Procestaal: Roemeens.
HvJ EU, 13-11-2025, nr. C-678/23
ECLI:EU:C:2025:878
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
13-11-2025
- Magistraten
M. L. Arastey Sahún, J. Passer, E. Regan, D. Gratsias, B. Smulders
- Zaaknummer
C-678/23
- Conclusie
A. rantos
- Roepnaam
Spitalul Clinic de Pneumoftiziologie Iaşi
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:878, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 13‑11‑2025
ECLI:EU:C:2025:309, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 30‑04‑2025
Uitspraak 13‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Sociale politiek — Richtlijn 89/391/EEG — Veiligheid en gezondheid van de werknemers op het werk — Artikel 9 — Verplichtingen van werkgevers — Indeling van arbeidsplaatsen op basis van de blootstelling van werknemers aan risicofactoren voor hun veiligheid en gezondheid — Artikel 11, lid 6 — Mogelijkheid om zich tot de bevoegde autoriteit op het gebied van de veiligheid en de bescherming van de gezondheid op het werk te wenden — Effectieve rechterlijke bescherming
M. L. Arastey Sahún, J. Passer, E. Regan, D. Gratsias, B. Smulders
Partij(en)
In zaak C-678/23,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Curte de Apel Iaşi (rechter in tweede aanleg Iaşi, Roemenië) bij beslissing van 10 oktober 2023, ingekomen bij het Hof op 14 november 2023, in de procedure
JU
tegen
Spitalul Clinic de Pneumoftiziologie Iași
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, J. Passer, E. Regan D. Gratsias en B. Smulders (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: A. Rantos,
griffier: R. Șereș, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 30 januari 2025,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Roemeense regering, vertegenwoordigd door E. Gane, L. Liţu, A. Rotăreanu en A. Wellman als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Recchia en E. A. Stamate als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 april 2025,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 9 en artikel 11, lid 6, van richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (PB 1989, L 183, blz. 1) en artikel 31, lid 1, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen JU en de Spital Clinic de Pneumoftiziologie Iaşi (longziekenhuis van Iași, Roemenië; hierna: ‘ziekenhuis’) over de indeling van de werkzaamheden van JU als werkzaamheden waarbij zij wordt blootgesteld aan bijzondere risico's voor haar veiligheid en gezondheid.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 89/391
3
Artikel 1 van richtlijn 89/391 heeft als opschrift ‘Doel’ en bepaalt het volgende:
- ‘1.
Deze richtlijn heeft ten doel maatregelen ten uitvoer te leggen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk.
- 2.
Daartoe bevat zij algemene beginselen betreffende de preventie van beroepsrisico's en de bescherming van de veiligheid en de gezondheid, het uitsluiten van risico- en ongevalsfactoren, voorlichting, raadpleging, evenwichtige deelneming overeenkomstig de nationale wetten en/of praktijken, de opleiding van de werknemers en hun vertegenwoordigers, alsmede algemene regels voor de tenuitvoerlegging van die beginselen.
- 3.
Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bestaande of toekomstige nationale en communautaire bepalingen die gunstiger zijn voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk.’
4
Artikel 4 van deze richtlijn luidt als volgt:
- ‘1.
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te verzekeren dat de werkgevers, de werknemers en de werknemersvertegenwoordigers worden onderworpen aan de voorschriften die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn.
- 2.
De lidstaten zorgen met name voor voldoende controle en toezicht.’
5
Artikel 5 van die richtlijn heeft als opschrift ‘Algemene bepaling’ en bepaalt in lid 1:
‘De werkgever is verplicht te zorgen voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers inzake alle met het werk verbonden aspecten.’
6
In artikel 9 van die richtlijn, met als opschrift ‘Diverse verplichtingen van de werkgevers’, is het volgende bepaald:
- ‘1.
De werkgever moet:
- a)
beschikken over een evaluatie van de risico's voor de veiligheid en de gezondheid op het werk, met inbegrip van de risico's voor de groepen werknemers met bijzondere risico's;
- b)
de te nemen beschermende maatregelen en, indien nodig, de te gebruiken beschermingsmiddelen vastleggen;
- c)
een lijst bijhouden van arbeidsongevallen welke voor de werknemer hebben geleid tot een arbeidsongeschiktheid van meer dan drie werkdagen;
- d)
overeenkomstig de nationale wetten en praktijken rapporten opstellen ten behoeve van de bevoegde autoriteiten over de arbeidsongevallen die zijn werknemers zijn overkomen.
- 2.
Rekening houdend met de aard van de activiteiten en de grootte van de bedrijven, bepalen de lidstaten aan welke verplichtingen de diverse categorieën bedrijven moeten voldoen voor wat betreft de opstelling van de in lid 1, onder a) en b), bedoelde documenten en bij de opstelling van de in lid 1, onder c) en d), bedoelde documenten.’
7
Artikel 11 van richtlijn 89/391, met als opschrift ‘Raadpleging en deelneming van de werknemers’, bepaalt in lid 6, eerste alinea:
‘De werknemers en/of hun vertegenwoordigers hebben het recht om zich, overeenkomstig de nationale wetten en/of praktijken, tot de bevoegde autoriteit op het gebied van de veiligheid en de bescherming van de gezondheid op het werk te wenden indien zij menen dat de door de werkgever genomen maatregelen en ingezette middelen niet toereikend zijn om de veiligheid en de gezondheid op het werk te verzekeren.’
Richtlijn 2003/88
8
Artikel 1 van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB 2003, L 299, blz. 9), met als opschrift ‘Doel en toepassingsgebied’, bepaalt:
- ‘1.
Deze richtlijn bepaalt minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid op het gebied van de organisatie van de arbeidstijd.
- 2.
Deze richtlijn is van toepassing op:
- a)
de minimale dagelijkse en wekelijkse rusttijden en de minimale jaarlijkse vakantie, alsmede op de pauzes en de maximale wekelijkse arbeidstijd, en
- b)
bepaalde aspecten van nacht- en ploegenarbeid en van het werkrooster.
- 3.
Onverminderd de artikelen 14, 17, 18 en 19 is deze richtlijn van toepassing op alle particuliere of openbare sectoren in de zin van artikel 2 van richtlijn [89/391].
[…]
- 4.
Het bepaalde in richtlijn [89/391] is ten volle van toepassing op de in lid 2 bedoelde aangelegenheden, onverminderd strengere en/of meer specifieke bepalingen die in deze richtlijn zijn vervat.’
9
Artikel 2 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Definities’, bepaalt:
‘Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
- 9.
passende rusttijd: regelmatige, in tijdseenheden uitgedrukte rustperioden die voldoende lang en ononderbroken zijn om ervoor te zorgen dat de werknemers als gevolg van vermoeidheid wegens lange werktijden of andere onregelmatige werkroosters geen letsel toebrengen aan zichzelf, hun collega's of anderen en hun gezondheid op korte of op lange termijn niet schaden.’
10
Artikel 7 van die richtlijn, met het opschrift ‘Jaarlijkse vakantie’, luidt:
- ‘1.
De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken wordt toegekend, overeenkomstig de in de nationale wetten en/of gebruiken geldende voorwaarden voor het recht op en de toekenning van een dergelijke vakantie.
- 2.
De minimumperiode van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon kan niet door een financiële vergoeding worden vervangen, behalve in geval van beëindiging van het dienstverband.’
11
Artikel 15 van richtlijn 2003/88 draagt het opschrift ‘Gunstiger bepalingen’ en luidt als volgt:
‘Deze richtlijn staat er niet aan in de weg dat de lidstaten wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toepassen of invoeren die gunstiger zijn voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, dan wel de toepassing bevorderen of mogelijk maken van collectieve overeenkomsten of bedrijfsakkoorden tussen de sociale partners die gunstiger zijn voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers.’
Roemeens recht
Arbeidswetboek
12
Artikel 147, lid 1, van het arbeidswetboek luidt:
‘Werknemers die in zware, gevaarlijke of schadelijke omstandigheden werken, visueel en anderszins gehandicapten en jongeren onder de 18 jaar hebben recht op een aanvullende jaarlijkse vakantie van minstens 3 werkdagen.’
Wet nr. 319/2006
13
Artikel 12, leden 1 en 2, van Lege nr. 319/2006 a securității și sănătății în muncă (wet nr. 319/2006 inzake de veiligheid en de gezondheid op het werk) van 14 juli 2006 (Monitor Oficial al României, deel I, nr. 646, van 26 juli 2006) bepaalt:
- ‘(1)
De werkgever is gehouden tot:
- a)
uitvoering en beschikbaarstelling van een evaluatie betreffende de risico's voor de veiligheid en gezondheid op het werk, met name voor groepen werknemers die worden blootgesteld aan specifieke risico's;
- b)
een beslissing over de te nemen beschermingsmaatregelen en, in voorkomend geval, de te gebruiken beschermingsmiddelen;
[…]
- (2)
Bij besluit van de minister van Arbeid, Maatschappelijke Solidariteit en Gezinszaken worden, afhankelijk van de aard van de activiteiten en de omvang van de ondernemingen, de verplichtingen vastgesteld die gelden voor de verschillende categorieën ondernemingen met betrekking tot het opstellen van de in lid 1 bedoelde documenten.’
14
Artikel 18, lid 7, van deze wet luidt als volgt:
‘De werknemersvertegenwoordigers die specifiek verantwoordelijk zijn voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers en/of de werknemers hebben het recht zich tot de bevoegde autoriteiten te wenden indien zij menen dat de door de werkgever genomen maatregelen en ingezette middelen niet toereikend zijn om de veiligheid en de gezondheid op het werk te verzekeren.’
15
Artikel 39, lid 4, van die wet luidt:
‘Elke schending van artikel 12, lid 1, onder a) en b), […] is een overtreding die wordt bestraft met een geldboete van 4 000 tot 8 000 [Roemeense leu (RON) (ongeveer 860 tot 1 720 EUR)].’
Regeling inzake pensioenen en sociale zekerheid waarbij arbeidsplaatsen worden ingedeeld op basis van de risico's waaraan de werknemer wordt blootgesteld
— Opeenvolgende wetten op dit gebied
16
Vóór de inwerkingtreding op 1 april 2001 van Lege nr. 19/2000 privind sistemul public de pensii și alte drepturi de asigurări sociale (wet nr. 19/2000 inzake het openbare stelsel van pensioenen en andere socialezekerheidsrechten) van 17 maart 2000 (Monitor Oficial al României, deel I, nr. 140, van 1 april 2000) voorzag de Roemeense wetgeving inzake ouderdomspensioenen in een indeling van de arbeidsplaatsen in drie groepen, namelijk arbeidsgroep I, die de arbeidsplaatsen omvatte waar werknemers waren blootgesteld aan bijzonder schadelijke, moeilijke of gevaarlijke arbeidsomstandigheden, arbeidsgroep II, die de arbeidsplaatsen omvatte waar werknemers waren blootgesteld aan schadelijke, moeilijke of gevaarlijke omstandigheden, en arbeidsgroep III, die de overige arbeidsplaatsen omvatte.
17
Artikel 19, leden 1 en 2, van wet nr. 19/2000 luidde als volgt:
- ‘(1)
Voor de doeleinden van deze wet wordt verstaan onder ‘arbeidsplaatsen waar de werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden’, arbeidsplaatsen waar het vermogen om te werken van verzekerden op blijvende of tijdelijke wijze aanzienlijk kan worden bemoeilijkt vanwege de hoge mate van blootstelling aan risico's.
- (2)
De criteria en de methode voor de indeling als arbeidsplaats waar de werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden, worden bij regeringsbesluit vastgesteld op gemeenschappelijk voorstel van de minister van Arbeid, Gezinszaken en Sociale Bescherming en de minister van Gezondheid.’
18
Wet nr. 19/2000 is ingetrokken bij en vervangen door Lege nr. 263/2010 privind sistemul unitar de pensii publice (wet nr. 263/2010 op het eenheidsstelsel van publieke pensioenen) van 16 december 2010 (Monitor Oficial al României, deel I, nr. 852, van 20 december 2010), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie. Die wet is in werking getreden op 1 januari 2011.
19
Artikel 28, lid 1, van wet nr. 263/2010, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt:
‘De arbeidsomstandigheden waaronder de verzekerden in het publieke pensioenstelsel hun werkzaamheden verrichten, kunnen normaal, bijzonder of speciaal zijn.’
