De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/5.2.2:5.2.2 Toegevoegde waarde art. 1 EP
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/5.2.2
5.2.2 Toegevoegde waarde art. 1 EP
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS367277:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie het Ploeger Preadvies, p. 118 en 119.
Zie bijvoorbeeld de noot van Maeijer in de NJ bij de DSM-beschikking onder 6.
Zie ook hetgeen in par. 5.4.3.1 wordt opgemerkt over het expliciet maken van het proportionaliteitsoordeel.
Vgl. Ploeger Preadvies, p. 116 en 117. Vgl. de noot van Josephus Jitta bij JOR 2011/9 onder 7 en de noot van Doorman bij JOR 2011/115 onder 20-25.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Men kan zich de vraag stellen of we art. 1 EP wel nodig hebben. Gelden de drie voorwaarden die art. 1 EP stelt aan inmengingen van eigendom niet immers ook op basis van het commune Nederlandse recht, in dit geval het rechtspersonenrecht en enquêterecht? Het gaat toch om weinig opzienbarende voorwaarden, waarvan het – in ieder geval bij mij – verbazing zou wekken indien deze niet in acht genomen zouden hoeven worden in het rechtspersonenrecht en enquêterecht.
Ik mag inderdaad hopen dat het materieel geen verschil zou maken of art. 1 EP van toepassing is of niet. Het zou niet best zijn gesteld met onze rechtstaat indien het commune verbod van willekeur en de commune beginselen van rechtszekerheid, proportionaliteit en subsidiariteit een geringere mate van bescherming zouden bieden dan art. 1 EP die biedt. De invulling die aan deze beginselen wordt gegeven in de rechtspraak over art. 1 EP, lijkt mij nauwelijks voor redelijke discussie vatbaar, een enkele uitzondering daargelaten wellicht. Toch heeft het toegevoegde waarde om (onmiddellijke) voorzieningen te bezien vanuit art. 1 EP.
Ten eerste wordt daardoor duidelijk dat (in voorkomende gevallen) voor de ondernemingskamer en de Hoge Raad verdragsrechtelijke grenzen gelden bij het ontwikkelen en hanteren van het rechtspersonenrecht en het enquêterecht.1
Ten tweede kan de rechtspraak van het EHRM aangaande art. 1 EP dienen als een inspiratiebron voor rechtsontwikkeling van het rechtspersonenrecht, waaronder het enquêterecht. Er wordt van de ondernemingskamer wel eens gezegd dat zij zou doen aan vrijelijk vennootschapsrechtelijk pionieren.2 De rechtspraak van de ondernemingskamer geldt in ieder geval als één van de belangrijkste bronnen van rechtsontwikkeling op ondernemingsrechtelijk gebied. De ondernemingskamer begeeft zich derhalve met enige regelmaat op onbekend terrein. Het toetsingskader van art. 1 EP vormt in dat geval een gids en kwaliteitswaarborg. Daarbij dient echter wel voor ogen te worden gehouden dat art. 1 EP een beschermingsminimum biedt. Art. 1 EP kan dus geen reden zijn om een bepaalde vorm van bescherming niet te bieden, maar enkel om deze wel te bieden.
Het derde belang van art. 1 EP voor het enquêterecht is dat art. 1 EP dwingt om de economische consequenties van (onmiddellijke) voorzieningen onder ogen te zien. Het gaat daarbij niet alleen om het economische belang van het collectief zoals dat samenkomt in het belang van de vennootschap. Er dient tevens aandacht te zijn voor de economische belangen van alle individuen die worden getroffen door (onmiddellijke) voorzieningen.3 Aldus biedt art. 1 EP een nuttig tegenwicht in het enquêterecht waarin het belang van de rechtspersoon zo centraal staat.
Ten slotte legt het feit dat het recht op ongestoord genot van eigendom een mensenrecht is, een zeker gewicht in de schaal bij het maken van de afweging of een recht opzijgezet kan worden gezet of niet en zo ja, of zulks wel voldoende zorgvuldig geschiedt.4