Kamerstukken II, 2006/2007, 31084, nr. 3, blz. 24-25.
HR, 04-06-2021, nr. 20/00796
20/00796
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-06-2021
- Zaaknummer
20/00796
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2021:823, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑06‑2021; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2020:226
Beroepschrift, Hoge Raad, 04‑06‑2021
- Vindplaatsen
V-N 2021/25.12 met annotatie van Redactie
NLF 2021/1258 met annotatie van Olga Menger
Belastingblad 2021/284 met annotatie van A.P. Monsma
FED 2021/98 met annotatie van E. THOMAS
BNB 2021/115 met annotatie van J.A. MONSMA
Gst. 2021/126 met annotatie van Redactie, J.L.W. Broeksteeg, L. van Moorsel
NTFR 2021/1807 met annotatie van mr. E.D. Postema
Viditax (FutD) 2021060441
FutD 2021-1734
Uitspraak 04‑06‑2021
Inhoudsindicatie
Rioolheffing; Publicatievoorschriften verordening artikel 139, lid 3, Gemeentewet; Op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar blijven; Elektronisch gemeenteblad.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 20/00796
Datum 4 juni 2021
ARREST
in de zaak van
STICHTING [X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE HORST AAN DE MAAS
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 januari 2020, nr. 18/00552, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Limburg (nr. AWB 15/2070) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2014 opgelegde aanslagen in de rioolheffing van de gemeente Horst aan de Maas. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door P.F. van der Muur, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas (hierna: het College), vertegenwoordigd door [P1] en [P2], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
In 2014 heeft belanghebbende een aantal woningen in de gemeente Horst aan de Maas (hierna: de gemeente) in eigendom. Ter zake van deze woningen zijn aanslagen rioolheffing voor het jaar 2014 vastgesteld.
2.2.1
Voor het Hof was onder meer in geschil of de Verordening rioolheffing 2013 (hierna: de Verordening) op de juiste wijze bekend is gemaakt.
2.2.2
Het Hof heeft vastgesteld dat in de openbare vergadering van 18 december 2012 de raad van de gemeente de Verordening heeft vastgesteld en dat in het Elektronisch gemeenteblad van 27 december 2012 de volgende tekst is gepubliceerd:
“Vaststelling diverse belasting- en legesverordeningen 2013
Soort bekendmaking verordeningen en reglementen
Subrubriek verordening en reglementen
Status vastgesteld
Locatie Horst aan de Maas
Publicatiedatum 27-12-2012
Vervaldatum 21-03-2013
Inleiding
Beschrijving
De gemeenteraad van Horst aan de Maas heeft in de vergadering van 18 december 2012 diverse belasting- en legesverordeningen 2013 vastgesteld.
Verdere procedure
Tegen deze verordeningen kan geen bezwaar of beroep worden ingediend. De ingangsdatum van de heffingen is 1 januari 2013. De verordeningen zijn onderaan deze pagina te raadplegen. U kunt deze ook raadplegen via www.overheid.nl (lokale regelingen). U vindt een link naar deze website onder Bestuur en Organisatie - Regelgeving.
De verordeningen zijn opgenomen in het publicatieregister gemeentelijke belastingen. Dit publicatieregister is gratis ter inzage bij cluster woz van de gemeente Horst aan de Maas, Wilhelminaplein 6 in Horst . Een ieder kan op verzoek, tegen betaling van leges, een afschrift krijgen van de verordening. Voor nadere informatie kunt u zich wenden tot de medewerkers van cluster woz. Onderstaande algemene informatie heeft geen betrekking op deze specifieke bekendmaking.”.
2.2.3
Voorts heeft het Hof vastgesteld dat in de vergadering van 17 december 2013 de raad van de gemeente heeft besloten:
“de huidige verordening rioolheffing niet te wijzigen, waarbij:
1. het tarief rioolheffing 2014 wordt gehandhaafd op € 206”.
2.2.4
Het Hof heeft geoordeeld dat de publicatie heeft plaatsgevonden in het Elektronisch gemeenteblad van 27 december 2012 en dat is voldaan aan de kenbaarheidseisen als bedoeld in artikel 139, lid 2, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet. Daaraan wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat in die publicatie niet uitdrukkelijk is vermeld dat de Verordening is vastgesteld maar dat in algemene termen is vermeld dat “diverse belasting- en legesverordeningen 2013” zijn vastgesteld.
2.2.5
Voorts heeft het Hof geoordeeld dat deze publicatie beschikbaar is gebleven, namelijk als papieren print van (elektronische) informatie. In de via internet te raadplegen Verordening is vermeld de bron van de bekendmaking: “Elektr. Gem.bl. 27-12-2012”, zodat hieruit in samenhang met de door de heffingsambtenaar overgelegde print van de betreffende uitgave van het Elektronisch gemeenteblad, blijkt dat de publicatie heeft plaatsgevonden. De omstandigheid dat het Elektronisch gemeenteblad niet meer online is te raadplegen levert geen strijd op met artikel 139, lid 3, van de Gemeentewet, aldus het Hof.
3. Beoordeling van het middel
3.1
Het tweede middelonderdeel bestrijdt het in 2.2.5 weergegeven oordeel.