20
Artikel 29 van deze wet luidt als volgt:
- ‘(1)
De arbeidsplaatsen die zijn ingedeeld volgens de criteria en de methode waarin de op het tijdstip van hun indeling geldende wetgeving voorziet, worden geacht werknemers aan bijzondere omstandigheden bloot te stellen.
- (11)
Op 31 december 2018 aflopende goedkeuringen voor de indeling als arbeidsplaats waarbij werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden, worden verlengd tot 1 september 2023, de datum waarop werkgevers verplicht zijn om de arbeidsomstandigheden te normaliseren.
- (12)
Het tijdvak tussen 31 december 2018 en 1 september 2023 is een tijdvak van premiebetaling dat wordt vervuld in bijzondere arbeidsomstandigheden, waarvoor werkgevers overeenkomstig artikel 138, onder b), van Lege nr. 227/2015 privind Codul fiscal [(wet nr. 227/2015 houdende het belastingwetboek)], zoals gewijzigd en aangevuld, een premie van 4 % moeten betalen.’
21
Artikel 55, lid 1, van die wet bepaalt:
‘Personen die een volledig premieverleden hebben opgebouwd, hebben als volgt recht op een ouderdomspensioen met verlaging van de normale pensioenleeftijden: a) overeenkomstig tabel nr. 1, voor personen die tijdvakken van premiebetaling hebben vervuld in bijzondere arbeidsomstandigheden;
[…]’
22
Artikel 169, lid 1, van die wet bepaalt:
‘Begunstigden van het publieke pensioenstelsel van wie de pensioenrechten zijn vastgesteld op grond van de wetgeving van vóór 1 april 2001 en die werkzaamheden hebben verricht op plaatsen die zijn ingedeeld in arbeidsgroep I en/of arbeidsgroep II, genieten een verhoging van het tijdens deze periode jaarlijks opgebouwde aantal punten met respectievelijk:
[…]
- b)
25 % voor de tijdvakken waarin zij werkzaamheden hebben verricht op een arbeidsplaats die in arbeidsgroep II is ingedeeld.’
23
Op grond van de opeenvolgende wettelijke regelingen inzake sociale premies zijn verschillende premiepercentages vastgesteld, afhankelijk van het feit of de arbeid onder normale, bijzondere of speciale omstandigheden wordt verricht.
— Regeringsbesluiten met betrekking tot de indeling van arbeidsplaatsen als arbeidsplaatsen waar werknemers worden blootgesteld aan bijzondere arbeidsvoorwaarden
24
De criteria en methode voor de indeling als arbeidsplaatsen waar werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden, alsook de verlenging van goedkeuringen voor de indeling als arbeidsplaatsen waar werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden, zijn geregeld in opeenvolgende regeringsbesluiten.
25
Artikel 2, leden 1 en 2, van Hotărâre Guvernului nr. 261/2001 privind criteriile şi metodologia de încadrare a locurilor de muncă în condiţii deosebite (regeringsbesluit nr. 261/2001 inzake de criteria en methode voor de indeling als arbeidsplaats waar werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden) van 22 februari 2001 (Monitor Oficial al României, deel I, nr. 114, van 6 maart 2001), luidde als volgt:
- ‘(1)
Voor de indeling als arbeidsplaats waar werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden gelden de volgende criteria:
- a)
de aanwezigheid in de werkomgeving van fysiek schadelijke factoren, te weten lawaai, trillingen, elektromagnetische golven, druk, ioniserende straling, warmtestraling, niet-afgeschermde krachtige laserstralen, alsook van chemische of biologische schadelijke factoren die zijn vastgelegd in de algemene regels voor de veiligheid op het werk en die de in die regels vastgelegde toelaatbare grenzen overschrijden;
- b)
de specifieke reactie van het lichaam op de schadelijke werking van deze factoren, zoals die blijkt uit indicatoren voor de blootstelling en/of het biologische effect, zoals vastgelegd in opdracht van het ministerie van Gezondheid en Gezinszaken;
- c)
het ziektecijfer, zoals dat blijkt uit de beroepsziekten die in de afgelopen 15 jaar op het werk zijn vastgesteld.
- (2)
De indeling als arbeidsplaats waarbij werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden, gebeurt met inachtneming van het bepaalde in artikel 7 en/of, indien van toepassing, artikel 8 en moet cumulatief voldoen aan de criteria van lid 1, onder a) en b), of lid 1, onder a) en c).’
26
Artikel 3, lid 1, van regeringsbesluit nr. 261/2001 luidde:
‘De indeling als arbeidsplaats waar werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden, geschiedt volgens de volgende methode, waarbij bij voorkeur achtereenvolgens de volgende specifieke handelingen worden verricht:
- a)
identificatie van de als arbeidsplaats waar werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden in te delen arbeidsplaats en vaststelling van de criteria voor deze indeling, wat gebeurt door de werkgever samen met de vakbonden die volgens de wet representatief zijn of, indien van toepassing, met de vertegenwoordigers van de werknemers in de commissie voor veiligheid en gezondheid op het werk, indien die is opgericht;
- b)
beoordeling van arbeidsplaatsen met betrekking tot de veiligheid van de werknemers;
- c)
inventarisatie van schadelijke factoren op de werkplek overeenkomstig artikel 4, lid 1; de meetrapporten moeten ten minste de volgende gegevens bevatten: eenheid, afdeling, werkplaats, arbeidsplaats, schadelijke stoffen, gemeten waarde, toegestane grenswaarde, meetmethoden;
- d)
door de werkgever gedaan verzoek aan de door het ministerie van Gezondheid en Gezinszaken gemachtigde instellingen ter verkrijging van de lijst met geregistreerde beroepsziekten of de lijst met medische controles voor personeel dat werkt op arbeidsplaatsen waar zij worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden, teneinde de specifieke reactie van het lichaam te bepalen;
- e)
evaluatie van de onder a) genoemde arbeidsplaatsen, die overeenkomstig bijlage 2 of 3 wordt uitgevoerd door de werkgever samen met de vakbonden die volgens de wet representatief zijn of, indien van toepassing, met de vertegenwoordigers van de werknemers in de commissie voor veiligheid en gezondheid, indien die is opgericht;
- f)
vaststelling van technische, gezondheidskundige en organisatorische maatregelen op het gebied van arbeidsveiligheid, die worden afgestemd op de specifieke arbeidsomstandigheden en omgevingsfactoren op de werkplek;
- g)
verkrijging van de goedkeuring van de plaatselijke arbeidsinspectie overeenkomstig artikel 4;
- i)
indeling als werkplek waar werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden overeenkomstig artikel 19, lid 4, van wet [nr. 19/2000].’
27
Artikel 4 van regeringsbesluit nr. 261/2001 bepaalde:
- ‘(1)
De goedkeuring van de plaatselijke arbeidsinspectie voor de indeling als werkplek waar werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden, bevat de volgende documenten, op basis waarvan het wordt verleend:
- a)
metingen van schadelijke factoren door de in bijlage 1 vermelde erkende laboratoria, die alleen in aanwezigheid van arbeidsinspecteurs worden verricht en waaruit blijkt dat op de datum waarop zij werden uitgevoerd, technische en organisatorische maatregelen waren genomen om de arbeidsomstandigheden te normaliseren, dat alle voorzieningen voor arbeidsbescherming normaal werkten zoals gepland en dat de technologische processen onder normale omstandigheden plaatsvonden;
- b)
bevindingen van de plaatselijke arbeidsinspecties, die in een proces-verbaal worden opgenomen en rechtstreeks betrekking hebben op de naleving van de algemene en specifieke arbeidsveiligheidsvoorschriften en andere relevante regelgeving;
- c)
kopieën van de lijst met beroepsziekten of het overzicht van de medische controles en het in bijlage 2 of 3 bedoelde beoordelingsformulier.
- (2)
De verleende goedkeuring heeft een maximale geldigheidsduur van drie jaar, met de mogelijkheid van verlenging.’
28
In artikel 8, lid 1, van regeringsbesluit nr. 261/2001 was bepaald:
‘Werkgevers die arbeidsplaatsen hebben geïdentificeerd als arbeidsplaatsen waar werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden en die niet onder artikel 7 vallen, zijn verplicht om gedurende een periode van zes jaar te rekenen vanaf de datum van bekendmaking van dit besluit in de Monitor Oficial al României, deel I, alle technische en organisatorische maatregelen te nemen om de arbeidsomstandigheden te normaliseren overeenkomstig wet nr. 90/1996 [die is vervangen door wet nr. 319/2006], de algemene en specifieke arbeidsveiligheidsvoorschriften of andere toepasselijke regelgeving op dit gebied.’
29
Artikel 1 van Hotărâre Guvernului nr. 246/2007 privind metodologia de reînnoire a avizelor de încadrare a locurilor de muncă în condiţii deosebite (regeringsbesluit nr. 246/2007 inzake de methode voor de verlenging van goedkeuringen voor indelingen als arbeidsplaatsen waar werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden) van 7 maart 2007 (Monitor Oficial al României, deel I, nr. 169, van 9 maart 2007) luidde:
- ‘(1)
Vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit kunnen de goedkeuringen voor indelingen als arbeidsplaatsen waar werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden, die geldig zijn tot en met 6 maart 2007 en die afgegeven zijn overeenkomstig de bepalingen van [regeringsbesluit nr. 261/2001], zoals gewijzigd en aangevuld, worden verlengd overeenkomstig de in dit besluit vastgestelde methode.
- (2)
De geldigheidsduur van goedkeuringen die op grond van dit besluit worden verlengd, bedraagt ten hoogste 31 december 2008.’
30
Artikel 2 van regeringsbesluit nr. 246/2007 bepaalde:
- ‘(1)
Verlenging van de goedkeuring voor de indeling als arbeidsplaats waar werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden, wordt verleend door de plaatselijke arbeidsinspectie op basis van de volgende documenten:
- a)
een uiterlijk 30 dagen na de datum van inwerkingtreding van dit besluit ingediend verzoek om verlenging van de goedkeuring van de indeling als arbeidsplaats waar werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden, ondertekend door de wettelijke vertegenwoordiger van de werkgever of door een andere persoon die door de werkgever overeenkomstig de wet is gemachtigd, alsmede door de vertegenwoordigers van de representatieve vakbonden of, indien van toepassing, de vertegenwoordigers van de werknemers;
- b)
door wettelijk bevoegde laboratoria opgestelde rapporten over de inventarisatie van schadelijke factoren op de werkplek waaruit blijkt dat de grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling zijn overschreden op arbeidsplaatsen die zijn ingedeeld als arbeidsplaatsen waar werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden, of documenten waaruit zonder meer blijkt dat er zeer gevaarlijke chemische stoffen of biologische agentia aanwezig zijn waarvoor geen toegestane grenswaarden gelden;
- c)
het preventie- en beschermingsplan ter verbetering van de veiligheid en de bescherming van de gezondheid van de werknemers, met inbegrip van gefaseerde maatregelen en acties, zodat de arbeidsplaatsen uiterlijk op 31 december 2008 kunnen worden ingedeeld als arbeidsplaatsen waar normale omstandigheden gelden.
- (2)
De inventarisatie van schadelijke factoren op de werkplek kan slechts worden uitgevoerd in aanwezigheid van de arbeidsinspecteur die daartoe door de plaatselijke arbeidsinspectie is aangewezen.
- (3)
De in lid 1, onder b) en c), bedoelde documenten kunnen uiterlijk 120 dagen na de datum van het in lid 1, onder a), bedoelde verzoek bij de plaatselijke arbeidsinspectie worden ingediend.
- (4)
De plaatselijke arbeidsinspectie kan de verlenging van de goedkeuring voor de indeling als arbeidsplaats waar werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden, verlenen binnen 15 dagen na de indiening van alle in lid 1 bedoelde documenten.
- (5)
Niet-naleving van de in lid 3 gestelde voorwaarden heeft tot gevolg dat de goedkeuring van de indeling als arbeidsplaats waar werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden, niet wordt verlengd.’
31
Artikel 4 van besluit nr. 246/2007 luidde als volgt:
‘Werkgevers die geen verlenging hebben verkregen van de goedkeuring voor de indeling als arbeidsplaats waar werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden, kunnen binnen 15 dagen na de datum van kennisgeving bezwaar aantekenen bij de arbeidsinspectie, die dat bezwaar binnen 30 dagen zal behandelen, of zich rechtstreeks en volgens de wettelijke procedure wenden tot de bevoegde rechter.’
