Procestaal: Pools.
HvJ EU, 25-11-2025, nr. C-713/23
ECLI:EU:C:2025:917
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
25-11-2025
- Magistraten
K. Lenaerts, T. von Danwitz, F. Biltgen, K. Jürimäe, C. Lycourgos, J. Passer, O. Spineanu-Matei, S. Rodin, E. Regan, D. Gratsias, M. Gavalec, Z. Csehi, N. Fenger
- Zaaknummer
C-713/23
- Conclusie
J. Richard de la Tour
- Roepnaam
Wojewoda Mazowiecki
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:917, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 25‑11‑2025
ECLI:EU:C:2025:235, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 03‑04‑2025
Uitspraak 25‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Burgerschap van de Unie — Artikelen 20 en 21 VWEU — Artikelen 7 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven — Burgers van de Unie van hetzelfde geslacht die een huwelijk zijn aangegaan tijdens de uitoefening van dit recht — Verplichting van de lidstaat van oorsprong om het huwelijk te erkennen en over te schrijven in het register van de burgerlijke stand — Nationale regeling die een dergelijke erkenning en overschrijving verbiedt op grond dat het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht niet is toegestaan
K. Lenaerts, T. von Danwitz, F. Biltgen, K. Jürimäe, C. Lycourgos, J. Passer, O. Spineanu-Matei, S. Rodin, E. Regan, D. Gratsias, M. Gavalec, Z. Csehi, N. Fenger
Partij(en)
In zaak C-713/23,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Naczelny Sąd Administracyjny (hoogste bestuursrechter, Polen) bij beslissing van 8 november 2023, ingekomen bij het Hof op 23 november 2023, in de procedure
Jakub Cupriak-Trojan,
Mateusz Trojan
tegen
Wojewoda Mazowiecki,
in tegenwoordigheid van:
Prokurator Prokuratury Okręgowej w Warszawie,
Prokurator Regionalny w Warszawie,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, T. von Danwitz, vicepresident, F. Biltgen, K. Jürimäe (rapporteur), C. Lycourgos, J. Passer en O. Spineanu-Matei, kamerpresidenten, S. Rodin, E. Regan, D. Gratsias, M. Gavalec, Z. Csehi en N. Fenger, rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: M. Siekierzyńska, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 3 december 2024,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Jakub Cupriak-Trojan en Mateusz Trojan, vertegenwoordigd door P. Knut, A. Kula en A. Mazurczak, adwokaci,
- —
Wojewoda Mazowiecki, vertegenwoordigd door K. Płowucha, radca prawny,
- —
Prokurator Prokuratury Okręgowej w Warszawie, vertegenwoordigd door M. Gawarecka en M. B. Nowak,
- —
Prokurator Regionalny w Warszawie, vertegenwoordigd door M. Adamajtys en H. Więckowska,
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna, M. Malczewska en A. Siwek-Ślusarek als gemachtigden,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en R. Kanitz als gemachtigden,
- —
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Pérez-Zurita Gutiérrez en A. Torró Molés als gemachtigden,
- —
de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door Zs. Biró-Tóth en M. Z. Fehér als gemachtigden,
- —
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en A. Hanje als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Hottiaux en E. Montaguti als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 april 2025,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 20, lid 2, onder a), en artikel 21, lid 1, VWEU, gelezen in het licht van artikel 7 en artikel 21, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) en artikel 2, punt 2, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004, L 158, blz. 77, met rectificatie in PB 2004, L 229, blz. 35).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Jakub Cupriak-Trojan en Mateusz Trojan (hierna samen: ‘echtgenoten in het hoofdgeding’) en de Wojewoda Mazowiecki (woiwode van Mazovië, Polen) over een verzoek tot erkenning en overschrijving van hun Duitse huwelijksakte in het Poolse register van de burgerlijke stand.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
VEU en VWEU
3
Artikel 4, lid 2, VEU luidt als volgt:
‘De [Europese] Unie eerbiedigt de gelijkheid van de lidstaten voor de Verdragen, alsmede hun nationale identiteit die besloten ligt in hun politieke en constitutionele basisstructuren, waaronder die voor regionaal en lokaal zelfbestuur. Zij eerbiedigt de essentiële staatsfuncties, met name de verdediging van de territoriale integriteit van de staat, de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de nationale veiligheid. Met name de nationale veiligheid blijft uitsluitend de verantwoordelijkheid van elke lidstaat.’
4
Artikel 20 VWEU bepaalt het volgende:
- ‘1.
Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan.
- 2.
De burgers van de Unie genieten de rechten en hebben de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald. Zij hebben, onder andere,
- a)
het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven;
[…]
Deze rechten worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen welke bij de Verdragen en de maatregelen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.’
5
Artikel 21, lid 1, VWEU luidt:
‘Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.’
Handvest
6
Artikel 7 van het Handvest, met het opschrift ‘De eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven’, bepaalt:
‘Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie.’
7
Artikel 9 van het Handvest, met het opschrift ‘Het recht te huwen en het recht een gezin te stichten’, luidt:
‘Het recht te huwen en het recht een gezin te stichten worden gewaarborgd volgens de nationale wetten die de uitoefening van deze rechten beheersen.’
8
Artikel 21 van het Handvest, met het opschrift ‘Non-discriminatie’, bepaalt in lid 1:
‘Iedere discriminatie, met name op grond van […] seksuele gerichtheid, is verboden.’
Richtlijn 2004/38
9
Volgens artikel 1, onder a), van richtlijn 2004/38 betreft deze richtlijn onder meer de voorwaarden voor uitoefening van het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten door burgers van de Unie en hun familieleden.
10
Artikel 2, punt 2, van deze richtlijn definieert het begrip ‘familielid’ voor de toepassing van deze richtlijn. Overeenkomstig artikel 2, punt 2, onder a), valt onder ‘familielid’ ook ‘de echtgenoot’.
Pools recht
Grondwet
11
Artikel 18 van de Konstytucja Rzeczypospolitej Polskiej (grondwet van de Republiek Polen; hierna: ‘grondwet’) luidt als volgt:
‘De Republiek Polen beschermt het huwelijk als de verbintenis tussen een vrouw en een man, het gezin, het moederschap en de hoedanigheid van ouder.’
12
Artikel 47 van de grondwet bepaalt:
‘Eenieder heeft recht op rechtsbescherming van zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn waardigheid en zijn reputatie, en heeft het recht om over zijn privéleven te beslissen.’
Wetboek familierecht
13
Artikel 1, lid 1, van de ustawa — Kodeks rodzinny i opiekuńczy (wetboek familierecht) van 25 februari 1964 (Dz. U. nr. 9, volgnr. 59), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt:
‘Het huwelijk wordt gesloten wanneer een man en een vrouw die gelijktijdig aanwezig zijn, voor het hoofd van het bureau van de burgerlijke stand verklaren dat zij in de echt verbonden willen worden.’
Wet betreffende de akten van de burgerlijke stand
14
Artikel 3 van de ustawa — Prawo o aktach stanu cywilnego (wet betreffende de akten van de burgerlijke stand) van 28 november 2014 (Dz. U. volgnr. 1741), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: ‘wet betreffende de akten van de burgerlijke stand’), luidt als volgt:
‘Akten van de burgerlijke stand vormen het enige bewijs van de daarin vastgestelde feiten; de onjuistheid ervan kan enkel in het kader van een gerechtelijke procedure worden aangetoond.’
15
Artikel 104 van deze wet bepaalt het volgende:
- ‘1.
Een buitenlands document van de burgerlijke stand dat het bewijs vormt van een gebeurtenis en de registratie ervan, kan worden overgeschreven in het register van de burgerlijke stand.
- 2.
De overschrijving bestaat in een getrouwe en letterlijke overdracht van de inhoud van het buitenlandse document van de burgerlijke stand, zowel op taalkundig als op formeel vlak, zonder enige wijziging van de schrijfwijze van de voor- en achternamen van de personen die in het buitenlandse document van de burgerlijke stand worden genoemd.
[…]
- 5.
De overschrijving is verplicht wanneer een Pools staatsburger op wie een buitenlands document van de burgerlijke stand betrekking heeft, houder is van een in de Republiek Polen opgestelde akte van de burgerlijke stand waarin eerdere gebeurtenissen zijn vastgesteld, en deze burger verzoekt om uitvoering van een maatregel met betrekking tot de burgerlijke stand of om een Pools identiteitsbewijs of een PESEL-nummer [(identificatienummer van natuurlijke personen met de Poolse nationaliteit)].
[…]’
16
In artikel 105, lid 1, van die wet is bepaald:
‘De inhoud van het buitenlandse document van de burgerlijke stand wordt door middel van een materieel-technische handeling overgedragen in het register van de burgerlijke stand; de overschrijving wordt vermeld in de akte van de burgerlijke stand.’
17
Artikel 107 van die wet luidt als volgt:
‘Het hoofd van de burgerlijke stand weigert de overschrijving te verrichten in het geval dat:
[…]
- 3)
de overschrijving in strijd zou zijn met de fundamentele beginselen van de rechtsorde van de Republiek Polen.’
Wet op het internationaal privaatrecht
18
Artikel 7 van de ustawa — Prawo prywatne międzynarodowe (wet op het internationaal privaatrecht) van 4 februari 2011 (Dz. U. nr. 80, volgnr. 432), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt:
‘Buitenlands recht wordt niet toegepast indien dit gevolgen zou hebben die in strijd zijn met de fundamentele beginselen van de rechtsorde van de Republiek Polen.’
Wetboek van burgerlijke rechtsvordering
19
Artikel 1138 van de ustawa — Kodeks postępowania cywilnego (wetboek van burgerlijke rechtsvordering) van 17 november 1964 (Dz. U. nr. 43, volgnr. 296), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt:
‘Een buitenlands openbaar document heeft dezelfde bewijskracht als een Pools openbaar document. […]’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
20
Jakub Cupriak-Trojan, die de Poolse en de Duitse nationaliteit heeft, en Mateusz Trojan, die de Poolse nationaliteit bezit, zijn op 6 juni 2018 in Berlijn (Duitsland) in het huwelijk getreden. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat zij ten tijde van de indiening van het verzoek om een prejudiciële beslissing in Duitsland verbleven, maar naar Polen wilden reizen en daar als echtpaar wilden verblijven.
21
Ter gelegenheid van hun huwelijk heeft Cupriak-Trojan de familienaam van Trojan als tweede deel toegevoegd aan zijn eigen familienaam. Op verzoek van Cupriak-Trojan heeft de Kierownik Urzędu Stanu Cywilnego m.st. Warszawy (hoofd van de burgerlijke stand Warschau, Polen) een besluit genomen waarbij zijn familienaam ook in Polen op dezelfde wijze is gewijzigd.
22
Cupriak-Trojan heeft het hoofd van de burgerlijke stand van Warschau tevens verzocht om overschrijving van de Duitse huwelijksakte in het Poolse register van de burgerlijke stand. Bij besluit van 8 augustus 2019 werd dit verzoek afgewezen op grond dat het Poolse recht niet voorziet in het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht en dat de overschrijving van een dergelijke buitenlandse huwelijksakte bijgevolg in strijd zou zijn met de fundamentele beginselen van de Poolse rechtsorde.
23
De echtgenoten in het hoofdgeding zijn tegen dit besluit opgekomen bij de woiwode van Mazovië. De woiwode heeft dit besluit bevestigd en heeft tevens vastgesteld dat de Duitse huwelijksakte en het Poolse equivalent daarvan naar hun vorm tegenstrijdig waren. Volgens deze autoriteit moest het hoofd van het bureau van de burgerlijke stand van Warschau bij overschrijving van de Duitse huwelijksakte de voor- en achternamen van de twee mannen inschrijven, waarbij de gegevens van een van hen onder de rubriek ‘vrouw’ zouden worden vermeld. Aangezien het huwelijk in Polen enkel kan worden voltrokken tussen een man en een vrouw, zou het echter onwettig zijn om de gegevens van beide mannen in de akten van de burgerlijke stand over te schrijven als echtgenoten, niettegenstaande de vermelding van de verschillende rubrieken in het model van de akte.
24
De echtgenoten in het hoofdgeding hebben tegen het besluit van de woiwode van Mazovië beroep ingesteld bij de Wojewódzki Sąd Administracyjny w Warszawie (bestuursrechter in eerste aanleg Warschau, Polen), waarbij zij met name hebben aangevoerd dat de in artikel 18 van de grondwet neergelegde verplichting om het huwelijk te beschermen als de verbintenis tussen een vrouw en een man, niet tot gevolg heeft dat geen akte mag worden genomen van een in het buitenland gesloten huwelijk tussen twee personen van hetzelfde geslacht.
25
Bij uitspraak van 1 juli 2020 heeft deze rechter dit beroep verworpen, met name op grond dat de overschrijving van een huwelijksakte als in het hoofdgeding in strijd is met de fundamentele beginselen van de Poolse rechtsorde, in de zin van artikel 107, punt 3, van de wet betreffende de akten van de burgerlijke stand. De redenering volgen van de echtgenoten in het hoofdgeding zou er immers toe leiden dat in de nationale rechtsorde huwelijken tussen een vrouw en een man en huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht naast elkaar kunnen bestaan, hetgeen niet is opgenomen in de grondwet noch in de nationale wetten, met name in het wetboek familierecht, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie. Deze rechter was tevens van oordeel dat de weigering tot overschrijving van een dergelijke huwelijksakte niet in strijd is met de artikelen 8 en 14 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), gelezen in samenhang met artikel 12 ervan, noch met artikel 21, lid 1, VWEU. Het hoofdgeding betreft namelijk een kwestie met betrekking tot de burgerlijke staat die geen verband houdt met het recht om op het grondgebied van een lidstaat te reizen en te verblijven.
