Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/14.7
14.7 Fundamentele rechten in de EU
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS453384:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Aanvankelijk was dat anders. De Europese samenwerking was vooral economisch getint. Van aandacht voor fundamentele rechten was niet of nauwelijks sprake. Dit was deels ook ideologisch geïnspireerd: een eigen grondrechtencatalogus zou de samenwerking te zeer statelijke kenmerken geven, hetgeen bij de oprichting van de Europese Gemeenschappen reden was dat achterwege te laten. Zie nader R. Barents, Het Verdrag van Lissabon. Achtergronden en commentaar (serie Europa in beeld, deel 1), Deventer: Kluwer 2008, p. 513-539 en R. Schütze, European Constitutional Law, Cambridge: Cambridge University Press 2012, p. 411-412.
Zie R. Barents, Het Verdrag van Lissabon. Achtergronden en commentaar (serie Europa in beeld, deel 1), Deventer: Kluwer 2008, p. 513.
Binnen de Europese Unie spelen fundamentele rechten inmiddels een belangrijke rol.1 De centrale bepaling in dat verband is artikel 6 VEU. Het systeem van grondrechtenbescherming in de EU bestaat uit drie onderdelen.2Artikel 6, eerste lid, VEU bepaalt ten eerste dat de Unie de rechten, vrijheden en beginselen van het Handvest van de grondrechten erkent en schakelt het in rechtskracht gelijk met de Verdragen. In artikel 6, tweede lid, VEU is verder een verplichting voor de Unie opgenomen om toe te treden tot het EVRM. Ten slotte bepaalt artikel 6, derde lid, VEU dat de grondrechten, zoals gewaarborgd in het EVRM en voortvloeiend uit de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben, als algemene beginselen deel uit maken van het Unierecht.
Een uitgebreidere bespreking van het systeem van bescherming van fundamentele rechten zal plaatshebben in het volgende hoofdstuk dat handelt over maatregelen ter bevordering van het onderling vertrouwen, die gezamenlijk de ‘vertrouwensagenda’ van de EU kunnen worden genoemd. Voor de werking van het vertrouwensbeginsel is vooral relevant welke meerwaarde deze grondrechtencatalogus heeft ten opzichte van met name het EVRM. Biedt het Handvest aanvullende rechtsbescherming? Heeft toetreding van de Unie tot het EVRM meerwaarde in concrete gevallen van samenwerking? Deze vragen zullen later worden uitgediept. Voor zover dat zo blijkt te zijn, wordt het niveau van grondrechtenbescherming hierdoor omhooggetild en dat kan het onderling vertrouwen bevorderen. Daarnaast kan relevant zijn dat van de toepassing van bijvoorbeeld het Handvest via de beantwoording van prejudiciële vragen door het Hof van Justitie een sterker uniformerende werking uitgaat, dan van de beoordeling van een concrete casus door het EHRM. Die beoordeling door het EHRM is vaak sterk toegespitst op de individuele casus en bij de vraag of sprake is van een schending worden alle omstandigheden meegewogen. Het Hof van Justitie beantwoordt prejudiciële vragen, uiteraard afhankelijk van de precieze formulering daarvan, vaak veel eenduidiger; een bepaald onderdeel van de nationale wetgeving op toepassing daarvan is dan niet verenigbaar met het EU-recht. Waar het bij jurisprudentie van het EHRM vaak de vraag is of een bepaald arrest gewezen in een zaak tegen een andere staat, betekenis heeft voor Nederland, is dat bij jurisprudentie van het Hof van Justitie in veel gevallen aanstonds duidelijk (al kan dan nog wel een vertaalslag nodig zijn). Op die manier kan de grondrechtenbescherming in EU-verband toch meerwaarde hebben, ook al zou het Handvest inhoudelijk geen hoger beschermingsniveau bieden.