32
Artikel 1 van Hotărâre Guvernului nr. 1622/2008 pentru modificarea și completarea Hotărârii Guvernului nr. 246/2007 privind metodologia de reînnoire a avizelor de încadrare a locurilor de muncă în condiții deosebite (regeringsbesluit nr. 1622/2008 tot wijziging en aanvulling van regeringsbesluit nr. 246/2007 inzake de methode voor de verlenging van goedkeuringen voor indelingen als arbeidsplaatsen waar werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden) van 10 december 2008 (Monitor Oficial al României, deel I, nr. 862, van 20 december 2008), luidde:
- ‘(1)
Vanaf 1 januari 2009 kunnen de goedkeuringen voor indelingen als arbeidsplaatsen waar werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden, die geldig zijn tot en met 31 december 2008, worden verlengd overeenkomstig de in dit besluit vastgestelde methode.
- (2)
De bepalingen van dit besluit zijn alleen van toepassing op werkgevers die op 31 december 2008 beschikken over een goedkeuring voor een verlenging en die op die datum nog niet de nodige maatregelen hebben genomen om de arbeidsomstandigheden te normaliseren.
- (3)
De geldigheidsduur van goedkeuringen die overeenkomstig dit besluit worden verlengd, bedraagt ten hoogste 31 december 2009.’
33
In opeenvolgende regeringsbesluiten tot 2014 werd vervolgens voorzien in de mogelijkheid tot jaarlijkse verlenging van eerder verleende ‘goedkeuringen voor indelingen als arbeidsplaatsen waar werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden’.
34
Hotărâre Guvernului nr. 1014/2015 privind metodologia de reînnoire a avizelor de încadrare a locurilor de muncă în condiții deosebite (regeringsbesluit nr. 1014/2015 inzake de methode voor de verlenging van goedkeuringen voor indelingen als arbeidsplaatsen waar werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden) van 30 december 2015 (Monitor Oficial al României, deel I, nr. 986, van 31 december 2015), dat op zijn beurt voorzag in de mogelijkheid tot verlenging tot 31 december 2018, bevatte een artikel 4, dat als volgt luidde: ‘Werkgevers die geen verlenging hebben verkregen van de goedkeuring voor de indeling als arbeidsplaats waar werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden, kunnen zich rechtstreeks en volgens de wettelijke procedure wenden tot de bevoegde rechter.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
35
Verzoekster in het hoofdgeding is al meer dan 30 jaar werkzaam in het verwerende ziekenhuis. Zij werkt er als arts die gespecialiseerd is in longziekten. Dat ziekenhuis is een publieke zorginstelling met rechtspersoonlijkheid en ressorteert onder de plaatselijke overheid.
36
Tot en met 31 december 2006 was de arbeidsplaats van verzoekster in het hoofdgeding ingedeeld als een arbeidsplaats waar zij aanvankelijk werd blootgesteld aan arbeidsomstandigheden als bedoeld in arbeidsgroep II en vervolgens aan ‘bijzondere arbeidsomstandigheden’ in de zin van de achtereenvolgens toepasselijke Roemeense wettelijke regelingen inzake ouderdomspensioenen en sociale zekerheid. Op basis van deze indeling had verzoekster in het hoofdgeding recht op extra dagen jaarlijkse vakantie, een verlaging van de pensioenleeftijd en een verhoging van het aantal punten voor de berekening van haar ouderdomspensioen. Het ziekenhuis moest als werkgever, gelet op die indeling, hogere sociale premies betalen dan die welke verschuldigd waren voor werknemers van wie de arbeidsplaatsen waren ingedeeld als arbeidsplaatsen waar zij werden blootgesteld aan ‘normale arbeidsomstandigheden’.
37
Met ingang van 1 januari 2007 is haar arbeidsplaats echter ingedeeld als een arbeidsplaats waar ‘normale arbeidsomstandigheden’ gelden, ondanks het feit dat de functie en arbeidsomstandigheden van verzoekster in het hoofdgeding ongewijzigd zijn gebleven, waardoor het ziekenhuis niet langer verplicht was om voor verzoekster in het hoofdgeding hogere sociale premies te betalen.
38
Het ziekenhuis beschikte namelijk over een op 11 december 2001 door de Inspectorat Teritorial de Muncă Iași (plaatselijke arbeidsinspectie van Iași, Roemenië; hierna: ‘ITM’) verleende goedkeuring voor de indeling van arbeidsplaatsen binnen het ziekenhuis als arbeidsplaatsen waar werknemers werden blootgesteld aan ‘bijzondere omstandigheden’. In deze goedkeuring was vastgelegd dat 31 maart 2004 de uiterste datum was voor de uitvoering van technische en organisatorische maatregelen om ervoor te zorgen dat het desbetreffende personeel zijn werkzaamheden zou verrichten onder ‘normale omstandigheden’. Die goedkeuring werd verlengd bij een andere, op 29 maart 2004 verleende goedkeuring waarin de uiterste datum voor normalisering van de arbeidsomstandigheden op 31 december 2006 was vastgelegd.
39
Het ziekenhuis heeft echter geen verlenging van die laatste goedkeuring verkregen, waarna de ITM bij brief van 2 februari 2007 heeft laten weten dat de geldigheidsduur van de goedkeuring van 29 maart 2004 was verstreken en dat de goedkeuring bijgevolg op 31 december 2006 was komen te vervallen.
40
Naar aanleiding van deze brief heeft het ziekenhuis een besluit genomen waarin stond dat het personeel met ingang van 1 januari 2007 zijn werkzaamheden onder ‘normale arbeidsomstandigheden’ verrichtte. Daarnaast heeft het ziekenhuis ook actie ondernomen bij de Autoritate de Sănătate Publică Iași (gezondheidsdienst Iași, Roemenië) om de goedkeuring te verkrijgen voor het behouden of verlengen van de indeling van het ziekenhuis als arbeidsplaats waar werknemers werden blootgesteld aan ‘bijzondere omstandigheden’. Aangezien deze dienst niet reageerde, heeft het ziekenhuis op 19 maart 2007 een tweede brief gestuurd, waarin andermaal werd verzocht om de beroepsrisico's op de werkplek te evalueren met het oog op de verlenging van de door de ITM verleende goedkeuring van 29 maart 2004. Ook deze brief bleef onbeantwoord. Verder heeft het ziekenhuis de ITM bij brief van 28 juni 2007 verzocht om de indeling die was goedgekeurd met ingang van 1 januari 2007 te verlengen en heeft het op 27 december 2007 ook nog een derde brief gezonden aan de gezondheidsdienst Iași. Daarenboven heeft het ziekenhuis andere acties ondernomen bij de ITM en het ministerie van Arbeid.
41
Nadat verzoekster in het hoofdgeding toevallig had vernomen dat het ziekenhuis sinds 1 januari 2007 voor haar geen sociale premies meer betaalde die overkwamen met de indeling van haar arbeidsplaats als arbeidsplaats waar ‘bijzondere omstandigheden’ golden, heeft zij bij de Tribunal Iași (rechter in eerste aanleg Iași, Roemenië) een vordering ingesteld om haar arbeidsplaats te doen indelen als arbeidsplaats waar zij wordt blootgesteld aan ‘bijzondere omstandigheden’ en haar werkgever te doen veroordelen tot betaling van de hogere sociale premies die verschuldigd waren voor de werkzaamheden die zij na 31 december 2006 onder die omstandigheden heeft verricht.
42
Bij vonnis van 15 juli 2022 heeft de Tribunal Iași die vordering afgewezen op de grond dat de werkgever volgens de nationale regeling inzake de indeling van arbeidsplaatsen — en in het bijzonder regeringsbesluit nr. 1014/2015 — een specifieke procedure moet doorlopen om de vereiste indeling te verkrijgen. Zo moet de ITM worden verzocht om de indeling goed te keuren en moet die goedkeuring ook worden verkregen. Deze rechterlijke instantie heeft tevens benadrukt dat indien de werkgever geen antwoord ontvangt op het verzoek om indeling of enig ander verzoek dat hij heeft gericht aan de nationale instellingen, hij die instellingen dan kan dagvaarden voor de bevoegde rechter om hen te dwingen hun verplichtingen na te komen, zodat alle fasen van de procedure voor de indeling van arbeidsplaatsen als arbeidsplaatsen waar werknemers worden blootgesteld aan ‘bijzondere voorwaarden’ en voor het verkrijgen van de desbetreffende goedkeuring correct worden doorlopen.
43
Verzoekster in het hoofdgeding heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld bij de Curte de Apel Iași (rechter in tweede aanleg Iași, Roemenië), de verwijzende rechter, en voert met name aan dat het ziekenhuis de in artikel 2 van regeringsbesluit nr. 246/2007 bedoelde actie niet had ondernomen, zodat haar werkgever, hetzij uit nalatigheid, hetzij te kwader trouw, de facto geen procedure was gestart om de goedkeuring te verkrijgen voor de indeling van haar arbeidsplaats als arbeidsplaats waar zij sinds 2007 is blootgesteld aan ‘bijzondere omstandigheden’. In dit verband voert verzoekster in het hoofdgeding aan dat haar arbeidsomstandigheden, alsmede de beroepsrisico's en haar verantwoordelijkheden sinds haar indiensttreding niet zijn gewijzigd. Integendeel, daar zij ook in de zorg voor COVID-19-patiënten heeft gewerkt, is haar werk veel intensiever en veeleisender geworden en bracht zij haar eigen leven en dat van haar naasten dagelijks in gevaar.
44
De verwijzende rechter merkt op dat de indeling als arbeidsplaats waar werknemers worden blootgesteld aan ‘bijzondere omstandigheden’, tot doel heeft de langetermijngevolgen te compenseren van het verrichten van werkzaamheden op een arbeidsplaats waar werknemers, ondanks alle genomen maatregelen ter bescherming van hun veiligheid en gezondheid, nog steeds ernstige beroepsrisico's lopen. Die indeling levert de desbetreffende werknemers namelijk extra compenserende voordelen op. Hun ouderdomspensioen wordt berekend op basis van een periode van arbeid en dus van premiebetaling die korter is dan wanneer zij op hun werkplek aan ‘normale arbeidsomstandigheden’ waren blootgesteld. Werknemers die aan ‘bijzondere werkomstandigheden’ zijn blootgesteld, hebben ook recht op extra vakantie, zodat zij door een langere rustperiode weer optimaal gezond kunnen worden.
45
Voorts merkt de verwijzende rechter op dat de Roemeense wetgever de indeling van een arbeidsplaats als arbeidsplaats waar werknemers worden blootgesteld aan ‘bijzondere omstandigheden’ aan twee soorten beperkingen heeft onderworpen. Ten eerste heeft de wetgever procedurele beperkingen gesteld door deze indeling onder meer afhankelijk te stellen van het verkrijgen van de goedkeuring van de ITM. Ten tweede heeft hij de mogelijkheid om een dergelijke indeling te verkrijgen beperkt in de tijd, aangezien alleen werkgevers die op 31 december 2002 bestonden daarvoor in aanmerking kwamen, ongeacht wanneer de arbeidsverhouding met de werknemers tot stand kwam. Bovendien kan er sinds 2007 geen sprake meer zijn van nieuwe indelingen. Enkel bestaande indelingen kunnen worden verlengd, met name op voorwaarde dat de werkgever op het moment van het verzoek om verlenging over een geldige goedkeuring van de ITM beschikt.
46
Verder is het volgens de verwijzende rechter zo dat de nationale regeling het voor werknemers niet mogelijk maakt om zich tot de bevoegde autoriteit op het gebied van de veiligheid en de bescherming van de gezondheid op het werk te wenden of bij de nationale rechterlijke instanties een vordering in te stellen indien zij van mening zijn dat de werkgever niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen inzake de indeling van hun arbeidsplaats als arbeidsplaats waar zij worden blootgesteld aan ‘bijzondere omstandigheden’, ongeacht of het gaat om reeds verrichte werkzaamheden dan wel toekomstige werkzaamheden.