26
De echtgenoten in het hoofdgeding hebben daarop cassatieberoep tegen deze beslissing ingesteld bij de Naczelny Sąd Administracyjny (hoogste bestuursrechter, Polen), de verwijzende rechter. Zij zijn van mening dat de weigering om hun huwelijk te erkennen een onevenredige beperking vormt van hun recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, vanwege het feit dat hun burgerlijke staat in Polen en in Duitsland anders wordt beoordeeld. Dit zou hen ontmoedigen, of zelfs verhinderen, om van deze vrijheid van verkeer gebruik te maken. In het bijzonder zou het vooruitzicht om onder verschillende vormen van de burgerlijke staat samen te wonen — namelijk als gehuwden in Duitsland en als ongehuwden in Polen — en om in Polen niet hetzelfde privéleven en familie- en gezinsleven te kunnen voortzetten als in Duitsland, hen ervan kunnen weerhouden op het grondgebied van de Republiek Polen te verblijven.
27
28
Deze rechter wijst erop dat in Polen de overschrijving van een buitenlands document van de burgerlijke stand bestaat in een getrouwe en letterlijke overdracht van de inhoud van dit document, zowel op taalkundig als op formeel vlak, zonder enige wijziging van de schrijfwijze van de voor- en achternamen van de personen die in dat document worden genoemd. De inhoud ervan wordt door middel van een materieel-technische handeling overgedragen in het register van de burgerlijke stand en de overschrijving wordt vermeld in de akte van de burgerlijke stand. Uit die overschrijving vloeit een Poolse akte van de burgerlijke stand voort die ‘losstaat’ van de oorspronkelijke akte waarin de gebeurtenis is vastgesteld, en waarvan het verdere lot in de Poolse rechtsorde niet afhangt van het lot van de buitenlandse akte. Overeenkomstig artikel 3 van de wet betreffende de akten van de burgerlijke stand heeft de overschrijving van een buitenlandse akte van de burgerlijke stand als rechtstreeks rechtsgevolg dat een Poolse akte van de burgerlijke stand wordt gecreëerd die dezelfde bewijskracht heeft als in Polen opgestelde akten van de burgerlijke stand.
29
De verwijzende rechter merkt op dat de vragen inzake de burgerlijke stand en de daarmee verband houdende regels inzake het huwelijk aangelegenheden zijn die onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen. Hij vraagt zich echter af of het verschil tussen de in Duitsland geldende regels en die welke gelden in Polen niet tot gevolg heeft dat afbreuk wordt gedaan aan de vrijheid van iedere burger van de Unie om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven.
30
In dit verband benadrukt de verwijzende rechter, onder verwijzing naar het arrest van 24 november 2016, Parris (C-443/15, EU:C:2016:897, punt 59), dat de lidstaten over een beoordelingsvrijheid beschikken om al dan niet het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht in hun rechtsorde in te voeren. Volgens de rechtspraak van het Hof dienen de lidstaten bij de uitoefening van hun bevoegdheden evenwel het Unierecht in acht te nemen, en met name het recht op vrij verkeer en verblijf.
31
Volgens de rechtspraak van het Hof die voortvloeit uit de arresten van 5 juni 2018, Coman e.a. (C-673/16, EU:C:2018:385), en 14 december 2021, Stolichna obshtina, rayon ‘Pancharevo’ (C-490/20, EU:C:2021:1008), omvatten de rechten die onderdanen van de lidstaten krachtens het Unierecht genieten ook het recht om zowel in het gastland als in de lidstaat waarvan zij de nationaliteit bezitten, wanneer zij naar deze lidstaat terugkeren, een normaal gezinsleven te leiden, samen met hun familieleden. Bijgevolg stelt de verwijzende rechter zich met name vragen over de beperking van het recht van de echtgenoten in het hoofdgeding om als echtpaar een gezinsleven te leiden in de lidstaat waarvan zij de nationaliteit bezitten, in casu in Polen, en om de daaraan verbonden rechten te genieten.
32
Dienaangaande merkt de verwijzende rechter op dat, volgens de nationale rechtspraak, het Unierecht tot op heden niet voorziet in een absolute verplichting om in andere lidstaten opgestelde akten van de burgerlijke stand, waaronder het huwelijk, over te schrijven in het nationale register van de burgerlijke stand, en dat de weigering tot overschrijving van een buitenlands document van de burgerlijke stand kan worden gerechtvaardigd door de toepassing van artikel 107, punt 3, van de wet betreffende de akten van de burgerlijke stand. De nationale rechterlijke instanties hebben tevens geoordeeld dat de invoering van het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht in de Poolse rechtsorde door middel van een overschrijving in het register van de burgerlijke stand vragen kan doen rijzen over de mogelijkheid om een dergelijke verbintenis gelijk te stellen met het huwelijk als bedoeld in het Poolse burgerlijk recht. De verwijzende rechter merkt evenwel ook op dat de nationale rechterlijke instanties deze kwesties nog niet nauwkeurig hebben onderzocht in het kader van het recht van vrij verkeer en verblijf, gelet op de in artikel 7 en artikel 21, lid 1, van het Handvest neergelegde grondrechten.
33
In dit verband haalt de verwijzende rechter de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) aan over de juridische erkenning van verbintenissen tussen personen van hetzelfde geslacht, met name in het kader van het in artikel 8 EVRM neergelegde recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven.
34
De verwijzende rechter brengt twee hypothesen voor de beslechting van het hoofdgeding ter sprake, waarvan de eerste hypothese zijn voorkeur heeft. Volgens die eerste hypothese kan het gerechtvaardigd zijn om artikel 20, lid 2, onder a), en artikel 21, lid 1, VWEU aldus uit te leggen dat een weigering tot overschrijving zoals die in het hoofdgeding neerkomt op schending door de betrokken lidstaat van het recht van burgers van de Unie om een gezinsleven te leiden als echtpaar, van wie de huwelijksakte is overgeschreven in het register van de burgerlijke stand van een andere lidstaat, en ook wijst op discriminatie op grond van geslacht en seksuele gerichtheid. Hieruit volgt dat deze weigering die personen belet hun recht om vrij op het grondgebied van die lidstaat te reizen en te verblijven volledig uit te oefenen.
35
Volgens de tweede hypothese kunnen deze twee bepalingen aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een weigering tot overschrijving als die in het hoofdgeding, aangezien deze weigering de burgers van de Unie niet het recht ontneemt om vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaat die een dergelijke overschrijving heeft geweigerd. In casu heeft een buitenlands overheidsdocument van de burgerlijke stand dat in een andere lidstaat is afgegeven, waaronder een document dat een huwelijk vaststelt, dezelfde bewijskracht als de overheidsdocumenten die door de Poolse autoriteiten zijn afgegeven. Voor het gebruik van een dergelijk in een andere lidstaat opgesteld overheidsdocument gelden geen andere beperkingen dan de verplichting om het document in de nationale taal te vertalen.
36
In die omstandigheden heeft de Naczelny Sąd Administracyjny de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moeten artikel 20, lid 2, onder a), en artikel 21, lid 1, VWEU, gelezen in samenhang met artikel 7 en artikel 21, lid 1, van het [Handvest] en met artikel 2, punt 2, van richtlijn [2004/38] aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat de bevoegde autoriteiten van een lidstaat waarvan een burger van de Unie de nationaliteit bezit, welke burger met een andere burger van de Unie (een persoon van hetzelfde geslacht) in een andere lidstaat in het huwelijk is getreden overeenkomstig de wetgeving van die staat, kunnen weigeren de huwelijksakte te erkennen en over te schrijven in het nationale register van de burgerlijke stand en aldus kunnen verhinderen dat die personen in die staat kunnen verblijven in die burgerlijke staat en onder dezelfde familienaam, omdat het recht van het gastland niet in een huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht voorziet?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
37
Vooraf moet worden vastgesteld dat de prejudiciële vraag betrekking heeft op de artikelen 20 en 21 VWEU, gelezen in het licht van het Handvest en artikel 2, punt 2, van richtlijn 2004/38. Het hoofdgeding betreft het verzoek van de echtgenoten in het hoofdgeding om de Duitse huwelijksakte te laten overschrijven in het Poolse register van de burgerlijke stand teneinde als echtpaar te worden erkend in Polen, de lidstaat waarvan zij de nationaliteit hebben. Het voorwerp van dit geding valt dus niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2004/38, die uitsluitend de voorwaarden regelt voor binnenkomst en verblijf van een burger van de Unie in andere lidstaten dan de lidstaat waarvan hij de nationaliteit heeft (zie in die zin arrest van 5 juni 2018, Coman e.a., C-673/16, EU:C:2018:385, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38
In deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 20 en artikel 21, lid 1, VWEU, gelezen in het licht van artikel 7 en artikel 21, lid 1, van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de regeling van een lidstaat volgens welke het huwelijk tussen twee onderdanen van die lidstaat van hetzelfde geslacht, dat zij tijdens de uitoefening van hun recht van vrij verkeer en verblijf wettig hebben gesloten in een andere lidstaat waarin zij een gezinsleven hebben opgebouwd of bestendigd, niet kan worden erkend en de huwelijksakte niet kan worden overgeschreven in het register van de burgerlijke stand van de eerstbedoelde lidstaat op grond dat het recht van die lidstaat zich verzet tegen het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht.
39
Opgemerkt zij dat Cupriak-Trojan, die zowel de Poolse als de Duitse nationaliteit heeft, en Trojan, als Pools onderdaan, beide krachtens artikel 20, lid 1, VWEU de hoedanigheid van burger van de Unie hebben.
40
De hoedanigheid van burger van de Unie vormt de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten [arresten van 20 september 2001, Grzelczyk, C-184/99, EU:C:2001:458, punt 31, en 29 april 2025, Commissie/Malta (Staatsburgerschap door investeringen), C-181/23, EU:C:2025:283, punt 92].
41
Artikel 20, lid 2, VWEU en de artikelen 21 en 22 VWEU verbinden een reeks rechten aan die hoedanigheid. Overeenkomstig artikel 20, lid 2, onder a), en artikel 21, lid 1, VWEU verleent het Unieburgerschap iedere burger van de Unie, binnen de beperkingen van het VWEU en de maatregelen tot uitvoering daarvan, met name een fundamenteel en persoonlijk recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten (arresten van 7 oktober 2010, Lassal, C-162/09, EU:C:2010:592, punt 29; 13 september 2016, Rendón Marín, C-165/14, EU:C:2016:675, punt 70, en 4 oktober 2024, Mirin, C-4/23, EU:C:2024:845, punt 52).
42
Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof kan een onderdaan van een lidstaat die in zijn hoedanigheid van burger van de Unie heeft gebruikgemaakt van zijn vrijheid om naar een andere lidstaat dan zijn lidstaat van oorsprong te reizen en daar te verblijven, zich beroepen op de aan die hoedanigheid verbonden rechten, met name op die waarin artikel 21, lid 1, VWEU voorziet, in voorkomend geval ook ten opzichte van zijn lidstaat van oorsprong (arresten van 23 oktober 2007, Morgan en Bucher, C-11/06 en C-12/06, EU:C:2007:626, punt 22, en 5 juni 2018, Coman e.a., C-673/16, EU:C:2018:385, punt 31).
43
De rechten die onderdanen van de lidstaten krachtens die bepaling genieten, omvatten ook het recht om zowel in het gastland als in de lidstaat waarvan zij de nationaliteit bezitten, wanneer zij naar deze lidstaat terugkeren, een normaal gezinsleven te leiden, samen met hun familieleden, met inbegrip van hun echtgenoot (zie in die zin arresten van 14 november 2017, Lounes, C-165/16, EU:C:2017:862, punt 52, en 5 juni 2018, Coman e.a., C-673/16, EU:C:2018:385, punten 32 en 34).
44
In dit verband heeft het Hof, wat betreft familieleden van een burger van de Unie die derdelanders zijn, reeds geoordeeld dat wanneer een burger van de Unie een gezinsleven heeft opgebouwd of bestendigd tijdens een daadwerkelijk verblijf krachtens en onder eerbiediging van de voorwaarden van richtlijn 2004/38, in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, de nuttige werking van de rechten die de betrokken burger van de Unie aan artikel 21, lid 1, VWEU ontleent, vereist dat het gezinsleven dat deze burger in die lidstaat heeft geleid, kan worden voortgezet bij diens terugkeer in de lidstaat van zijn nationaliteit, hetgeen met name inhoudt dat laatstgenoemde lidstaat een afgeleid verblijfsrecht moet toekennen aan het betrokken familielid dat derdelander is. Zonder een dergelijk afgeleid verblijfsrecht zou deze burger van de Unie er immers van kunnen worden weerhouden de lidstaat van zijn nationaliteit te verlaten om krachtens artikel 21, lid 1, VWEU zijn recht uit te oefenen om in een andere lidstaat te verblijven of na de uitoefening van dit recht terug te keren naar zijn lidstaat van oorsprong, omdat hij niet de zekerheid heeft dat hij in zijn lidstaat van oorsprong het gezinsleven dat hij in het gastland heeft opgebouwd of bestendigd, kan voortzetten (zie in die zin arresten van 11 december 2007, Eind, C-291/05, EU:C:2007:771, punten 35 en 36, en 12 maart 2014, O. en B., C-456/12, EU:C:2014:135, punt 54).
