Het verzoekschrift is per fax ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 14 december 2011, derhalve binnen de in art. 351 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn van acht dagen.
HR, 13-04-2012, nr. 11/05511
ECLI:NL:HR:2012:BV9774
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
13-04-2012
- Zaaknummer
11/05511
- Conclusie
Mr. L. Timmerman
- LJN
BV9774
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2012:BV9774, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 13‑04‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BV9774
ECLI:NL:PHR:2012:BV9774, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 22‑02‑2012
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV9774
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑12‑2011
- Vindplaatsen
Uitspraak 13‑04‑2012
13 april 2012
Eerste Kamer
11/05511
RM/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. H. Oldenhof.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 399191/FT RK 11/1961 van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 september 2011;
b. het arrest in de zaak 200.094.540/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 6 december 2011.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en M.A. Loth, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 13 april 2012.
Conclusie 22‑02‑2012
Mr. L. Timmerman
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
verzoeker tot cassatie
1.
Op 19 juli 2011 heeft [verzoeker] bij de rechtbank 's‑Gravenhage een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend. Blijkens de verklaring ex art. 285 Fw bedraagt de totale schuldenlast € 10.569,13. De schulden komen voort uit ruim dertig boetes in verband met overlast als gevolg van drankmisbruik alsmede uit het niet betalen van ziektekostenpremies. De schulden zijn ontstaan toen [verzoeker] nog — tot circa april 2010 — in [plaats] woonde. Naar eigen zeggen verricht [verzoeker] thans met behoud van uitkering werk voor het Leger des Heils, drinkt hij niet meer dan vijf à zes biertjes per dag (wat heel veel minder is dan vroeger) en zijn er de laatste anderhalf jaar geen nieuwe schulden meer bijgekomen. Volgens zijn begeleidster, de aan het Leger des Heils verbonden [betrokkene 1], zit [verzoeker] in een traject bij het Leger des Heils dat ertoe moet leiden dat hij niet meer in de maatschappelijke opvang, doch zelfstandig (extra muraal) kan gaan wonen en dronk hij enige tijd in het geheel geen alcohol meer, maar is hij na het overlijden van familie recentelijk toch weer enige biertjes per dag gaan drinken.
2.
Het verzoek van [verzoeker] is in twee instanties afgewezen. De afwijzing is met name ingegeven — in de woorden van het hof bij arrest van 6 december 2011 — door de omstandigheid dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [verzoeker] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden onder controle heeft gekregen en dat thans onvoldoende aannemelijk is dat [verzoeker] over een langere periode in staat en bereid is om te voldoen aan de strenge eisen die de schuldsaneringsregeling meebrengt. Voorts overweegt (in elk geval) het hof dat de aard van de schulden impliceert dat zij niet te goeder trouw zijn ontstaan en dat onvoldoende aannemelijk is geworden hetzij dat [verzoeker] zich inspant om een betaalde baan te verkrijgen, hetzij dat geen arbeidsinspanning van hem kan worden gevergd. Zowel rechtbank als hof voegt hieraan toe dat de deur naar de schuldsaneringsregeling niet definitief dicht is. Het hof complimenteert [verzoeker] met het feit dat hij met behulp van professionele hulpverleners zijn leven op orde probeert te krijgen en dat hij al enige tijd geen nieuwe schulden meer lijkt te maken. Volgens het hof zou een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling op termijn meer kans van slagen kunnen hebben, namelijk als de positieve ontwikkelingen doorzetten en middels verklaringen van hulpverleners kan worden aangetoond dat de verslavingsprobleem voldoende onder controle zijn en hij laat zien dat hij zich inspant om betaalde arbeid te verkrijgen.
3.
Van 's hofs arrest is [verzoeker] tijdig, met twee middelen in cassatie gekomen.1. Middel I klaagt dat de Nederlandse faillissementsprocedure niet voldoet aan de eisen van art. 6 EVRM. Voor zover deze klacht niet specifiek is gericht tegen het voorliggende arrest en/of de in casu gevolgde procedure, mist de klacht zowel feitelijke grondslag als belang. Als ik het goed zie, poneert het middel met betrekking tot de onderhavige kwestie (alleen) de klacht dat het hof ten onrechte geen acht heeft geslagen op informatie van de ter zitting aanwezige hulpverlener van [verzoeker], [betrokkene 1], en dat daarom geen sprake is geweest van een eerlijk proces. De pijlen worden in het bijzonder gericht, zo begrijp ik de klacht, tegen 's hofs overwegingen dat ‘hiermee de problemen — en in het bijzonder het alcoholprobleem — voldoende onder controle zijn, is niet aannemelijk geworden. Er zijn geen verklaringen van hulpverleners, dan wel hulpverlenende instanties, waaruit blijkt dat reeds langere tijd sprake is van een stabiele situatie in positieve zin.’ Het onderdeel gaat m.i. uit van een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft niet geoordeeld dat er geen verklaringen van helpverleners waren, maar oordeelt dat uit de afgelegde verklaringen niet blijkt dat de problemen onder controle zijn en reeds langere tijd sprake is van een stabiele situatie in positieve zin. Het hof heeft derhalve acht geslagen op de door de hulpverlener verstrekte informatie; die informatie heeft het hof er alleen niet van kunnen overtuigen dat [verzoeker] klaar is voor de schuldsaneringsregeling. De klacht faalt dan ook.