47
In het bijzonder heeft de Înalta Curte de Casaţie şi Justiţie (hoogste rechterlijke instantie, Roemenië) op grond van een strikte uitlegging van de nationale wettelijke regeling geoordeeld dat er naar algemeen recht geen mogelijkheid bestaat om een vordering in te stellen die ertoe strekt de ‘bijzondere arbeidsomstandigheden’ te doen vaststellen waaronder werknemers na 1 april 2001 hun werkzaamheden hebben verricht, of die ertoe strekt werkgevers te verplichten om arbeidsplaatsen te laten indelen als arbeidsplaatsen waar werknemers worden blootgesteld aan dergelijke omstandigheden, wanneer de desbetreffende werkgevers geen goedkeuring, of in voorkomend geval geen verlenging van de goedkeuring, voor die indeling hebben verkregen. Voorts heeft de Înalta Curte de Casaţie şi Justiţie ook geoordeeld dat de omstandigheid dat werkgevers die het recht hebben om de administratieve procedure voor de indeling van een arbeidsplaats te starten, dit niet hebben gedaan of deze procedure niet hebben afgerond, de werknemer niet de mogelijkheid biedt om zich op de algemene wettelijke bepalingen te beroepen om de indeling van zijn arbeidsplaats als arbeidsplaats waar hij wordt blootgesteld aan andere dan ‘normale’ omstandigheden te verkrijgen. Een beslissing in die zin van de gewone rechterlijke instanties zou in strijd zijn met het geldende rechtskader en het beginsel van de scheiding der machten. Deze rechtspraak is bovendien in overeenstemming met de Roemeense grondwet bevonden door de Curte Constituțională (grondwettelijk hof, Roemenië), die in een arrest van 6 december 2018, onder verwijzing naar het arrest van 21 maart 2018, Podilă e.a. (C-133/17 en C-134/17, EU:C:2018:203), heeft geoordeeld dat artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391 niet kan afdoen aan die bevinding.
48
De verwijzende rechter vraagt zich echter af of de nationale regeling, zoals uitgelegd door die hoogste rechterlijke instanties, zich verdraagt met artikel 9 en artikel 11, lid 6, van richtlijn 89/391, alsook met artikel 31, lid 1, en artikel 47 van het Handvest. Hij geeft in dit verband aan dat artikel 11, lid 6, van richtlijn 89/391 weliswaar in Roemeens recht is omgezet bij artikel 18, lid 7, van wet nr. 319/2006, maar dat de regel op grond waarvan werknemers het recht hebben om zich tot de bevoegde autoriteit op het gebied van de veiligheid en de bescherming van de gezondheid op het werk te wenden teneinde te doen nagaan of de door de werkgever genomen maatregelen en ingezette middelen toereikend zijn om de veiligheid en de gezondheid op het werk te verzekeren, niet is opgenomen in de lagere wetgeving die ziet op de beoordeling van beroepsrisico's voor werknemers op de middellange of lange termijn.
49
Volgens de verwijzende rechter is de door verzoekster in het hoofdgeding ingestelde vordering, anders dan in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 21 maart 2018, Podilă e.a. (C-133/17 en C-134/17, EU:C:2018:203), niet bedoeld om pensioenrechten te doen vaststellen, maar om de beroepsrisico's te doen erkennen die inherent zijn aan de bijzondere arbeidsomstandigheden waaraan zij op haar werkplek wordt blootgesteld. Hoewel de indeling van de arbeidsplaats van verzoekster in het hoofdgeding als arbeidsplaats waar zij wordt blootgesteld aan ‘bijzondere omstandigheden’ indirect gevolgen heeft voor haar socialezekerheidsrechten, strekt haar vordering er hoofdzakelijk toe dat die indeling zowel voor het verleden als voor de toekomst wordt erkend en toegepast, aangezien haar arbeidsomstandigheden sinds haar indiensttreding niet zijn gewijzigd. Verzoekster in het hoofdgeding voert dus aan dat zij op haar werkplek is blootgesteld en nog steeds wordt blootgesteld aan belangrijke risicofactoren voor haar gezondheid, dat die risicofactoren de grenswaarden overschrijden, maar dat zij niet over een rechtsmiddel beschikt om te vorderen dat wordt vastgesteld of er op haar werkplek sprake is van schadelijke factoren en in welke mate, en dat haar arbeidsplaats wordt ingedeeld als arbeidsplaats waar zij wordt blootgesteld aan andere dan ‘normale’ arbeidsomstandigheden.
50
De verwijzende rechter merkt nog op dat artikel 12 van wet nr. 319/2006 weliswaar artikel 9 van richtlijn 89/391 in Roemeens recht omzet, maar dat de in die bepaling genoemde verplichtingen van werkgevers niet zijn gekoppeld aan de verplichting om de arbeidsomstandigheden nauwkeurig en getrouw in te delen op ondernemingsniveau. Voorts is er ook geen lagere regelgeving waarin de gevolgen zijn vastgesteld van de niet-nakoming van de verplichtingen inzake de evaluatie en monitoring van beroepsrisico's door ondernemingen waar er ernstige risico's voor de gezondheid van de werknemers bestaan. Ofschoon niet-naleving van de in artikel 12 van wet nr. 319/2006 neergelegde verplichtingen kan leiden tot het opleggen van een administratieve boete aan de werkgever, zijn er geen andere rechtsgevolgen verbonden aan het ontbreken van een correcte evaluatie van de beroepsrisico's op de werkplek.
51
Tot slot merkt de verwijzende rechter op dat er duidelijkheid moet worden verschaft over de wisselwerking tussen het Unierecht en het nationale recht. In het bijzonder vraagt hij zich af, aangezien een Unierechtconforme uitlegging van de relevante bepalingen van nationaal recht onmogelijk is, of artikel 11, lid 6, van richtlijn 89/391 onvoorwaardelijk, volledig en nauwkeurig is, zodat het rechtstreekse werking heeft en, gelezen in samenhang met artikel 31, lid 1, en artikel 47 van het Handvest, werknemers — zoals verzoekster in het hoofdgeding — een effectieve rechterlijke bescherming kan bieden wanneer de personen die onderworpen zijn aan wettelijke verplichtingen — zoals werkgevers — hun wettelijke verplichtingen, zoals die met betrekking tot de indeling als arbeidsplaats waar werknemers worden blootgesteld aan ‘bijzondere omstandigheden’, niet nakomen.
52
Tegen deze achtergrond heeft de Curte de Apel Iași besloten om de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
- ‘1)
Verzetten artikel 9 en artikel 11, lid 6, van richtlijn [89/391] zich tegen bindende nationale regelgeving en praktijken volgens welke de werknemers niet het recht hebben om zich rechtstreeks tot de bevoegde autoriteit op het gebied van de veiligheid en de bescherming van de gezondheid op het werk te wenden indien zij menen dat de door de werkgever genomen maatregelen en ingezette middelen niet toereikend zijn om de veiligheid en de gezondheid op het werk te verzekeren, en zich evenmin kunnen wenden tot de rechter indien de werkgever volgens hen niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen inzake de indeling van arbeidsplaatsen als arbeidsplaatsen waar de werknemers worden blootgesteld aan bijzondere arbeidsomstandigheden, noch voor de reeds gewerkte periode, noch voor de toekomstige duur van de arbeidsbetrekking?
- 2)
Heeft artikel 11, lid 6, van richtlijn [89/391] een rechtstreekse verticale werking en, geeft het in samenhang met artikel 31, lid 1, en artikel 47 van het [Handvest] werknemers het recht op rechterlijke bescherming indien de wettelijke verplichtingen niet worden nagekomen door degenen die daartoe zijn gehouden?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
53
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 9 en artikel 11, lid 6, van richtlijn 89/391 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling, zoals uitgelegd door de nationale rechterlijke instanties, die eraan in de weg staat dat een werknemer zich tot de bevoegde nationale autoriteit op het gebied van de veiligheid en de bescherming van de gezondheid op het werk wendt of een vordering instelt bij een nationale rechterlijke instantie om de in die regeling voorziene indeling van zijn arbeidsplaats te laten vaststellen of herzien in het licht van de meer dan normale gezondheidsrisico's waaraan hij op het werk wordt blootgesteld, en om op basis van die nieuwe indeling extra rechten te verkrijgen op het gebied van pensioenopbouw en jaarlijkse vakantie met behoud van loon.
54
In dit verband blijkt uit het opschrift van richtlijn 89/391 en artikel 1, lid 1, van deze richtlijn dat die richtlijn tot doel heeft maatregelen ten uitvoer te leggen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk. Daartoe bevat die richtlijn, zoals in artikel 1, lid 2, is uiteengezet, algemene beginselen betreffende de preventie van beroepsrisico's en de bescherming van de veiligheid en de gezondheid, het uitsluiten van risico- en ongevalsfactoren, voorlichting, raadpleging, evenwichtige deelneming overeenkomstig de nationale wetten en/of praktijken, de opleiding van de werknemers en hun vertegenwoordigers, alsmede algemene regels voor de tenuitvoerlegging van die beginselen. Die richtlijn weerspiegelt en specificeert aldus het in artikel 31, lid 1, van het Handvest neergelegde recht van iedere werknemer op gezonde en veilige arbeidsomstandigheden.
55
Om dit doel te bereiken, moeten de lidstaten volgens artikel 4 van richtlijn 89/391, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 1, de nodige maatregelen nemen zodat werkgevers verplicht zijn te zorgen voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers inzake alle met het werk verbonden aspecten.
56
Artikel 9, lid 1, van die richtlijn bepaalt in dit verband dat de werkgever moet beschikken over een evaluatie van de risico's voor de veiligheid en de gezondheid op het werk, met inbegrip van de risico's voor de groepen werknemers met bijzondere risico's, dat hij de te nemen beschermende maatregelen en, indien nodig, de te gebruiken beschermingsmiddelen moet vastleggen, dat hij een lijst moet bijhouden van arbeidsongevallen die voor de werknemer hebben geleid tot een arbeidsongeschiktheid van meer dan drie werkdagen, en dat hij rapporten moet opstellen over de arbeidsongevallen die zijn werknemers zijn overkomen. Volgens artikel 9, lid 2, van die richtlijn moeten de lidstaten bepalen aan welke verplichtingen de diverse categorieën bedrijven, afhankelijk van de aard van hun activiteiten en hun grootte, moeten voldoen voor wat betreft de opstelling van de documenten die zien op de in artikel 9, lid 1, bedoelde verplichtingen.
57
Voorts bepaalt artikel 11, lid 6, van richtlijn 89/391 dat werknemers de mogelijkheid moeten hebben om zich tot de bevoegde autoriteit op het gebied van de veiligheid en de bescherming van de gezondheid op het werk te wenden indien zij menen dat de werkgever ontoereikende maatregelen heeft genomen om de veiligheid en de gezondheid op het werk te verzekeren.
58
Noch deze bepalingen, noch de overige bepalingen van richtlijn 89/391 verplichten de lidstaten om erop toe te zien dat arbeidsplaatsen worden ingedeeld op basis van de omvang van de risico's voor de gezondheid van de personen die deze plaatsen bezetten, zodat die personen eventueel bepaalde extra rechten op het gebied van pensioen- en vakantieopbouw krijgen.
59
Het valt echter niet uit te sluiten dat een systeem waarbij arbeidsplaatsen worden ingedeeld op basis van de gezondheidsrisico's, gevolgen kan hebben voor de verplichtingen die krachtens richtlijn 89/391 op werkgevers rusten. In dat geval moeten de lidstaten bij de toepassing van een dergelijk systeem de verplichtingen van die richtlijn in acht nemen. Dit is niet het geval wanneer de toepassing van dat systeem ertoe leidt dat de werkgever aan sommige van deze verplichtingen wordt onttrokken (zie in die zin arrest van 21 maart 2018, Podilă e.a., C-133/17 en C-134/17, EU:C:2018:203, punten 42 en 44).
60
In casu blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat de toepasselijke nationale regeling uit twee onderdelen bestaat die naast elkaar van toepassing zijn.