3.2
Artikel 139, lid 3, van de Gemeentewet (tekst tot 1 januari 2014) schrijft voor dat het gemeenteblad indien het elektronisch wordt uitgegeven na uitgifte elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar blijft. Hiermee wordt beoogd dat de tekst van een door het gemeentebestuur vastgesteld algemeen verbindend voorschrift ook later nog kan worden geraadpleegd1.. Zoals ook het Hof heeft vastgesteld is het Elektronisch gemeenteblad waarin de Verordening is gepubliceerd, niet (langer) elektronisch beschikbaar. Aan de eis dat het Elektronisch gemeenteblad elektronisch op algemeen toegankelijke wijze beschikbaar is, is daarom niet voldaan. Hieraan doet niet af dat de tekst van de Verordening nog wel op het internet gevonden kan worden en dat in die tekst staat vermeld op welke datum de Verordening is gepubliceerd in het Elektronisch gemeenteblad, ook niet in combinatie met een overgelegde print van (de opdracht tot publicatie in) het Elektronisch gemeenteblad. De wetgever heeft weliswaar niet willen uitsluiten dat ook via andere media dan het officiële publicatiemedium als service aan het publiek bekendheid wordt gegeven aan de publicatie van algemeen verbindende voorschriften2.maar dit komt niet in de plaats van de officiële publicatie. Met zijn hiervoor in 2.2.5 weergeven oordeel heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
3.3
Het middel slaagt in zoverre. Het is niet nodig op het middel voor het overige te beslissen. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen is de Verordening onverbindend omdat niet is voldaan aan de in artikel 139 van de Gemeentewet neergelegde publicatievoorschriften.3.De aanslagen moeten worden vernietigd.
4. Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Horst aan de Maas,
- vernietigt de aanslagen in de rioolheffing voor het jaar 2014,
- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 532,
- draagt de heffingsambtenaar van de gemeente Horst aan de Maas op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 508 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling voor de Rechtbank van € 331,
- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.136 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Horst van de Maas in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 1.068 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op € 1.068 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 265 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2021.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 04‑06‑2021
Beroepschrift 04‑06‑2021
Beroepschrift in cassatie gericht tegen de uitspraak van Gerechtshof
's‑Hertogenbosch d.d. 24 januari 2020, betreffende het hoger beroep
tegen de uitspraak van Rechtbank Limburg d.d. 24 augustus 2018 inzake
het beroep van Stichting [X] tegen de uitspraak op bezwaar
van de gemeente Horst aan de Maas betreffende de aanslagen rioolheffing
2014; Kenmerk Gerechtshof; 18/00552
Edelhoogachtbaar College,
Stichting [X] (hierna: [X]), statutair gevestigd te gemeente [Z], tekent hierbij beroep in cassatie aan tegen de in de aanhef genoemde uitspraak (hierna: de uitspraak) van Gerechtshof 's‑Hertogenbosch (hierna: het Hof) van 24 januari 2020:
Bijgaand zenden wij u een afschrift van de uitspraak van het Hof, alsmede een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en een door onze cliënte ondertekende machtiging.
Wij verzoeken u het met betrekking tot dit beroepschrift verschuldigde griffierecht te verrekenen via de rekening-courant van […] te […], nummer […], onder vermelding van cliëntnaam en engagementnummer, te weten […].
Ter motivering van het beroep mag het volgende dienen.
1. Cassatiemiddel
Als middel van cassatie draagt [X] voor:
Verzuim van vormen en/of schending van het recht, onder meer artikel 9 Kaderrichtlijn Water en artikel 139 Gemeentewet en het gelijkheidsbeginsel, dan wel verzuim van vormen waarvan de nietinachtneming met nietigheid is bedreigd. Het Hof heeft ten onrechte althans op gronden die de beslissing niet kunnen dragen geoordeeld dat het hoger beroep van [X] ongegrond is, doordat het Hof heeft geoordeeld dat de Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2013 (hierna: de Verordening) op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, dat de gemeente Horst aan de Maas (hierna: de gemeente) niet in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel en tenslotte dat de gemeente niet in strijd heeft gehandeld met de Europese Kaderrichtlijn Water (hierna: KRW).
2. Juridisch kader
2.1. M.b.t. de KRW
Jurisprudentie HvJ EU
2.1.1
In het arrest Kühne & Heitz heeft het HvJ EU als volgt geoordeeld1.:
- ‘28.
Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord, dat een bestuursorgaan ingevolge het in artikel 10 EG vervatte samenwerkingsbeginsel een definitief geworden besluit desgevraagd opnieuw moet onderzoeken teneinde rekening te houden met de uitlegging die het Hof inmiddels aan de relevante bepaling van gemeenschapsrecht heeft gegeven, wanneer:
- —
hij naar nationaal recht bevoegd is om op dat besluit terug te komen:
- —
het in geding zijnde besluit definitief is geworden ten gevolge van een uitspraak van een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep;
- —
voormelde uitspraak, gelet op latere rechtspraak van het Hof, berust op een onjuiste uitlegging van het gemeenschapsrecht, gegeven zonder dat het Hof overeenkomstig artikel 234, derde alinea, EG is verzocht om een prejudiciële beslissing, en
- —
de betrokkene zich tot het bestuursorgaan heeft gewend onmiddellijk na van die rechtspraak kennis te hebben genomen.’
