Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/8.1.2
8.1.2 Herformulering van het Verdrag van Parijs
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS464044:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie alinea's 559 tot en met 572 hiervoor.
Zie par. 5.3.2 onder (a)(ii).
Landen kunnen naderhand ook kiezen voor een andere categorie.
Tijdens de wordingsgeschiedenis van dit verdrag (dat oorspronkelijk niet alleen op de forumkeuze betrekking had, maar veel ruimer was opgezet) is uitvoerig gediscussieerd over bevoegdheidsregels voor het intellectuele-eigendomsrecht; zie de travaux préparatoires van dit verdrag, gepubliceerd op
Dit is — zo moge ondertussen duidelijk zijn — dezelfde rechter als de rechter van het land 'op het grondgebied waarvan de deponering of registratie is verzocht, heeft plaatsgehad of geacht wordt te hebben plaatsgehad' als bedoeld in art. 16 onder 4 EEX-Verdrag en art. 22 onder 4 EEX-Verordening (het 'forum registrationis'). Gekozen wordt voor de formule 'de rechter van het land voor welks grondgebied de bescherming wordt ingeroepen' omdat deze duidelijker en bondiger is, en omdat zij aansluit bij de geherformuleerde conflictregel van het Verdrag van Parijs (vgl. art. 5 lid 1 van het herformuleringsontwerp van de Berner Conventie).
HvJ EG 13 juli 2006, nr. C-4/03, Jur. 2006, p. 1-6509; NJ 2008, 78 m.nt. PV (GAT/LuK), zie noot 302 van hoofdstuk 5. Merk op dat deze exclusieve-bevoegdheidsgrond zich niet alleen in inbreukprocedures, maar ook in andere procedures kan laten gelden, bijvoorbeeld in een procedure over contractuele aangelegenheden (licentievergoedingen).
Zie alinea 572 hiervoor. Ook hier geldt dat deze exclusieve-bevoegdheidsgrond zich ook in andere dan alleen inbreukprocedures kan laten gelden. .
De regeling geldt uiteraard alleen binnen het toepassingsgebied van het Verdrag van Parijs. Over de gekozen redactie kan volledigheidshalve nog worden opgemerkt (i) dat het woord 'of' in de bepaling onder a 'inclusief disjunct' is gebruikt (dus: 'en/of'); en (ii) dat categorie W geen vermelding behoeft (immers, wanneer beide landen tot categorie IV behoren, doet zich geen van de in de bepaling genoemde gevallen zich voor, en is er dus geen sprake van exclusieve bevoegdheid). Deze regeling laat zich ook anders formuleren, bijvoorbeeld als volgt: 'De aangezochte rechter is gebonden aan de exclusieve-bevoegdheidsgrond van de categorie waartoe zijn land behoort. Indien echter het land voor welks grondgebied de bescherming wordt ingeroepen, tot een lagergenummerde categorie behoort, is de aangezochte rechter gebonden aan de exclusieve-bevoegdheidsgrond van die categorie?' Dat is korter, maar wellicht iets te cryptisch. Ten slotte zou desgewenst een verfijning kunnen worden aangebracht door de mogelijkheid om per type industriële-eigendomsrecht een categorie te kiezen: voor het octrooirecht kiest men dan bijvoorbeeld categorie I, voor het merkenrecht categorie III.
Zie par. 5.1.3 onder (a). Daarmee wordt dus in feite een lang bestaande misvatting (want dat is deze reïncarnatie) bekrachtigd.
Terzijde: die vraag heeft het Hof van Justitie EG in het GAT/LuK-arrest onbeantwoord gelaten (HvJ EG 13 juli 2006, nr. C-4/03, Jur. 2006, p. 1-6509; NJ 2008, 78 m.nt. PV (GAT/LuK); zie daarover Schaafsma 2007, p. 832833, vgl. ook noot 302 van hoofdstuk 5). De Hoge Raad heeft die lacune vervolgens, binnen de marges van het GAT/LuK-arrest, zelfstandig ingevuld in HR 30 november 2007, NJ 2008, 77 m.nt. PV onder NJ 2008, 78 (Roche/Primus). In het kader van de hier te ontwerpen regeling is men aan die invulling natuurlijk niet gebonden, er kan dus vrijelijk worden nagedacht over de beste oplossing.
Vgl. bijvoorbeeld art. 10 Haags Forumkeuzeverdrag 2005.
