.1.
In haar tussenbeschikking van 30 juli 2014 heeft de rechtbank voorgesteld om [naam] als deskundige te benoemen. Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om zich daarover uit te laten.
2.2.
[verzoeker] en JBZ en [verweerder sub 1] hebben geen bezwaar tegen de benoeming van [naam] als deskundige.
[verweersters] voert als verweer aan dat [naam]: “geen expert lijkt op het gebied van heupoperaties en geen ervaring met metaal-op-metaal protheses lijkt te hebben”. [verweersters] verzoekt de rechtbank daarom om de Belgische arts [naam] als deskundige te benoemen.
2.3.
De rechtbank passeert dit bezwaar van [verweersters] tegen de benoeming van [naam] en het daarmee samenhangende verzoek tot benoeming van [naam]. [naam] heeft zich ná kennisneming van de aan de deskundige te stellen vragen bereid verklaard om in deze zaak als deskundige op te treden en hij acht zich derhalve in staat om die vragen te beantwoorden. De rechtbank ziet thans geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Het door [verweersters] geuite bezwaar, daargelaten het speculatieve karakter ervan, biedt daarvoor geen grond. Bovendien zal de deskundige worden gevraagd om voordat hij overgaat tot het onderzoek ter beantwoording van de zaak-inhoudelijke vragen, allereerst een zogenoemd disclosure statement af te geven. De daarin opgenomen vragen dienen juist ter verdere beoordeling van de vraag of [naam] in dezen als deskundige kan optreden. Aan [naam] zullen pas ná de afgifte van het disclosure statement de zaak-inhoudelijke vragen worden voorgelegd, tenzij de inhoud van het disclosure statement - en de reacties daarop van partijen - aanleiding zouden geven tot een andere beslissing.
2.4.
De rechtbank zal thans overgaan tot benoeming van [naam] als deskundige. Aan deze deskundige zullen allereerst de hierna onder “de beslissing” vermelde vragen (disclosure statement) worden voorgelegd, waarna partijen in de gelegenheid zullen worden gesteld zich daarover naar de rechtbank toe uit te laten.
2.5.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundige in beginsel door de verzoekende partij moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door [verzoeker] moeten worden betaald. Om redenen van praktische aard, zal de rechtbank [verzoeker] opdragen om het volledig door [naam] begrote voorschot (dus ook voor wat betreft de beantwoording van de zaak-inhoudelijke vragen) te deponeren.
2.6.
De rechtbank wijst er nu reeds op dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
2.7.
Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de andere partijen te verstrekken.
2.8.
In afwachting van de afgifte door [naam] van het disclosure statement en de reacties daarop van partijen, zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank,
3.1.
beveelt een onderzoek door een deskundige, in eerste instantie ter beantwoording van de volgende vragen:
A. Disclosure Statement
A1. Persoonlijke gegevens
a. Waar bent u werkzaam? (indien u bij meerdere organisaties werkzaam bent gaarne alle noemen)
b. Heeft u aan uw beroep gerelateerde nevenfuncties en zo ja, welke?
c. Wat kwalificeert u voor het uitbrengen van een expertiserapport in de onderhavige zaak? (te noemen zijn met name opleiding en professionele ervaring, meer in het bijzonder op het gebied van het plaatsen van traditionele en/of MOM-heupprothesen)
d. Heeft u in het verleden reeds als expertiserend deskundige opgetreden en zo ja, hoe vaak en in wiens opdracht? (met “in wiens opdracht” wordt bedoeld: in opdracht van de eisende partij, van de aangesproken partij of van de rechter; het is uiteraard niet nodig namen te noemen)
A2. Medisch wetenschappelijke opvattingen
a. Bestaan er over het onderwerp van de expertise medisch-wetenschappelijk uiteenlopende opvattingen?
Indien uw antwoord op vraag A2.a. bevestigend luidt:
b. Kunt u in hoofdlijnen uiteenzetten in welk opzicht de meningen uiteenlopen (voor zover mogelijk met verwijzing naar – bij het rapport te voegen – literatuur)?
c. Welke is uw eigen opvatting?
d. Kunt u aangeven of een deskundige met een andere opvatting in het onderhavige geval tot een ander oordeel zou kunnen komen dan waartoe u komt?
e. Als inderdaad een deskundige met een andere opvatting in het onderhavige geval tot een ander oordeel zou komen: kunt u aangeven wat dat oordeel zou kunnen zijn?
