De reikwijdte van medezeggenschap
Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/4.5.1:4.5.1 De structuurregeling
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/4.5.1
4.5.1 De structuurregeling
Documentgegevens:
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS390891:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Bartman en Dorresteijn wijzen er in dit kader terecht op dat de keuze voor een juridisch groepsbegrip – de afhankelijke maatschappij – zich niet goed verhoudt tot de achtergrond van de vrijstellingen S.M. Bartman, A.F.M. Dorresteijn, Van het concern, Deventer: Kluwer 2013, p. 132.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onverkorte toepassing van de structuurregeling in concernverhoudingen is bezwaarlijk. De structuurregeling doorbreekt immers de vennootschapsrechtelijke bevoegdheidsverdeling – en dit terwijl deze er juist in concernverhoudingen voor zorgt dat de moedervennootschap de eenheid van het concern kan bewaken. Ook valt onverkorte toepassing van de structuurregeling lastig te rijmen met de oorspronkelijke achtergrond ervan: het instellen van onafhankelijk toezicht bij grote BV’s en NV’s. De reden hiervoor is dat in deze vennootschappen de aandeelhouders te veel op afstand staan.
Het uitgangspunt is dat bij grote vennootschappen sprake is van separation of ownership and control. Binnen concerns zal de aandeelhouder (moedervennootschap) zich in het algemeen echter juist intensief bemoeien met het beleid van de vennootschap.1 Daarom is in de structuurregeling een vrijstelling opgenomen voor afhankelijke maatschappijen van structuurvennootschappen (art. 2:153/263 lid 3 sub a BW). De achtergrond van deze bepaling is dat de structuurregeling slechts op één niveau – het hoogste – hoeft te worden toegepast. Op deze manier wordt de eenheid van het concern niet aangetast en vindt medezeggenschap plaats op het niveau waar de daadwerkelijke beleidsbeslissingen worden genomen.
Wanneer de (tussen)holding de structuurregeling al dan niet verplicht toepast, zijn alle afhankelijke maatschappijen vervolgens vrijgesteld. Ter compensatie van het verlies aan (vennootschapsrechtelijke) medezeggenschap op dochterniveau wordt de medezeggenschap van de werknemers van de dochtervennootschappen toegerekend aan de moedervennootschap. Ex art. 2:158/268 lid 11 BW oefenen alle ondernemingsraden in een concern gezamenlijk het (versterkte) aanbevelingsrecht uit. Dit kan leiden tot competentieproblemen tussen de verschillende ondernemingsraden.
Indien een cor is ingesteld, oefent dit orgaan alle bevoegdheden op grond van art. art. 2:158/268 BW uit. Omdat de ondernemingsraden van het concern de medezeggenschapsbevoegdheden op basis van de structuurregeling uitoefenen op het niveau van de moedervennootschap, worden de medezeggenschapsrechten in beginsel niet beperkt. Medezeggenschap vindt juist plaats op het niveau waar de daadwerkelijke besluitvorming plaatsvindt, nu de besluitvorming op het niveau van de moedervennootschap zich immers in belangrijke mate zal uitstrekken over de dochtervennootschappen. De regeling doet hiermee recht aan het beginsel dat medezeggenschap de zeggenschapsverhoudingen volgt. Ook het goedkeuringsrecht van de RVC ziet op belangrijke beslissingen bij afhankelijke maatschappijen, zodat ook deze besluiten onderworpen zijn aan de (indirecte) vennootschapsrechtelijke medezeggenschap. Op alle niveaus wordt medezeggenschap uitgeoefend, maar er is geen contact tussen de RVC bij de moedermaatschappij en de or bij de dochtervennootschap, althans geen formeel contact gebaseerd op een wettelijke bepaling. Art. 24 WOR verplicht in concernverhoudingen immers slechts het bestuur van de moedermaatschappij te verschijnen op de overlegvergadering van art. 24 WOR. Mijns inziens is het wenselijk dat, bij afwezigheid van een cor, in geval van een vrijgestelde dochtervennootschap ook de RVC van de moedermaatschappij verschijnt op de overlegvergaderingen. De RVC van de moedermaatschappij kan op deze manier de or van de dochtervennootschap informeren over (het toezicht op) het concernbeleid.