Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/4.5.a
4.5.a Herstel in beroep
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS607105:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie omtrent equality of arms EHRM 7 juni 2011, nr. 39229/03 (Fyodorov & Fyodorova/ Oekraïne) (civiel); en duidelijker EHRM 11 mei 2000 (ontv.), nr. 35036/97 (Oates/Polen); en zie omtrent de onschuldpresumptie EHRM 26 maart 1982, nr. 8269/78 (Adolf/Oostenrijk).
EHRM 31 augustus 2004 (ontv.), nr. 410/02 (Johans/Finland); EHRM 19 september 2004 (ontv.), nr. 32447/02 (Pirinen/Finland); EHRM 2 september 2003 (ontv.), nr. 14180/03 (Ranson/Verenigd Koninkrijk); zie Kuijer 2004, p. 133-138.
EHRM 16 december 1992, nr. 13071/87 (Edwards/Verenigd Koninkrijk); EHRM 8 oktober 2002 (ontv.), nr. 44305/98 & 49150/99 (Snooks & Dowse/Verenigd Koninkrijk); EHRM 21 januari 2003 (ontv.), nr. 60590/00 (Mansell/Verenigd Koninkrijk); zie anders: EHRM 16 februari 2000, nr. 28901/95 (Rowe & Davis/Verenigd Koninkrijk).
EHRM 19 september 2004 (ontv.), nr. 32447/02 (Pirinen/Finland) (civiel); EHRM 22 maart 2005, nr. 46601/99 (M.S./Finland).
EHRM 14 november 2000, nr. 35115/97 (Riepan/Oostenrijk); herhaald in EHRM 10 december 2009, nr. 20437/05 (Shagin/Oekraine); EHRM 28 oktober 2010, nr. 14040/03 (Krestovskiy/Rusland); EHRM 2 oktober 2012, nr. 18498/04 (Khraborova/Rusland); zie ook EHRM 26 juli 2011, nr. 35485/05, 45553/05, 35680/05 & 36085/05 (Huseyn e.a./Azerbeidjan).
EHRM (GK) 15 december 2005, nr. 73797/01 (Kyprianou/Cyprus); EHRM 26 oktober 1984, nr. 9186/80 (De Cubber/Belgie); zie ook Goss 2014, p. 155.
EHRM 26 oktober 1984, nr. 9186/80 (De Cubber/Belgie); EHRM 26 februari 2002, nr. 38784/97 (Morris/Verenigd Koninkrijk); EHRM (GK) 15 december 2005, nr. 73797/01 (Kyprianou/Cyprus), onder verwijzing naar EHRM 27 januari 2004, nr. 73797/01 (Kyprianou/Cyprus).
EHRM (GK) 9 juni 1998, nr. 22678/93 (Incal/Turkije); EHRM (GK) 8 juli 1999, nr. 23168/ 94 (Karatas/Turkije); EHRM (GK) 8 juli 1999, nr. 24919/94 (Gerger/Turkije); EHRM (GK) 8 juli 1999, nr. 23927/94 & 24277/94 (Sürek & Özdemir/Turkije); zie verder onder meer EHRM 18 juli 2000, nr. 26680/95 (Şener/Turkije); EHRM 6 maart 2001, nr. 29851/96 (Mehdi Zana/Turkije); EHRM 2 september 2003 (ontv.), nr. 14180/03 (Ranson/Verenigd Koninkrijk); EHRM 31 augustus 2004 (ontv.), nr. 410/02 (Johans/Finland) (civiel); volgens één zaak lijkt herstel van een partijdigheidsprobleem in eerste aanleg zelfs onmogelijk, zie EHRM 25 februari 1997, nr. 22107/93 (Findlay/Verenigd Koninkrijk); zie ook Harris, O’Boyle e.a. 2014, p. 459-460; en Goss 2014, p. 156-159.
Zie over dit het aanwezigheidsrecht Trechsel 2005, p. 257-263; Van Dijk, Van Hoof e.a. 2006, p. 589-591; Harris, O’Boyle e.a. 2014, p. 410-412; Reid 2012, p. 211-214; uitgebreid Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg 1998, p. 5-24; Plaisier 1999, p. 57-97.
Zie voor deze overweging bijv. EHRM 18 mei 2004, nr. 67972/01 (Somogyi/Italië); EHRM (GK) 1 maart 2006, nr. 56581/00, NJ 2006/661, m.nt. Schalken (Sedjovic/Italië); EHRM 28 februari 2008, nr. 68020/01 (Demebukov/Bulgarije); EHRM 12 april 2012, nr. 18851/07 (Lagardère/Frankrijk); EHRM 12 februari 2015, nr. 66408/12 (Sanader/Kroatië).