3.2.
benoemt tot deskundige:
[naam] ,
correspondentie- en bezoekadres: [woonplaats],
telefoon: [telefoonnummer],
het voorschot
3.3.
stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op het door de deskundige begrote totaalbedrag van € 6.050,- (inclusief BTW);
3.4.
bepaalt dat [verzoeker] dit voorschot dient over te maken op rekeningnummer NL53RBOS056.99.90.572 ten name van Arrondissement 536 's-Hertogenbosch onder vermelding van "voorschot deskundigenrapport" en het zaak- en rolnummer, en wel binnen twee weken na deze beslissing,
3.5.
draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot;
het opstellen van een disclosure statement
3.6.
bepaalt dat verzoeker zijn procesdossier in afschrift aan de deskundige dient te doen toekomen;
3.7.
wijst de deskundige erop dat:
- -
de deskundige vóór het afgeven van het disclosure statement dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),
- -
de deskundige de in het disclosure statement opgenomen vragen pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dient te beantwoorden,
- -
de deskundige de beantwoording van de in het disclosure statement opgenomen vragen onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn;
3.8.
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt en dat partijen de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven om te komen tot afgifte van een disclosure statement;
het disclosure statement
3.9.
draagt de deskundige op om uiterlijk twee maanden na het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend disclosure statement in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie;
3.10.
bepaalt dat de deskundige niet is gehouden een concept-disclosure statement aan partijen voor te leggen;
3.11.
bepaalt dat partijen binnen vier weken nadat het disclosure statement aan hen is toegezonden, in de gelegenheid zullen zijn bij brief te reageren op het disclosure statement;
3.12.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr I.L.P. Crombeen en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2014.
Uitspraak 30‑07‑2014
Inhoudsindicatie
Verzoekschrift bevel voorlopig deskundigenbericht. Tweede tussenbeschikking, waarin de rechtbank de definitieve vraagstelling aan de deskundige vastlegt. De rechtbank ziet af van het benoemen van door de belanghebbenden voorgestelde personen als deskundige. De rechtbank doet partijen daarom een voorstel voor de persoon van de te benoemen deskundige, waarop partijen nog mogen reageren.
Partij(en)
beschikking
RECHTBANK OOST-BRABANT
Handelsrecht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rekestnummer: C/01/271258 / EX RK 13-182
Tussenbeschikking van 30 juli 2014
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats],
verzoeker, hierna te noemen: [verzoeker],
advocaat mr. M.J.J. de Ridder te Utrecht,
tegen
1. [verweerder sub 1],
wonende te [woonplaats],
verweerder, hierna te noemen: [verweerder sub 1],
advocaat mr. M.B. Bruinsma te Soest,
2. de rechtspersoon naar buitenlands recht
[verweerster sub 2].,
gevestigd te [woonplaats],
3. de commanditaire vennootschap
[verweerster sub 3] ,
gevestigd te [woonplaats],
verweersters, hierna te noemen: [verweersters],
advocaat mr. H.J. Harmeling te Amsterdam.
waarin als belanghebbende is gehoord
de stichting
STICHTING JEROEN BOSCH ZIEKENHUIS,
gevestigd te ’s‑Hertogenbosch,
belanghebbende, hierna te noemen: JBZ,
advocaat mr. M.J.J. de Ridder te Utrecht.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de tussenbeschikking van 11 april 2014;
- -
de brief van [verzoeker] en JBZ van 12 mei 2014;
- -
het faxbericht van [verweersters] van 16 mei 2014;
- -
het faxbericht van [verweerder sub 1] van 27 mei 2014;
- -
het faxbericht van [verweersters] van 28 mei 2014;
- -
het faxbericht van [verzoeker] en JBZ van 12 juni 2014.
1.2.
Vervolgens heeft de rechtbank bepaald in deze zaak een tussenbeschikking te geven.
2. De verdere beoordeling
De vragen aan de deskundige
2.1.
In het tussenbeschikking van 11 april 2014 zijn betrokkenen in de gelegenheid gesteld om bij brief op de in die tussenbeschikking opgenomen (concept-) vragen te reageren. Alle betrokkenen hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt.
2.2.
Gezien de reacties van partijen, komt de rechtbank tot de volgende definitieve vraagstelling:
A. Disclosure Statement
A1. Persoonlijke gegevens
a. Waar bent u werkzaam? (indien u bij meerdere organisaties werkzaam bent gaarne alle noemen)
b. Heeft u aan uw beroep gerelateerde nevenfuncties en zo ja, welke?
c. Wat kwalificeert u voor het uitbrengen van een expertiserapport in de onderhavige zaak? (te noemen zijn met name opleiding en professionele ervaring, meer in het bijzonder op het gebied van het plaatsen van traditionele en/of MOM-heupprothesen)
d. Heeft u in het verleden reeds als expertiserend deskundige opgetreden en zo ja, hoe vaak en in wiens opdracht? (met “in wiens opdracht” wordt bedoeld: in opdracht van de eisende partij, van de aangesproken partij of van de rechter; het is uiteraard niet nodig namen te noemen)
A2. Medisch wetenschappelijke opvattingen
a. Bestaan er over het onderwerp van de expertise medisch-wetenschappelijk uiteenlopende opvattingen?