45
Het Hof heeft met name reeds vastgesteld dat er sprake is van een dergelijke verplichting tot toekenning van een afgeleid verblijfsrecht aan de echtgenoot van een burger van de Unie, in een situatie waarin deze echtgenoot een derdelander was van hetzelfde geslacht als de burger van de Unie en het huwelijk met deze laatste in het gastland wettig was gesloten (zie in die zin arrest van 5 juni 2018, Coman e.a., C-673/16, EU:C:2018:385, punten 53 en 56).
46
Met betrekking tot de situatie van twee burgers van de Unie die, zoals in het hoofdgeding, in het gastland samenleven en daar overeenkomstig het recht van die lidstaat een huwelijk hebben gesloten, vereist de nuttige werking van de rechten die deze burgers aan artikel 21, lid 1, VWEU ontlenen a fortiori dat deze burgers de zekerheid kunnen hebben dat zij in de lidstaat van oorsprong het gezinsleven dat zij in het gastland hebben opgebouwd of bestendigd, met name door hun huwelijk, kunnen voortzetten.
47
Bij de huidige stand van het Unierecht behoren de regels inzake het huwelijk weliswaar tot de bevoegdheid van de lidstaten en laat het Unierecht deze bevoegdheid onverlet. Het staat deze lidstaten dus vrij om in hun nationale recht al dan niet te voorzien in het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht (zie in die zin arresten van 5 juni 2018, Coman e.a., C-673/16, EU:C:2018:385, punt 37, en 14 december 2021, Stolichna obshtina, rayon ‘Pancharevo’, C-490/20, EU:C:2021:1008, punt 52).
48
Evenwel moet elke lidstaat bij de uitoefening van die bevoegdheid het Unierecht in acht nemen en, in het bijzonder, de bepalingen van het VWEU betreffende de vrijheid van elke burger van de Unie om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, door daartoe de burgerlijke staat van personen te erkennen die in een andere lidstaat overeenkomstig het recht van die lidstaat is vastgesteld (arresten van 14 december 2021, Stolichna obshtina, rayon ‘Pancharevo’, C-490/20, EU:C:2021:1008, punt 52, en 4 oktober 2024, Mirin, C-4/23, EU:C:2024:845, punt 53).
49
In casu komt uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens naar voren dat de echtgenoten in het hoofdgeding de Poolse autoriteiten verzoeken om het huwelijk dat zij in de uitoefening van hun recht van vrij verkeer en verblijf in Duitsland hebben gesloten, over te schrijven in het Poolse register van de burgerlijke stand met het oog op de erkenning van dit huwelijk in Polen. Dit verzoek werd afgewezen op grond dat het Poolse recht het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht verbiedt en volgens dat recht een dergelijke overschrijving dus niet mogelijk is.
50
De verwijzende rechter heeft twijfels over de gevolgen van een dergelijke weigering voor de mogelijkheid van deze echtgenoten om in Polen het gezinsleven voort te zetten dat in Duitsland is opgebouwd of bestendigd door hun huwelijk. In dit verband en onder voorbehoud van verificatie door deze rechter, hebben die echtgenoten in hun bij het Hof ingediende opmerkingen verduidelijkt dat, gedurende een bepaalde periode waarin Trojan in Polen woonde en werkte, Cupriak-Trojan werkloos was en niet was verzekerd onder de openbare ziektekostenverzekering, terwijl hij wel zou zijn verzekerd indien de gevolgen van hun huwelijk in Polen waren erkend. Evenzo werd het verzoek om de familienaam van Cupriak-Trojan voor een van zijn onroerende goederen bij te werken in het kadaster door een Poolse rechter toegestaan, maar voor een ander onroerend goed door een andere Poolse rechter afgewezen, op grond dat de huwelijksakte van personen van hetzelfde geslacht niet werd aanvaard als grondslag voor een dergelijk verzoek.
51
Dienaangaande moet worden vastgesteld dat de weigering door de autoriteiten van een lidstaat waarvan twee burgers van de Unie van hetzelfde geslacht de nationaliteit hebben, om het huwelijk te erkennen dat zij overeenkomstig de daartoe vastgestelde procedures wettig hebben gesloten in een andere lidstaat, op het grondgebied waarvan deze burgers van de Unie gebruik hebben gemaakt van hun recht om er vrij te reizen en te verblijven, een belemmering kan vormen voor de uitoefening van het in artikel 21 VWEU vervatte recht, aangezien een dergelijke weigering voor hen kan leiden tot ernstige administratieve, professionele en persoonlijke ongemakken (zie naar analogie arrest van 4 oktober 2024, Mirin, C-4/23, EU:C:2024:845, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52
In het bijzonder staat een dergelijke weigering eraan in de weg dat die burgers van de Unie, die tijdens hun verblijf in het gastland een gezinsleven hebben opgebouwd of bestendigd door daar te wonen als echtpaar, dit gezinsleven voortzetten met deze zekere juridische staat die aan derden kan worden tegengeworpen, en worden zij door die weigering gedwongen om na hun terugkeer naar hun lidstaat van oorsprong samen te wonen als ongehuwden.
53
Wanneer dit huwelijk niet wordt erkend in de lidstaat van oorsprong, bestaat er dan ook een concreet risico dat die burgers bij hun terugkeer naar die lidstaat ernstig worden belemmerd in de organisatie van hun gezinsleven, aangezien zij zich voor tal van handelingen in het dagelijkse leven, zowel in de publieke als in de privésfeer, niet kunnen beroepen op hun huwelijkse staat, die nochtans wettig is vastgesteld in het gastland.
54
Hieruit volgt dat de weigering door de autoriteiten van een lidstaat om het huwelijk te erkennen dat twee burgers van de Unie van hetzelfde geslacht hebben gesloten tijdens hun verblijf in een andere lidstaat, een belemmering vormt voor de uitoefening van hun in artikel 21, lid 1, VWEU vervatte recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven. Een dergelijke weigering heeft immers tot gevolg dat die Unieburgers de mogelijkheid wordt ontnomen om terug te keren naar de lidstaat waarvan zij onderdaan zijn en daar het in het gastland opgebouwde of bestendigde gezinsleven voort te zetten.
55
Volgens vaste rechtspraak kan een belemmering van het vrije verkeer van personen die, zoals in het hoofdgeding, geen verband houdt met de nationaliteit van de betrokken personen, evenwel worden gerechtvaardigd indien zij is gebaseerd op objectieve overwegingen van algemeen belang en evenredig is aan het door het nationale recht rechtmatig nagestreefde doel (arrest van 5 juni 2018, Coman e.a., C-673/16, EU:C:2018:385, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Wanneer een maatregel van een lidstaat die een door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheid beperkt, gerechtvaardigd is door een door het Unierecht erkende dwingende reden van algemeen belang, moet een dergelijke maatregel bovendien worden geacht het recht van de Unie ten uitvoer te brengen in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, zodat hij in overeenstemming moet zijn met de in het Handvest neergelegde grondrechten (zie in die zin arresten van 30 april 2014, Pfleger e.a., C-390/12, EU:C:2014:281, punt 36, en 10 juli 2025, INTERZERO e.a., C-254/23, EU:C:2025:569, punt 105).
56
Blijkens de rechtspraak van het Hof is een maatregel evenredig wanneer hij geschikt is om het nagestreefde doel te verwezenlijken en niet verder gaat dan nodig is om dat doel te bereiken (arrest van 5 juni 2018, Coman e.a., C-673/16, EU:C:2018:385, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bovendien kan een doelstelling van algemeen belang niet worden nagestreefd zonder rekening te houden met het feit dat deze doelstelling moet worden verzoend met de door de maatregel aangetaste grondrechten, zulks via een evenwichtige afweging tussen deze doelstelling en de op het spel staande rechten, om ervoor te zorgen dat de door die maatregel berokkende nadelen niet onevenredig zijn aan de nagestreefde doelen [arresten van 22 november 2022, Luxembourg Business Registers, C-37/20 en C-601/20, EU:C:2022:912, punt 64; 23 maart 2023, Generalstaatsanwaltschaft Bamberg (Uitzondering op het beginsel ne bis in idem), C-365/21, EU:C:2023:236, punt 59, en 10 juli 2025, INTERZERO e.a., C-254/23, EU:C:2025:569, punt 109].
57
In casu blijkt uit de opmerkingen van de verwijzende rechter dat het verzoek van de echtgenoten in het hoofdgeding om het in Duitsland gesloten huwelijk over te schrijven in het Poolse register van de burgerlijke stand met het oog op de erkenning van dit huwelijk in Polen, is afgewezen op grond dat het Poolse recht het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht verbiedt en dat een dergelijke overschrijving bijgevolg in strijd zou zijn met de fundamentele beginselen van de Poolse rechtsorde.
58
In dit verband zij eraan herinnerd dat de Unie krachtens artikel 4, lid 2, VEU verplicht is de nationale identiteit van haar lidstaten, die besloten ligt in hun politieke en constitutionele basisstructuren, te eerbiedigen (arrest van 5 juni 2018, Coman e.a., C-673/16, EU:C:2018:385, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
59
Bovendien worden volgens artikel 9 van het Handvest het recht te huwen en het recht een gezin te stichten gewaarborgd volgens de nationale wetten die de uitoefening van deze rechten beheersen.
60
Voorts heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat het begrip ‘openbare orde’, wanneer het moet dienen als rechtvaardiging voor een afwijking van een fundamentele vrijheid, strikt dient te worden opgevat, zodat de draagwijdte ervan niet zonder controle van de instellingen van de Unie door elk van de lidstaten eenzijdig kan worden bepaald. De openbare orde kan bijgevolg slechts worden aangevoerd in geval van een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel maatschappelijk belang (arrest van 5 juni 2018, Coman e.a., C-673/16, EU:C:2018:385, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61
De verplichting voor de lidstaat van oorsprong om een huwelijk tussen burgers van de Unie van hetzelfde geslacht dat in het gastland is gesloten tijdens de uitoefening van hun recht van vrij verkeer en verblijf, te erkennen teneinde hen in staat te stellen terug te keren naar de lidstaat waarvan zij onderdaan zijn en daar hun gezinsleven voort te zetten met behoud van hun in het gastland wettig vastgestelde huwelijkse staat, doet geen afbreuk aan het in het nationale recht van de lidstaat van oorsprong omschreven instituut van het huwelijk, dat — zoals in punt 47 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht — behoort tot de bevoegdheid van de lidstaten. Deze verplichting betekent namelijk niet dat de lidstaat van oorsprong het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht in zijn wetgeving moet opnemen. Zij houdt slechts in dat die lidstaat de erkenning van dergelijke huwelijken, die in het gastland zijn gesloten overeenkomstig het recht daarvan, dient te waarborgen enkel met het doel deze burgers in staat te stellen de rechten uit te oefenen die zij aan het Unierecht ontlenen (zie in die zin arresten van 5 juni 2018, Coman e.a., C-673/16, EU:C:2018:385, punt 45, en 14 december 2021, Stolichna obshtina, rayon ‘Pancharevo’, C-490/20, EU:C:2021:1008, punten 56 en 57).
62
Aldus druist een dergelijke verplichting tot erkenning niet in tegen de nationale identiteit en vormt zij geen bedreiging voor de openbare orde van de lidstaat van oorsprong.
63
Hieraan dient te worden toegevoegd dat — gelet op de in punt 55 van het onderhavige arrest genoemde rechtspraak — een nationale maatregel die de uitoefening van het vrije verkeer van personen kan belemmeren, slechts kan worden gerechtvaardigd indien deze maatregel in overeenstemming is met de door het Handvest gewaarborgde grondrechten waarvan het Hof de eerbiediging verzekert, en in het bijzonder met het in artikel 7 ervan bedoelde recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven en met het in artikel 21, lid 1, ervan neergelegde verbod van discriminatie op grond van seksuele gerichtheid (zie in die zin arresten van 5 juni 2018, Coman e.a., C-673/16, EU:C:2018:385, punt 47; 14 december 2021, Stolichna obshtina, rayon ‘Pancharevo’, C-490/20, EU:C:2021:1008, punt 58, en 4 oktober 2024, Mirin, C-4/23, EU:C:2024:845, punt 62).