2.2
M.b.t. het gelijkheidsbeginsel (als beginsel van behoorlijk bestuur)
Verordening gemeente
2.2.1
Artikel 1 van de Verordening luidt voor zover van belang:
‘Deze Verordening verstaat onder:
- a.
perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan met een aansluiting op het waterleidingnet.
- b.
in afwijking van de aanhef en onderdeel a. worden voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten en terreingedeelten geschikt voor het plaatsen van diverse kampeermiddelen, die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein, dat als zodanig wordt geëxploiteerd, tezamen met de overige gebouwen en bouwwerken, voor zover die dienstbaar zijn aan de verblijfsrecreatie op dat terrein, aangemerkt als één perceel.’
[Onderstreping door [X]]
2.2.2
Artikel 3 van de Verordening luidt:
‘De belasting wordt geheven:
- 1.
Van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel.
- 2.
Met betrekking tot het eigenarendeel wordt, ingeval het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.’
[Onderstreping door [X]
2.2.3
Artikel 16 van de Wet WOZ luidt:
Voor de toepassing van de wet wordt als één onroerende zaak aangemerkt:
- a.
een gebouwd eigendom;
- b.
een ongebouwd eigendom;
- c.
een gedeelte van een in onderdeel a of onderdeel b bedoeld eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
- d.
een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde eigendommen of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;
- e.
een geheel van twee of meer van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde eigendommen, of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan, of in onderdeel d bedoelde samenstellen, dat naar de omstandigheden beoordeeld één terrein vormt bestemd voor verblijfsrecreatie en dat als zodanig wordt geëxploiteerd;
- f.
het binnen de gemeente gelegen deel van een in onderdeel a of onderdeel b bedoeld eigendom, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan, van een in onderdeel d bedoeld samenstel of van een in onderdeel e bedoeld geheel. [Onderstreping door [X]]
2.2.4
De parlementaire geschiedenis bij artikel 16 van de Wet WOZ luidt voor zover van belang2.:
‘De bestaande regels voor objectafbakening leiden er toe dat alle op recreatieterreinen gelegen onroerende recreatiewoningen en stacaravans met de bijbehorende (ondergrond, als afzonderlijke onroerende zaken worden aangemerkt, ook indien die woningen tot één eigendom behoren. Dit betekent in de praktijk dat voor al deze-onroerende recreatiewoningen en onroerende stacaravans met de daarbij behorende grond de waarde afzonderlijk moet worden bepaald en vastgesteld en dat al deze objecten afzonderlijk worden betrokken in de heffing van de OZB en de waterschapsomslag gebouwd. Dit wordt niet doelmatig geacht in die gevallen waarbij al deze objecten behoren tot de eigendom of het zakelijk recht van één persoon.
(…)
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat onroerende recreatiewoningen en stacaravans met ondergrond die eigendom zijn van de gebruiker — of waarop de gebruiker een afzonderlijk beperkt recht (erfpacht- of opstalrecht) heeft gevestigd — ook na de voorgestelde wijziging als afzonderlijkeonroerende zaken zullen worden aangemerkt en dus ook als zodanig zullen worden gewaardeerd en in de belastingheffing worden betrokken (gelet op de systematiek van artikel 16 Wet WOZ).’
Jurisprudentie Hoge Raad
2.2.5
In het ‘arrest Steenwijkerland’ van 4 november 2016 heeft uw Raad onder meer overwogen3.:
‘2.4.1.
Bij de beoordeling van de middelen moet worden vooropgesteld dat artikel 1 van de Grondwet niet ieder verschil in behandeling van gelijke gevallen verbiedt, maar slechts die verschillen waarvoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat (vgl. HR 16 juni 1999, nr. 33928, ECLI:NL:HR:1999:AA2772, BNB 1999/286).
(…)
2.4.6.
Aan de keuze van de gemeente Steenwijkerland om in de Verordening aan te sluiten bij de afbakeningsregels van de Wet WOZ, ook aan de hiervoor in 2.4.5 bedoelde bijzondere regel, ligt een praktisch motief ten grondslag, te weten het voeren van een gezamenlijke objectadministratie. Het verbod van discriminatie in artikel 1 van de Grondwet gaat niet zo ver dat de gemeente verplicht is deze bijzondere regel voor recreatieterreinen naar analogie toe te passen in een geval als dat van belanghebbende, waarmee de praktische aansluiting bij de afbakeningsregels van de Wet WOZ zou worden doorbroken.’
[Onderstreping door [X]]
Literatuur
2.2.6
Happé schrijft4.:
‘De Hoge Raad hanteert in beginsel dezelfde rechtsvindingsmethodiek als het EHRM. Deze methode valt in twee onderdelen uiteen. Allereerst gaat de rechter na of er sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Als dat het geval is, onderzoekt hij vervolgens of er een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid is.