61
Het eerste onderdeel bestaat uit wet nr. 319/2006. Zoals het Hof reeds heeft vastgesteld, zet deze wet richtlijn 89/391 om in Roemeens recht (arrest van 21 maart 2018, Podilă e.a., C-133/17 en C-134/17, EU:C:2018:203, punt 43). In het bijzonder zijn bij artikel 12, lid 1, onder a) en b), en artikel 18, lid 7, van deze wet respectievelijk artikel 9, leden 1 en 2, en artikel 11, lid 6, van die richtlijn omgezet. Bovendien voorziet artikel 39, lid 4, van die wet in sancties voor het geval de werkgever de in artikel 12, lid 1, onder a) en b), van die wet neergelegde verplichtingen niet nakomt. De vragen van de verwijzende rechter hebben echter geen betrekking op deze omzetting en in het hoofdgeding wordt niet betwist dat werknemers zich tot de bevoegde autoriteit op het gebied van de veiligheid en de bescherming van de gezondheid op het werk kunnen wenden of bij de nationale rechter beroep kunnen instellen tegen de maatregelen die volgens hen niet toereikend zijn om de veiligheid en de gezondheid op het werk te verzekeren.
62
Het tweede onderdeel, in het kader waarvan de verwijzende rechter zijn vragen stelt, voorziet in de mogelijkheid voor werkgevers om de arbeidsplaatsen in verschillende categorieën te laten indelen op basis van de gezondheidsrisico's die werknemers lopen. Afhankelijk van de categorie waarin hun arbeidsplaats is ingedeeld, kunnen werknemers aanspraak maken op bepaalde extra rechten op het gebied van pensioenopbouw en vakantie. Op grond van de tot dit tweede onderdeel behorende bepalingen van nationaal recht, zoals uitgelegd door de Înalta Curte de Casaţie şi Justiţie, kan echter alleen de werkgever een verzoek tot indeling of verlenging van de indeling van de arbeidsplaats op basis van risico indienen. De werknemer kan zich niet tot de bevoegde nationale autoriteit op het gebied van de veiligheid en de bescherming van de gezondheid op het werk wenden of bij de nationale rechter een vordering instellen om te doen vaststellen dat zijn arbeidsomstandigheden behoren tot een categorie waarin hij wordt blootgesteld aan bijzondere risico's, of om zijn werkgever ertoe te bewegen zijn arbeidsplaats in een dergelijke categorie in te delen.
63
Verzoekster in het hoofdgeding komt op tegen het feit dat haar arbeidsplaats met ingang van 1 januari 2007 niet meer is ingedeeld als arbeidsplaats waar zij wordt blootgesteld aan ‘bijzondere arbeidsomstandigheden’. Dit heeft volgens haar onder meer tot gevolg dat zij vanaf die datum geen recht meer heeft op een groter aantal dagen jaarlijkse vakantie met behoud van loon en op aanvullende pensioenrechten in de vorm van een verlaging van de pensioenleeftijd en een verhoging van het aantal punten voor de berekening van het pensioen, waarbij de werkgever in dat geval verplicht was om hogere sociale premies te betalen.
64
Derhalve moet worden nagegaan of een nationale regeling die voorziet in een systeem waarbij arbeidsplaatsen worden ingedeeld op basis van de gezondheidsrisico's die werknemers lopen, gevolgen heeft voor de krachtens richtlijn 89/391 op werkgevers rustende verplichtingen wanneer de toepassing van dat systeem ertoe kan leiden dat werknemers bepaalde extra rechten hebben op het gebied van pensioenopbouw en jaarlijkse vakantie met behoud van loon.
65
Wat ten eerste de toekenning van extra rechten op ouderdomspensioen betreft, zij opgemerkt dat de toekenning van dergelijke rechten niet bijdraagt tot de door die richtlijn nagestreefde doelstelling van verbetering van de veiligheid en de gezondheid van werknemers op het werk. Zoals de advocaat-generaal in punt 49 van zijn conclusie heeft uiteengezet met betrekking tot de extra pensioenopbouw waarop de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling specifiek betrekking heeft, heeft de verhoging van het aantal punten voor de berekening van het pensioen namelijk geen betrekking op de arbeidsomstandigheden tijdens de periode waarin werknemers werkzaam zijn, maar op de omstandigheden van die werknemers in de periode daarna. Bovendien houdt de verlaging van de pensioenleeftijd voor werknemers die aan ‘bijzondere arbeidsomstandigheden’ zijn blootgesteld, geen verband met de uitvoering van maatregelen ter verbetering van de veiligheid en de gezondheid van werknemers op het werk. De genoemde rechten zijn in werkelijkheid compensaties voor het risico dat werd gelopen en vallen niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 89/931.
66
Wat ten tweede de toekenning van het recht op extra jaarlijkse vakantie met behoud van loon betreft, moet worden opgemerkt dat de bepalingen van richtlijn 89/391 moeten worden gelezen in samenhang met die van richtlijn 2003/88. Artikel 1, lid 4, van die richtlijn bepaalt immers dat het bepaalde in richtlijn 89/391 ten volle van toepassing is op de aspecten van de arbeidstijd die onder richtlijn 2003/88 vallen, onverminderd strengere of meer specifieke bepalingen die in deze richtlijn zijn vervat.
67
Richtlijn 2003/88 strekt ertoe minimumvoorschriften vast te stellen om de levens- en arbeidsomstandigheden van werknemers te verbeteren door de nationale regelingen inzake met name de duur van de arbeidstijd te harmoniseren. Deze harmonisatie op het niveau van de Europese Unie inzake de organisatie van de arbeidstijd moet een betere bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers waarborgen, met name door minimumrusttijden voor hen te waarborgen (zie in die zin arrest van 19 december 2024, Loredas, C-531/23, EU:C:2024:1050, punten 29 en 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68
Zo wordt in artikel 2, punt 9, van richtlijn 2003/88 het begrip ‘passende rusttijd’ in de zin van die richtlijn gedefinieerd als regelmatige, in tijdseenheden uitgedrukte rustperioden die voldoende lang en ononderbroken zijn om ervoor te zorgen dat de werknemers als gevolg van vermoeidheid wegens lange werktijden of andere onregelmatige werkroosters geen letsel toebrengen aan zichzelf, hun collega's of anderen en hun gezondheid op korte of op lange termijn niet schaden.
69
Hieruit volgt dat de toekenning van extra jaarlijkse vakantiedagen aan een werknemer vanwege moeilijke arbeidsomstandigheden waarbij hij wordt blootgesteld aan risico's voor zijn gezondheid of persoon, gerechtvaardigd kan zijn om de veiligheid en de gezondheid van werknemers op het werk te waarborgen.
70
Zoals ook de advocaat-generaal in punt 53 van zijn conclusie heeft opgemerkt, verplicht richtlijn 2003/88 echter niet tot het toekennen van extra jaarlijkse vakantiedagen om die redenen.
71
Artikel 7, lid 1, van deze richtlijn bepaalt dat de lidstaten de nodige maatregelen treffen opdat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken wordt toegekend, overeenkomstig de in de nationale wetten en/of gebruiken geldende voorwaarden voor het recht op en de toekenning van een dergelijke vakantie. Bovendien blijkt uit de bewoordingen van respectievelijk deze bepaling, artikel 1, lid 1 en lid 2, onder a), en artikel 15 van die richtlijn uitdrukkelijk dat deze enkel minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid op het gebied van de organisatie van de arbeidstijd vaststelt, zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheid van de lidstaten om nationale bepalingen toe te passen die gunstiger zijn voor de bescherming van werknemers.
72
Hieruit volgt, ten eerste, dat richtlijn 2003/88 niet in de weg staat aan nationale bepalingen die recht geven op een langere periode van jaarlijkse vakantie met behoud van loon dan de in artikel 7, lid 1, van die richtlijn voorgeschreven vier weken, die wordt toegekend en verkregen onder de in het nationale recht vastgestelde voorwaarden, en, ten tweede, dat de rechten op jaarlijkse vakantie met behoud van loon die verder gaan dan het bij artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 vereiste minimum, niet door deze richtlijn worden geregeld maar door het nationale recht, buiten het kader van het stelsel van die richtlijn (zie in die zin arrest van 19 november 2019, TSN en AKT, C-609/17 en C-610/17, EU:C:2019:981, punten 33 en 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
73
Gelet op een en ander valt het recht op extra jaarlijkse vakantie met behoud van loon dat aan werknemers wordt toegekend als gevolg van het feit dat hun arbeidsplaats is ingedeeld als arbeidsplaats waar zij worden blootgesteld aan bijzondere beroepsrisico's, niet binnen de werkingssfeer van de richtlijnen 2003/88 en 89/391.
74
Bijgevolg heeft een nationale regeling die voorziet in een systeem waarbij arbeidsplaatsen worden ingedeeld op basis van de gezondheidsrisico's die werknemers lopen, geen gevolgen voor de verplichtingen die krachtens richtlijn 89/391 op werkgevers rusten, wanneer de toepassing van dat systeem er alleen toe kan leiden dat werknemers bepaalde extra rechten hebben op het gebied van pensioenopbouw en jaarlijkse vakantie met behoud van loon.
75
De verwijzende rechter wijst er echter ook op dat verzoekster in het hoofdgeding met haar beroep tegen het niet indelen van haar arbeidsplaats als arbeidsplaats waar zij wordt blootgesteld aan ‘bijzondere omstandigheden’ in de zin van de Roemeense regeling, niet alleen aanspraak maakt op die pensioenopbouw en jaarlijkse vakantie, maar ook op erkenning van de beroepsrisico's die inherent zijn aan de omstandigheden waaronder zij haar werkzaamheden verricht, zowel voor het verleden als voor de toekomst.
76
In dit verband blijkt uit artikel 9, lid 1, onder a), van richtlijn 89/391, gelezen in samenhang met artikel 9, lid 1, onder b), van die richtlijn, dat de werkgever moet beschikken over een evaluatie van de risico's voor de veiligheid en de gezondheid op het werk, met inbegrip van de risico's voor de groepen werknemers met bijzondere risico's, zodat hij kan bepalen welke beschermende maatregelen moeten worden genomen en, indien nodig, welke beschermingsmiddelen hij moet gebruiken.
77
Indien het niet indelen van de arbeidsplaats van verzoekster in het hoofdgeding als arbeidsplaats waar zij wordt blootgesteld aan ‘bijzondere omstandigheden’ zou betekenen dat de werkgever de risico's niet heeft beoordeeld en daardoor niet de nodige maatregelen heeft genomen om de veiligheid en de gezondheid op het werk te waarborgen, dan zou het niet indelen, zoals is aangegeven in punt 59 van het onderhavige arrest, tot gevolg hebben dat de werkgever wordt onttrokken aan de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 9, lid 1, onder a) en b), van richtlijn 89/391, hetgeen door de werknemers overeenkomstig artikel 11, lid 6, van deze richtlijn zou moeten kunnen worden gemeld bij de bevoegde autoriteit op het gebied van de veiligheid en de bescherming van de gezondheid en, indien nodig, zou moeten kunnen worden aangevochten bij de nationale rechterlijke instanties teneinde overeenkomstig artikel 47 van het Handvest een effectieve rechterlijke bescherming te waarborgen van de bij die richtlijn aan werknemers verleende rechten.
78
Zoals blijkt uit punt 61 van het onderhavige arrest, wordt echter niet betwist dat de werkgever als gevolg van de omzetting van artikel 9, lid 1, onder a) en b), en artikel 11, lid 6, van richtlijn 89/391 in Roemeens recht een risicobeoordeling moet uitvoeren en de nodige maatregelen moet nemen om de veiligheid en de gezondheid op het werk te waarborgen, en dat verzoekster in het hoofdgeding de mogelijkheid heeft om bij de bevoegde Roemeense autoriteit op het gebied van de veiligheid en de bescherming van de gezondheid op het werk en, indien nodig, bij de Roemeense rechterlijke instanties op te komen tegen de ontoereikendheid van de door haar werkgever na de desbetreffende risicobeoordeling genomen maatregelen en ingezette middelen om de veiligheid en de gezondheid op het werk te verzekeren.
79
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 9 en artikel 11, lid 6, van richtlijn 89/391 aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet van toepassing zijn op een nationale regeling, zoals uitgelegd door de nationale rechterlijke instanties, die eraan in de weg staat dat een werknemer zich tot de bevoegde nationale autoriteit op het gebied van de veiligheid en de bescherming van de gezondheid op het werk wendt of een vordering instelt bij een nationale rechterlijke instantie om de in die regeling voorziene indeling van zijn arbeidsplaats te laten vaststellen of herzien in het licht van de meer dan normale gezondheidsrisico's waaraan hij op het werk wordt blootgesteld, en om op basis van die nieuwe indeling extra rechten te verkrijgen op het gebied van pensioenopbouw en jaarlijkse vakantie met behoud van loon.
Tweede vraag
80
Gelet op het antwoord op de eerste vraag behoeft de tweede vraag geen beantwoording.