64
Wat betreft het door artikel 7 van het Handvest gewaarborgde recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, blijkt dienaangaande uit de toelichtingen bij het Handvest (PB 2007, C 303, blz. 17) dat de door artikel 7 van het Handvest gewaarborgde rechten overeenkomstig artikel 52, lid 3, ervan dezelfde inhoud en reikwijdte hebben als de rechten die zijn gewaarborgd door artikel 8 van het EVRM, waarbij laatstgenoemde bepaling een minimumbeschermingsniveau vormt (zie in die zin arrest van 4 oktober 2024, Mirin, C-4/23, EU:C:2024:845, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65
Blijkens de rechtspraak van het EHRM kan de relatie van een koppel van hetzelfde geslacht onder de begrippen ‘privéleven’ en ‘familie- en gezinsleven’ vallen, net zoals de relatie van een koppel van verschillend geslacht dat zich in dezelfde situatie bevindt (arrest van 5 juni 2018, Coman e.a., C-673/16, EU:C:2018:385, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
66
In dit verband heeft het EHRM geoordeeld dat artikel 8 EVRM een positieve verplichting oplegt aan de lidstaten om een rechtskader in te voeren dat de juridische erkenning en bescherming van koppels van hetzelfde geslacht waarborgt, en dat de Republiek Polen deze verplichting niet is nagekomen, waardoor de betrokkenen niet in staat zijn om fundamentele aspecten van hun privéleven en van hun familie- en gezinsleven te organiseren. Met betrekking tot personen van hetzelfde geslacht die wettig een huwelijk in het buitenland hebben gesloten, heeft het EHRM met name vastgesteld dat de Poolse autoriteiten, door te weigeren dit huwelijk in welke vorm dan ook over te schrijven, deze personen in een rechtsvacuüm hebben gelaten en niet hebben voorzien in de essentiële behoeften op het gebied van de erkenning en bescherming van koppels van hetzelfde geslacht in een stabiele relatie. Het EHRM heeft aldus geoordeeld dat geen van de door de Poolse regering aangevoerde redenen van algemeen belang zwaarder weegt dan het belang van die personen om hun respectieve relaties naar behoren erkend en beschermd te zien door de wet (EHRM, 12 december 2023, Przybyszewska e.a. tegen Polen, CE:ECHR:2023:1212JUD001145417, §§ 113, 123 en 124; EHRM, 19 september 2024, Formela e.a. tegen Polen, CE:ECHR:2024:0919JUD005882812, §§ 20, 25, 26 en 29, en EHRM, 24 april 2025, Andersen tegen Polen, CE:ECHR:2025:0424JUD005366220, §§ 11, 14–19).
67
Het ontbreken van erkenning van het huwelijk dat twee burgers van de Unie van hetzelfde geslacht hebben gesloten overeenkomstig het recht van de lidstaat waarin deze burgers van de Unie hun recht van vrij verkeer en verblijf hebben uitgeoefend, op grond dat het recht van de lidstaat waarvan zij de nationaliteit bezitten en waarin deze burgers van de Unie hun privéleven en hun familie- en gezinsleven wensen voort te zetten zich verzet tegen het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht, is derhalve in strijd met de door artikel 7 van het Handvest aan koppels van hetzelfde geslacht gewaarborgde grondrechten.
68
Zoals de advocaat-generaal in punt 36 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, is het dus aan een lidstaat die het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht verbiedt, om passende procedures in te voeren voor de erkenning van een dergelijk huwelijk wanneer dit is gesloten overeenkomstig het recht van het gastland door twee burgers van de Unie tijdens de uitoefening van hun recht van vrij verkeer en verblijf.
69
Dienaangaande moet worden opgemerkt dat de keuze van de wijzen van de erkenning van huwelijken die door burgers van de Unie zijn gesloten in de uitoefening van hun recht van vrij verkeer en verblijf in een andere lidstaat, behoort tot de beoordelingsvrijheid van de lidstaten in het kader van de uitoefening van hun in punt 47 van het onderhavige arrest genoemde bevoegdheid inzake de regels betreffende het huwelijk. De overschrijving van huwelijksakten in het register van de burgerlijke stand van deze lidstaten is dus slechts een van de vele wijzen waarop een dergelijke erkenning tot stand kan komen. Deze wijzen mogen evenwel de uitoefening van de bij artikel 21 VWEU verleende rechten niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken.
70
Wanneer de lidstaten gebruikmaken van de beoordelingsvrijheid waarover zij beschikken om passende procedures in te voeren voor de erkenning van een huwelijk dat door twee burgers van de Unie werd gesloten tijdens de uitoefening van hun recht van vrij verkeer en verblijf in een andere lidstaat, moeten zij bovendien artikel 21, lid 1, van het Handvest in acht nemen. In dit verband moet erop worden gewezen dat het in deze bepaling neergelegde verbod van discriminatie op grond van seksuele gerichtheid, als algemeen beginsel van Unierecht, een dwingend karakter heeft (zie naar analogie arresten van 15 januari 2014, Association de médiation sociale, C-176/12, EU:C:2014:2, punt 47; 17 april 2018, Egenberger, C-414/16, EU:C:2018:257, punt 76, en 22 januari 2019, Cresco Investigation, C-193/17, EU:C:2019:43, punt 76).
71
Ofschoon in het buitenland opgestelde huwelijksakten in beginsel dezelfde bewijskracht kunnen hebben als Poolse huwelijksakten, is het in de praktijk uiterst moeilijk of zelfs onmogelijk om aan die akten rechten te ontlenen, aangezien de erkenning van die akten, zonder overschrijving ervan in het Poolse register van de burgerlijke stand, onder de beoordelingsbevoegdheid van die bestuurlijke autoriteiten valt en dus kan leiden tot uiteenlopende beslissingen door die autoriteiten, zoals blijkt uit de in punt 50 van het onderhavige arrest vermelde omstandigheden van het hoofdgeding.
72
Zowel uit de door de verwijzende rechter verstrekte opmerkingen als uit de opmerkingen die de Poolse regering bij het Hof heeft ingediend, komt namelijk naar voren dat de overschrijving van de huwelijksakte in het Poolse register van de burgerlijke stand volgens het Poolse recht de enige wijze is om een in een andere lidstaat dan de Republiek Polen gesloten huwelijk daadwerkelijk te kunnen laten erkennen door de Poolse bestuurlijke autoriteiten.
73
Aan de uitoefening van het recht op erkenning van het in een andere lidstaat gesloten huwelijk kan dus afbreuk worden gedaan door de beoordelingsbevoegdheid waarover de bevoegde autoriteiten beschikken in het kader van een procedure voor de erkenning van de huwelijksakte, aangezien deze beoordelingsbevoegdheid leidt tot uiteenlopende benaderingen met betrekking tot een dergelijke erkenning, die kunnen leiden tot de in punt 51 van het onderhavige arrest genoemde ernstige administratieve, professionele en persoonlijke ongemakken (zie naar analogie arrest van 4 oktober 2024, Mirin, C-4/23, EU:C:2024:845, punt 69).
74
Bovendien blijkt uit de aan het Hof verstrekte gegevens dat koppels van verschillend geslacht naar Pools recht de mogelijkheid hebben om hun huwelijksakte te laten overschrijven in het Poolse register van de burgerlijke stand wanneer dit huwelijk in een andere lidstaat is gesloten. Koppels van hetzelfde geslacht, zoals in het hoofdgeding, kunnen daarentegen wegens hun seksuele gerichtheid niet voldoen aan de door het Poolse recht gestelde voorwaarden voor een dergelijke overschrijving.
75
Zoals in punt 69 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, beschikken de lidstaten weliswaar over beoordelingsvrijheid met betrekking tot de wijzen van de erkenning van huwelijken die door burgers van de Unie zijn gesloten tijdens de uitoefening van hun recht van vrij verkeer en verblijf in een andere lidstaat, maar de omstandigheid dat er geen wijze van erkenning bestaat die gelijkwaardig is aan die voor koppels van verschillend geslacht, vormt een door artikel 21, lid 1, van het Handvest verboden discriminatie op grond van seksuele gerichtheid. Hieruit volgt dat, wanneer een lidstaat in het kader van deze beoordelingsvrijheid ervoor kiest om in zijn nationale recht één enkele wijze van erkenning vast te stellen van huwelijken die door burgers van de Unie zijn gesloten in de uitoefening van hun recht van vrij verkeer en verblijf in een andere lidstaat — zoals in casu de overschrijving van de huwelijksakte in het register van de burgerlijke stand —, deze lidstaat verplicht is die wijze zonder onderscheid toe te passen op huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht en op huwelijken tussen personen van verschillend geslacht.
76
Ten slotte moet erop worden gewezen dat zowel artikel 20 en artikel 21, lid 1, VWEU als artikel 7 en artikel 21, lid 1, van het Handvest op zichzelf volstaan en niet hoeven te worden verduidelijkt door bepalingen van Unierecht of van nationaal recht, om particulieren een als zodanig inroepbaar recht te verlenen. Indien de verwijzende rechter vaststelt dat zijn nationale recht niet in overeenstemming met het Unierecht kan worden uitgelegd, is hij derhalve gehouden om binnen het kader van zijn bevoegdheden de rechtsbescherming te verzekeren die voor de justitiabelen voortvloeit uit deze bepalingen en de volle werking daarvan te waarborgen door, zo nodig, de betrokken nationale bepalingen buiten toepassing te laten (zie in die zin arresten van 17 april 2018, Egenberger, C-414/16, EU:C:2018:257, punten 78 en 79, en 3 juni 2025, Kinsa, C-460/23, EU:C:2025:392, punt 72).
77
Gelet op een en ander dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 20 en artikel 21, lid 1, VWEU, gelezen in het licht van artikel 7 en artikel 21, lid 1, van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de regeling van een lidstaat volgens welke het huwelijk tussen twee onderdanen van die lidstaat van hetzelfde geslacht, dat zij tijdens de uitoefening van hun recht van vrij verkeer en verblijf wettig hebben gesloten in een andere lidstaat waarin zij een gezinsleven hebben opgebouwd of bestendigd, niet kan worden erkend en de huwelijksakte niet kan worden overgeschreven in het register van de burgerlijke stand van de eerstbedoelde lidstaat, op grond dat het recht van die lidstaat zich verzet tegen het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht, wanneer deze overschrijving het enige middel is dat in die lidstaat is voorzien om een dergelijke erkenning mogelijk te maken.
Kosten
78
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:
Artikel 20 en artikel 21, lid 1, VWEU, gelezen in het licht van artikel 7 en artikel 21, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich verzetten tegen de regeling van een lidstaat volgens welke het huwelijk tussen twee onderdanen van die lidstaat van hetzelfde geslacht, dat zij tijdens de uitoefening van hun recht van vrij verkeer en verblijf wettig hebben gesloten in een andere lidstaat waarin zij een gezinsleven hebben opgebouwd of bestendigd, niet kan worden erkend en de huwelijksakte niet kan worden overgeschreven in het register van de burgerlijke stand van de eerstbedoelde lidstaat, op grond dat het recht van die lidstaat zich verzet tegen het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht, wanneer deze overschrijving het enige middel is dat in die lidstaat is voorzien om een dergelijke erkenning mogelijk te maken.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 25‑11‑2025
Conclusie 03‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Burgerschap van de Unie — Recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven — Huwelijk tussen twee burgers van de Unie van hetzelfde geslacht — Verplichting van de lidstaat van herkomst van deze burgers om de in een andere lidstaat opgestelde huwelijksakte te erkennen en over te schrijven — Nationale regeling of praktijk van de lidstaat van herkomst die niet toestaat dat een huwelijksakte met betrekking tot personen van hetzelfde geslacht wordt erkend en ingeschreven in de burgerlijke stand
J. Richard de la Tour
Partij(en)
Zaak C-713/231.
Jakub Cupriak-Trojan,
Mateusz Trojan
tegen
Wojewoda Mazowiecki
in tegenwoordigheid van:
Prokurator Prokuratury Okręgowej w Warszawie,
Prokurator Regionalny w Warszawie
[verzoek van de Naczelny Sąd Administracyjny (hoogste bestuursrechter, Polen) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 20, lid 2, onder a), en artikel 21, lid 1, VWEU, gelezen in samenhang met artikel 7 en artikel 21, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie2. en artikel 2, punt 2, van richtlijn 2004/38/EG.3.
2.
Dit verzoek past binnen de rechtspraak van het Hof inzake de erkenning van akten of besluiten tot wijziging van de identiteit van een burger van de Unie die zijn verkregen in een gastland, met het oog op de inschrijving ervan in de registers van de burgerlijke stand van de lidstaat van herkomst.4.
3.
Het Hof wordt thans verzocht te beslissen of zijn rechtspraak betreffende de inschrijving in de burgerlijke stand van een in een andere lidstaat verkregen naam of wijziging van de genderidentiteit ook geldt voor huwelijksakten, meer bepaald wanneer de lidstaat van herkomst van de betrokkene — dat wil zeggen de lidstaat waar hij geboren is — huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht niet erkent en zelfs verbiedt. Meer in het algemeen rijst de vraag waar de grens van de werkingssfeer van het Unierecht op dit gebied ligt, aangezien de regels inzake het huwelijk en de burgerlijke staat tot de bevoegdheid van de lidstaten behoren en het Unierecht deze bevoegdheid onverlet laat.
4.
