Einde inhoudsopgave
Faillissementspauliana, Insolvenzanfechtung & Transaction Avoidance in Insolvencies (R&P nr. InsR1) 2010/1.5.1
1.5.1 Respect voor het handelen van de schuldenaar
mr. R.J. de Weijs, datum 15-03-2010
- Datum
15-03-2010
- Auteur
mr. R.J. de Weijs
- JCDI
JCDI:ADS409034:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor het Nederlandse recht artikel 24 Fw.
Van der Feltz, Geschiedenis van de Wet op het Faillissement en de Surséance van Betaling, p. 433.
Zie over het belang voor natuurlijke personen van het kunnen verrichten van rechtshandelingen en daarmee het vorm en invulling geven aan zijn juridische persoon, B.C. van Beers, Persoon en lichaam in het recht. Menselijke waardigheid en zelfbeschikking in het tijdperk van de medische biotechnologie (diss. Amsterdam VU), Den Haag: BJu 2009, p. 624-630.
Een van de uitgangspunten in het insolventierecht is dat de schuldeisers het vermogen van de schuldenaar dienen te respecteren zoals zij dit aantreffen. Dit uitgangspunt brengt zowel rechten als verplichtingen voor de gezamenlijke schuldeisers met zich. Beschikkingshandelingen verricht na aanvang van formele insolventie kunnen niet meer tegen de boedel worden ingeroepen (tenzij de boedel daardoor is gebaat1). Anderzijds geldt de verplichting dat schuldeisers handelingen verricht voor de aanvang van formele insolventie in beginsel dienen te accepteren. Het gedwongen respecteren van het vermogen van de schuldenaar en de staat waarin deze het heeft gebracht is daarmee het uitgangspunt. De mogelijkheid om bepaalde rechtshandelingen aan te tasten is de uitzondering. De Nederlandse wetgever formuleert dit uitgangspunt als volgt:
`Daarnevens staat dit andere rechtsbeginsel dat een ieder volkomen tot handelen bevoegd is, en dat eene uitdrukkelijke wetsbepaling noodig is om iemand die bevoegdheid te ontzeggen of hem daarin in het een of ander opzicht te beperken.
Is bijgevolg een ieder, ook hij die schulden heeft, volkomen bevoegd naar goeddunken over zijn vermogen te beschikken en moet derhalve de toestand waarin de schuldenaar zijn vermogen, krachtens dat beschikkingsrecht, heeft gebracht, door zijne schuldeischers bij executie op de meest volstrekte wijze geëerbiedigd worden, aan den andere kant rust evenzeer op elken schuldenaar de plicht het onderpand zijner schuldeischers niet willens en wetens te hunnen nadeele te verminderen of weg te maken.'2
Het uitgangspunt dat schuldeisers het vermogen dienen te accepteren zoals zij dit aantreffen heeft een praktische en een ethische component. Het gaat hier om een zelfstandig uitgangspunt, dat los gezien kan worden van de beschermenswaardigheid van belangen van derden (zoals de belangen van de wederpartij). Vanuit praktisch oogpunt is het de eenvoudigste en simpelste regeling. Men moet ergens een streep trekken, en het eenvoudigst en minst voor discussie vatbaar is deze streep te trekken op de datum van insolventverklaring (al dan niet met terugwerkende kracht tot 0.00 uur).
Vooral bij insolventie van natuurlijke personen heeft het uitgangspunt dat partijen het vermogen van de schuldenaar dienen te respecteren zoals zij dit aantreffen ook een ethische component. Het faillissement is een algemeen verhaalsbeslag ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. Dit algemene verhaalsbeslag wordt gelegd omdat de schuldenaar, om wat voor reden dan ook, niet meer in staat is om zijn schuldeisers volledig te voldoen. Er bestaat geen rechtvaardiging om naar believen bepaalde transacties terug te draaien en andere in stand te laten. De insolventverklaring is geen vrijbrief om te oordelen dat de schuldenaar kennelijk geen gezond beheer kan voeren en dat daarmee al zijn transacties opnieuw overwogen kunnen worden.3 Bij rechtspersonen speelt de ethische component een veel beperktere rol. Daar overheerst het praktische aspect. Ook bij insolvente rechtspersonen geldt echter de overweging dat de staat waarin de schuldenaar zijn vermogen heeft gebracht, ook al is deze deplorabel en insolvent, gerespecteerd dient te worden. Uit het citaat als hiervoor weergegeven blijkt dat de wetgever in 1896 bij het formuleren van het uitgangspunt dat handelingen verricht door de schuldenaar in beginsel gerespecteerd dienen te worden, voornamelijk het oog heeft gehad op de ethische component. De wetgever maakt daarbij geen onderscheid tussen de schuldenaar/natuurlijk persoon en de schuldenaar/rechtspersoon.