In vier uitspraken laat het Hof overigens nog uitdrukkelijk open of waiver afdoet aan de plicht herberechting beschikbaar te stellen, zie EHRM 23 november 1993, nr. 14032/ 88, NJ 1994/393, m.nt. Knigge (Poitrimol/Frankrijk); EHRM 9 september 2003 (ontv.), nr. 30900/02 (Jones/Verenigd Koninkrijk); EHRM 24 maart 2005, nr. 9808/02 (Stoichkov/Bulgarije); EHRM 22 december 2009, nr. 5962/03 (Marenko/Rusland); deze rechtspraak moet waarschijnlijk als verouderd worden beschouwd, aldus kennelijk ook Harris, O’Boyle e.a. 2014, p. 412; zie nog anders Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg 1998, p. 23; Zie voorbeelden van (impliciete) afstand in EHRM 18 mei 2004, nr. 67972/01 (Somogyi/Italië); EHRM (GK) 1 maart 2006, nr. 56581/00, NJ 2006/661, m.nt. Schalken (Sedjovic/Italië); EHRM 8 oktober 2015, nr. 71872/12 (Aždajić/Slovenië); zie voorbeelden van ontduiking in EHRM 14 juni 2001, nr. 20491/92 (Medenica/Zwitserland); EHRM 28 februari 2008, nr. 68020/01 (Demebukov/Bulgarije); EHRM 21 januari 2014 (ontv.), nr. 26850/11 (Kattan/ Roemenië).
Zie bijv. EHRM 9 september 2003 (ontv.), nr. 30900/02 (Jones/Verenigd Koninkrijk); EHRM (GK) 1 maart 2006, nr. 56581/00 (Sejdovic/Italië); EHRM 30 juli 2009, nr. 20292/04 (Ananyev/Rusland); EHRM (GK) 22 mei 2012, nr. 5826/03, EHRC 2012/169, m.nt. Van der Velde (Idalov/Rusland); EHRM 15 januari 2015, nr. 14204/07 (Mihelj/Slovenië); aldus ook Keulen 2012a, p. 17.
Zie voor dit laatste expliciet EHRM 25 maart 2014, nr. 25714/05 (Stoyanov-Kobuladze/ Bulgarije).
EHRM 9 september 2003 (ontv.), nr. 30900/02 (Jones/Verenigd Koninkrijk); cassatie is dus onvoldoende, aldus ook Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg 1998, p. 23; anderzijds gaat het te ver te vereisen dat nieuw bewijs wordt aangedragen, zie EHRM 12 februari 2015, nr. 66408/12 (Sanader/Kroatië).
EHRM (GK) 22 mei 2012, nr. 5826/03, EHRC 2012/169, m.nt. Van der Velde (Idalov/ Rusland).
EHRM (GK) 1 maart 2006, nr. 56581/00, NJ 2006/661, m.nt. Schalken (Sedjovic/Italië); EHRM 28 februari 2008, nr. 68020/01 (Demebukov/Bulgarije); EHRM 12 februari 2015, nr. 66408/12 (Sanader/Kroatië).
EHRM 9 september 2003 (ontv.), nr. 30900/02 (Jones/Verenigd Koninkrijk); EHRM 22 december 2009, nr. 5962/03 (Marenko/Rusland); in bijzondere gevallen ligt dit wellicht anders, bijv. als ook het recht om getuigen te ondervragen in het geding is, zie EHRM 6 oktober 2015, nr. 4941/07 (Coniac/Roemenië), met verwijzing naar EHRM 8 maart 2007, nr. 53897/00 (Dănilă/Roemenië) en EHRM 26 juni 2012, nr. 26082/05 (Găitănaru/Roemenië).
EHRM (GK) 22 mei 2012, nr. 5826/03, EHRC 2012/169, m.nt. Van der Velde (Idalov/ Rusland); EHRM 13 februari 2014, nr. 31379/10 (Petrina/Kroatië); zie ook EHRM 6 oktober 2015, nr. 4941/07 (Coniac/Roemenië), vgl. Keulen 2012b, p. 12-13.
