Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/5.2.2
2.2 Verdeling (artikel 3:182 BW) en levering (artikel 3:186 BW)
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948113:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover uitvoerig Sikkema, Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018, p. 29-39.
Zie Parl. Gesch. Boek 3 BW (TM), p. 611 en Parl. Gesch. Boek 3 BW (MvA II), p. 612.
Zie paragraaf 4 hierna.
Zie voor een goede uiteenzetting van deze problematiek Heyman, Bartels & Tweehuysen, Vastgoedtransacties – Overdracht 2019/288-311. Deze uiteenzetting heeft mede de basis voor dit hoofdstuk gevormd.
De term ‘wegpoetsen’ is ontleend aan M.J.A. van Mourik, ‘Verdeling van een eenvoudige gemeenschap: de transformatie- en titelproblematiek’, WPNR 2018/7190, p. 314.
Zie paragraaf 4.2 hierna.
213. Hiervóór is aangegeven dat artikel 3:182 en 3:186 BW de aard en het rechtskarakter van de verdeling bepalen. Artikel 3:182 BW bepaalt welke rechtshandelingen als een verdeling kwalificeren. Het artikel bestaat uit twee volzinnen, waarbij de eerste volzin bepaalt welke rechtshandeling als een verdeling kwalificeert, en de tweede volzin bepaalde rechtshandelingen die onder de omschrijving van de eerste volzin vallen alsnog de kwalificatie van een verdeling onthoudt.1Artikel 3:182 BW bepaalt:
“Als een verdeling wordt aangemerkt iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten, hetzij in persoon, hetzij vertegenwoordigd, medewerken en krachtens welke een of meer van hen een of meer van hen een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen. De handeling is niet een verdeling, indien zij strekt tot nakoming van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld aan een of meer deelgenoten, die niet voortspruit uit een rechtshandeling als bedoeld in de vorige zin.”
Of sprake is van een verdeling staat niet ter vrije bepaling van partijen. Als de rechtshandeling die de deelgenoten verrichten aan de criteria van artikel 3:182 BW voldoet, is sprake van een verdeling, óók wanneer de deelgenoten zelf die rechtshandeling als een andersoortige rechtshandeling aanmerken (bijvoorbeeld een koop).2Artikel 3:186 BW bestaat uit twee leden. Het eerste lid bepaalt:
“Voor de overgang van het aan ieder der deelgenoten toegedeelde, is een levering vereist op dezelfde wijze als voor overdracht is voorgeschreven.”
Het tweede lid van artikel 3:186 BW luidt:
“Hetgeen een deelgenoot verkrijgt, houdt hij onder dezelfde titel als waaronder de deelgenoten dit tezamen vóór de verdeling hielden.”
Op de beide leden van artikel 3:186 BW zal in paragraaf 4 nog uitgebreid terug worden gekomen.
214. Artikel 3:182 en 3:186 lid 1 BW hebben reeds vanaf hun ontwerp vragen opgeroepen over het rechtskarakter en de gevolgen van de verdeling. Alhoewel de wetgever zijn best heeft gedaan om duidelijkheid te verschaffen, is hij daar niet echt in geslaagd. Tot op de dag van vandaag worden er dan ook verschillende opvattingen verdedigd over het rechtskarakter en de werking van de verdeling.3 Een belangrijk onderdeel van het verschil in opvatting betreft de vraag of de verdeling per saldo leidt tot een verkrijging van goederen uit handen van de gezamenlijke deelgenoten of dat de verdeling als een verkrijging uit handen van de gemeenschappelijke rechtsvoorganger van de deelgenoten moet worden gezien.4 Daarbij speelt met name artikel 3:186 BW een cruciale rol. Uit artikel 3:186 lid 1 BW lijkt te volgen dat de verkrijging krachtens verdeling een verkrijging krachtens levering op basis van een rechtsgeldige titel is. Die titel is dan de verdeling. Een verdeling is daarmee gelijk te stellen aan een overdracht (artikel 3:84 BW) en dus een verkrijging uit handen van de gezamenlijke deelgenoten zelf. Wat door het bepaalde in artikel 3:186 lid 1 BW een uitgemaakte zaak lijkt te zijn, trekt artikel 3:186 lid 2 BW echter weer in twijfel. Hetgeen een deelgenoot (door de verdeling en levering) verkrijgt ‘houdt’ hij op grond van artikel 3:186 lid 2 BW ‘onder dezelfde titel als waaronder de deelgenoten dit tezamen vóór de verdeling hielden’. Hieruit zou afgeleid kunnen worden dat de verkrijging krachtens verdeling als zelfstandige verkrijgingstitel ‘weggepoetst’ wordt, en dat de verkrijging krachtens verdeling per saldo als een voortzetting van de verkrijging uit handen van de gemeenschappelijke rechtsvoorganger van de deelgenoten moet worden beschouwd.5 Specifiek bij de verdeling van nalatenschappen zouden de bij de verdeling verkregen goederen dan niet uit handen van de gezamenlijke deelgenoten op grond van levering krachtens verdeling en levering worden verkregen, maar ‘krachtens erfrecht’, en dus uit handen van erflater. Het leveringsvereiste van artikel 3:186 lid 1 BW vormt in deze visie slechts een formaliteit, en bepaalt dus niet het rechtskarakter van de verkrijging krachtens verdeling.6