Indien uw antwoord op vraag A2.a. bevestigend luidt:
Kunt u in hoofdlijnen uiteenzetten in welk opzicht de meningen uiteenlopen (voor zover mogelijk met verwijzing naar – bij het rapport te voegen – literatuur)?
Welke is uw eigen opvatting?
Kunt u aangeven of een deskundige met een andere opvatting in het onderhavige geval tot een ander oordeel zou kunnen komen dan waartoe u komt?
Als inderdaad een deskundige met een andere opvatting in het onderhavige geval tot een ander oordeel zou komen: kunt u aangeven wat dat oordeel zou kunnen zijn?
B. De expertise
B1. Algemene vragen met betrekking tot MOM-prothesen
- a.
Kunt u aangeven wanneer de MOM-prothese, respectievelijk de BHR-prothese, in Nederland is geïntroduceerd?
- b.
Welke problemen of nadelen van de toentertijd (op het onder B1.a genoemde moment) bestaande prothesen zouden volgens de producenten opgelost worden met de MOM-prothese in het algemeen en de BHR-prothese in het bijzonder?
- c.
Wat was op het onder B1.a genoemde moment binnen de beroepsgroep van orthopedisch chirurgen bekend omtrent de aard van de tests (t.a.v. kwaliteit, duurzaamheid etc.) die de producenten van de MOM-prothesen in het algemeen, en de onderhavige BHR-prothese in het bijzonder, ten aanzien van hun producten hebben uitgevoerd (of laten uitvoeren) voorafgaand aan de introductie daarvan op de markt? In hoeverre en vanaf welk moment waren de resultaten van deze tests binnen de beroepsgroep van orthopedisch chirurgen bekend?
- d.
Op welke wijze is de MOM-prothese in het algemeen, en de onderhavige BHR-prothese in het bijzonder, aan de beroepsgroep van orthopedisch chirurgen gepresenteerd? Kunt u aangeven voor welke groep patiënten genoemde prothesen waren bedoeld?
- e.
Kunt u aangeven of, en zo ja, vanaf welk moment, het binnen de beroepsgroep van orthopedisch chirurgen (in Nederland) niet langer geaccepteerd is om een MOM-prothese te plaatsen? Kunt u (in grote lijnen) aangeven hoe daarover door vakgenoten buiten Nederland wordt gedacht?
- f.
Is het binnen de beroepsgroep van orthopedisch chirurgen gebruikelijk (geworden) om na het plaatsen van een MOM-prothese de gehaltes chroom en/of kobalt in het bloed van de patiënt te meten? Zo ja:
- -
vanaf welk moment werd een dergelijke controle gebruikelijk?
- -
vanaf welk moment na het plaatsen van de prothese worden genoemde gehaltes gemeten, met welke frequentie en op welke manier?
Worden binnen de beroepsgroep van orthopedisch chirurgen grenswaarden gehanteerd voor het gehalte chroom en /of kobalt in het bloed, respectievelijk het bloedserum? Zo ja, welke en vanaf welk moment? Zijn die grenswaarden in de loop van de tijd aangepast en zo ja, op welke manier en (telkens) vanaf welk moment?
B2. Vragen omtrent de situatie ten tijde van de operatie (oktober 2003)
- a.
Welke informatie was in oktober 2003 binnen de beroepsgroep van orthopedisch chirurgen beschikbaar omtrent eventuele risico’s met betrekking tot het gebruik van een MOM-prothese in het algemeen en de BHR-prothese in het bijzonder? Kunt u daarbij specifiek aangeven in hoeverre destijds informatie beschikbaar was omtrent een (verhoogd) risico op (1) verhoogde chroom- en kobaltwaarden, (2) het ontstaan van pseudotumoren (3) metallose, (4) botnecrose, (5) weke delen-necrose en/of (6) ALTR.
- b.
Kunt u, indien u meent dat één of meerdere van de onder B2.a. genoemde risico’s in oktober 2003 binnen de beroepsgroep nog niet bekend was/waren, aangeven wanneer de betreffende risico’s - voor zover aanwezig - dan wél bekend zijn geworden?
- c.
Waren er in oktober 2003 binnen de beroepsgroep van orthopedisch chirurgen problemen bekend met de toen reeds bestaande alternatieven voor een MOM-prothese, die de MOM-prothese in het algemeen en de BHR-prothese in het bijzonder niet kennen, en zo ja, welke?
- d.
Wat was er in oktober 2003 binnen de beroepsgroep bekend over de door de operateur te realiseren stand van de MOM-prothese in het algemeen en de BHR-prothese in het bijzonder, en de mogelijke gevolgen van een afwijkende stand? Gelieve bij uw antwoord op deze vraag niet alleen de (destijds beschikbare) medische literatuur, maar ook het (destijds toepasselijke) “Surgical Technique”-document voor de BHR-prothese te betrekken.