(…)
In dit laatste arrest [het Tandartsvrouw-arrest, HR 27 september 1989, nr. 24 297, BNB 1990/61; A-G] blijkt dat de Hoge Raad twee vereisten hanteert. Het eerste vereiste is de ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Een principiële moeilijkheid is dat gevallen nooit volkomen gelijk aan elkaar zijn. Een volkomen identiteit van gevallen is in onze wereld uitgesloten, al is het maar omdat elk geval zich op een ander punt van het assenstelsel van tijd en ruimte bevindt. Toch heeft het in de context van de toetsing aan het gelijkheidsbeginsel zin om te blijven spreken van gelijke gevallen. Gelijkheid is er vanuit een bepaald perspectief. Vanuit een bepaalde invalshoek kunnen verschillende gevallen dezelfde kenmerken vertonen en daarom gelijk worden genoemd. In het geval van een wettelijke regel wordt dat perspectief gevormd door de doelstelling van die regel. De wettelijke regel poneert de gelijkheid van gevallen door aan gevallen die bepaalde kenmerken gemeen hebben hetzelfde rechtsgevolg te verbinden. Deze kenmerken worden de relevante kenmerken genoemd. Zij zijn relevant vanuit de doelstelling van de wettelijke regeling.
Deze doelstelling is daarmee essentieel voor de beoordeling of sprake is van gelijke gevallen. Slechts vanuit dat perspectief kan worden vastgesteld of gevallen in de relevante opzichten gelijk zijn. In het Tandartsvrouw-arrest werden bijvoorbeeld gehuwden en ongehuwd samenwonenden destijds niet als gelijke gevallen aangemerkt omdat de huwelijksband een hechtere economische band in het leven roept.’
[Onderstreping door [X]]
2.3. M.b.t. de bekendmaking
Wettelijke bepalingen
2.3.1
Artikel 5 Gemeentewet luidde ten tijde van het vaststellen van de Verordening voor zover van belang:
‘In deze wet wordt verstaan onder:
- a.
gemeentebestuur: ieder bevoegd orgaan van de gemeente:
- b.
Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties:
- c.
college: college van burgemeester en wethouders.’
[Onderstreping door [X]]
2.3.2
Artikel 139 Gemeentewet luidde ten tijde van het vaststellen van de Verordening:
- ‘1.
Besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden, verbinden niet dan wanneer zij zijn bekendgemaakt.
- 2.
De bekendmaking geschiedt:
- a.
door plaatsing in het op een algemeen toegankelijke wijze uit te geven gemeenteblad:
- b.
bij gebréke van een gemeenteblad, door terinzagelegging voor de tijd van twaalf weken op het gemeentehuis of op een andere door het college te bepalen plaats en door het doen van mededeling daarvan in een plaatselijk verschijnend dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad.
- 3.
Het gemeenteblad kan elektronisch worden uitgegeven. Na de uitgifte blijft het gemeenteblad elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar. Indien elektronische uitgifte geheel of gedeeltelijk onmogelijk is, voorziet het gemeentebestuur in een vervangende uitgave. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden omtrent het bepaalde in de eerste en tweede volzin nadere regels gesteld.
- 4.
Voor het inzien van een overeenkomstig het tweede lid bekendgemaakt besluit worden geen kosten in rekening gebracht.
- 5.
Bij de bekendmaking van een besluit dat aan goedkeuring is onderworpen, wordt de dagtekening vermeld van het besluit waarbij die goedkeuring is verleend of wordt de mededeling gedaan van de omstandigheid dat ingevolge artikel 10:31, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht een besluit tot goedkeuring wordt geacht te zijn genomen.’
[Onderstreping door [X]]
Parlementaire behandeling
2.3.3
Een definitie van het begrip ‘algemeen verbindend voorschrift’ ontbreekt in de Algemene wet bestuursrecht. Volgens de memorie van toelichting wordt hieronder echter begrepen5.:
‘(…) een naar buiten werkende, voor de daarbij betrokkenen bindende (algemene) regel, uitgegaan van het openbaar gezag dat de bevoegdheid daartoe aan de wet ontleent. ’
2.3.4
De bepaling van artikel 139 Gemeentewet heeft blijkens de memorie van toelichting betrekking op alle verordeningen met externe werking. Als voorbeeld is onder meer genoemd een belastingverordening6..
Inhoud gemeenteblad Horst aan de Maas
2.3.5
In de tot (tweemaal toe) door de heffingsambtenaar overgelegde (geprinte) uitgave van het Elektronisch gemeenteblad d.d. 27 december 2012 is opgenomen7.:
‘Vaststelling diverse belasting- en legesverordeningen 2013
Soort bekendmaking | verordeningen en reglementen |
Subrubriek | verordeningen en reglementen |
Status | vastgesteld |
Locatie | Horst aan de Maas |
Publicatiedatum | 27-12-2012 |
Vervaldatum | 21-03-2013 |
Inleiding | |
Beschrijving |
De gemeenteraad van Horst aan de Maas heeft in de vergadering van 18 december 2012 diverse belasting- en legesverordeningen 2013 vastgesteld.