Kosten
81
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij niet van toepassing zijn op een nationale regeling, zoals uitgelegd door de nationale rechterlijke instanties, die eraan in de weg staat dat een werknemer zich tot de bevoegde nationale autoriteit op het gebied van de veiligheid en de bescherming van de gezondheid op het werk wendt of een vordering instelt bij een nationale rechterlijke instantie om de in die regeling voorziene indeling van zijn arbeidsplaats te laten vaststellen of herzien in het licht van de meer dan normale gezondheidsrisico's waaraan hij op het werk wordt blootgesteld, en om op basis van die nieuwe indeling extra rechten te verkrijgen op het gebied van pensioenopbouw en jaarlijkse vakantie met behoud van loon.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 13‑11‑2025
Conclusie 30‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Sociale politiek — Richtlijn 89/391/EEG — Maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk — Artikel 9 — Artikel 11, lid 6 — Indeling als arbeidsplaats waar werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden — Voordelen in verband met het ouderdomspensioen en de jaarlijkse vakantie met behoud van loon — Werkgever die niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen met het oog op verlenging van de classificatiegoedkeuring — Ontbreken van rechtsmiddel van gemeen recht voor de betrokken werknemers — Effectieve rechterlijke bescherming
A. rantos
Partij(en)
Zaak C-678/231.
JU
tegen
Spitalul Clinic de Pneumoftiziologie Iași
[verzoek van de Curte de Apel Iași (rechter in tweede aanleg Iași, Roemenië) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
De beroepswerkzaamheden van JU (hierna: ‘verzoekster’), die door de Spitalul Clinic de Pneumoftiziologie Iași (longziekenhuis van Iași, Roemenië; hierna: ‘ziekenhuis’) in dienst is genomen als longarts, waren ingedeeld als werkzaamheden op een arbeidsplaats waar werknemers worden blootgesteld aan ‘bijzondere omstandigheden’, dat wil zeggen een arbeidsplaats met een hoge mate van blootstelling aan risico's. Op grond van deze indeling genoot zij aanvullende sociale rechten. Nadat de indeling van haar arbeidsplaats als arbeidsplaats waar bijzondere omstandigheden gelden niet werd verlengd, waardoor zij niet langer aanspraak op deze aanvullende rechten kon maken, heeft verzoekster beroep ingesteld bij een nationale rechter die dit beroep heeft verworpen op grond dat er volgens de nationale regeling, zoals die is uitgelegd door de nationale rechterlijke instanties, geen vordering van gemeen recht kan worden ingesteld om de bijzondere omstandigheden te laten vaststellen waaronder de werknemers hebben gewerkt, en evenmin om werkgevers te verplichten arbeidsplaatsen in te delen als arbeidsplaatsen waar dergelijke omstandigheden gelden indien zij geen goedkeuring of verlenging van de goedkeuring voor deze indeling hebben verkregen.
2.
Tegen die achtergrond wenst de Curte de Apel Iași (rechter in tweede aanleg Iași, Roemenië) in essentie van het Hof te vernemen of artikel 9 alsook artikel 11, lid 6, van richtlijn 89/391/EEG2. junctis artikel 31, lid 1, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) zich verzetten tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is.
3.
Deze vraag is eerder al onderzocht in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Podilă e.a.3., waarin dezelfde nationale regeling in geding was. Het Hof wordt derhalve verzocht te onderzoeken of de in dat arrest gevolgde redenering kan worden toegepast op de omstandigheden van de onderhavige zaak die draait om de voorwaarden voor de toekenning van het ouderdomspensioen en de vaststelling van het bedrag daarvan, alsook om de toekenning van extra jaarlijkse vakantiedagen met behoud van loon.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
1. Richtlijn 89/391
4.
Artikel 1 van richtlijn 89/391, met als opschrift ‘Doel’, bepaalt:
- ‘1.
Deze richtlijn heeft ten doel maatregelen ten uitvoer te leggen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk.
- 2.
Daartoe bevat zij algemene beginselen betreffende de preventie van beroepsrisico's en de bescherming van de veiligheid en de gezondheid, het uitsluiten van risico- en ongevalsfactoren, voorlichting, raadpleging, evenwichtige deelneming overeenkomstig de nationale wetten en/of praktijken, de opleiding van de werknemers en hun vertegenwoordigers, alsmede algemene regels voor de tenuitvoerlegging van die beginselen.
- 3.
Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bestaande of toekomstige nationale en communautaire bepalingen die gunstiger zijn voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk.’
5.
In artikel 9 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Diverse verplichtingen van de werkgevers’, is het volgende bepaald:
- ‘1.
De werkgever moet:
- a)
beschikken over een evaluatie van de risico's voor de veiligheid en de gezondheid op het werk, met inbegrip van de risico's voor de groepen werknemers met bijzondere risico's;
- b)
de te nemen beschermende maatregelen en, indien nodig, de te gebruiken beschermingsmiddelen vastleggen;
[…]
- 2.
Rekening houdend met de aard van de activiteiten en de grootte van de bedrijven, bepalen de lidstaten aan welke verplichtingen de diverse categorieën bedrijven moeten voldoen voor wat betreft de opstelling van de in lid 1, onder a) en b), bedoelde documenten en bij de opstelling van de in lid 1, onder c) en d), bedoelde documenten.’
6.
Artikel 11 van genoemde richtlijn, met als opschrift ‘Raadpleging en deelneming van de werknemers’, bepaalt in lid 6:
‘De werknemers en/of hun vertegenwoordigers hebben het recht om zich, overeenkomstig de nationale wetten en/of praktijken, tot de bevoegde autoriteit op het gebied van de veiligheid en de bescherming van de gezondheid op het werk te wenden indien zij menen dat de door de werkgever genomen maatregelen en ingezette middelen niet toereikend zijn om de veiligheid en de gezondheid op het werk te verzekeren.
De werknemersvertegenwoordigers moeten in de gelegenheid worden gesteld hun opmerkingen voor te leggen tijdens bezoeken en inspecties door de bevoegde autoriteit.’
2. Richtlijn 2003/88
7.
Artikel 1 van richtlijn 2003/88/EG4., met als opschrift ‘Doel en toepassingsgebied’, bepaalt:
- ‘1.
Deze richtlijn bepaalt minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid op het gebied van de organisatie van de arbeidstijd.
- 2.
Deze richtlijn is van toepassing op:
- a)
de minimale dagelijkse en wekelijkse rusttijden en de minimale jaarlijkse vakantie, alsmede op de pauzes en de maximale wekelijkse arbeidstijd, […]
[…]
- 4.
Het bepaalde in richtlijn [89/391] is ten volle van toepassing op de in lid 2 bedoelde aangelegenheden, onverminderd strengere en/of meer specifieke bepalingen die in deze richtlijn zijn vervat.’
8.
Artikel 2 van richtlijn 2003/88, met als opschrift ‘Definities’, bepaalt in punt 9:
‘Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
[P]assende rusttijd: regelmatige, in tijdseenheden uitgedrukte rustperioden die voldoende lang en ononderbroken zijn om ervoor te zorgen dat de werknemers als gevolg van vermoeidheid wegens lange werktijden of andere onregelmatige werkroosters geen letsel toebrengen aan zichzelf, hun collega's of anderen en hun gezondheid op korte of op lange termijn niet schaden.’
9.
Artikel 7 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Jaarlijkse vakantie’, bepaalt in lid 1:
‘De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken wordt toegekend, overeenkomstig de in de nationale wetten en/of gebruiken geldende voorwaarden voor het recht op en de toekenning van een dergelijke vakantie.’
10.
Artikel 15 van genoemde richtlijn draagt het opschrift ‘Gunstiger bepalingen’ en luidt als volgt:
‘Deze richtlijn staat er niet aan in de weg dat de lidstaten wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toepassen of invoeren die gunstiger zijn voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, dan wel de toepassing bevorderen of mogelijk maken van collectieve overeenkomsten of bedrijfsakkoorden tussen de sociale partners die gunstiger zijn voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers.’
B. Roemeens recht
11.
Artikel 19 van Lege nr. 19/2000 privind sistemul public de pensii și alte drepturi de asigurări sociale (wet nr. 19/2000 inzake het openbare stelsel van pensioenen en andere socialezekerheidsrechten) van 17 maart 20005. bepaalde in de op het hoofdgeding toepasselijke versie:
- ‘(1)
Voor de doeleinden van deze wet wordt verstaan onder ,arbeidsplaatsen waar de werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden', arbeidsplaatsen waar het vermogen om te werken van verzekerden op blijvende of tijdelijke wijze aanzienlijk kan worden bemoeilijkt vanwege de hoge mate van blootstelling aan risico's.
- (2)
De criteria en de methode voor de indeling als arbeidsplaats waar de werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden, worden bij regeringsbesluit vastgesteld op gemeenschappelijk voorstel van de minister van Arbeid, Gezinszaken en Sociale Bescherming en de minister van Gezondheid.
[…]
- (5)
Voor de indeling als arbeidsplaats waar de werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden is het advies vereist van de territoriaal bevoegde arbeidsinspectie.’
12.
Artikel 2, lid 1, van Hotărâreă Guvernului nr. 261/2001 privind criteriile și metodologia de încadrare a locurilor de muncă în condiții deosebite (regeringsbesluit nr. 261/2001 inzake de criteria en de methode voor de indeling als arbeidsplaats waar de werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden) van 22 februari 20016. bepaalt:
‘Voor de indeling als arbeidsplaats waar de werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden gelden de volgende criteria:
- a)
de aanwezigheid in de werkomgeving van fysiek schadelijke factoren, te weten lawaai, trillingen, elektromagnetische golven, druk, ioniserende straling, warmtestraling, niet-afgeschermde krachtige laserstralen, alsook van chemische of biologische schadelijke factoren die zijn vastgelegd in de algemene regels voor de veiligheid op het werk en die de in die regels vastgelegde toelaatbare grenzen overschrijden;
- b)
de specifieke reactie van het lichaam op de schadelijke werking van deze factoren, zoals die blijkt uit indicatoren voor de blootstelling en/of het biologische effect, zoals vastgelegd in opdracht van het ministerie van Gezondheid en Gezinszaken;
- c)
het ziektecijfer, zoals dat blijkt uit de beroepsziekten die in de afgelopen 15 jaar op het werk zijn vastgesteld.’
13.
Artikel 147, lid 1, van Lege nr. 53/2003 privind Codul muncii (wet nr. 53/2003 houdende het wetboek arbeidsrecht) van 24 januari 20037. bepaalde in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: ‘wetboek arbeidsrecht’):
‘Werknemers die in zware, gevaarlijke of schadelijke omstandigheden werken, visueel en anderszins gehandicapten en jongeren onder de 18 jaar hebben recht op een aanvullende jaarlijkse vakantie van minstens 3 werkdagen.’
14.
Artikel 12, leden 1 en 2, van Lege nr. 319/2006 a securității și sănătății în muncă (wet nr. 319/2006 inzake de veiligheid en de gezondheid op het werk) van 14 juli 20068. luidde in de op het hoofdgeding toepasselijke versie als volgt:
- ‘(1)
De werkgever is gehouden tot:
- a)
uitvoering en beschikbaarstelling van een evaluatie betreffende de risico's voor de veiligheid en gezondheid op het werk, met name voor groepen werknemers die worden blootgesteld aan specifieke risico's;
- b)
een beslissing over de te nemen beschermingsmaatregelen en, in voorkomend geval, de te gebruiken beschermingsmiddelen;
[…]
- (2)
Bij besluit van de ministru al muncii, solidarității sociale și familiei (minister van Arbeid, Maatschappelijke Solidariteit en Gezinszaken) worden, afhankelijk van de aard van de activiteiten en de omvang van de ondernemingen, de verplichtingen vastgesteld die gelden voor de verschillende categorieën ondernemingen met betrekking tot het opstellen van de in lid 1 bedoelde documenten.’
15.
Artikel 18, lid 7, van deze wet bepaalde:
‘De werknemersvertegenwoordigers die specifiek verantwoordelijk zijn voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers en/of de werknemers hebben het recht zich tot de bevoegde autoriteiten te wenden indien zij menen dat de door de werkgever genomen maatregelen en ingezette middelen niet toereikend zijn om de veiligheid en de gezondheid op het werk te verzekeren.’
16.