4.
Middel II klaagt dat het hof geen, althans onvoldoende belangenafweging heeft gemaakt en ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule van art. 288 lid 3 Fw, althans dat het beroep daarop onvoldoende gemotiveerd is weerlegd. Aangevoerd wordt dat het hof onvoldoende acht heeft geslagen op de drastisch veranderde persoonlijke situatie van [verzoeker] (de verhuizing naar [plaats], het feit dat het inkomen wordt beheerd door een professionele instantie zijnde de Sociale Dienst, schulden maandelijks worden afgelost en de intensieve intramurale begeleiding door het Leger des Heils) en dat het hof dat deze omstandigheden, die volgens het middel nopen tot toepassing van de hardheidsclausule, onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen. Ook zou het hof onvoldoende acht hebben geslagen op het feit dat de schuldsaneringsregeling in oorsprong is bedoeld ‘voor de zwakkeren in de samenleving’.
5.
De in art. 288 lid 3 BW neergelegde hardheidsclausule is, zo blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis, in het bijzonder in het leven geroepen met oog op personen met psychosociale of verslavingsproblemen.2. De hardheidsclausule wil de deur tot de schuldsaneringsregeling openen voor schuldenaren die weliswaar niet te goeder trouw waren ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden, maar de problemen die ten grondslag lagen aan die schulden inmiddels onder controle hebben gekregen.3. De schuldenaar moet dat laatste aannemelijk maken:4.
‘Dat voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar die omstandigheden onder controle heeft gekregen, zal moeten blijken uit de door de schuldenaar getroffen maatregelen. De stabiele leefsituatie die noodzakelijk is voor het welslagen van de schuldsaneringsregeling, dient door die maatregelen gegarandeerd te zijn. Een drugs-, alcohol- of gokverslaving dient al enige tijd onder controle te zijn. Het moet gaan om objectiveerbare maatregelen: de schuldenaar dient zich onder deskundige begeleiding van bijvoorbeeld verslavingszorg of budgetbegeleiding gesteld te hebben, die ook tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling gehandhaafd zal blijven, zo lang dat nodig is.’
6.
Het hof heeft in het voorliggende geval onderzocht of [verzoeker] zijn problemen onder controle heeft gekregen en is tot de slotsom gekomen dat dat nog niet het geval is. Dat leidt het hof met name af uit het feit dat [verzoeker] zelf verklaart vijf à zes biertjes per dag te drinken en dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een stabiele situatie in positieve zin. Tegen deze achtergrond is 's hofs oordeel noch onbegrijpelijk, noch onjuist. De door [verzoeker] aangevoerde omstandigheden nopen in elk geval niet tot een ander oordeel.
7.
Ten overvloede wil ik nog benadrukken dat het hof, als gezegd, overweegt — in navolging van de rechtbank — dat hiermee de deur tot de schuldsaneringsregeling voor [verzoeker] geenszins voorgoed dicht is. Het hof overweegt:
‘Als deze wendingen ten goede doorzetten, [verzoeker] middels verklaringen van hulpverleners kan aantonen dat zijn verslavingsprobleem voldoende onder controle is en hij laat zien dat hij zich inspant betaalde arbeid te verkrijgen, zal een nieuw verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling op termijn meer kans van slagen hebben.’
8.
In gevallen als de onderhavige kan de rechter in verband met het bepaalde in art. 288 lid 2 onder d Fw er soms juist met oog op de belangen van de schuldenaar beter aan doen de schuldenaar de toegang tot de schuldsaneringsregeling vooralsnog te ontzeggen. Blijkens de zojuist geciteerde wetsgeschiedenis dient voor toepassing van de hardheidsclausule de stabiele leefsituatie die noodzakelijk is voor het welslagen van de schuldsaneringsregeling ‘gegarandeerd’ te zijn. Immers, als de kans niet gering is dat de schuldenaar niet zal kunnen voldoen aan de stringente verplichtingen die zijn verbonden aan de schuldsaneringsregeling, loopt de schuldenaar het risico dat de regeling tussentijds wordt beëindigd dan wel dat hem aan het einde van de rit de schone lei wordt onthouden, waarna op grond van art. 288 lid 2 onder d Fw de toegang tot de wettelijke schuldsanering gedurende maar liefst tien jaar is geblokkeerd.
9.
Ik concludeer tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Beroepschrift 14‑12‑2011
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
SECTOR CIVIEL RECHT (faillissementsgriffie)
CASSATIEVERZOEK
GEEFT EERBIEDIG TE KENNEN:
De heer [appellant], hierna verder te noemen ‘[appellant]’, geboren op [geboortedatum] 1958, wonende te [woonplaats], aan het adres [adres] ([postcode]), te dezer zake woonplaats kiezende te 's‑Gravenhage aan het adres Buitenhof 24 (2513 AG) ten kantore van de advocaat mr. H. Oldenhof, welke door [appellant] uitdrukkelijk gemachtigd is dit cassatieverzoek op te stellen, te ondertekenen en in te dienen.