Naar mijn mening is in de huidige stand van het positieve recht een genuanceerd antwoord geboden. De lidstaat van herkomst van een burger van de Unie moet het huwelijk erkennen dat deze burger van de Unie in een andere lidstaat heeft gesloten met een persoon van hetzelfde geslacht, ook al is het niet het doel om van eerstgenoemde lidstaat een afgeleid verblijfsrecht dan wel een identiteitskaart of een paspoort te verkrijgen. Daarentegen is de verplichting om deze akte in te schrijven in een register van de burgerlijke stand een zaak die onder de bevoegdheid van elke lidstaat moet blijven vallen. Het staat dus aan de lidstaten om te beslissen of een dergelijke inschrijving de enige manier is om te voldoen aan de vereisten van artikel 7 van het Handvest, uitgelegd in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens5..
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
5.
Artikel 21, lid 1, VWEU luidt:
‘Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.’
6.
Artikel 7 van het Handvest, met als opschrift ‘De eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven’, bepaalt:
‘Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie.’
B. Pools recht
7.
Artikel 18 van de Konstytucja Rzeczypospolitej Polskiej (grondwet van de Republiek Polen) bepaalt:
‘De Republiek Polen beschermt het huwelijk als de verbintenis tussen een vrouw en een man, het gezin, het moederschap en de hoedanigheid van ouder.’
8.
In artikel 47 van deze grondwet staat te lezen:
‘Eenieder heeft recht op rechtsbescherming van zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn waardigheid en zijn reputatie, en heeft het recht om over zijn privéleven te beslissen.’
9.
Artikel 1, lid 1, van de ustawa Kodeks rodzinny i opiekuńczy (wetboek familierecht)6. van 25 februari 1964, in de geconsolideerde versie ervan7., zoals gewijzigd, bepaalt:
‘Het huwelijk wordt gesloten wanneer een man en een vrouw die gelijktijdig aanwezig zijn, voor het hoofd van het bureau van de burgerlijke stand verklaren dat zij in de echt verbonden willen worden.’
10.
Artikel 3 van de ustawa Prawo o aktach stanu cywilnego (wet betreffende de akten van de burgerlijke stand)8. van 28 november 2014, in de geconsolideerde versie ervan9., luidt als volgt:
‘Akten van de burgerlijke stand vormen het enige bewijs van de daarin vastgestelde feiten; de onjuistheid ervan kan enkel in het kader van een gerechtelijke procedure worden aangetoond.’
11.
Artikel 104 van deze wet bepaalt:
- ‘1.
Een buitenlands document van de burgerlijke stand dat het bewijs vormt van een gebeurtenis en de inschrijving ervan, kan worden overgeschreven in het register van de burgerlijke stand.
- 2.
De overschrijving bestaat in een getrouwe en letterlijke overdracht van de inhoud van het buitenlandse document van de burgerlijke stand, zowel op taalkundig als op formeel vlak, zonder enige wijziging van de schrijfwijze van de voor- en achternamen van de personen die in het buitenlandse document van de burgerlijke stand worden genoemd.
[…]
- 5.
De overschrijving is verplicht wanneer een Pools staatsburger op wie een buitenlands document van de burgerlijke stand betrekking heeft, houder is van een in de Republiek Polen opgestelde akte van de burgerlijke stand waarin eerdere gebeurtenissen zijn vastgesteld, en deze burger verzoekt om uitvoering van een maatregel met betrekking tot de burgerlijke stand of om een Pools identiteitsbewijs of een PESEL-nummer[10.].
[…]’
12.
Artikel 105, lid 1, van die wet bepaalt:
‘De inhoud van het buitenlandse document van de burgerlijke stand wordt door middel van een materieel-technische handeling overgedragen in het register van de burgerlijke stand; de overschrijving wordt vermeld in de akte van de burgerlijke stand.’
13.
Artikel 107 van de wet betreffende de akten van de burgerlijke stand bepaalt:
‘Het hoofd van de burgerlijke stand weigert de overschrijving te verrichten in het geval dat
[…]
- 3)
de overschrijving in strijd zou zijn met de fundamentele beginselen van de rechtsorde van de Republiek Polen.’
14.
Artikel 7 van de ustawa Prawo prywatne międzynarodowe (wet op het internationaal privaatrecht)11. van 4 februari 2011, in de geconsolideerde versie ervan12., bepaalt:
‘Buitenlands recht wordt niet toegepast indien dit gevolgen zou hebben die in strijd zijn met de fundamentele beginselen van de rechtsorde van de Republiek Polen.’
15.
Artikel 1138 van de ustawa Kodeks postępowania cywilnego (wetboek van burgerlijke rechtsvordering)13. van 17 november 1964, in de geconsolideerde versie ervan14., bepaalt:
‘Een buitenlands openbaar document heeft dezelfde bewijskracht als een Pools openbaar document. […]’
III. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vraag
16.
Jakub Cupriak-Trojan, die de Poolse en de Duitse nationaliteit heeft, en Mateusz Trojan, die de Poolse nationaliteit bezit, zijn op 6 juni 2018 in Berlijn (Duitsland) in het huwelijk getreden en wonen tegenwoordig in Polen.15. Na hun huwelijk heeft Cupriak-Trojan besloten om overeenkomstig het Duitse recht de geboortenaam van zijn echtgenoot toe te voegen aan zijn eigen geboortenaam.16. Bij besluit van de Kierownik Urzędu Stanu Cywilnego m.st. Warszawy (hoofd van de burgerlijke stand Warschau, Polen), dat op verzoek van Cupriak-Trojan is genomen, is zijn geboortenaam ook in Polen dienovereenkomstig gewijzigd.
17.
Bij besluit van 8 augustus 2019 heeft het hoofd van de burgerlijke stand van Warschau, waar hun geboorteakten worden bewaard, het verzoek van Cupriak-Trojan en Trojan tot overschrijving van hun Duitse huwelijksakte afgewezen op grond dat het Poolse recht niet voorziet in een huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht en dat de overschrijving van een dergelijke akte bijgevolg in strijd zou zijn met de fundamentele beginselen van de Poolse rechtsorde.
18.
De Wojewoda Mazowiecki [woiwode (bestuurder) van de woiwodschap Mazovië, Polen], waarbij Cupriak-Trojan en Trojan administratief beroep hadden ingesteld, heeft dit besluit bevestigd en heeft tevens vastgesteld dat de Duitse huwelijksakte en het Poolse equivalent ervan naar hun vorm niet met elkaar overeenstemden. Volgens deze autoriteit moest het hoofd van het bureau van de burgerlijke stand bij overschrijving van een Duitse huwelijksakte de voor- en achternamen van de twee mannen inschrijven, waarbij de gegevens van een van hen onder de rubriek ‘vrouw’ moesten worden vermeld. Aangezien in Polen het huwelijk enkel tussen een man en een vrouw kan worden voltrokken, was het echter onwettig om de gegevens van beide mannen als echtgenoten in de akten van de burgerlijke stand in te schrijven.
19.
Bij uitspraak van 1 juli 2020 heeft de Wojewódzki Sąd Administracyjny w Warszawie (bestuursrechter in eerste aanleg Warschau, Polen) het door Cupriak-Trojan en Trojan ingestelde beroep verworpen, met name op grond dat de Poolse grondwet en de Poolse wetten er niet in voorzien dat het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht en het huwelijk tussen personen van verschillend geslacht in de nationale openbare orde naast elkaar kunnen bestaan. De gevolgen van de overschrijving van een buitenlandse huwelijksakte met betrekking tot personen van hetzelfde geslacht zijn dus in strijd met de fundamentele beginselen van de Poolse rechtsorde in de zin van artikel 107, lid 3, van de wet betreffende de akten van de burgerlijke stand. Deze rechter was tevens van oordeel dat de weigering tot overschrijving niet in strijd is met de artikelen 8 en 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)17., gelezen in samenhang met artikel 12 ervan en met artikel 21, lid 1, VWEU, aangezien het hoofdgeding betrekking heeft op een kwestie met betrekking tot de burgerlijke staat die geen verband houdt met het recht om in een lidstaat te reizen en te verblijven.
20.
Cupriak-Trojan en Trojan hebben tegen deze uitspraak cassatieberoep ingesteld bij de Naczelny Sąd Administracyjny (hoogste bestuursrechter, Polen), de verwijzende rechter, in het kader waarvan zij hebben verzocht om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 7 en artikel 21, lid 1, van het Handvest en artikel 21 VWEU. Aangezien verzoekers — burgers van de Unie — te kennen geven dat zij in Polen willen reizen en verblijven als gehuwden, dat wil zeggen in de burgerlijke staat die het gevolg is van hun huwelijk in Duitsland, daaronder begrepen de daaropvolgende naamswijziging voor een van hen, en er nog geen rechtspraak van het Hof bestaat inzake de overschrijving van een huwelijksakte, heeft deze rechter twijfels over de uitlegging van artikel 20, lid 2, onder a), en artikel 21, lid 1, VWEU, gelezen in het licht van artikel 7 en artikel 21, lid 1, van het Handvest. De verwijzende rechter verduidelijkt dat hij, na kennis te hebben genomen van het antwoord van het Hof, zal moeten onderzoeken of het ontbreken van bepalingen in de Poolse regeling die de mogelijkheid bieden om een huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht in te schrijven, erop neerkomt dat er geen verplichting bestaat om bepaalde gevolgen van het aangaan van een dergelijk huwelijk te erkennen.
21.
In die omstandigheden heeft de Naczelny Sąd Administracyjny de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moeten artikel 20, lid 2, onder a), en artikel 21, lid 1, VWEU, gelezen in samenhang met artikel 7 en artikel 21, lid 1, van het [Handvest] en met artikel 2, punt 2, van richtlijn [2004/38] aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat de bevoegde autoriteiten van een lidstaat waarvan een burger van de Unie de nationaliteit bezit, welke burger met een andere burger van de Unie (een persoon van hetzelfde geslacht) in een andere lidstaat in het huwelijk is getreden overeenkomstig de wetgeving van die staat, kunnen weigeren de huwelijksakte te erkennen en over te schrijven in het nationale register van de burgerlijke stand en aldus kunnen verhinderen dat die personen in die staat kunnen verblijven in die burgerlijke staat en onder dezelfde familienaam, omdat het recht van het gastland[18.] niet in een huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht voorziet?’
22.
Cupriak-Trojan en Trojan, de woiwode van Mazovië, de Prokurator Regionalny w Warszawie (openbare aanklager voor de regio Warschau, Polen), de Prokurator Prokuratury Okręgowej w Warszawie (openbaar aanklager bij het openbaar ministerie van het rechtsgebied Warschau, Polen), de Poolse, de Duitse, de Spaanse, de Hongaarse en de Nederlandse regering alsmede de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
23.
Ter terechtzitting van 3 december 2024 hebben dezelfde partijen, met uitzondering van de woiwode van Mazovië, pleidooi gehouden en geantwoord op de mondelinge vragen van het Hof.
IV. Analyse
24.
Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof in wezen te vernemen of artikel 20 en artikel 21, lid 1, VWEU, gelezen in het licht van artikel 7 van het Handvest19., aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling of praktijk van een lidstaat volgens welke het huwelijk van een burger van de Unie, dat deze in de uitoefening van zijn recht van vrij verkeer en verblijf in een andere lidstaat op wettige wijze heeft gesloten, niet kan worden erkend en zijn huwelijksakte niet kan worden overgeschreven in een register van de burgerlijke stand op grond dat de eerstbedoelde lidstaat niet voorziet in het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht.
25.
Het geding heeft betrekking op de erkenning door de bevoegde Poolse autoriteiten van een huwelijk dat in Duitsland is gesloten tussen twee Poolse staatsburgers van wie er één ook de Duitse nationaliteit heeft, met het oog op de overschrijving van de huwelijksakte in een Pools register van de burgerlijke stand.
26.
Aangezien zij wettig zijn gehuwd in een andere lidstaat dan die waar hun geboorteakten zijn opgesteld, kunnen zij zich, ook jegens hun lidstaat van herkomst20., beroepen op hun aan de status van burger van de Unie verbonden rechten.21.
27.
Bij de huidige stand van het Unierecht behoort de burgerlijke staat van personen, waarvan de regels inzake het huwelijk deel uitmaken, tot de bevoegdheid van de lidstaten en laat het Unierecht deze bevoegdheid onverlet. Bij de uitoefening van die bevoegdheid moet elke lidstaat evenwel het Unierecht in acht nemen en, in het bijzonder, de bepalingen van het VWEU betreffende de vrijheid van elke burger van de Unie om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven. Daartoe moeten de lidstaten de burgerlijke staat van personen erkennen die in een andere lidstaat overeenkomstig het recht van die lidstaat is vastgesteld.22.
28.
Op grond van deze beginselen heeft de rechtspraak van het Hof zich met betrekking tot de gevolgen op het gebied van de burgerlijke staat op twee verschillende niveaus ontwikkeld naargelang het gaat om de identiteit die een burger van de Unie heeft verkregen, dan wel om de banden die hij heeft kunnen opbouwen in een lidstaat die niet zijn lidstaat van herkomst is.
29.
Zo heeft het Hof in geval van huwelijk23. of vaststelling van de afstamming24. geoordeeld dat de banden die voortvloeien uit huwelijksakten of geboorteakten die in een lidstaat zijn opgesteld enkel moeten worden erkend met het oog op de uitoefening van de rechten die de betrokken personen aan het Unierecht ontlenen25., zonder dat de andere lidstaten rechtsgevolgen op het gebied van de burgerlijke staat aan deze erkenning moeten verbinden.26.