- e.
Zijn de inzichten omtrent de door de operateur te realiseren stand van een BHR-prothese sedert oktober 2003 gewijzigd, en zo ja, in welke zin?
B3. Het ziektebeloop van de heer [verweerder sub 1]
- a.
Kunt u het ziektebeloop op uw vakgebied van [verweerder sub 1] tot op heden zo uitvoerig mogelijk schetsen? Kunt u aangeven welke onderzoeken zijn verricht, welke behandelingen – met welk resultaat – hebben plaatsgevonden en welke diagnose(n) u kunt stellen?
- b.
Wat is de oorzaak van de klachten en beperkingen die [verweerder sub 1] in de zomer van 2011 ondervond? Kunt u uw antwoorden toelichten en daarbij expliciet aangeven in hoeverre de ondervonden klachten verband houden/hielden met de toegepaste BHR-prothese dan wel in hoeverre daarvoor andere mogelijke oorzaken aanwijsbaar zijn?
- c.
Onderschrijft u de diagnose ALTR?
B4. De behandeling van de heer [verweerder sub 1] door [verzoeker]
a. Handelde [verzoeker] als redelijk bekwaam en redelijk handelend orthopedisch chirurg toen hij in oktober 2003 besloot een heupprothese van dit merk, model en type bij de heer [verweerder sub 1] te plaatsen? Zo ja, waarom, zo nee, waarom niet? Kunt u daarbij specifiek ingaan op:
- -
de persoonlijke situatie van de heer [verweerder sub 1];
- -
de informatie die destijds binnen de beroepsgroep van orthopedisch chirurgen bekend was over het risico van ALTR;
- -
de mogelijke alternatieven voor de toegepaste BHR-heupprothese;
- -
het feit dat de BHR-prothese in het buitenland nog steeds wordt toegepast.
Kunt u aangeven in hoeverre uit het medisch dossier van [verzoeker] omtrent de heer [verweerder sub 1] is af te leiden:
- -
op welke gronden in oktober 2003 is gekozen voor dit merk, model en type heupprothese?
- -
welke alternatieve behandelmethoden (zoals de traditionele heupprothese) voorafgaand aan de operatie met de heer [verweerder sub 1] zijn besproken?
- -
in hoeverre de heer [verweerder sub 1] voorafgaand aan de operatie is voorgelicht omtrent de mogelijk aan een BHR-prothese verbonden risico’s?
Heeft [verzoeker] de operatieve ingreep op 22 oktober 2003 uitgevoerd zoals destijds van een redelijk bekwaam en redelijk handelend orthopedisch chirurg in vergelijkbare situaties had mogen worden verwacht? Kunt u daarbij specifiek aandacht besteden aan de tijdens die operatie door [verzoeker] gerealiseerde stand van de prothese?
Indien u van mening bent dat [verzoeker] op enig moment voorafgaand aan, tijdens of na de operatie niet de zorgvuldigheid heeft betracht die van hem als redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mocht worden verwacht, kunt u dan gemotiveerd toelichten welk handelen had mogen worden verwacht en daarbij aangeven in hoeverre dat handelen het ontwikkelen van ALTR - voor zover daarvan sprake is - zou hebben voorkomen?
Kunt u gemotiveerd aangeven of, en zo ja, in hoeverre u het nuttig acht om de bij de heer [verweerder sub 1] uitgenomen prothese (de “explant”) te (laten) onderzoeken?
B5. De huidige stand van zaken
- a.
Kunt u een inventarisatie maken van de klachten en/of beperkingen welke [verweerder sub 1] thans op uw vakgebied ondervindt?
- b.
In hoeverre leveren deze klachten en/of beperkingen problemen op bij:
- -
het dagelijkse leven (ADL);
- -
hobby en recreatie;
- -
beroepsmatige werkzaamheden.
Kunt u de eventuele blijvende functionele invaliditeit op uw vakgebied uitdrukken in een percentage op basis van de meest recente AMA-Guides, zo mogelijk aangevuld met de richtlijnen van uw beroepsvereniging? Kunt u daarbij omschrijven en toelichten hoe het totale percentage is opgebouwd?
Kunt u aangeven hoe het antwoord op vraag B5.a, b en c naar redelijke verwachting zou luiden:
- -
indien - aangenomen dat u in het geval van de heer [verweerder sub 1] de diagnose ALTR onderschrijft - er geen ALTR zou zijn opgetreden?
- -
indien geen revisie-ingreep zou hebben plaatsgevonden?
Is er met betrekking tot de ALTR - zo daarvan sprake is - sprake van een medische eindtoestand? Als dat niet het geval is, kunt u dan aangeven of u een verbetering dan wel verslechtering verwacht en welke consequenties dit zal hebben voor het functieverlies dan wel de beperkingen als bedoeld in vraag B5.a en b?