Verdere procedure
Tegen deze verordeningen kan geen bezwaar of beroep worden ingediend. De ingangsdatum van de heffingen is 1 januari 2013. De verordeningen zijn onderaan deze pagina te raadplegen. U kunt deze ook raadplegen via www.overheid.nl (lokale regelingen) U vindt een link naar deze website onder Bestuur en Organisatie — Regelgeving. De verordeningen zijn opgenomen in het publicatieregister gemeentelijke belastingen. Dit publicatieregister is gratis tér inzage bij cluster woz van de gemeente Horst aan de Maas, Wilhelminaplein 6 in Horst. Een ieder kan op verzoek, tegen betaling van leges, een afschrift krijgen van de verordening. Voor nadere informatie kunt zich wenden tot de medewerkers van cluster woz. Onderstaande algemene informatie heeft geen betrekking op deze specifieke bekendmaking.’
3. Toelichting cassatiemiddel
3.1. Eerste middelonderdeel
Strijd met KRW
3.1.1
[X] heeft kennis genomen van de uitspraak van uw Raad d.d. 8 december 2017 maar persisteert in haar grief dat sprake is van strijd met artikel 9 van de Kaderrichtlijn Water. In voornoemde procedure is uw Raad namelijk verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. Uw Raad heeft dit (klaarblijkelijk) niet nodig geacht.
3.1.2
Mocht op basis van toekomstige jurisprudentie van het HvJ EU blijken dat voornoemde uitspraak van uw Raad in strijd is met het Europese recht meent [X] dat voor een succesvol beroep op herziening van belang is dat tot de hoogste rechterlijke instantie is doorgeprocedeerd. [X] verwijst in dat kader naar het arrest Kühne & Heitz zoals hiervoor genoemd in het juridisch kader onder 2.1.1.
3.1.3
Het Hof heeft zich over voornoemde rechtsvraag niet uitgelaten. Wij verzoeken Uw Raad om hieromtrent duidelijkheid te verschaffen en zo gewenst hieromtrent prejudiciële vragen te stellen.
3.2. Tweede middelonderdeel
Strijd met Artikel 139 gemeentewet, verordening niet op juiste wijze bekendgemaakt
3.2.1
Getuige artikel 5 Gemeentewet en de parlementaire geschiedenis bij artikel 139 Gemeentewet8. is de Verordening een besluit van het gemeentebestuur dat een algemeen verbindend voorschrift inhoudt. Dit is niet tussen partijen in geschil.
3.2.2
Volgens artikel 139 Gemeentewet kunnen besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden (zoals onderhavige Verordening) op een tweetal wijzen bekend worden gemaakt. Dit kan door plaatsing van dit besluit in een door de gemeente uit te geven gemeenteblad en bij gebrek van een dergelijk blad via terinzagelegging van het besluit.
3.2.3
Gelezen de stukken van het geding heeft de gemeente gekozen voor plaatsing van het besluit in een door haar uit te geven gemeenteblad. De heffingsambtenaar heeft in eerste aanleg tweemaal9. een (geprinte) uitgave van het gemeenteblad van 27 december 2012 overgelegd. In het verweerschrift wordt naar deze uitgave van het gemeenteblad verwezen als ‘bekendmaking Verordening rioolheffing 2013’10..
3.2.4
De heffingsambtenaar heeft, getuige de stukken van het geding, zich (in beginsel) gesteld op het standpunt dat de melding ‘Vaststelling diverse belasting- en legesverordeningen 2013’ zoals hiervoor weergegeven in het juridisch kader onder 2.3.5 de plaatsing van de Verordening conform artikel 139 Gemeentewet zou inhouden.
3.2.5
Daartegenover stelt [X] zich op het standpunt dat voornoemde melding in het gemeenteblad niet kan kwalificeren als een plaatsing van de Verordening conform artikel 139 Gemeentewet. Het is immers gelezen de tekst van de melding maar zeer de vraag of de Verordening één van de ‘diverse belastingverordeningen’ is. Dat deze hiertoe behoort is volgens [X] overigens ook niet waarschijnlijk gezien het feit dat de rioolheffing geen belasting is maar een bestemmingsheffing. De rechten (leges) worden in de melding immers ook apart genoemd.
3.2.6
Artikel 139, lid 1 en lid 2, sub a Gemeentewet vereisen dat het besluit (lees: de Verordening) moet worden bekendgemaakt door plaatsing hiervan in een gemeenteblad. Voornoemde melding in de uitgave van 27 december 2012 voldoet hieraan niet. Het besluit wordt immers niet eens ‘genoemd’ in de melding, zodat van ‘plaatsing’ al helemaal niet kan worden gesproken. In de uitgave wordt vrij vertaald enkel melding gemaakt van het feit dat diverse besluiten zijn genomen. Het moge duidelijk zijn dat op deze wijze niet voldaan is aan artikel 139 Gemeentewet.
3.2.7
Wat betreft de rest van de betreffende melding in het gemeenteblad stelt [X] zich op het standpunt dat ook hier niet blijkt welke belastingverordeningen het betreft. Volgens de tekst zou onderaan de pagina staan om welke verordeningen het zou gaan. Dit is, ondanks dat uit beide overgelegde uitdraaien van het gemeenteblad blijkt dat deze wel de gehele uitgave betreffen, echter niet het geval.