Appellant stelt hierbij cassatie in tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's‑Gravenhage d.d. 6 december 2011, waarbij de toepassing van de WSNP-regeling is afgewezen.
Bij uitspraak van 20 september 2011 heeft de Rechtbank 's‑Gravenhage het door [appellant] ingediende verzoek tot toelating van de WSNP afgewezen. Het Gerechtshof te 's‑Gravenhage heeft de uitspraak van de Rechtbank 's‑Gravenhage bekrachtigd. [appellant] kan zich niet verenigen met het arrest van het Gerechtshof te 's‑Gravenhage d.d. 6 december 2011 (zaaknummer 200.094.540/01) en draagt de volgende middelen daartoe aan.
Middelen
Middel I Schending 6 EVRM
[appellant] is de mening toegedaan dat de Nederlandse faillissementsprocedure niet voldoet aan de eisen van een eerlijk proces voor de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen. Als tekortkomingen van de faillissementsprocedure zijn onder andere te noemen:
- —
de rechter maakt een summiere afweging in plaats van een gewogen
- —
er is geen (althans niet voldoende) gelegenheid voor hoor en wederhoor
- —
er is geen (althans niet voldoende) gelegenheid voor het horen van getuigen
- —
de termijnen voor beroep en cassatie doen te kort aan het recht van hoger beroep
- —
de uiterst beperkte mogelijkheden voor het verkrijgen van een toegevoegde advocaat
- —
de afwezigheid van een tolk/vertaler ingeval de ‘schuldenaar’ de Nederlandse taal niet, althans niet goed beheerst
1
Blijkens het arrest van het Gerechtshof 's‑Gravenhage wordt onder andere aangegeven dat er geen verklaring van hulpverleners zijn, waarmee kan worden aangetoond dat het verslavingsprobleem van [appellant] voldoende onder controle is.
2
Ter zitting van 29 november 2011 was de hulpverlener van [appellant], mevrouw [betrokkene 1], aanwezig om tekst en uitleg over de situatie te geven (en heeft dit gedaan).
3
Door geen acht te slaan op hetgeen door mevrouw [betrokkene 1] ter zitting naar voren is gebracht omtrent de situatie van [appellant], kan niet worden gezegd dat er afdoende gelegenheid is voor hoor en wederhoor en voor het horen van getuigen.
4
Door geen acht te slaan op de aanwezige hulpverlener, kan niet worden gezegd dat er sprake is geweest van een eerlijk proces. Immers, uit het arrest van het Gerechtshof volgt ook dat het Gerechtshof behoefte had aan nadere informatie van hulpverleners, terwijl die beschikbaar was.
Middel II Schending belangenafweging ex art. 288 lid 3 Fw
Het Gerechtshof 's‑Gravenhage heeft geen, althans onvoldoende, een belangenafweging gemaakt en ten onrechte geen toepassing gegeven aan de hardheidsclausule zoals neergelegd in artikel 288 lid 3 Fw, althans het beroep daarop onvoldoende gemotiveerd weerlegd.
1
Het Gerechtshof heeft overwogen dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden onder controle heeft gekregen en dat hij zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen.
2
In het arrest komt onvoldoende tot uitdrukking op welke gronden het Gerechtshof tot dit oordeel is gekomen. Het Gerechtshof heeft geen, althans onvoldoende, acht geslagen op de drastisch veranderde persoonlijke situatie van [appellant] (de verhuizing naar [plaats], het feit dat het inkomen wordt beheerd door een professionele instantie zijnde de Sociale Dienst, schulden maandelijks worden afgelost en de intensieve intramurale begeleiding door het Leger des Heils) en deze omstandigheden die nopen tot toepassing van de hardheidsclausule, onvoldoende gemotiveerd verworpen.
3
Dit, terwijl het Gerechtshof anderzijds wel aangeeft dat er wel sprake is van professionele hulp en dat er geruime tijd geen nieuwe schulden zijn gemaakt. [appellant] is de mening toegedaan dat de motivering dat er ‘op dit moment geen ruimte is voor de toepassing van de schuldsaneringsregeling’ te kort door de bocht is.
4
De schuldsaneringsregeling is in oorsprong bedoeld voor de zwakkeren in de samenleving. Zoals de bescherming van consumenten tegen opdringende kredietverschaffers met woekerrenten, mensen met labiel/ontoerekeningsvatbaar gedrag en zelfs als mogelijkheid om hopeloze (gok)verslaafden van uitzichtloze schulden af te helpen.
5
Het Gerechtshof heeft onvoldoende acht hierop geslagen. Daarmee is het arrest van het Gerechtshof in strijd met het recht, althans onbegrijpelijk gemotiveerd.
Conclusie
1
Het arrest van het Gerechtshof 's‑Gravenhage van 6 december 2011 dient te worden vernietigd met een zodanige uitspraak als de Hoge Raad juist acht.
2
Kosten rechtens.
's‑Gravenhage, 14 december 2011
Advocaat