30.
In het geval dat het besluit dat of de handeling die op wettige wijze in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst is opgesteld, betrekking heeft op identificatiegegevens van de betrokken burger van de Unie die in zijn geboorteakte zijn opgenomen, heeft het Hof daarentegen geoordeeld dat de weigering van een lidstaat om de achternaam of de voornaam of de wijziging van de genderidentiteit die een onderdaan van die lidstaat heeft verkregen, te erkennen en in te schrijven in een register van de burgerlijke stand, een belemmering kan vormen voor de uitoefening van het in artikel 21 VWEU verankerde recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven.27.
31.
De rechtspraak van het Hof berust in wezen op de vaststelling dat ‘[het geslacht,] net als de naam[,] […]de identiteit en het persoonlijk statuut van een persoon [definieert]’, en dat de weigering in een lidstaat om de wijzigingen daarvan te erkennen die een burger van de Unie in een andere lidstaat heeft verkregen voor deze burger dus ernstige ongemakken van administratieve, professionele en persoonlijke aard kan veroorzaken in de zin van zijn rechtspraak.28.
32.
In het verlengde van deze rechtspraak ben ik van mening dat het ontbreken van elke erkenning in een lidstaat van de huwelijksband die tussen twee personen van hetzelfde geslacht tot stand is gekomen en in een andere lidstaat is ingeschreven, leidt tot een beperking van de uitoefening van het recht dat voortvloeit uit artikel 21, lid 1, VWEU. Wegens deze beperking is het gerechtvaardigd dat het Hof grenzen stelt aan de bevoegdheid van de lidstaten op het gebied van het persoonlijk statuut, ook al gaat het mijns inziens om de uitoefening van rechten die, anders dan in de zaken die hebben geleid tot de arresten Coman en Pancharevo, niet zijn geconcretiseerd in richtlijn 2004/38.29. Burgers van de Unie zoals Cupriak-Trojan en Trojan, van wie de situatie binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt30., moeten vrij kunnen verblijven en reizen op het grondgebied van de lidstaten en in hun lidstaat van herkomst, wanneer zij daarnaar terugkeren31., en moeten daarbij als gehuwden worden erkend.
33.
In die situatie is het door artikel 7 van het Handvest gewaarborgde recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven namelijk eveneens van fundamenteel belang.
34.
De door artikel 7 van dat Handvest gewaarborgde rechten hebben overeenkomstig artikel 52, lid 3, ervan dezelfde inhoud en reikwijdte als de rechten die zijn gewaarborgd door artikel 8 EVRM.
35.
Wat de op dat artikel 8 EVRM gebaseerde rechtspraak van het EHRM betreft, moet naast de rechtspraak die in het arrest Coman32. in herinnering is gebracht, worden verwezen naar het arrest van 12 december 2023, Przybyszewska e.a. tegen Polen33., waarin het EHRM heeft geoordeeld — met name rekening houdend met zijn rechtspraak zoals die is verduidelijkt en bestendigd in het arrest van 17 januari 2023, Fedotova e.a. tegen Rusland34. — dat de Republiek Polen haar beoordelingsmarge had overschreden en haar positieve verplichting niet was nagekomen om ervoor te zorgen dat verzoekers beschikken over een specifiek rechtskader waardoor de erkenning en bescherming van verbintenissen van personen van hetzelfde geslacht wordt gewaarborgd. Het EHRM heeft geoordeeld dat door deze niet-nakoming het recht van verzoekers op eerbiediging van hun privéleven en van hun familie- en gezinsleven wordt geschonden vanwege het feit dat het voor hen niet mogelijk is om bepaalde fundamentele aspecten van hun leven te regelen.35. Ter ondersteuning van deze beslissing wijst het EHRM erop dat
- —
het herhaaldelijk heeft bevestigd dat artikel 8 EVRM zowel wat het ‘privéleven’ als het ‘familie- en gezinsleven’ betreft van toepassing is in zaken betreffende het vermeende ontbreken van wettelijke erkenning en/of bescherming van paren van hetzelfde geslacht36.;
- —
het heeft geoordeeld dat het feit dat er geen wettelijke regeling bestaat met betrekking tot de erkenning en bescherming van paren van hetzelfde geslacht, zowel de persoonlijke identiteit als de sociale identiteit aantast van verzoekers als personen van hetzelfde geslacht die hun relatie als paar gelegitimeerd en beschermd willen zien door de wet’37., en
- —
artikel 8 EVRM de lidstaten verplicht om de wettelijke erkenning en bescherming van paren van hetzelfde geslacht te waarborgen door een ‘specifiek rechtskader’38. in te voeren.
36.
Hieruit volgt dat het binnen de Unie aan de lidstaten staat om — wanneer zij in hun nationale recht niet voorzien in het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht of dit zelfs verbieden — passende procedures in te voeren waardoor de aldus in een andere lidstaat bekrachtigde banden worden erkend. Er zij aan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat een dergelijke verplichting tot erkenning niet indruist tegen de nationale identiteit en geen bedreiging vormt voor de openbare orde van de lidstaat in kwestie.39.
37.
Dient deze verplichting tot erkenning van het huwelijk op grond van het Unierecht evenwel tot gevolg te hebben dat de lidstaat van herkomst op dezelfde grondslag, te weten meer bepaald artikel 21 VWEU, verplicht is om een huwelijksakte die door zijn burger(s) op wettige wijze in een andere lidstaat is verkregen, in een register van de burgerlijke stand in te schrijven, terwijl geen enkele nationale bepaling dit onder gelijkwaardige voorwaarden toestaat, of de nationale regeling dit zelfs verbiedt?40.
38.
Ik wijs erop dat bij de huidige stand van de rechtspraak van het Hof de verplichtingen van de lidstaten op het gebied van de burgerlijke staat enkel betrekking hebben op de vaststelling van de identiteit van een burger van de Unie.41.
39.
Het Hof heeft geoordeeld dat een discrepantie tussen twee achternamen of voornamen die door een en dezelfde persoon worden gedragen, of twee geregistreerde genderidentiteiten, kan leiden tot verwarring en ongemakken, aangezien voor tal van handelingen in het dagelijkse leven, zowel in het beroeps- als in het privéleven, het bewijs moet worden geleverd van de eigen identiteit42. en, met betrekking tot een gezin, van de aard van de banden tussen de verschillende gezinsleden.43. Bij zijn beslissing heeft het Hof dus rekening gehouden met een concreet risico — dat inherent is aan een discrepantie tussen factoren die essentieel zijn voor de identificatie van een persoon — dat deze persoon twijfels moet wegnemen omtrent zijn identiteit en omtrent de echtheid van de documenten die hij overlegt of de waarheidsgetrouwheid van de daarin vermelde gegevens. Deze overwegingen zijn ook in aanmerking genomen in het geval dat een wijziging van de naam van burgers van de Unie naar aanleiding van een huwelijk dat wettig door hen is aangegaan in een andere lidstaat dan hun lidstaat van herkomst44., door laatstgenoemde lidstaat niet wordt erkend. Wanneer de naam van een of van beide echtgenoten wordt gewijzigd, mag er dus geen probleem meer zijn, aangezien deze nieuwe naam in elk van de lidstaten moet worden erkend.45.
40.
Daarentegen kan het bewijs van de hoedanigheid van gehuwde met het oog op het teweegbrengen van rechten niet voortvloeien uit het enkele feit dat de betrokkenen een gemeenschappelijke naam dragen, voor zover dat al het geval is. Bijgevolg is het de vraag onder welke voorwaarden een lidstaat op grond van het Unierecht verplicht is om een huwelijk in te schrijven in een register van de burgerlijke stand, terwijl zijn recht niet voorziet in een huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht op zijn grondgebied, noch in de inschrijving ervan wanneer het huwelijk in een andere lidstaat is gesloten, ongeacht of een van de gehuwde personen staatsburger is van eerstgenoemde lidstaat.46.
41.
Het bewijs van de hoedanigheid van ‘gehuwde’ stelt de betreffende burgers van de Unie, met name bij hun terugkeer in de lidstaat van herkomst47., in staat om te profiteren van het nuttig effect van de rechten die zij ontlenen aan artikel 21, lid 1, VWEU.48. Derhalve dient naar mijn mening vooraf het kader te worden bepaald waarbinnen de verplichting tot inschrijving in de burgerlijke stand moet worden beoordeeld.
42.
Wat de aan het Unierecht en met name aan richtlijn 2004/38 ontleende rechten betreft49., dient te worden benadrukt dat een burger van de Unie niet hoeft te bewijzen dat hij een ‘gehuwde persoon’ is om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen.50. Enkel het verblijfsrecht van de echtgenoot als gezinslid51. zou kunnen worden belemmerd doordat die hoedanigheid niet wordt erkend.52. In dat geval heeft het Hof in het arrest Coman geoordeeld dat aan de lidstaat van verblijf geen enkele verplichting met betrekking tot de burgerlijke staat van personen kon worden opgelegd.53. Deze beslissing, die betrekking had op een echtgenoot die de nationaliteit van een derde land had, kan worden toegepast op het geval van een burger van de Unie die in een gastland verblijft. In dit kader behoort de keuze hoe de buitenlandse huwelijksakte met het oog op het toestaan van het verblijf wordt ingeschreven dus uitsluitend tot de bevoegdheid van de lidstaten.
43.
Met betrekking tot het recht van gehuwde personen van hetzelfde geslacht om zonder administratieve belemmeringen een gezinsleven te leiden54., wijs ik erop dat de aan het Hof voorgelegde vraag concreet betrekking heeft op de uitoefening door nationale staatsburgers van rechten waarin de nationale regeling voorziet. Zoals ter terechtzitting is bevestigd, verzoeken Cupriak-Trojan en Trojan om overschrijving van hun huwelijksakte in de registers van de burgerlijke stand teneinde hun hoedanigheid van ‘echtgenoten’ met name in Polen te kunnen aantonen.55.
44.
Ofschoon de overschrijving van de buitenlandse huwelijksakte volgens de toepasselijke Poolse regeling niet verplicht is voor het vervullen van alledaagse administratieve formaliteiten56. en deze huwelijksakte, die van elke legalisatie is vrijgesteld indien zij in een lidstaat is opgesteld, dezelfde bewijskracht moet hebben als een Poolse akte57., worden deze regels in de praktijk door de bevoegde autoriteiten namelijk niet toegepast. De Poolse regering heeft in haar schriftelijke opmerkingen, die ter terechtzitting zijn aangevuld, overigens erkend dat de overschrijving van de huwelijksakte de enige manier is om de moeilijkheden te overwinnen die worden aangevoerd door personen van hetzelfde geslacht die in het buitenland zijn gehuwd, ongeacht welke nationaliteit zij bezitten.
45.
Bij gebrek aan alternatieve oplossingen in Polen, zoals de overhandiging van elk ander officieel document58. dat door de Poolse administratieve diensten kan worden erkend, is deze lidstaat dus verplicht om de buitenlandse huwelijksakte in een register van de burgerlijke stand over te schrijven.
46.
Gelet op deze bijzondere context en, a fortiori, op het voorwerp van het hoofdgeding, dat niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2004/38 valt59., kan de verplichting om een in een lidstaat opgestelde huwelijksakte in te schrijven in een register van de burgerlijke stand mijns inziens evenwel niet aan elke andere lidstaat worden opgelegd indien het huwelijk gevolgen sorteert zonder dat die formaliteit hoeft te worden vervuld.
47.
De beslissing dat het aan elke lidstaat staat om passende middelen vast te stellen teneinde het recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven van paren van hetzelfde geslacht te waarborgen, strookt voorts met de omvang van de in artikel 8 EVRM gewaarborgde rechten, zoals die door het EHRM is gedefinieerd.
48.
In het arrest Przybyszewska e.a. tegen Polen heeft het EHRM met betrekking tot de verplichting om een ‘specifiek rechtskader’60. in te voeren het volgende verduidelijkt:
- —
Tot op heden zijn de artikelen 8, 12 en 14 EVRM niet aldus uitgelegd dat zij de verdragsluitende staten een positieve verplichting opleggen om het huwelijk open te stellen voor paren van hetzelfde geslacht.61.
- —
De beoordelingsmarge van de verdragsluitende staten is aanzienlijk beperkt wanneer het erom gaat aan paren van hetzelfde geslacht de mogelijkheid van wettelijke erkenning en juridische bescherming te bieden. Deze beoordelingsmarge is ruimer bij ‘het kiezen van de middelen’ om te voldoen aan de positieve verplichtingen die inherent zijn aan artikel 8 EVRM.62.
- —
Aangezien het EVRM niet tot doel heeft theoretische of denkbeeldige rechten te waarborgen, maar praktische en effectieve rechten, is het van belang dat de verdragsluitende partijen passende bescherming bieden aan paren van hetzelfde geslacht. In die zin zet het EHRM uiteen dat het in een aantal arresten reeds heeft kunnen verwijzen naar kwesties — met name van materiële aard (levensonderhoud, belastingen of erfopvolging) of van morele aard (rechten en plichten inzake wederzijdse bijstand) — die kenmerkend zijn voor het leven als paar en die gebaat zouden zijn bij een wettelijke regeling die openstaat voor paren van hetzelfde geslacht.63.
