Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/18.1:18.1 Inleiding
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/18.1
18.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940439:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover nader paragraaf 18.2.1 hierna.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 17 heb ik aan de hand van de onderzoeksvragen mijn conclusies op een rij gezet. Die conclusies zagen allereerst op de specifiek voor de fiscale bestuurlijke boete geldende bewijsregels die afwijken van de bewijsregels in de sfeer van de heffing. Vervolgens heb ik conclusies getrokken over de houdbaarheid van het nationale fiscaal-boeterechtelijke bewijsrecht in het licht van art. 6 EVRM. Deze conclusies gaven antwoord op de vraag in hoeverre het nationale fiscale bewijsrecht voor de fiscale bestuurlijke boete in overeenstemming is met art. 6 EVRM, en – in het bijzonder – in welke opzichten dat niet het geval is. De in dat kader gesignaleerde lacunes leggen bloot waar (en in welke richting) verbeteringen noodzakelijk zijn. In aansluiting op deze conclusies doe ik in dit hoofdstuk een reeks aanbevelingen ter adressering van de in mijn onderzoek gesignaleerde problemen en onduidelijkheden. Daarbij geef ik steeds concreet aan welke verbeteringen naar mijn mening noodzakelijk zijn om het huidige nationale bewijsrecht ten aanzien van de fiscale bestuurlijke boete in overeenstemming te brengen met de eisen van art. 6 EVRM. Hiermee beantwoord ik de vijfde onderzoeksvraag:
5. Welke verbeteringen zijn noodzakelijk om het bewijsrecht zoals dat naar nationaalrechtelijke maatstaven voor de fiscale bestuurlijke boete geldt, in overeenstemming te brengen met de eisen van art. 6 EVRM?
Daarnaast doe ik suggesties om andersoortige kwesties (die niet direct te maken hebben met de waarborgen van art. 6 EVRM) waar ik in het kader van dit onderzoek op ben gestuit, op te lossen.
Op het eerste gezicht lijkt het logisch om voor te stellen om de verbeteringen en suggesties zoveel mogelijk in wetgeving te verankeren. Toch geniet dat naar mijn mening niet altijd de voorkeur. Zo vind ik de vrije bewijsleer op zichzelf een groot goed en ben ik geen voorstander van een vergaande codificatie van bewijsregels. Dat leidt doorgaans alleen maar tot nieuwe interpretatiekwesties en discussies op de vierkante centimeter, terwijl de flexibiliteit van het stelsel van bewijsrecht en de speelruimte van de rechter binnen dat stelsel daardoor afnemen. Ten aanzien van de meeste kwesties meen ik daarom dat het verschaffen van duidelijkheid op de weg van de Hoge Raad ligt. Dat is ook in lijn met zijn taken op het terrein van de bevordering van de rechtsontwikkeling, de bewaking van de rechtseenheid en het bieden van adequate rechtsbescherming. Bovendien is een aanzienlijk deel van de gesignaleerde onduidelijkheden terug te voeren op de sterk casuïstische jurisprudentie van het EHRM. Ook vanuit dat perspectief geniet een nadere uitwerking door de Hoge Raad – die prejudiciële vragen aan het EHRM kan stellen1 – wat mij betreft de voorkeur boven een nadere uitwerking door de wetgever. Een nieuwe interpretatie van de jurisprudentie van het EHRM door de wetgever zal alleen maar nieuwe vragen oproepen, waarop het EHRM uiteindelijk toch het verlossende antwoord zal moeten geven. Bovendien kan de wetgever altijd nog ingrijpen als de uitwerking van de Hoge Raad ongewenst is. Na een arrest van de Hoge Raad zullen de buitengrenzen voor dat ingrijpen dan meteen duidelijk zijn.
In enkele principiële gevallen acht ik niettemin een expliciete standpuntbepaling van de wetgever onontbeerlijk. Dat geldt ook voor een aantal kwesties die niet zozeer de verhouding met de rechtsregels van art. 6 EVRM betreffen, maar binnen de nationale rechtsorde zijn gelegen.
De noodzakelijke verbeteringen en voorgestelde suggesties vertaal ik hierna in aanbevelingen. Soms richt ik die aanbeveling aan de Hoge Raad en soms aan de wetgever. Deze keuze berust deels op persoonlijke overtuigingen (die ik hierboven heb toegelicht) en is dus voor discussie vatbaar. Waar het mij uiteindelijk om gaat, is dat de probleemgebieden waarop het nationale fiscale bewijsrecht op het terrein van de fiscale bestuurlijke boete thans tekort schiet of niet eenduidig is, linksom of rechtsom worden aangepakt. Wie daartoe het initiatief neemt, is uiteindelijk minder van belang.
Bij de uitwerking van de aanbevelingen houd ik zoveel mogelijk de volgorde aan waarin ik de verschillende deelgebieden van het bewijsrecht in de voorgaande hoofdstukken heb behandeld. In de kopjes geef ik aan op welk deelgebied de aanbeveling betrekking heeft. Niet alle deelgebieden komen terug, omdat ik alleen aanbevelingen doe op de terreinen waarop de belangrijkste vraagstukken en problemen naar voren zijn gekomen.
Om van de lees- en vindbaarheid te vergroten, heb ik – net als in hoofdstuk 17 – in de lopende tekst soms bepaalde signaalwoorden gecursiveerd.