3.2.8
Getuige de laatste alinea van het proces-verbaal van de zitting bij het Hof is het de heffingsambtenaar zelf ook onbekend of de Verordening wel behoort tot de in de melding opgenomen ‘diverse belastingverordeningen’:
‘Heffingsambtenaar ([A]): Ik zou het moeten nakijken. Het kan best zijn dat er twee publicaties zijn geweest. De OZB, rioolheffing en afvalstoffenheffing worden vaak samengepakt. In de publicatie staat ‘diverse belastingverordeningen’. Ik kan me voorstellen dat er nog een andere publicatie was.’
Ondanks het feit dat de heffingsambtenaar tijdens de zitting bij het Hof twijfelde of de Verordening wel tot de vermelde ‘diverse belastingverordeningen’ behoorde, moet worden vastgesteld dat hij geen (onvoorwaardelijk) bewijsaanbod heeft gedaan. Voorts is door de heffingsambtenaar, naast zijn primaire standpunt dat de Verordening wel kan verbinden, geen subsidiair standpunt ingenomen-voor het geval het Hof tot het oordeel zou zijn gekomen dat de Verordening niet kan verbinden.
3.2.9
Het Hof oordeelt in r.o. 4.1.2:
‘4.1.
2 Het Hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de gemeente met de publicatie in het Elektronisch gemeenteblad van 27 december 2012, zoals geciteerd in 2.5, heeft voldaan aan de voorwaarde zoals gesteld in artikel 139, lid 2, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet. De omstandigheid dat in de publicatie niet expliciet is vermeld dat de ‘Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2013’ is vastgesteld, maar dat in algemene termen is vermeld dat ‘diverse belasting- en legesverordeningen 2013’ zijn vastgesteld, doet daar aan niet af. Het Hof is van oordeel dat met de publicatie aan de kenbaarheidseisen is voldaan, nu niet voor misverstand vatbaar is dat de Verordening een van de belastingverordeningen is. [Onderstreping door [X]].
In de eerste plaats is het oordeel van het Hof dat niet voor misverstand vatbaar is dat de Verordening onder de melding valt, gezien de hiervoor onder 3.2.8 geciteerde verklaring van de heffingsambtenaar, onjuist althans onvoldoende gemotiveerd en daarmee onbegrijpelijk. De heffingsambtenaar geeft juist aan dat hij het ook niet weet. Hetzelfde geldt dus voor het oordeel van het Hof dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarde van artikel 139 Gemeentewet is voldaan. Daarnaast is het oordeel van het Hof dat de algemene termen van de melding er niet aan af doen dat aan de voorwaarden van voornoemd artikel is voldaan niet nader door het Hof onderbouwd. Daarmee is het oordeel van het Hof onjuist althans onvoldoende gemotiveerd en daarmee onbegrijpelijk.’
3.2.10
[X] stelt dat het niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest dat een belastingplichtige zelf moet onderzoeken welke verordeningen worden bedoeld met ‘diverse belastingverordeningen’. Daarbij moet in het onderhavige geval ook in grote mate rekening worden gehouden met het feit dat het (uitgerekend) de heffingsambtenaar zelf ook niet bekend is of de Verordening rioolheffing hier wel toe behoort.
3.2.11
Nu niet is voldaan aan het vereiste van artikel 139 Gemeentewet moet worden geconcludeerd dat de Verordening niet (op de juiste wijze) bekend is gemaakt en derhalve niet in werking is getreden.
3.2.12
Gezien het bovenstaande verzoekt [X] uw Raad te oordelen dat de Verordening niet kan verbinden en de onderhavige aanslagen rioolheffing dientengevolge niet in stand kunnen blijven en dienen te worden vernietigd.
3.3. Derde middelonderdeel
Strijd met gelijkheidsbeginsel
3.3.1
[X] stelt dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Conform artikel 1, sub b van de Verordening heeft de gemeente voor de rioolheffing in het onderhavige jaar alle objecten op een recreatieterrein, ongeacht de juridische status van de zich daarop bevindende opstallen, aangemerkt als één perceel. Dit is tussen partijen niet in geschil.
3.3.2
Bovenstaande betekent dus dat bij een recreatieterrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd en waarbij (sommige van) de recreatiewoningen van verschillende eigenaren zijn slechts één aanslag rioolheffing wordt opgelegd. In beginsel zijn echter, op grond van artikel 3 van de Verordening alle eigenaren van percelen die direct of indirect zijn aangesloten op de gemeentelijke riolering, belastingplichtig11.. De gevallen waar [X] zich aan gelijkstelt betreft de eigenaren van recreatiewoningen die door toedoen van artikel 1, sub b van de Verordening geen aanslag ontvangen.
Gelijke gevallen
3.3.3
Gelet op de hiervoor onder 2.2.6 opgenomen literatuur en de daarin genoemde jurisprudentie van uw Raad moet, om vast te kunnen stellen of sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, in de eerste plaats worden onderzocht of sprake is van gelijke gevallen. Dit onderzoek is door [X] uitvoerig beschreven in haar beroepschrift in hoger beroep12.. Daaruit moet worden geconcludeerd dat sprake is van gelijke gevallen. Van de verschillen die de heffingsambtenaar heeft aangedragen is door [X] in haar pleitnota gemotiveerd gesteld dat deze niet relevant zijn voor de betreffende rioolheffing.