1101. Exclusieve bevoegdheid. Een soortgelijke exercitie kan worden uitgevoerd met (de recentste versie van) het Verdrag van Parijs en zijn beginsel van nationale behandeling, waardoor ook dit verdrag op een Savigniaanse leest wordt geherformuleerd. Die exercitie is vrijwel identiek aan de zojuist uitgevoerde herformulering van de Berner Conventie, en daarom blijft zij hier achterwege. Er is echter één belangrijk verschil, dat besproken moet worden. Het betreft de formele-territorialiteitscomponent van de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling. Terwijl deze component in het auteursrecht geheel verdween, is deze component in het industriële-eigendomsrecht verward met, en gereïncarneerd als exclusieve-bevoegdheidsgrond, zo hebben wij in par. 5.1.3 gezien.1 Dit mogen wij nu niet negeren: zoals in par. 5.3.2 werd vastgesteld, is één van de voorwaarden waaronder de conversie van de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling naar een Savigniaanse verwijzingsregel kan geschieden, dat daar waar formele territorialiteit is gereïncarneerd als exclusieve-bevoegdheidsgrond, een dergelijke bevoegdheidsgrond zal moeten worden aangenomen.2 Daarbij is het probleem, zo zagen wij ook reeds, dat de opvattingen over de reikwijdte van die exclusieve-bevoegdheidsgrond uiteen lopen. Hoe moet dit in het kader van onze herformuleringsoperatie worden vormgegeven? Wij dienen een oplossing te ontwikkelen waarmee wordt voldaan aan de genoemde conversie-voorwaarde en waardoor tegelijkertijd recht wordt gedaan aan de uiteenlopende opvattingen over de reikwijdte van de exclusieve-bevoegdheidsgrond. Bezien wij de volgende aanzet tot een oplossing van dat probleem.
1102. Protocol. Bij het Verdrag van Parijs wordt een additionele regeling — een protocol — gevoegd. In dat protocol worden de Unielanden in een aantal categorieën ingedeeld; elk land kiest zelf tot welke categorie het wenst te behoren.3 Elke categorie vertegenwoordigt een opvatting over de reikwijdte van de exclusievebevoegdheidsgrond. Welke opvattingen komen daarvoor in aanmerking? Op grond van met name de ervaringen die in dit verband zijn opgedaan in het kader van de wordingsgeschiedenis van het Haags Forumkeuzeverdrag 2005, kunnen in dit verband in totaal vier belangrijke, heden ten dage levende opvattingen worden onderscheiden.4
1103. Categorieën. Zo kan de volgende indeling in vier categorieën worden gemaakt.
Categorie I omvat de landen die kiezen voor volledige exclusieve bevoegdheid van de rechter van het land voor welks grondgebied de bescherming wordt ingeroepen.5 Deze rechter is dan dus exclusief bevoegd ten aanzien van alle vragen betreffende de bescherming van het desbetreffende industriële-eigendomsrecht. De formele-territorialiteitscomponent is alsdan één-op-één gereïncarneerd in een exclusieve-bevoegdheidsgrond. Deze opvatting is in Europese ogen, die gewend zijn aan het EEX-Verdrag en de EEX-Verordening, wellicht wat ouderwets. Wat daar ook van zij, deze categorie zal toch moeten worden opgenomen omdat anders niet wordt voldaan aan de eerdergenoemde conversievoorwaarde — landen moeten immers de mogelijkheid hebben voor deze opvatting te kiezen.
Categorie II omvat de landen die kiezen voor een beperktere exclusieve-bevoegdheidsgrond: de rechter van het land voor welks grondgebied de bescherming wordt ingeroepen, is alleen exclusief bevoegd ten aanzien van vragen van geldigheid en registratie — daarbij maakt het geen verschil of deze vragen voorwerp van de procedure zijn of dat zij bij wijze van preliminaire vraag zijn gerezen: in beide gevallen is de rechter van het land voor welks grondgebied de bescherming wordt ingeroepen, exclusief bevoegd. Dit is de benadering die volgens het Hof van Justitie EG in het EEX-Verdrag is neergelegd.6
Categorie III omvat de landen die kiezen voor een nóg beperktere exclusievebevoegdheidsgrond: de rechter van het land voor welks grondgebied de bescherming wordt ingeroepen, is alleen exclusief bevoegd ten aanzien van vragen van geldigheid en registratie voor zover die vragen voorwerp van de procedure zijn. Deze benadering treft men aan in het Haags Forumkeuzeverdrag 2005.7
Categorie IV, ten slotte, omvat de landen die exclusieve bevoegdheid volledig afzweren. Het laat zich raden dat heden ten dage weinig landen zich tot deze categorie aangetrokken zullen voelen, maar dat kan veranderen; de mogelijkheid moet worden geboden.