2.3.
Hiermee beëindigt de rechtbank het debat tussen betrokkenen over de aan de deskundige te stellen vragen.
De persoon van de deskundige:
2.4.
In eerste instantie heeft [verzoeker] voorgesteld om [naam] als deskundige te benoemen en [verweersters] is met dat voorstel akkoord gegaan. [verweerder sub 1] heeft als bezwaar naar voren gebracht dat [naam] één van de chirurgen is die de litigieuze MOM-prothesen heeft geplaatst en in die hoedanigheid namens gedupeerden reeds aansprakelijk is gesteld. [verweerder sub 1] acht [naam] daarom ongeschikt om in deze zaak als deskundige op te treden.
[verweerder sub 1] heeft vervolgens voorgesteld om [naam] als deskundige te benoemen. Ook hiertegen heeft [verweersters] geen bezwaren geuit. [verzoeker] daarentegen, heeft erop gewezen dat [naam] voorafgaand aan zijn werkzaamheden in het Rijnstate Ziekenhuis (en tot kort voor de operatie van de heer [verweerder sub 1]) maatschapslid was van de vakgroep orthopedie in het JBZ en derhalve mede maatschapslid van [verzoeker]. De - niet nader door [verzoeker] benoemde - achtergronden bij het vertrek van [naam] uit het JBZ, maken hem volgens [verzoeker] ongeschikt om in dezen als deskundige op te treden.
2.5.
De rechtbank stelt vast dat betrokkenen geen overeenstemming hebben bereikt over de persoon van de te benoemen deskundige. De rechtbank deelt de door [verweerder sub 1] en [verzoeker] uitgesproken bezwaren tegen respectievelijk [naam] en [naam] en zal daarom geen van hen benoemen als deskundige in dezen.
2.6.
De rechtbank stelt de betrokken partijen voor om als deskundige te benoemen [naam], orthopedisch chirurg, verbonden aan het Neuro-Orthopedisch Centrum te Bilthoven. In reactie op een verzoek van de griffier van de rechtbank daaromtrent, heeft [naam] de rechtbank bericht dat [naam] bereid is een benoeming als deskundige te aanvaarden.
Betrokkenen zullen in de gelegenheid worden gesteld om zich bij brief uit te laten over de benoeming van [naam] als deskundige. De rechtbank merkt reeds nu op dat indien er - legitieme - bezwaren bij betrokkenen leven aangaande de benoeming van [naam] als deskundige, zij voornemens is een nieuwe zitting te bepalen om de kwestie van de persoon van de deskundige nader met betrokkenen te bespreken.
2.7.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank,
3.1.
stelt partijen in de gelegenheid om binnen vier weken na heden bij brief te reageren op hetgeen hiervoor onder 2.6 is vermeld;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr I.L.P. Crombeen en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2014.
Uitspraak 11‑04‑2014
Inhoudsindicatie
Verzoekschrift bevel voorlopig deskundigenbericht. Eerste tussenbeschikking, waarin de rechtbank conceptvragen aan de te benoemen deskundige heeft geformuleerd. Onderdeel daarvan is een zogenoemde disclosure statement. Partijen worden in de gelegenheid gesteld op de vraagstelling te reageren en zich uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige. Ter zitting hebben partijen met deze werkwijze ingestemd.
Partij(en)
beschikking
RECHTBANK OOST-BRABANT
Handelsrecht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rekestnummer: C/01/271258 / EX RK 13-182
Tussenbeschikking van 11 april 2014
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [verzoeker],
verzoeker, hierna te noemen: [verzoeker],
advocaat mr. M.J.J. de Ridder te Utrecht,
tegen
1. [verweerder sub 1],
wonende te [woonplaats],
verweerder, hierna te noemen: [verweerder sub 1],
advocaat mr. M.B. Bruinsma te Soest,
2. de rechtspersoon naar buitenlands recht
[verweerster sub 2] ,
gevestigd te [woonplaats],
3. de commanditaire vennootschap
[verweerster sub 3] ,
gevestigd te [woonplaats],
verweersters, hierna te noemen: [verweersters],
advocaat mr. H.J. Harmeling te Amsterdam.
waarin als belanghebbende is gehoord
de stichting
STICHTING JEROEN BOSCH ZIEKENHUIS,
gevestigd te ’s‑Hertogenbosch,
belanghebbende, hierna te noemen: JBZ,
advocaat mr. M.J.J. de Ridder te Utrecht.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het verzoekschrift van [verzoeker] van 20 november 2013;
- -
het verweerschrift van [verweersters], ingekomen ter griffie op 21 maart 2014;
- -
het verweerschrift van [verweerder sub 1], ingekomen ter griffie op 27 maart 2014;
- -
de mondelinge behandeling op 28 maart 2014.