49.
Het EHRM heeft met betrekking tot zijn vaststelling dat in het Poolse recht elke mogelijkheid van wettelijke erkenning en van bescherming van paren van hetzelfde geslacht ontbreekt64., opgemerkt dat partners van hetzelfde geslacht, ondanks bepaalde positieve ontwikkelingen in de rechtspraak op dit gebied, fundamentele aspecten van hun leven, zoals die welke betrekking hebben op eigendom, levensonderhoud, belastingen en rechten op het gebied van erfopvolging, niet kunnen regelen als officieel erkend paar. In de meeste gevallen kunnen zij zich bij de rechterlijke of administratieve autoriteiten niet beroepen op het bestaan van hun relatie. Het EHRM heeft geoordeeld dat het, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel dat ten grondslag ligt aan het EVRM, niet zijn taak is om zelf te bepalen welke juridische regeling moet worden toegepast op paren van hetzelfde geslacht.65.
50.
Wat specifiek de inschrijving betreft van huwelijken die in het buitenland tussen personen van hetzelfde geslacht zijn gesloten, heeft het EHRM er in zijn arrest van 14 december 2017, Orlandi e.a. tegen Italië66., op gewezen dat hierover geen consensus bestaat in Europa, hetgeen bevestigt dat staten in beginsel over een ruime beoordelingsmarge moeten beschikken met betrekking tot de beslissing om in het buitenland gesloten huwelijken al dan niet in te schrijven als huwelijk.67.
51.
In dat arrest Orlandi e.a. tegen Italië heeft het EHRM in § 210 geoordeeld dat de Italiaanse Staat de situatie van verzoekers — personen van hetzelfde geslacht die waren gehuwd volgens het recht van een buitenlandse staat —, die overeenkwam met een gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM, redelijkerwijs niet kon negeren en er niet van kon afzien een manier te bieden om hun relatie te beschermen. Aangezien de Italiaanse autoriteiten deze situatie tot 2016 niet hadden erkend en de verbintenis van verzoekers op geen enkele wijze hadden beschermd, heeft het EHRM vastgesteld dat de Italiaanse Staat geen juist evenwicht tot stand had gebracht tussen de concurrerende belangen.68. Het EHRM heeft geoordeeld dat deze staat, in strijd met artikel 8 EVRM, verzoekers geen specifiek rechtskader had aangereikt dat geschikt was om hun verbintenissen als personen van hetzelfde geslacht te erkennen en te beschermen. De op de staat rustende verplichting is niet uitgebreid tot de verplichting om het in het buitenland gesloten huwelijk in te schrijven als een huwelijk in Italië, aangezien dit land het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht niet erkent.
52.
In dezelfde zin heeft het EHRM zeer recentelijk in het arrest Formela e.a. tegen Polen geoordeeld dat de Poolse autoriteiten, door te weigeren de huwelijken van verzoeksters in welke vorm dan ook in te schrijven en er niet voor te zorgen dat zij over een specifiek rechtskader beschikken dat voorziet in de erkenning en bescherming van hun verbintenissen, hen in een rechtsvacuüm hebben gelaten en niet hebben voorzien in de essentiële behoeften op het gebied van de erkenning en bescherming van paren van hetzelfde geslacht in een stabiele en serieuze relatie.69.
53.
Bijgevolg kan het specifieke vereiste van overschrijving of, meer in het algemeen, van inschrijving van een in een lidstaat opgestelde huwelijksakte met betrekking tot personen van hetzelfde geslacht in een register van de burgerlijke stand van de lidstaat van herkomst van de betrokken persoon of personen mijns inziens niet uit het Unierecht, zoals uitgelegd door het Hof70., worden afgeleid teneinde een ruimere bescherming te bieden dan de bescherming die voortvloeit uit de rechtspraak van het EHRM. Ik ben derhalve van mening dat het door het EHRM geformuleerde beginsel moet worden toegepast. Ik leid hieruit af dat elke lidstaat bevoegd is om passende regelingen vast te stellen teneinde ervoor te zorgen dat paren van hetzelfde geslacht een officiële erkenning krijgen van hun bestaan en aan hen legitimiteit wordt verleend ten opzichte van de buitenwereld — om de bewoordingen van het arrest Przybyszewska e.a. tegen Polen71. te gebruiken —, zonder dat een lidstaat verplicht is om huwelijksakten met betrekking tot personen van hetzelfde geslacht in te schrijven in een register van de burgerlijke stand indien zijn recht niet in dergelijke huwelijken voorziet.
54.
In het onderhavige geval is de overschrijving van de Duitse huwelijksakte in de Poolse registers van de burgerlijke stand dus geboden wegens specifieke nationale omstandigheden, zoals blijkt uit de opmerkingen van de Poolse regering.72. Wanneer het beide echtgenoten wordt toegestaan om een gemeenschappelijke achternaam te dragen, zou dat in bepaalde alledaagse situaties evenwel ook een manier kunnen zijn om te voldoen aan het vereiste dat het huwelijk ten aanzien van derden bekend wordt gemaakt. Hetzelfde geldt voor de mogelijkheid om in een lidstaat een in een andere lidstaat opgestelde huwelijksakte over te leggen samen met een vertaling, zonder dat die akte behoeft te worden gelegaliseerd aangezien haar overeenkomstig het Unierecht bewijskracht toekomt.73.
55.
Indien een onderscheid wordt gemaakt tussen de verplichting tot erkenning van een huwelijk dat in het gastland wettig is gesloten tussen personen van hetzelfde geslacht en de verplichting om de huwelijksakte in te schrijven in een register van de burgerlijke stand van de lidstaat van herkomst, kan artikel 21 VWEU mijns inziens zo worden uitgelegd dat de bevoegdheidsverdeling tussen de Unie en de lidstaten strikt in acht wordt genomen. Op die grondslag strookt dit onderscheid met de rechtspraak van het Hof over akten van de burgerlijke stand die in een lidstaat zijn opgesteld met betrekking tot paren van hetzelfde geslacht of hun kinderen en die effect moeten sorteren in een andere lidstaat waar dergelijke rechtssituaties niet bestaan.
56.
Een andere oplossing zou enkel kunnen worden gebaseerd op de stelling dat het Unierecht de burgers van de Unie het recht van vrij verkeer en verblijf toekent, dat op het gebied van de burgerlijke staat van personen onbeperkt kan worden uitgeoefend, behalve wanneer er sprake is van rechtsmisbruik. In het bijzonder op het gebied van het huwelijk rijst evenwel de vraag of dit geldt voor situaties waarin de weigering om de buitenlandse huwelijksakte in te schrijven, is gebaseerd op andere gronden dan het feit dat de echtgenoten van hetzelfde geslacht zijn.74.
57.
Op het gebied van de burgerlijke staat zou het Hof zodoende van een benadering waarbij het beginsel van vrij verkeer van de burger van de Unie beperkt is tot diens identiteit, gaan naar een benadering die uitsluitend berust op het recht op eerbiediging van zijn familie- en gezinsleven. Dit recht zou een beginsel worden dat zou zijn vervat in het recht van vrij verkeer en verblijf en dat los zou staan van enig afgeleid recht75., in voorkomend geval gecombineerd met het verbod van discriminatie op grond van seksuele geaardheid.
58.
Ik merk ten eerste op dat zelfs in een situatie waarin het belang van het kind moet prevaleren, het Hof deze weg niet is ingeslagen.76.
59.
Ten tweede moet worden vastgesteld dat de Commissie op het gebied van afstamming een voorstel voor een verordening heeft opgesteld77. om de lidstaten te verplichten de afstamming van een kind zoals die in een andere lidstaat is vastgesteld, voor andere nationale doeleinden te erkennen dan de uitoefening van rechten die worden ontleend aan het Unierecht, in het bijzonder de bepalingen inzake het vrije verkeer.
60.
Derhalve geef ik het Hof in overweging te oordelen dat de inschrijving van een in een lidstaat opgestelde huwelijksakte met betrekking tot twee personen van hetzelfde geslacht, van wie er ten minste één burger van de Unie is, in een register van de burgerlijke stand van een andere lidstaat waar een dergelijk huwelijk niet wordt erkend, niet kan worden vereist op grond van het Unierecht, tenzij dit de enige manier is waarop de betrokkenen hun hoedanigheid van gehuwden kunnen aantonen. Met andere woorden, de verplichting tot inschrijving in een register van de burgerlijke stand die op de lidstaten rust in verband met de vrijheid van verkeer en verblijf, zou mijns inziens beperkt moeten blijven tot gevallen waarin twijfel bestaat over de identiteit van de burger van de Unie en die twijfel enkel op die manier kan worden weggenomen.
V. Conclusie
61.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van de Naczelny Sąd Administracyjny te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 20 en artikel 21, lid 1, VWEU, gelezen in het licht van artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich niet verzetten tegen een regeling van een lidstaat waarvan een burger van de Unie de nationaliteit bezit, volgens welke de akte van zijn huwelijk met een persoon van hetzelfde geslacht, die tijdens de uitoefening van zijn recht van vrij verkeer en verblijf op wettige wijze in een andere lidstaat is opgesteld, niet in een register van de burgerlijke stand kan worden overgeschreven wanneer er in eerstgenoemde lidstaat andere manieren zijn om te waarborgen dat het huwelijk van personen van hetzelfde geslacht ten aanzien van derden wordt erkend;
zij zich daarentegen wel verzetten tegen een regeling of praktijk van een lidstaat waarvan een burger van de Unie de nationaliteit bezit, volgens welke zijn huwelijk, dat hij met uitoefening van zijn recht van vrij verkeer en verblijf in een andere lidstaat op wettige wijze heeft gesloten met een persoon van hetzelfde geslacht, niet op enige wijze of met behulp van enig document waaruit de huwelijksband en de door de gehuwden gekozen naam blijken, kan worden erkend op grond dat de eerstgenoemde lidstaat niet in een dergelijk huwelijk voorziet.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑04‑2025
Oorspronkelijke taal: Frans.
Hierna: ‘Handvest’.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004, L 158, blz. 77, met rectificatie in PB L 229, blz. 35).
In die zin dat de lidstaat van herkomst de lidstaat is waarvan de burger van de Unie de nationaliteit bezit. Zie arrest van 5 juni 2018, Coman e.a. (C-673/16, EU:C:2018:385, punt 31; hierna: ‘arrest Coman’).
Hierna: ‘EHRM’.
Dz. U. van 1964, nr. 9, volgnr. 59.
Dz. U. van 2020, volgnr. 1359.
Dz. U. van 2014, volgnr. 1741.
Dz. U. van 2023, volgnr. 1378; hierna: ‘wet betreffende de akten van de burgerlijke stand’.
Identificatienummer van natuurlijke personen met de Poolse nationaliteit.
Dz. U. van 2011, nr. 80, volgnr. 432.
Dz. U. van 2023, volgnr. 503.
Dz. U. van 1964, nr. 43, volgnr. 296.
Dz. U. van 2023, volgnr. 1550; hierna: ‘wetboek van burgerlijke rechtsvordering’.
Ofschoon de verwijzende rechter aangeeft dat zij in Duitsland wonen, hebben verzoekers in hun schriftelijke opmerkingen en ter terechtzitting verklaard dat dit niet meer het geval is. Zij wonen en werken sinds december 2021 in Polen.
Ter terechtzitting hebben Cupriak-Trojan en de Duitse regering verklaard dat de echtgenoot in Duitsland door zijn huwelijk de naam van zijn partner mag dragen, terwijl in Polen ofwel de geboortenaam wordt gewijzigd in die van de echtgenoot, ofwel aan de geboortenaam een gemeenschappelijke naam wordt toegevoegd, hetgeen de Poolse regering heeft bevestigd.
Ondertekend te Rome op 4 november 1950.
Gelet op de definitie van het begrip ‘gastland’ in artikel 2, punt 3, van richtlijn 2004/38, te weten ‘de lidstaat waarheen de burger zich begeeft om zijn recht van vrij verkeer of verblijf uit te oefenen’, en gelet op de bewoordingen van artikel 3, lid 1, van deze richtlijn, gaat het om de lidstaat van herkomst.
Onder verwijzing naar het arrest Coman (punten 17 en 28), geef ik het Hof in overweging om enkel na te gaan of de belanghebbenden worden belemmerd in de uitoefening van hun recht van vrij verkeer en verblijf met inachtneming van hun privéleven en hun familie- en gezinsleven, in plaats van na te gaan of er sprake is van discriminatie.
Zie in die zin arrest van 4 oktober 2024, Mirin (C-4/23, EU:C:2024:845, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: ‘arrest Mirin’).
Vanwege de nationaliteit die zij bezitten hebben zij krachtens artikel 20, lid 1, VWEU de status van burger van de Unie, die de primaire hoedanigheid van onderdanen van de lidstaten moet zijn (zie arrest Mirin, punten 50 en 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het feit dat personen die staatsburger zijn van een lidstaat legaal verblijven op het grondgebied van een andere lidstaat waarvan zij eveneens de nationaliteit bezitten is niet van belang [zie in die zin arrest van 8 juni 2017, Freitag (C-541/15, EU:C:2017:432, punt 34)].