3.3
Het Hof oordeelt (impliciet) dat sprake is van gelijke gevallen en van ongelijke behandeling van die gelijke gevallen. Het Hof gaat immers direct over tot het oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een rechtvaardigingsgrond. Op het moment dat de vraag of sprake is van een rechtvaardigingsgrond zich voordoet is de vraag of sprake is van gelijke gevallen reeds een gepasseerd station zoals uit de hiervoor aangehaalde literatuur van Happé blijkt. Met dit oordeel dat sprake is van gelijke gevallen volgt het Hof het arrest van uw Raad van 4 november 201613.14..
Geen rechtvaardigingsgrond
3.3.5
Na de vaststelling dat sprake is van gelijke gevallen dient te worden beoordeeld of sprake is van een rechtvaardigingsgrond voor de ongelijke behandeling van de gelijke gevallen.
3.3.6
De heffingsambtenaar heeft in eerste aanleg, onder verwijzing naar voornoemd ‘arrest Steenwijkerland’, enkel aangevoerd dat de rechtvaardiging van de ongelijke behandeling moet worden gezocht in een doelmatige uitvoering van de heffing. In r.o. 3.1 van de uitspraak van de Rechtbank is de onderbouwing van deze stelling van de heffingsambtenaar opgenomen:
‘Het als één perceel in de rioolheffing betrekken van een recreatieterrein leidt tot een doelmatigere uitvoering omdat het lastig te achterhalen is wie de vakantiewoningen of stacaravans huren.’
Deze rechtvaardigingsgrond is door [X] uitgebreid weerlegd in het beroepschrift in hoger beroep15.. De rioolheffing wordt van de eigenaar geheven hetgeen betekent dat het voor de heffing hiervan niet van belang is om te weten aan wie de woningen en stacaravans worden verhuurd.
3.3.7
In hoger beroep is de heffingsambtenaar in zijn verweerschrift met een geheel nieuwe rechtvaardigingsgrond gekomen die er op neerkomt dat bij een recreatieterrein slechts één aansluiting voor afvalwater is. In haar pleitnota in hoger beroep heeft [X] gemotiveerd gesteld dat uit de door de heffingsambtenaar overgelegde stukken niets is gebleken inzake deze rechtvaardigingsgrond. Voorts is in deze pleitnota uitvoerig door [X] beschreven waarom het door de heffingsambtenaar gestelde niet als rechtvaardigingsgrond kan dienen. Uit het oordeel van het Hof onder 4.4 moet worden geconcludeerd dat ook het Hof in voornoemde stelling van de heffingsambtenaar geen rechtvaardiging ziet voor de ongelijke behandeling van de gelijke gevallen. Het Hof oordeelt immers dat sprake is van een andere rechtvaardigingsgrond.
Oordeel van het Hof
3.3.8
Het Hof oordeelt in r.o. 4.4 dat sprake is van een zekere ‘ruwheid van wetgeving’. Het Hof baseert dit oordeel op het hiervoor onder 2.2.5 aangehaalde ‘arrest Steenwijkerland’. [X] kan dit oordeel van het Hof niet anders interpreteren dan dat het Hof vindt dat in het onderhavige geval sprake is van dezelfde rechtvaardigingsgrond als in voornoemd arrest. Dit oordeel van het Hof is onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd en daarmee onbegrijpelijk.
3.3.9
In voornoemd arrest van uw Raad had de gemeente Steenwijkerland aangesloten bij de afbakeningsregels van artikel 16 van de Wet WOZ. Op grond van dit artikel kan een object nooit de grens van verschillende zakelijke gerechtigden overschrijden. Ook die gemeente wees in de Verordening de eigenaar van een perceel aan als belastingplichtig voor de rioolheffing. Uw Raad heeft in dat geval geoordeeld dat het gerechtvaardigd was dat de gemeente, uit praktisch oogpunt, aansluiting zocht bij de WOZ objectafbakening. Immers, in dat geval kon de gemeente een gezamenlijke objectadministratie voeren voor de WOZ en de rioolheffing.
3.3.10
Belangrijk element hierbij is dat in de gemeente Steenwijkerland wel alle belastingplichtigen in de heffing werden betrokken. Alle eigenaren van percelen kregen namelijk een aanslag. Sommige eigenaren (namelijk die van recreatieterreinen) kregen echter maar één aanslag ondanks het feit dat sprake was van meerdere onroerende zaken. Dit was gerechtvaardigd omdat in de WOZ-administratie deze onroerende zaken (ook) als één (WOZ-)object werden aangemerkt.
3.3.11
Daarmee is de casus zoals deze voorlag bij uw Raad een geheel andere dan onderhavige16.. In het onderhavige geval worden namelijk niet alle belastingplichtigen in de heffing betrokken. Niet alle eigenaren krijgen immers een aanslag. Eigenaren van een onroerende zaak die (toevalligerwijs) is gelegen op een recreatieterrein worden (op één eigenaar na) niet aangeslagen voor de rioolheffing. Deze ongelijke behandeling van eigenaren komt voort uit de bepaling van artikel 1, sub b van de Verordening.