1.2.
Vervolgens heeft de rechtbank bepaald in deze zaak een tussenbeschikking te geven.
2. De beoordeling
2.1.
Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht zal bevelen met benoeming van [naam] als deskundige.
2.2.
[verweerder sub 1] en [verweersters] hebben geen verweer gevoerd tegen het verzoek een voorlopig deskundigenbericht te bevelen. Wel hebben zij bezwaren geuit tegen de persoon van [naam]. Voorts zijn partijen het niet geheel eens over de aan de deskundige te stellen vragen. De rechtbank zal allereerst ingaan op de aan de deskundige te stellen vragen.
De vragen aan de deskundige:
2.3.
Ter zitting van 28 maart 2014 heeft de rechtbank de door [verzoeker] voorgestelde vragen, de bezwaren daartegen van [verweerder sub 1] en van [verweersters] en de door [verweerder sub 1] voorgestelde aanvullende vragen met partijen besproken. De rechtbank heeft partijen vervolgens voorgesteld dat zij de aan de deskundige voor te leggen vragen in concept zal formuleren en dat partijen vervolgens in de gelegenheid zullen zijn om daarop schriftelijk te reageren. Alle betrokkenen hebben hiermee ingestemd.
2.4.
Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank voornemens om aan de te benoemen deskundige de navolgende vragen voor te leggen:
A. Disclosure Statement
A1. Persoonlijke gegevens
a. Waar bent u werkzaam? (indien u bij meerdere organisaties werkzaam bent gaarne alle noemen)
b. Heeft u aan uw beroep gerelateerde nevenfuncties en zo ja, welke?
c. Wat kwalificeert u voor het uitbrengen van een expertiserapport in de onderhavige zaak? (te noemen zijn met name opleiding en professionele ervaring, meer in het bijzonder op het gebied van het plaatsen van traditionele en/of MOM-heupprothesen)
d. Heeft u in het verleden reeds als expertiserend deskundige opgetreden en zo ja, hoe vaak en in wiens opdracht? (met “in wiens opdracht” wordt bedoeld: in opdracht van de eisende partij, van de aangesproken partij of van de rechter; het is uiteraard niet nodig namen te noemen)
A2. Medisch wetenschappelijke opvattingen
a. Bestaan er over het onderwerp van de expertise medisch-wetenschappelijk uiteenlopende opvattingen?
Indien uw antwoord op vraag A2.a. bevestigend luidt:
Kunt u in hoofdlijnen uiteenzetten in welk opzicht de meningen uiteenlopen (voor zover mogelijk met verwijzing naar – bij het rapport te voegen – literatuur)?
Welke is uw eigen opvatting?
Kunt u aangeven of een deskundige met een andere opvatting in het onderhavige geval tot een ander oordeel zou kunnen komen dan waartoe u komt?
Als inderdaad een deskundige met een andere opvatting in het onderhavige geval tot een ander oordeel zou komen: kunt u aangeven wat dat oordeel zou kunnen zijn?
B. De expertise
B1. Algemene vragen met betrekking tot MOM-prothesen
- a.
Kunt u aangeven wanneer de MOM-prothese, respectievelijk de BHR-prothese, in Nederland is geïntroduceerd?
- b.
Welke problemen of nadelen van de toentertijd bestaande prothesen zouden volgens de producenten opgelost worden met de MOM-prothese in het algemeen en de BHR-prothese in het bijzonder?
- c.
Wat was binnen de beroepsgroep van orthopedisch chirurgen bekend omtrent de tests (t.a.v. kwaliteit, duurzaamheid etc.) die de producenten van de MOM-prothesen in het algemeen, en de onderhavige BHR-prothese in het bijzonder, ten aanzien van hun producten hebben uitgevoerd (of laten uitvoeren) voorafgaand aan de introductie daarvan op de markt? In hoeverre en vanaf welk moment waren de resultaten van deze tests binnen de beroepsgroep van orthopedisch chirurgen bekend?
- d.
Op welke wijze is de MOM-prothese in het algemeen, en de onderhavige BHR-prothese in het bijzonder, aan de beroepsgroep van orthopedisch chirurgen gepresenteerd? Kunt u aangeven voor welke groep patiënten genoemde prothesen waren bedoeld?
- e.
Kunt u aangeven of, en zo ja, vanaf welk moment, het binnen de beroepsgroep van orthopedisch chirurgen (in Nederland) niet langer geaccepteerd was om een MOM-prothese te plaatsen? Kunt u (in grote lijnen) aangeven hoe daarover door vakgenoten buiten Nederland wordt gedacht?
- f.
