NJ 1958/371
De beraadslaging bedoeld in art. 425 (onder 2°) Sv. heeft alleen betrekking op hetgeen is genoemd in de artt. 348 en 350 Sv., zodat Rb. in h. b. onderzoek naar de vraag, of stempelvonnis op regelmatige wijze werd gewezen of gewezen mocht worden, niet achterwege mocht laten.
HR 12-11-1957, ECLI:NL:HR:1957:27, m.nt. Prof. Mr. B.V.A. Röling
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12 november 1957
- Magistraten
Mrs. van der Meulen, Feber [Rapp.], Westerouen van Meeteren, Kazemier, Dubbink
- Zaaknummer
[12111957/NJ_1958-371]
- Conclusie
Mr. Loeff
- Noot
Prof. Mr. B.V.A. Röling
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS137428:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1957:27, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑11‑1957
- Wetingang
Essentie
De beraadslaging bedoeld in art. 425 (onder 2°) Sv. heeft alleen betrekking op hetgeen is genoemd in de artt. 348 en 350 Sv., zodat Rb. in h. b. onderzoek naar de vraag, of stempelvonnis op regelmatige wijze werd gewezen of gewezen mocht worden, niet achterwege mocht laten.
Samenvatting
Aan voormelde overweging van de Rb. (zie arrest, Red.) ligt de gedachte ten grondslag dat, indien een uitspraak van een Kantonr. is aangetekend op de wijze als in art. 398, tweede lid, Sv. aangegeven, een onderzoek naar de vraag of zodanige uitspraak op regelmatige wijze werd gegeven of mocht worden ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.