In slechts enkele gevallen vindt herstel in beroep reeds plaats doordat in beroep wél een eerder geschonden eerlijk-procesvereiste wordt nageleefd, maar doorgaans is meer vereist.1 Volgens het EHRM is het “well established in the Court’s case law that a defect at first instance may be remedied on appeal, so long as the appeal body has full jurisdiction”.2 Herstel in beroep vergt dus een beroepsgerecht met ‘volledige rechtsbevoegdheid’. Voorbeelden hiervan bieden zaken tegen het Verenigd Koninkrijk waarin in eerste aanleg (ontlastend) bewijsmateriaal door het openbaar ministerie is achter gehouden. Geen schending van artikel 6 EVRM werd vastgesteld in de zaken waarin in appel het proces-verbaal uit eerste aanleg en het achtergehouden bewijs in aanwezigheid van de verdachte en zijn advocaten alsnog grondig werden onderzocht.3 Uit andere uitspraken blijkt dat de “reviewing court” niet alleen de bezwaren van de verdachte moet kunnen beoordelen, “but [also must have] the ability to quash the impugned decision and either to take the decision itself, or to remit the case for a new decision by an impartial body”.4 Al met al is voor herstel niet zozeer herberechting nodig, maar lijkt inhoudelijke, feitelijke en juridische controle van een zekere intensiteit en omvang voldoende.
Als het gaat om andere deelrechten uit artikel 6 EVRM moet voor herstel de bestreden uitspraak wél daadwerkelijk worden vernietigd en dient vervolgens een retrial of rehearing plaats te vinden. In bijvoorbeeld de zaak Riepan/Oostenrijk overwoog het EHRM omtrent het vereiste van een openbare zitting dat “given the possible detrimental effects that the lack of a public hearing before the trial court could have on the fairness of the proceedings, the absence of publicity could not in any event be remedied by anything other than a complete rehearing before the appellate court. However, an examination of the facts of the present case reveals that the review carried out by the Linz Court of Appeal did not have the requisite scope. It is true that the appellate court could review the case as regards questions of law and fact and could reassess the sentence. However, apart from questioning the applicant, the court did not take any evidence, and in particular did not rehear the witnesses. It is of little importance that the applicant did not request a rehearing of the witnesses. […] Secondly, it is for the courts to secure the accused’s right to have evidence adduced at a public hearing.”5 In andere zaken legt het EHRM de nadruk erop dat de rechter in beroep de bestreden uitspraak daadwerkelijk had moeten vernietigen, namelijk als sprake is van afhankelijkheid of partijdigheid.6 Intussen is juist wat de eisen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid betreft niet helemaal duidelijk of voor herstel een retrial nodig is, of dat controle met full jurisdiction volstaat. In sommige zaken wordt het één vereist,7 in andere zaken is het ander voldoende.8
Duidelijker ligt het indien de verdachte niet bij de berechting in eerste aanleg aanwezig was.9 Vaste rechtspraak hierover houdt in dat berechting en veroordeling in absentia in beginsel toelaatbaar is, maar toch een schending van artikel 6 EVRM oplevert indien niet de verdachte niet van het veroordelende gerecht een “fresh determination of the merits of the charge, in respect of both law and fact” kan verkrijgen, behoudens afstand van het aanwezigheidsrecht of aanwijzingen voor ontvluchting van de procedure.10 / 11 Het EHRM aanvaardt ook dat herberechting van de beschuldiging in beroep plaatsvindt, mits de verdachte natuurlijk bij de berechting in beroep aanwezig mag zijn. In de woorden van het Hof: “The proceedings as a whole may be said to have been fair if the defendant was allowed to appeal against the conviction in absentia and entitled to attend the hearing in the court of appeal entailing the possibility of a fresh factual and legal determination of the criminal charge.”12 Voor een geldige fresh determination moeten in elk geval zowel feitelijke als juridische kwesties aan de orde kunnen komen, ter zake van zowel de schuldvaststelling als sanctiebepaling.13 Voorts moet de mogelijkheid bestaan dat nieuw aangedragen bewijs wordt beoordeeld.14 Het enkel controleren van het reeds bestaande bewijs (review) is niet voldoende om van herberechting te kunnen spreken. Daarvoor moet daadwerkelijke herbeoordeling van de criminal charge kunnen plaatsvinden (re-examination,15retrial of new trial).16
In procedureel opzicht is hierbij van belang dat in een verzetsprocedure doorgaans ambtshalve een herberechting plaatsvindt – dat is nu eenmaal het karakter van dit rechtsmiddel. Als de verdachte daarentegen tegen een verstekvonnis in beroep gaat, lijkt ambtshalve fresh determination in beroep niet altijd verplicht.17 Naast het (geldig) instellen van beroep mag van de verdachte dus worden gevergd dat hij om intensieve herberechting verzoekt. Als in beroep niet aan de eisen van herberechting kan worden voldaan, bijvoorbeeld omdat onderzoekbevoegdheden ontbreken, dan is verder voldoende dat de berechting wordt verwezen voor een hearing de novo naar een gerecht dat wel tot herberechting in staat is.18