1104. Regeling exclusieve bevoegdheid. Door indeling in deze categorieën wordt duidelijk in hoeverre een Unieland formele territorialiteit heeft ingeruild voor exclusieve bevoegdheid. De aldus gekozen reikwijdte van de exclusieve-bevoegdheidsgrond zal door de andere Unielanden jegens dit land in acht moeten worden genomen. Anders gezegd: de andere Unielanden moeten respecteren dat wanneer de bescherming voor het desbetreffende land wordt ingeroepen, de rechter van dat land exclusief bevoegd is in de door zijn land gekozen mate. Maar andersom zal hetzelfde moeten gelden: het desbetreffende Unieland zal de gekozen reikwijdte van de exclusieve-bevoegdheidsgrond zelf ook in acht moeten nemen ten aanzien van de andere Unielanden. Anders is de kans immers vrij groot dat alle landen kiezen voor categorie I onder het motto "gij zult niet over mijn octrooien oordelen, ik wel over de uwe." De 'categorische imperatief' zal dus moeten worden meegenomen in de regeling. De regeling komt er dus kort gezegd op neer, dat wanneer het land van de aangezochte rechter en het land voor welks grondgebied de bescherming wordt ingeroepen tot verschillende categorieën behoren, de regel van de laagste categorie geldt. En wanneer de rechter van het land voor welks grondgebied de bescherming wordt ingeroepen, wordt aangezocht, is hij (uiteraard) gebonden aan de regel van de categorie waartoe zijn land behoort. Zo'n regeling kan op verschillende manieren worden vormgegeven, bijvoorbeeld als volgt:
De rechter van het land voor welks grondgebied de bescherming wordt ingeroepen, is exclusief bevoegd ;
exclusieve bevoegdheid
a. ten aanzien van alle vragen omtrent de bescherming van het desbetreffende industriële-eigendomsrecht, in het geval dat het land van de aangezochte rechter of het land voor welks grondgebied de bescherming wordt ingeroepen, behoort tot categorie
Cat. I
b. ten aanzien van vragen betreffende de geldigheid en de registratie van het desbetreffende industriële-eigendomsrecht, óók indien zij bij wijze van preliminaire vraag zijn gerezen, in het geval dat deze landen niet behoren tot categorie I, maar tenminste één van beide behoort tot categorie II;
Cat. II
c. ten aanzien van vragen betreffende de geldigheid en de registratie van het desbetreffende industriële-eigendomsrecht, doch alleen voor zover zij voorwerp van de procedure zijn, in het geval dat deze landen niet behoren tot categorie I of II, maar tenminste één van beide behoort tot categorie III.
Cat. III
1105. Aldus is voldaan aan de conversie-voorwaarde.8 De formele-territorialiteitscomponent van de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling, welke component in de loop van de twintigste eeuw werd verward met exclusieve bevoegdheid en als zodanig reïncarneerde, wordt nu dus bewust omgezet in exclusieve bevoegdheid — dit is de 'controlled demolition' van de formele territorialiteit.9 Tegelijkertijd wordt recht gedaan aan de verschillende opvattingen die tegenwoordig bestaan omtrent de reikwijdte van de exclusieve-bevoegdheidsgrond.
1106. Uitbreidingen. Bij dit alles moet worden aangetekend dat met deze regeling slechts op minimale wijze is voldaan aan de conversie-voorwaarde: alleen het hoogst noodzakelijke is geregeld. Het zal evenwel duidelijk zijn dat het vrijwel onvermijdelijk is dat méér zaken worden geregeld. Zo is in de eerste plaats een complete bevoegdheidsregeling eigenlijk onontbeerlijk. Want wij hebben dan wel nu de exclusieve bevoegdheid geregeld — maar welke bevoegdheidsregels gelden buiten de exclusieve materie? Dat wil men graag weten voordat men voor categorie II of hoger kiest. En daarnaast behoeven allerlei detailkwesties regeling, bijvoorbeeld — voor categorie II en III — de vraag wat de rechter concreet moet doen wanneer de geldigheid van een vreemd industriële-eigendomsrecht aan de orde komt.10 In de tweede plaats: waar een complete bevoegdheidsregeling wordt gecreëerd, ligt het voor de hand om ook een regeling inzake de erkenning- en tenuitvoerlegging van vreemde vonnissen te ontwerpen. De regel van categorie III prikkelt daartoe in ieder geval genoeg.11
1107. Kortom: wanneer men eenmaal een regeling voor de exclusieve bevoegdheid heeft opgesteld ter vervulling van de conversie-voorwaarde, ontkomt men eigenlijk niet aan een regeling van het gehele bevoegdheidsrecht op dit terrein, en ligt ook al snel een regeling van het gehele formele internationaal privaatrecht in het verschiet. Het protocol wordt dan aanzienlijk uitgebouwd.
1108. Optionele uitbreidingen. Daarnaast kan de regeling nóg verder worden uitgebreid. Zo zouden eisen kunnen worden gesteld aan toelating tot een hogere categorie, bijvoorbeeld eisen aan wetgeving, of aan de onafhankelijkheid en deskundigheid van de rechterlijke macht Immers, de keuze voor een bepaalde categorie wordt grotendeels bepaald door het vertrouwen in een vreemd rechtsstelsel en de vreemde rechterlijke macht. Dergelijke uitbreidingen zijn op zichzelf niet noodzakelijk, maar zij dragen er wel toe bij dat landen voor hogere categorieën (durven te) kiezen.
1109. Zo opent zich al met al, dunkt mij, een aantal interessante perspectieven voor de verdere uitbouw en ontwikkeling van het Verdrag van Parijs. De zojuist genoemde uitbreidingen — een regeling inzake de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van vreemde vonnissen, toelatingseisen enz. — worden hier niet verder uitgewerkt. Dat alles valt immers buiten het bestek van de herformulering van het geldende recht alsook buiten het bestek van deze studie.
1110. Conclusie. Daarmee kan het onderzoek naar het geldende recht worden afgerond. Wij hebben het geldende recht geanalyseerd, verklaard en ten slotte vertaald naar de hedendaagse denkwereld.