3.3.12
Inzake hetgeen hierboven uiteengezet heeft de heffingsambtenaar zelf in het verweerschrift in eerste aanleg verklaard17.18.:
‘Hierdoor worden ook vakantiewoningen waarbij een opstalrecht is gevestigd, samen met de overige onderdelen van het terrein als één perceel voor de rioolheffing aangemerkt. Door deze koppeling, die in feite afwijkt van de WOZ-objectafbakening, worden in Horst alle recreatieterreinen als één perceel aangemerkt, ongeacht wat de juridische status is van de daarop voorkomende opstallen. Het oordeel van het Hof in de casus Steenwijkerland kan ook op basis daarvan niet zonder meer van toepassing worden verklaard in de lopende beroepsprocedure van Horst
(…)
Daarnaast wordt in het raadsvoorstel van 14 december 2010 verwezen naar een raadsnotitie waarin is ongemerkt dat alle vakantiewoningen en stacaravans ongeacht, de eigendomssituatie, als afzonderlijk object in de rioolheffing meegenomen zouden worden, maar dat dit niet de bedoeling was van de voormalige gemeenteraden. Bovendien was ook richting de exploitanten van de vakantieparken gecommuniceerd dat deze als één perceel in de heffing zouden worden betrokken. De afbakening van de recreatieterreinen is dan ook een bewuste keuze van de gemeenteraad.’
[Onderstreping door [X]]
3.3.13
Gezien het bovenstaande kan aan de ongelijke behandeling in het onderhavige geval niet de rechtvaardigingsgrond uit het ‘arrest Steenwijkerland’ ten grondslag liggen, te weten het praktische motief van het voeren van een gezamenlijke objectadministratie voor de rioolheffing en de WOZ. In de objectadministratie voor de WOZ zullen immers alle objecten van verschillende eigenaren voorkomen. Het is zelfs zodat de eigenaren van de (ten onrechte niet in de rioolheffing betrokken) onroerende zaken wel gewoon een aanslag onroerendezaakbelastingen zullen krijgen. Van een gerechtvaardigde ‘ruwheid van wetgeving’ zoals bedoeld in r.o. 2.4.4 van het ‘arrest Steenwijkerland’ kan in het onderhavige geval derhalve geen sprake zijn.
3.3.14
Gezien het bovenstaande is het oordeel van het Hof omtrent dit dan ook onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd en daarmee onbegrijpelijk. [X] verzoekt uw Raad bovenstaande zienswijze van [X] te bevestigen en de uitspraak van het Hof te vernietigen.
4. Conclusie
Uit bovenstaande blijkt dat 's Hofs uitspraak onjuist is en in strijd met het recht, althans onvoldoende gemotiveerd en onbegrijpelijk is en niet in stand kan blijven. Derhalve verzoekt [X] uw Raad de bestreden uitspraak te vernietigen, het hoger beroep van [X] gegrond te verklaren en te oordelen dat de Verordening algeheel onverbindend is en de aanslagen geheel moeten worden vernietigd/verminderd.
Wij verzoeken uw Raad tevens de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten van het cassatieberoep, het hoger beroep het beroep in eerste aanleg en het bezwaar, (vooralsnog) bestaande uit de kosten van de door […] verleende rechtsbijstand.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 04‑06‑2021
HvJ EU, 13 januari 2004, C-453/00.
Hoge Raad, 4 november 2016, nr. 15/03647, ECLI:NL:HR:2016:2495.
R.H. Happé, ‘Fiscale discriminatie in 26 jaar rechtspraak van de Hoge Raad: een fiscaal en rechtstatelijk debat’, WFR 2014/1000.
Kamerstukken II 1993/94, 19 403, nr. 3, p. 128–129.
Opgenomen als bijlage 4 bij verweerschrift in eerste aanleg d.d. 27 januari 2016 en ‘als ongenummerde bijlage bij de door de heffingsambtenaar d.d. 24 juli 2015 aan de Rechtbank toegezonden op de zaak betrekking hebbende stukken. Tijdens de zitting bij het Hof is dit door de heffingsambtenaar ook verklaard getuige de eerste pagina van het proces-verbaal van de zitting.
Zie hiervoor het juridisch kader onder 2.3.1, 2.3.3 en 2.3.4.
Zie hiervoor onder voetnoot 4.
Verweerschrift in eerste aanleg d.d. 27 januari 2016, onderaan pagina 13 van 13, vierde gedachtestreepje.
Zie hiervoor onder 2.2.2.
Zie het beroepschrift in hoger beroep d.d. 1 oktober 2018 onder 4.5 t/m 4.12.
Zie hiervoor onder 2.2.5.
Ook AG Ijzerman concludeerde in de aan het arrest voorafgaande conclusie ook al dat sprake was van gelijke gevallen.
Zie het beroepschrift in hoger beroep d.d. 1 oktober 2018 onder 4.13 t/m 4.17.
Dit wordt door de Rechtbank terecht vermeld in r.o. 9.
Zie het verweerschrift van de heffingsambtenaar in eerste aanleg d.d. 27 januari 2016, pagina 11 van 13 en 13 van 13.
Zie ook hetgeen [X] hieromtrent reeds heeft opgemerkt in haar pleitnota in eerste aanleg d.d. 9 juni 2017