Artikel 1, lid 1, van Hotărâreă Guvernului nr. 246/2007 privind metodologia de reînnoire a avizelor de încadrare a locurilor de muncă în condiții deosebite (regeringsbesluit nr. 246/2007 inzake de methode voor de verlenging van goedkeuringen voor indelingen als arbeidsplaatsen waar de werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden) van 7 maart 20079. bepaalt:
‘Vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit kunnen goedkeuringen voor indelingen als arbeidsplaatsen waar de werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden, die geldig zijn tot en met 6 maart 2007 en die afgegeven zijn overeenkomstig de bepalingen van [regeringsbesluit nr. 261/2001], zoals gewijzigd en aangevuld, worden verlengd overeenkomstig de in dit besluit vastgestelde methode.’
17.
Artikel 55, lid 1, van Lege nr. 263/2010 privind sistemul unitar de pensii publice (wet nr. 263/2010 op het eenheidsstelsel van publieke pensioenen) van 16 december 201010. bepaalde in de op het hoofdgeding toepasselijke versie:
‘Personen die een volledig premieverleden hebben opgebouwd, hebben als volgt recht op een ouderdomspensioen met verlaging van de normale pensioenleeftijden:
- a)
overeenkomstig tabel nr. 1, voor personen die tijdvakken van premiebetaling hebben vervuld in bijzondere arbeidsomstandigheden;
[…]’
18.
Artikel 169, lid 1, van deze wet luidde als volgt:
‘Begunstigden van het publieke pensioenstelsel van wie de pensioenrechten zijn vastgesteld op grond van wetgeving van vóór 1 april 2000 en die werkzaamheden hebben verricht op plaatsen die zijn ingedeeld in arbeidsgroep I en/of arbeidsgroep II, genieten een verhoging van het tijdens deze periode jaarlijks opgebouwde aantal punten met respectievelijk:
- a)
50 % voor de tijdvakken waarin zij werkzaamheden hebben verricht op een arbeidsplaats die in arbeidsgroep I is ingedeeld;
- b)
25 % voor de tijdvakken waarin zij werkzaamheden hebben verricht op een arbeidsplaats die in arbeidsgroep II is ingedeeld.’
19.
Artikel 4 van Hotărâreă Guvernului nr. 1014/2015 privind metodologia de reînnoire a avizelor de încadrare a locurilor de muncă în condiții deosebite (regeringsbesluit nr. 1014/2015 inzake de methode voor de verlenging van goedkeuringen voor indelingen als arbeidsplaatsen waar de werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden) van 30 december 201511. bepaalt:
‘Werkgevers die geen verlenging hebben verkregen van de goedkeuring voor de indeling als arbeidsplaats waar de werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden, kunnen zich rechtstreeks en volgens de wettelijke procedure wenden tot de bevoegde rechterlijke instantie.’
III. Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
20.
Het ziekenhuis is een openbare zorginstelling met rechtspersoonlijkheid en ressorteert onder het plaatselijke gemeentebestuur, te weten de Consiliu Județean Iași (gemeentebestuur van Iași, Roemenië). Verzoekster is longarts. Zij is door het ziekenhuis in dienst genomen als raadgevend hoofdarts met specialisatie pulmonologie en werkt er al meer dan 30 jaar voor de dienst pulmonologie. Van 1 juli 1989 tot en met 31 maart 2001 was haar beroepsactiviteit voor 100 % ingedeeld in arbeidsgroep II. Deze indeling vloeide voort uit Lege nr. 27/1966 privind pensiile de asigurări sociale de stat și pensia suplimentară (wet nr. 27/1966 op de socialezekerheidspensioenen van de staat en het aanvullend pensioen) van 28 december 196612., waarvan artikel 6, lid 1, voorzag in een wettelijke classificatie van arbeidsomstandigheden die daartoe in drie groepen werden ingedeeld. Arbeidsgroep I omvatte de arbeidsplaatsen waar de omstandigheden bijzonder schadelijk, moeilijk of gevaarlijk waren; arbeidsgroep II de arbeidsplaatsen waar de omstandigheden schadelijk, moeilijk of gevaarlijk waren, en arbeidsgroep III de overige arbeidsplaatsen.
21.
De werknemers die in de arbeidsgroepen I of II waren ingedeeld, hadden, anders dan de werknemers uit arbeidsgroep III, recht op voordelen zoals anciënniteitstoeslagen, die per jaar effectieve arbeid op arbeidsplaatsen uit groep II overeenkwamen met drie maandlonen13., alsook extra jaarlijkse vakantiedagen. Lege nr. 3/1977 privind pensiile de asigurări sociale de stat și asistența socială (wet nr. 3/1977 op de socialezekerheidspensioenen van de staat en de sociale bijstand) van 30 juni 197714., waarin de reeds van kracht zijnde wettelijke bepalingen werden hernomen, voorzag in aanvullende elementen met betrekking tot het bijdragetijdvak en de punten met het oog op de pensioenberekening, met name met betrekking tot arbeidsgroep II.
22.
Deze bepalingen inzake de indeling in de arbeidsgroepen I en II werden ingetrokken op de datum van inwerkingtreding van wet nr. 19/2000, meer bepaald op 1 april 2001. Artikel 19, lid 1, van deze wet bepaalde dat ‘arbeidsplaatsen waar de werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden’ dienden te worden begrepen als ‘arbeidsplaatsen waar het vermogen om te werken van verzekerden op blijvende of tijdelijke wijze aanzienlijk kan worden bemoeilijkt vanwege de hoge mate van blootstelling aan risico's’.15. Van 1 april 2001 tot en met 31 december 2006 was de functie van verzoekster voor 100 % ingedeeld als ‘arbeidsplaats waar bijzondere omstandigheden gelden’. Werknemers die aan deze omstandigheden waren blootgesteld, genoten ook extra rechten in de vorm van, ten eerste, een groter aantal betaalde vakantiedagen per jaar, ten tweede, een verlaging van de pensioenleeftijd en, ten derde, een verhoging van het aantal punten voor de pensioenberekening, waarvoor de werkgever socialezekerheidsbijdragen moest betalen die procentueel hoger waren dan de voor een arbeidsplaats met normale omstandigheden verschuldigde bijdragen.
23.
Het ziekenhuis beschikte over een op 11 december 2001 door de Inspectorat Teritorial de Muncă Iași (territoriale arbeidsinspectie van Iași, Roemenië; hierna: ‘ITM’) afgegeven goedkeuring voor de indeling van zijn in bijlage daarvan genoemde arbeidsplaatsen als arbeidsplaatsen waar de werknemers worden blootgesteld aan ‘bijzondere omstandigheden’ en waarin 31 maart 2004 als uiterste datum was vastgelegd voor de uitvoering van technische en organisatorische maatregelen teneinde de arbeidsomstandigheden op die arbeidsplaatsen te normaliseren. Deze goedkeuring werd verlengd bij een andere, op 29 maart 2004 afgegeven goedkeuring waarin de uiterste datum voor normalisering van de arbeidsomstandigheden op 31 december 2006 was vastgelegd. Bij brief van 2 februari 2007 heeft de ITM het ziekenhuis meegedeeld dat de periode waarvoor de classificatiegoedkeuring was verleend, verstreken was en dat deze goedkeuring bijgevolg vanaf 31 december 2006 niet langer gold. Na ontvangst van deze brief heeft het ziekenhuis een besluit vastgesteld op grond waarvan zijn werknemers met ingang van 1 januari 2007 werden geacht in normale arbeidsomstandigheden werkzaam te zijn.
24.
Tegelijkertijd heeft het ziekenhuis stappen ondernomen bij de Autoritate de Sănătate Publică Iași (volksgezondheidsdienst van Iași, Roemenië) teneinde goedkeuring te verkrijgen voor het behoud of de verlenging van de indeling als arbeidsplaats waar de werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden. Aangezien deze dienst niet reageerde, heeft het ziekenhuis hem op 19 maart 2007 een tweede brief toegezonden waarin andermaal werd verzocht om een evaluatie van de beroepsrisico's op de arbeidsplaatsen met het oog op de verlenging van de classificatiegoedkeuring door de ITM. Ook deze brief bleef onbeantwoord. Bij brief van 28 juni 2007 heeft het ziekenhuis ook de ITM verzocht om de classificatiegoedkeuring met ingang van 1 januari 2007 te verlengen. Op 27 december 2007 heeft het ziekenhuis een derde brief toegezonden aan de volksgezondheidsdienst van Iași en nog andere stappen ondernomen.
25.
Verzoekster heeft aangegeven dat zij bij toeval had vernomen dat er niet langer socialezekerheidsbijdragen waren afgedragen voor de werkzaamheden die zij daadwerkelijk onder bijzondere omstandigheden had verricht. Zij heeft daarop beroep ingesteld bij de Tribunal Iași (rechter in eerste aanleg Iași, Roemenië) met de eis dat haar functie met ingang van 2007 wordt ingedeeld als arbeidsplaats waar bijzondere omstandigheden gelden en dat haar werkgever het daaruit voortvloeiende verschil in socialezekerheidsbijdragen aan haar betaalt. Bij uitspraak van 15 juli 2022 heeft deze rechter geoordeeld dat hij, aangezien de nationale wetgeving voorziet in een door de werkgever te volgen procedure voor de indeling als arbeidsplaatsen waar bijzondere omstandigheden gelden, het door verzoekster ingestelde beroep niet kon toewijzen. De werkgever kan namelijk niet worden verplicht verzoeksters functie in te delen als arbeidsplaats waar bijzondere omstandigheden gelden wanneer voornoemde procedure niet is doorlopen en de wettelijk voorgeschreven goedkeuring daarvoor niet is verkregen. Genoemde rechter heeft daaraan toegevoegd dat de werkgever bij het uitblijven van enige reactie met betrekking tot de indeling of enig ander verzoek, de respectieve instanties overeenkomstig artikel 4 van regeringsbesluit nr. 1014/2015 had kunnen dagvaarden en hen, met zijn hulp, had kunnen verplichten tot naleving van de krachtens de nationale wetgeving op hen rustende verplichtingen teneinde alle door die wetgeving voorgeschreven stappen te volgen voor de indeling als arbeidsplaatsen waar bijzondere omstandigheden gelden en, bijgevolg, de goedkeuring voor die indeling te verkrijgen.
26.
Verzoekster heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, de Curte de Apel Iași, en daarin aangevoerd dat de door het ziekenhuis ondernomen stappen niet voldeden aan de door de nationale wetgeving gestelde vereisten, met als gevolg dat de procedure voor de goedkeuring om haar functie vanaf 2007 in te delen als arbeidsplaats waar bijzondere omstandigheden gelden, door nalatigheid of te kwader trouw de facto niet is ingeleid. In dit verband heeft verzoekster gepreciseerd dat vanaf haar indiensttreding tot op heden noch haar arbeidsplaats en -omstandigheden, noch de daaraan verbonden risico's en verantwoordelijkheden waren gewijzigd. Sterker nog, doordat op haar afdeling met COVID-19 besmette patiënten waren opgenomen, was haar werk veel intensiever en veeleisender geworden, waarbij haar leven en dat van haar naasten dagelijks gevaar liepen.
27.
De verwijzende rechter merkt op dat de uitkomst van het door verzoekster ingestelde beroep uitsluitend afhangt van de vaststelling van de betekenis en de omvang van de beoordelingsmarge waarover de lidstaat beschikt bij de omzetting van artikel 11, lid 6, van richtlijn 89/391, gelezen in samenhang met artikel 9 ervan en met artikel 31, lid 1, en artikel 47 van het Handvest. Deze rechter legt uit dat de indeling als arbeidsplaatsen waar de werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden, volgens de opvatting van de Roemeense wetgever onderdeel uitmaakt van positieve maatregelen ter compensatie van de langetermijngevolgen van het verrichten van beroepswerkzaamheden op een arbeidsplaats die, ondanks alle genomen maatregelen ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, ernstige beroepsrisico's blijft inhouden. Om die reden gaat de indeling als arbeidsplaats waar bijzondere omstandigheden gelden, gepaard met extra voordelen voor de betrokken werknemers. Zo zorgt het recht op extra vakantie voor een langere periode van herstelrust en houdt het kortere bijdragetijdvak voor het ouderdomspensioen, dat wordt berekend op basis van de daadwerkelijk verrichte werkzaamheden in dergelijke omstandigheden, een kortere periode van beroepswerkzaamheden in dan wanneer die werkzaamheden in normale omstandigheden worden verricht.