Is het binnen de beroepsgroep van orthopedisch chirurgen gebruikelijk (geworden) om na het plaatsen van een MOM-prothese de gehaltes chroom en/of kobalt in het bloed van de patiënt te meten? Zo ja:
- -
vanaf welk moment werd een dergelijke controle gebruikelijk?
- -
vanaf welk moment na het plaatsen van de prothese worden genoemde gehaltes gemeten, met welke frequentie en op welke manier?
Worden binnen de beroepsgroep van orthopedisch chirurgen grenswaarden gehanteerd voor het gehalte chroom en /of kobalt in het bloed? Zo ja, welke en vanaf welk moment? Zijn die grenswaarden in de loop van de tijd aangepast en zo ja, op welke manier en (telkens) vanaf welk moment?
B2. Vragen omtrent de situatie ten tijde van de operatie (oktober 2003)
- a.
Welke informatie was in oktober 2003 binnen de beroepsgroep van orthopedisch chirurgen beschikbaar omtrent eventuele risico’s met betrekking tot het gebruik van een MOM-prothese in het algemeen en de BHR-prothese in het bijzonder? Kunt u daarbij specifiek aangeven in hoeverre informatie beschikbaar was omtrent een (verhoogd) risico op (1) verhoogde chroom- en kobaltwaarden, (2) het ontstaan van pseudotumoren (3) metallose, (4) botnecrose, (5) weke delen-necrose en/of (6) ALTR.
- b.
Kunt u, indien u meent dat één of meerdere van de onder B2.a. genoemde risico’s in oktober 2003 binnen de beroepsgroep nog niet bekend was/waren, aangeven wanneer de betreffende risico’s - voor zover aanwezig - dan wél bekend zijn geworden?
- c.
Waren er in oktober 2003 binnen de beroepsgroep van orthopedisch chirurgen problemen bekend met de toen reeds bestaande alternatieven voor een MOM-prothese, die de MOM-prothese in het algemeen en de BHR-prothese in het bijzonder niet kennen, en zo ja, welke?
- d.
Wat was er destijds binnen de beroepsgroep bekend over de door de operateur te realiseren stand van de BHR-prothese en de mogelijke gevolgen van een afwijkende stand?
B3. Het ziektebeloop van de heer [verweerder sub 1]
- a.
Kunt u het ziektebeloop op uw vakgebied van [verweerder sub 1] tot op heden zo uitvoerig mogelijk schetsen? Kunt u aangeven welke onderzoeken zijn verricht, welke behandelingen – met welk resultaat – hebben plaatsgevonden en welke diagnose(n) u kunt stellen?
- b.
Wat is de oorzaak van de klachten en beperkingen die [verweerder sub 1] in de zomer van 2011 ondervond? Kunt u uw antwoorden toelichten en daarbij expliciet aangeven in hoeverre de ondervonden klachten verband houden/hielden met de toegepaste BHR-prothese dan wel in hoeverre daarvoor andere mogelijke oorzaken aanwijsbaar zijn?
- c.
Onderschrijft u de diagnose ALTR?
B4. De behandeling van de heer [verweerder sub 1] door [verzoeker]
a. Handelde [verzoeker] als redelijk bekwaam en redelijk handelend orthopedisch chirurg toen hij in oktober 2003 besloot een heupprothese van dit merk, model en type bij de heer [verweerder sub 1] te plaatsen? Zo ja, waarom, zo nee, waarom niet? Kunt u daarbij specifiek ingaan op:
- -
de persoonlijke situatie van de heer [verweerder sub 1];
- -
de informatie die destijds binnen de beroepsgroep van orthopedisch chirurgen bekend was over het risico van ALTR;
- -
de mogelijke alternatieven voor de toegepaste BHR-heupprothese;
- -
het feit dat de BHR-prothese in het buitenland nog steeds wordt toegepast.
Kunt u aangeven in hoeverre uit het medisch dossier van [verzoeker] omtrent de heer [verweerder sub 1] is af te leiden:
- -
op welke gronden in oktober 2003 is gekozen voor dit merk, model en type heupprothese?
- -
welke alternatieve behandelmethoden (zoals de traditionele heupprothese) voorafgaand aan de operatie met de heer [verweerder sub 1] zijn besproken?
- -
in hoeverre de heer [verweerder sub 1] voorafgaand aan de operatie is voorgelicht omtrent de mogelijk aan een BHR-prothese verbonden risico’s?
Heeft [verzoeker] de operatieve ingreep op 22 oktober 2003 uitgevoerd zoals destijds van een redelijk bekwaam en redelijk handelend orthopedisch chirurg in vergelijkbare situaties had mogen worden verwacht? Kunt u daarbij specifiek aandacht besteden aan de door [verzoeker] gerealiseerde stand van de prothese?
