Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/15.3
15.3 Overgang kwalitatieve rechten
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS299276:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 501.
Beversluis 2009, p. 91.
HR 20 april 2012, NJ 2012/292 (van der Vliet c.s./van den Berg). Dat zou ook vreemd zijn, omdat er veel kwalitatieve rechten bestaan die niet samenhangen met een registergoed.
Cahen 2004, p. 28–29; Beversluis 2009, p. 93–96.
Anders: Beversluis 2009, p. 95, die ervan uitgaat dat kwalitatieve rechten dan niet kunnen worden verkregen door de eigenaar van de hoofdzaak omdat aan hem geen overdracht heeft plaatsgevonden; zie daarover randnummer 701. Gaat men daarentegen ervan uit dat ook andere vormen van verkrijging onder bijzondere titel onder art. 6:251 BW vallen, dan kunnen kwalitatieve rechten ook worden verkregen door natrekking (art. 3:80 lid 3 BW). Natrekking is namelijk een wijze van verkrijging onder bijzondere titel; zie Asser/ Bartels, van Mierlo & Ploeger 2013, para. 200.
701. Om een kwalitatief recht te verkrijgen, is het nodig dat het goed waarmee het recht samenhangt onder bijzondere titel overgaat. Dat is een minder grote restrictie dan wellicht op het eerste gezicht lijkt. In de eerste plaats moet worden bedacht dat bij een overgang onder algemene titel kwalitatieve rechten evengoed aan de verkrijger toekomen, omdat zij deel uitmaken van het vermogen dat in zijn geheel (of in een gedeelte) overgaat. Daarnaast is overgang onder bijzondere titel een breed begrip, waaronder ook – bijvoorbeeld – de overgang van een vordering als gevolg van sub rogatie of contractsoverneming valt.1 In de literatuur is wel betoogd dat de toepassing van art. 6:251 BW beperkt dient te worden tot gevallen van overdracht van het goed waar het recht mee samenhangt.2 Als onderbouwing voor dit standpunt wordt verwezen naar art. 6:251 lid 4 BW, dat bepaalt: “Uit de rechtshandeling waarbij het goed wordt overgedragen, kan voortvloeien dat geen overgang plaatsvindt.” Mij lijkt het onnodig om de werking van kwalitatieve rechten te beperken tot gevallen van overdracht. Art. 6:251 lid 4 BW geeft wat mij betreft slechts een regel die par tijen in staat stelt om – waar zij een meerzijdige rechtshandeling sluiten over de overgang van het goed – iets over de overgang van het kwalitatieve recht af te spreken. Indien het goed niet overgaat als gevolg van een rechtshandeling maar, bijvoorbeeld, als gevolg van subrogatie, dan zou het zonde zijn om het nut dat in het kwalitatieve recht besloten ligt, teniet te laten gaan. De voormalig rechthebbende van het goed kan het kwalitatieve recht niet meer uitoefenen, omdat hij het goed niet meer heeft. Voor de verschaffer van het kwalitatieve recht geldt dat hij in een eerder stadium had kunnen uitsluiten dat het recht kwalitatief zou worden; wat dat betreft verandert er voor hem niets (zie paragraaf 15.6.2).
702. Is er sprake van een overgang onder bijzondere titel (en is aan de overige vereisten uit paragraaf 15.2 voldaan), dan verkrijgt de nieuwe recht-hebbende van het goed automatisch de daarmee samenhangende kwalitatieve rechten. Het is niet nodig om daarover iets in te schrijven in de open bare registers.3 Er gaat namelijk geen last over op de verkrijger van het goed (waar derden tegen gewaarschuwd zouden moeten worden), maar slechts een voordeel. In het geval iemand een goed overdraagt waar een kwalitatief recht mee samenhangt, dan zal de vervreemder het extra nut dat dat kwalitatieve recht biedt willen verzilveren en doorgaans de verkrijger informeren over het bestaan ervan (zie ook randnummer 227).
703. Is het goed eenmaal onder bijzondere titel verkregen, dan is het niet nodig dat het in dezelfde vorm blijft bestaan. Zo wordt aangenomen dat kwalitatieve rechten blijven bestaan als het goed waar ze mee samenhangen door bestanddeelvorming ophoudt te bestaan.4 Een voorbeeld daarvan is de garantie van een fabrikant voor het juist functioneren van een keuken die wordt ingebouwd in een woning. De reden waarom in zulke gevallen de kwalitatieve rechten blijven bestaan is mijns inziens gelegen in het feit dat – anders dan bij afhankelijke rechten – kwalitatieve rechten niet gekoppeld zijn aan een goed, maar aan een hoedanigheid. Degene die de hoedanigheid heeft van rechthebbende van een goed is alleen in strikt juridisch-technische zin geen eigenaar meer van een zaak die bestanddeel is geworden van een andere zaak die hem toekomt. Dat betekent echter niet dat hij materieel gezien het goed niet ‘behouden’ heeft; het maakt (als bestanddeel) nog steeds onderdeel uit van zijn vermogen. Daarom heeft hij ook nog steeds belang bij het uitoefenen van de kwalitatieve rechten die met het (inmiddels) bestanddeel samenhangen. Hetzelfde geldt overigens voor iemand die door natrekking eigenaar wordt van andermans zaak waar kwalitatieve rechten mee samenhangen.5 Het zou vanuit economisch oogpunt nadelig zijn om in dat geval de kwalitatieve rechten te laten vervallen; beter is het om het nut dat in deze rechten besloten ligt in stand te laten en daarmee het verhaalsvermogen voor een eventuele vordering uit ongerechtvaardigde verrijking zo groot mogelijk te maken.