Zie arrest Coman (punten 36–38) en in die zin arrest Mirin (punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest Coman e.a. (punt 45).
Zie arrest van 14 december 2021, Stolichna obshtina, rayon ‘Pancharevo’ (C-490/20, EU:C:2021:1008, punten 45 en 46; hierna: ‘arrest Pancharevo’).
In het arrest Coman ging het om de erkenning van een huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht met het oog op de toekenning van een afgeleid verblijfsrecht aan de echtgenoot — staatsburger van een derde land (punten 45 en 46) — dat is gebaseerd op artikel 21 VWEU (punt 23) en toegekend onder voorwaarden die vergelijkbaar zijn met de voorwaarden van richtlijn 2004/38 (punt 25). In het arrest Pancharevo ging het om de erkenning van een afstammingsband, die ten opzichte van twee moeders, burgers van de Unie, in de geboorteakte van hun kind was vastgesteld, met het oog op de verkrijging van een identiteitskaart of een paspoort (zie punten 46, 49, 56 en 57).
In het arrest Pancharevo heeft het Hof het beginsel aanvaard dat elke lidstaat een in een andere lidstaat opgestelde geboorteakte moet erkennen, maar enkel met het doel een identiteitskaart of een paspoort af te geven. Daaruit is geen enkele verplichting op het gebied van de nationale burgerlijke staat afgeleid, zelfs indien het kind onderdaan van de betrokken lidstaat zou zijn (punten 45 en 50). Zie ook beschikking van 24 juni 2022, Rzecznik Praw Obywatelskich (C-2/21, EU:C:2022:502, punten 43, 44 en 52), voor de toepassing van deze rechtspraak op het geval waarin de Poolse autoriteiten weigeren een reisdocument af te geven voor een Pools kind van wie de geboorteakte die is afgegeven door de autoriteiten van een lidstaat twee personen van hetzelfde geslacht als ouders vermeldt, omdat het niet mogelijk was om die akte vooraf over te schrijven.
Zie arrest Mirin (punten 54, 55 en 57).
Zie arrest Mirin (punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie punt 29 van de onderhavige conclusie.
Zie punt 26 van de onderhavige conclusie.
Zie arrest Pancharevo (punt 47).
Zie punt 50.
CE:ECHR:2023:1212JUD001145417; hierna: ‘arrest Przybyszewska e.a. tegen Polen’, gewezen door de Eerste Sectie, bestaande uit zeven rechters. De zaak die tot dat arrest heeft geleid, waaraan de keuze voor een huwelijk door partners van hetzelfde geslacht ten grondslag ligt (§§ 4 en 106), heeft betrekking op het feit dat in het Poolse recht iedere mogelijkheid van wettelijke erkenning en bescherming van de relatie van paren van hetzelfde geslacht ontbreekt (§ 107). Zie in dezelfde zin ook arrest van 19 september 2024, Formela e.a. tegen Polen (CE:ECHR:2024:0919JUD005882812); hierna: ‘arrest Formela e.a. tegen Polen’, gewezen door dezelfde sectie, bestaande uit drie rechters. In de zaak die tot dat arrest heeft geleid, hadden de verzoeken van twee paren van hetzelfde geslacht betrekking op het feit dat hun relaties als paren in Polen en hun in het buitenland gesloten huwelijken niet werden erkend (§ 10).
CE:ECHR:2023:0117JUD004079210.
Zie arrest Przybyszewska e.a. tegen Polen (§§ 123 en 124).
Zie arrest Przybyszewska e.a. tegen Polen (§ 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest Przybyszewska e.a. tegen Polen (§ 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest Przybyszewska e.a. tegen Polen (§§ 98 en 103 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest Coman e.a. (punt 46).
Zie arrest Mirin (punt 57).
Zie punten 30 en 31 van de onderhavige conclusie.
Zie arrest Mirin (punten 54–56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arresten van 22 december 2010, Sayn-Wittgenstein (C-208/09, EU:C:2010:806, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 8 juni 2017, Freitag (C-541/15, EU:C:2017:432, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin, arrest van 12 mei 2011, Runevič-Vardyn en Wardyn (C-391/09, EU:C:2011:291, punt 76). In dit verband herinner ik er met betrekking tot het hoofdgeding aan dat de Poolse regering ter terechtzitting heeft uiteengezet dat de echtgenoten naar nationaal recht de mogelijkheid hebben om hun naam te wijzigen door hun geboortenaam te vervangen door de naam van een van hen of door de naam van een van hen aan hun geboortenaam toe te voegen. Volgens de Duitse regering bestaat dezelfde mogelijkheid naar Duits recht, maar enkel bij wijze van gebruik. De geboortenaam wijzigt niet. Zie eveneens voetnoot 16 van de onderhavige conclusie.
Zie punt 30 van de onderhavige conclusie. De wijziging die Cupriak-Trojan in Polen heeft verkregen, zou dus dezelfde gevolgen moeten hebben in Duitsland.
Ter terechtzitting heeft de Poolse regering uiteengezet dat de huwelijksakte met betrekking tot staatsburgers van andere lidstaten waar het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht is toegestaan, niet kan worden ingeschreven in Polen, terwijl de overschrijving van een dergelijke akte wel mogelijk is wanneer het gaat om personen van verschillend geslacht.
Zie in die zin arrest Coman (punten 24, 32, 40 en 53).
Zie punt 32 van de onderhavige conclusie.
Zie punt 29 van de onderhavige conclusie.
Zie artikel 4, lid 1, van richtlijn 2004/38. In dit verband heeft de Poolse regering ter terechtzitting verduidelijkt dat het huwelijk niet wordt vermeld in het paspoort, en evenmin in de nationale identiteitskaart. Voorts merk ik op dat in het onderhavige geval, dat meerderjarige nationale staatsburgers betreft die over reisdocumenten beschikken waarbij hun vrijheid om te reizen niet wordt belemmerd, geen beroep wordt gedaan op een recht dat in dit opzicht aan richtlijn 2004/38 is ontleend. Te vergelijken met de situaties die aan de orde waren in de arresten Coman en Pancharevo. Zie voetnoot 25 van de onderhavige conclusie.
Zie arrest Coman e.a. (punten 33–35).
Zie in die zin arrest van 12 mei 2011, Runevič-Vardyn en Wardyn (C-391/09, EU:C:2011:291, punt 73). Dit is niet het geval voor Cupriak-Trojan en Trojan, die in Polen wonen. Als burgers van de Unie wordt de vrijheid voor elk van hen om te reizen en te verblijven in hun land van herkomst niet aangetast [zie in die zin arrest van 14 november 2017, Lounes (C-165/16, EU:C:2017:862, punt 37), en beschikking van 24 juni 2022, Rzecznik Praw Obywatelskich (C-2/21, EU:C:2022:502, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak)].
Zie arrest Coman (punten 45 en 46). Zo heeft het Hof geoordeeld dat een huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht uitsluitend wordt erkend met het oog op toekenning van een afgeleid verblijfsrecht aan een derdelander.
Zie punten 32 en 35 van de onderhavige conclusie.
Verzoekers hebben aangevoerd dat zij hun gezinsleven in Polen niet onder dezelfde voorwaarden als in Duitsland kunnen voortzetten. Zij hebben met betrekking tot Polen de volgende voorbeelden gegeven. Ten eerste was Cupriak-Trojan van begin maart tot begin september 2022, toen hij in Polen woonde, werkloos en niet verzekerd krachtens de openbare ziektekostenverzekering. In die periode woonde en werkte Trojan in Polen. De echtgeno(o)t(e) die een baan heeft, kan evenwel een ziektekostenverzekering afsluiten voor de echtgeno(o)ot(e) die er geen heeft. Trojan heeft deze mogelijkheid niet gehad, aangezien het huwelijk van verzoekers in Polen geen effect sorteert, zodat Cupriak-Trojan gedurende die gehele periode geen openbare ziektekostenverzekering had. Ten tweede heeft Cupriak-Trojan na het huwelijk in Duitsland verzocht om de vermelding van zijn naam in het kadaster bij te werken voor de aan hem toebehorende onroerende goederen in Polen. De rechter die bevoegd was met betrekking tot een van zijn onroerende goederen heeft dit verzoek afgewezen op grond dat de huwelijksakte van personen van hetzelfde geslacht niet werd aanvaard. Daarentegen heeft een andere rechter dit verzoek met betrekking tot een ander onroerend goed toegewezen en zijn naamswijziging ingeschreven. Zie ook soortgelijke vaststellingen van het EHRM in het arrest Przybyszewska e.a. tegen Polen (§§ 102 en 108) en het arrest Formela e.a. tegen Polen (§ 24).
Zie artikel 104, lid 5, van de wet betreffende de akten van de burgerlijke stand, aangehaald in punt 11 van de onderhavige conclusie.
Zie artikel 1138 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, aangehaald in punt 15 van de onderhavige conclusie, en artikel 4 van verordening (EU) 2016/1191 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 inzake de bevordering van het vrije verkeer van burgers door vereenvoudigde overlegging van bepaalde openbare documenten in de Europese Unie en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1024/2012 (PB 2016, L 200, blz. 1). Zie ook artikel 9 van deze verordening en bijlage IV erbij, die het meertalige modelformulier voor het huwelijk bevat. Dit formulier vergemakkelijkt de vertaling van het openbaar document betreffende het huwelijk. Zie ter vergelijking formulier B bij Overeenkomst nr. 16 van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand (ICBS) inzake de afgifte van meertalige uittreksels uit akten van de burgerlijke stand, ondertekend te Wenen op 8 september 1976, waarbij de Republiek Polen partij is.
Zie naar analogie arrest Pancharevo (punt 50).
Zie punt 43 van de onderhavige conclusie.
Zie punt 35 van de onderhavige conclusie.
Zie arrest Przybyszewska e.a. tegen Polen (§ 99 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest Przybyszewska e.a. tegen Polen (§§ 100 en 101 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest Przybyszewska e.a. tegen Polen (§ 102 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest Przybyszewska e.a. tegen Polen (§ 105) en arrest Formela e.a. tegen Polen (§ 27).
Zie arrest Przybyszewska e.a. tegen Polen (§ 114). Met betrekking tot de ruimere beoordelingsmarge waarover de verdragsluitende staten beschikken om de precieze aard te bepalen van de wettelijke regeling die aan paren van hetzelfde geslacht ter beschikking moet worden gesteld, zie arrest Formela e.a. tegen Polen (§ 28).
CE:ECHR:2017:1214JUD002643112; hierna: ‘arrest Orlandi e.a. tegen Italië’ (§ 205). In de zaak die tot dat arrest heeft geleid, hadden de grieven op grond van artikel 8 EVRM hoofdzakelijk betrekking op de weigering om het in het buitenland gesloten huwelijk in te schrijven in Italië, ofwel als huwelijk, ofwel in enige andere vorm, waardoor de betrokkenen geen enkele rechtsbescherming of aanverwante rechten genoten (zie § 191).
In § 205 van het arrest Orlandi e.a. tegen Italië heeft het EHRM verduidelijkt dat volgens de rechtsvergelijkende informatie waarover het beschikte met betrekking tot zevenentwintig landen waar het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht niet was toegestaan, slechts drie daarvan de inschrijving van een dergelijk huwelijk toestonden. Zie voor nadere informatie, die dateert van juli 2015, datzelfde arrest Orlandi e.a. tegen Italië (§ 113). Zie ook andere rechtsvergelijkende gegevens inzake de wettelijke erkenning van paren van hetzelfde geslacht — waarbij evenwel geen nadere verduidelijkingen worden gegeven over de burgerlijke staat — zoals uiteengezet in het arrest van het EHRM van 17 januari 2023, Fedotova e.a. tegen Rusland (CE:ECHR:2023:0117JUD004079210, §§ 65–67), waarnaar wordt verwezen in het arrest Przybyszewska e.a. tegen Polen (§ 31).
Zie in dezelfde zin arrest Formela e.a. tegen Polen, dat eveneens betrekking heeft op het feit dat akten van in het buitenland gesloten huwelijken niet worden erkend en niet worden ingeschreven (§§ 10, 22, 25 en 29).
Zie arrest Formela e.a. tegen Polen (§ 26).
Zie punten 27–31 van de onderhavige conclusie.
Zie § 109 in fine.
Zie punt 44 van de onderhavige conclusie.
Zie in die zin punt 44 van de onderhavige conclusie. Zie ook naar analogie arrest van 8 december 2022, Caisse nationale d'assurance pension (C-731/21, EU:C:2022:969, punten 39–41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zoals bijvoorbeeld de bekwaamheid om te huwen, de ontbinding van eerdere verbintenissen of het leeftijdsverschil tussen gehuwde personen, waarop bepalingen van internationaal privaatrecht van toepassing zijn.
Zie in dezelfde zin conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Stolichna obshtina, rayon ‘Pancharevo’ (C-490/20, EU:C:2021:296, punten 99 en 100).
Zie arrest Pancharevo (punten 45 en 50) en beschikking van 24 juni 2022, Rzecznik Praw Obywatelskich (C-2/21, EU:C:2022:502, punten 43, 44 en 52).
Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning van beslissingen en de aanvaarding van authentieke akten inzake afstamming en betreffende de invoering van een Europese akte van afstamming [COM(2022) 695 final].