Indien u van mening bent dat [verzoeker] op enig moment voorafgaand aan, tijdens of na de operatie niet de zorgvuldigheid heeft betracht die van hem als redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mocht worden verwacht, kunt u dan gemotiveerd toelichten welk handelen had mogen worden verwacht en daarbij aangeven in hoeverre dat handelen het ontwikkelen van ALTR - voor zover daarvan sprake is - zou hebben voorkomen?
B5. De huidige stand van zaken
- a.
Kunt u een inventarisatie maken van de klachten en/of beperkingen welke [verweerder sub 1] thans op uw vakgebied ondervindt?
- b.
In hoeverre leveren deze klachten en/of beperkingen problemen op bij:
- -
het dagelijkse leven (ADL);
- -
hobby en recreatie;
- -
beroepsmatige werkzaamheden.
Kunt u de eventuele blijvende functionele invaliditeit op uw vakgebied uitdrukken in een percentage op basis van de meest recente AMA-Guides, zo mogelijk aangevuld met de richtlijnen van uw beroepsvereniging? Kunt u daarbij omschrijven en toelichten hoe het totale percentage is opgebouwd?
Kunt u aangeven hoe het antwoord op vraag B5.a, b en c naar redelijke verwachting zou luiden:
- -
indien - aangenomen dat u in het geval van de heer [verweerder sub 1] de diagnose ALTR onderschrijft - er geen ALTR zou zijn opgetreden?
- -
indien geen revisie-ingreep zou hebben plaatsgevonden?
Is er met betrekking tot de ALTR - zo daarvan sprake is - sprake van een medische eindtoestand? Als dat niet het geval is, kunt u dan aangeven of u een verbetering dan wel verslechtering verwacht en welke consequenties dit zal hebben voor het functieverlies dan wel de beperkingen als bedoeld in vraag B5.a en b?
2.5.
Betrokkenen worden in de gelegenheid gesteld op deze vragen bij brief te reageren. Indien bezwaren bestaan tegen (onderdelen van) deze vraagstelling, dan dient de betreffende betrokkene een alternatieve vraagstelling te formuleren en daarbij tevens aan te geven in hoeverre de geuite bezwaren worden gedeeld door de overige betrokkenen én in hoeverre over de voorgestelde alternatieve vraagstelling overeenstemming tussen betrokkenen bestaat.
2.6.
Voorts merkt de rechtbank op dat het haar voorkomt dat de vraagstelling breder is dan nodig voor de beoordeling van de zaak van [verweerder sub 1]. Betrokkenen dienen in hun schriftelijke reactie aan te geven of, en zo ja, in hoeverre, dit in hun ogen gevolgen zou moeten hebben voor (de verdeling van) de kosten van het deskundigenbericht en het te betalen voorschot.
De persoon van de deskundige:
2.7.
Voorts heeft de rechtbank ter zitting de bezwaren tegen de door [verzoeker] voorgestelde deskundige, [naam], met de betrokkenen besproken. [verweersters] hebben de volgende bezwaren aangevoerd, welke door [verweerder sub 1] worden onderschreven:
- -
[naam] heeft voor zover bekend geen ervaring met het plaatsen van (MOM-) resurfacing heupprothesen, waar het in deze zaak juist om gaat;
- -
[naam] heeft zich tot op heden eerder een tegenstander dan een voorstander getoond ten aanzien van de resurfacing-techniek. Dit blijkt uit zijn wetenschappelijke publicaties, uit het feit dat hij zelf geen MOM-prothesen plaatst en uit het feit dat hij zich in een ingezonden brief in het NRC Handelsblad kritisch heeft uitgelaten over de resultaten van resurfacing prothesen.
- -
[naam] heeft met [verzoeker] zitting in de NOV-commissie Taskforce Heup.
2.8.
De rechtbank deelt deze bezwaren en zal om die reden niet overgaan tot de benoeming van [naam] als deskundige in dezen. Betrokkenen zullen in de gelegenheid worden gesteld zich in hun schriftelijke reactie tevens nader uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige (-n). De rechtbank roept betrokkenen op hierover met elkaar in overleg te treden en zo mogelijk met een gezamenlijk voorstel te komen.
De verdere procedure:
2.9.
Nadat de rechtbank bij (latere) beschikking de te benoemen deskundige en de te stellen vragen heeft vastgesteld, zal aan die deskundige worden gevraagd allereerst enkel de hiervoor onder A geformuleerde vragen (de disclosure statement) te beantwoorden. Tenzij de antwoorden op de genoemde vragen aanleiding zouden geven tot een andere beslissing, zullen vervolgens ook de overige (zaak-inhoudelijke) vragen aan de deskundige worden voorgelegd.
2.10.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank,
3.1.
stelt partijen in de gelegenheid om binnen vier weken na heden bij brief te reageren op hetgeen hiervoor onder 2.5, 2.6 en 2.8 is vermeld;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr I.L.P. Crombeen en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2014.