28.
De verwijzende rechter refereert aan arrest nr. 12/2016 van de Înaltă Curte de Casație și Justiție (hoogste rechterlijke instantie, Roemenië) van 23 mei 201616., gewezen op een cassatieberoep in het belang der wet, waarin deze rechterlijke instantie heeft geoordeeld dat artikel 1 van regeringsbesluit nr. 246/2007 voorziet in de mogelijkheid tot verlenging van classificatiegoedkeuringen overeenkomstig de in dat besluit vastgestelde methode, en dat alleen de werkgevers die in het bezit waren van tot en met 6 maart 2007 geldige goedkeuringen voor de indeling als arbeidsplaatsen waar bijzondere omstandigheden gelden en die de arbeidsomstandigheden niet binnen normale grenzen hadden gebracht door middel van uiterlijk op 9 maart 2007 — de datum van inwerkingtreding van voornoemd besluit — genomen maatregelen, binnen de werkingssfeer van deze handeling vielen. Laatstgenoemde rechterlijke instantie heeft tevens verklaard dat er na 9 maart 2007 niet langer goedkeuringen konden worden afgegeven voor de indeling als arbeidsplaatsen waar bijzondere omstandigheden gelden, maar dat alleen reeds verleende goedkeuringen periodiek konden worden verlengd. Dezelfde rechterlijke instantie heeft daaraan toegevoegd dat er op grond van de nationale regeling geen vordering van gemeen recht kon worden ingesteld om de bijzondere omstandigheden te laten vaststellen waaronder de werknemers na 1 april 2001 hebben gewerkt, en evenmin om de werkgevers te verplichten arbeidsplaatsen in te delen als arbeidsplaatsen waar de werknemers worden blootgesteld aan dergelijke omstandigheden, indien deze werkgevers geen goedkeuring — of in voorkomend geval geen verlenging van de goedkeuring — voor deze indeling hebben verkregen.17.
29.
De verwijzende rechter merkt op dat hij, hoewel de toepassing van het nationale recht in de bindende uitlegging van de Înaltă Curte de Casație și Justiție in de nationale rechtspraak geen aanleiding geeft tot debat, niettemin betwijfelt of de betrokken nationale praktijk strookt met het Unierecht. Dienaangaande geeft deze rechter aan dat artikel 11, lid 6, van richtlijn 89/391 in Roemeens recht is omgezet bij artikel 18, lid 7, van wet nr. 319/2006, zonder dat er aanvullende procedurele maatregelen zijn vastgesteld. Ofschoon de algemene nationale regel uitdrukkelijk voorziet in een recht voor werknemers om een beroep te doen op elke bevoegde instantie om na te gaan of de door de werkgever genomen maatregelen en ingezette middelen toereikend zijn om de veiligheid en gezondheid op het werk te verzekeren, is deze regel niet overgenomen in de secundaire regelgeving betreffende de evaluatie van beroepsrisico's voor werknemers op middellange of lange termijn.
30.
Volgens de verwijzende rechter is het in casu door verzoekster ingestelde beroep, anders dan in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Podilă e.a., niet gericht op de vaststelling van pensioenrechten, maar op de erkenning van de beroepsrisico's die specifiek zijn voor haar bijzondere arbeidsomstandigheden. Ook al brengt de indeling als arbeidsplaats waar bijzondere omstandigheden gelden indirecte gevolgen met zich voor het openbare socialezekerheidsstelsel, neemt dit niet weg dat verzoekster haar dienstbetrekking nog steeds uitoefent. Dezelfde rechter voegt hieraan toe dat verzoekster aanvoert dat er op haar arbeidsplaats voortdurend sprake was en nog steeds is van belangrijke risicofactoren die leiden tot overschrijding van de grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling op het werk, of van andere biologische agentia die schadelijke gevolgen voor haar gezondheidstoestand hebben gehad. Niettemin heeft zij overeenkomstig de nationale wetgeving en praktijk geen toegang tot de rechter, noch voor het verleden, noch voor de toekomst.
31.
Hoewel artikel 9 van richtlijn 89/391 volgens de verwijzende rechter in de Roemeense rechtsorde is omgezet bij artikel 12 van wet nr. 319/2006, lijken de verplichtingen van de werkgevers bovendien niet te zijn gekoppeld aan de verplichting om een getrouwe en nauwkeurige indeling van de arbeidsomstandigheden in de onderneming te verstrekken. Voorts is er ook geen latere handeling van lagere rang waarin de gevolgen zijn vastgesteld van de niet-nakoming van de verplichtingen inzake de evaluatie en controle van beroepsrisico's door ondernemingen waar er ernstige risico's voor de gezondheid van de werknemers bestaan. Ofschoon niet-naleving van de in artikel 12 van wet nr. 319/2006 neergelegde verplichtingen kan leiden tot het opleggen van een administratieve boete aan de werkgever, zijn er geen andere rechtsgevolgen verbonden aan het ontbreken van een correcte evaluatie van beroepsrisico's op de werkplek.
32.
Tot slot merkt de verwijzende rechter op dat er duidelijkheid moet worden verschaft over de wisselwerking tussen Unierecht en nationaal recht. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof is een nationale rechter volgens het beginsel van voorrang van het Unierecht immers verplicht om Unierechtelijke bepalingen met rechtstreekse werking toe te passen en daarbij elke nationale regeling die daarmee in strijd is, opzij te zetten.18. Bijgevolg moet worden nagegaan of artikel 11, lid 6, van richtlijn 89/391 rechtstreekse verticale werking heeft. Zo ja, dan rijst de vraag of deze bepaling, gelezen in samenhang met artikel 31, lid 1, en artikel 47 van het Handvest, werknemers het recht waarborgt op een effectieve rechterlijke bescherming indien de wettelijke verplichtingen niet worden nagekomen door degenen die daartoe zijn gehouden.
33.
In die omstandigheden heeft de Curte de Apel Iași besloten om de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
- ‘1)
Verzetten artikel 9 en artikel 11, lid 6, van richtlijn [89/391] zich tegen bindende nationale regelgeving en praktijken volgens welke de werknemers niet het recht hebben om zich rechtstreeks tot de bevoegde autoriteit op het gebied van de veiligheid en de bescherming van de gezondheid op het werk te wenden indien zij menen dat de door de werkgever genomen maatregelen en ingezette middelen niet toereikend zijn om de veiligheid en de gezondheid op het werk te verzekeren, en zich evenmin kunnen wenden tot de rechter indien de werkgever volgens hen niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen inzake de indeling van arbeidsplaatsen als arbeidsplaatsen [waar de werknemers worden blootgesteld aan] bijzondere arbeidsomstandigheden, noch voor de reeds gewerkte periode, noch voor de toekomstige duur van de arbeidsbetrekking?
- 2)
Heeft artikel 11, lid 6, van richtlijn [89/391] een rechtstreekse verticale werking, en geeft het in samenhang met artikel 31, lid 1, en artikel 47 van het [Handvest] werknemers het recht op rechterlijke bescherming indien de wettelijke verplichtingen niet worden nagekomen door degenen die daartoe zijn gehouden?’
34.
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door de Roemeense regering en de Europese Commissie, die ter terechtzitting van 30 januari 2025 ook in hun mondelinge opmerkingen zijn gehoord.
IV. Analyse
A. Eerste prejudiciële vraag
35.
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 9 en artikel 11, lid 6, van richtlijn 89/391 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling, zoals die wordt uitgelegd door de nationale rechterlijke instanties, waarin procedures zijn vastgesteld volgens welke werknemers niet het recht hebben om zich te wenden tot de bevoegde autoriteit op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk, en evenmin tot de nationale rechterlijke instanties met het oog op de herziening of vaststelling van de indeling van de werkzaamheden van de werknemers in verschillende risicogroepen.
36.
Allereerst herinner ik eraan dat richtlijn 89/391, zoals volgt uit zowel de titel en preambule als artikel 1 ervan, de tenuitvoerlegging van maatregelen beoogt ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk. Daartoe bevat deze richtlijn, zoals in artikel 1, lid 2, ervan is uiteengezet, algemene beginselen betreffende de preventie van beroepsrisico's en de bescherming van de veiligheid en de gezondheid, het uitsluiten van risico- en ongevalsfactoren, voorlichting, raadpleging, evenwichtige deelneming overeenkomstig de nationale wetten en/of praktijken, de opleiding van de werknemers en hun vertegenwoordigers, alsmede algemene regels voor de tenuitvoerlegging van die beginselen.19.
37.
In het onderhavige geval waren verzoeksters beroepswerkzaamheden op grond van de nationale regeling ingedeeld in ‘arbeidsgroep II’20., wat inhield dat zij aan ‘bijzondere omstandigheden’21. was blootgesteld. Zoals de verwijzende rechter aangeeft, genoten de in deze categorie ingedeelde werknemers extra rechten met betrekking tot het aantal betaalde vakantiedagen per jaar en het rustpensioen, die de vorm aannamen van, ten eerste, een verlaging van de pensioenleeftijd en, ten tweede, een verhoging van het aantal punten voor de pensioenberekening, waarvoor de werkgever hogere socialezekerheidsbijdragen moest betalen. Aangezien de goedkeuring voor de indeling als arbeidsplaats waar bijzondere omstandigheden gelden niet werd verlengd, heeft het ziekenhuis een besluit vastgesteld op grond waarvan zijn werknemers met ingang van 1 januari 2007 werden geacht in normale arbeidsomstandigheden werkzaam te zijn. Verzoekster heeft daarop beroep ingesteld met de eis dat haar functie met ingang van 2007 wordt ingedeeld als arbeidsplaats waar bijzondere omstandigheden gelden en dat het ziekenhuis het daaruit voortvloeiende verschil in socialezekerheidsbijdragen aan haar betaalt.
38.
De verwijzende rechter preciseert dat er volgens de rechtspraak van de Înaltă Curte de Casație și Justiție tot uitlegging van de nationale regeling geen vordering van gemeen recht kan worden ingesteld om de bijzondere omstandigheden te laten vaststellen waaronder de werknemers na 1 april 2001 hebben gewerkt, of om de werkgevers te verplichten arbeidsplaatsen in te delen als arbeidsplaatsen waar de werknemers worden blootgesteld aan dergelijke omstandigheden, indien zij geen goedkeuring of verlenging van de goedkeuring voor deze indeling hebben verkregen. Tegen die achtergrond betwijfelt de verwijzende rechter of de nationale regeling, zoals die in voornoemde rechtspraak is uitgelegd, strookt met richtlijn 89/391, en in het bijzonder met artikel 9 en artikel 11, lid 6, daarvan.
39.
Voor de beantwoording van de vragen van de verwijzende rechter acht ik het nuttig te wijzen op de door het Hof in het arrest Podilă e.a. gevolgde benadering met betrekking tot de vraag of richtlijn 89/391 zich met name verzet tegen een nationale regeling die voorziet in strikte termijnen en procedures op grond waarvan het de nationale rechterlijke instanties niet is toegestaan de indeling van de werkzaamheden van de werknemers in verschillende risicogroepen, die als basis dient voor de berekening van het ouderdomspensioen van deze werknemers, te herzien of vast te stellen.
40.
Dienaangaande heeft het Hof in dat arrest opgemerkt dat verzoekers met hun respectieve beroepen niet wilden laten vaststellen dat hun werkgevers de op hen rustende verplichtingen op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk niet waren nagekomen of dat de omstandigheden waarin zij hun werkzaamheden tot voor kort hadden verricht, niet in overeenstemming waren met de voorschriften inzake gezondheid en veiligheid op het werk, maar wilden laten erkennen dat de arbeidsplaatsen waar zij hun werkzaamheden hadden verricht, hadden moeten zijn ingedeeld als arbeidsplaatsen waar werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden, teneinde in aanmerking te komen voor een verhoging van hun ouderdomspensioen. Het Hof heeft verklaard dat niet bij voorbaat kon worden uitgesloten dat een systeem voor de indeling van de werkzaamheden van werknemers in verschillende categorieën ten behoeve van de berekening van de ouderdomspensioenen op grond van specifieke administratieve procedures en strikte termijnen, gevolgen kan hebben voor de naleving van de krachtens richtlijn 89/391 op de werkgevers rustende verplichtingen. Dit kan met name het geval zijn wanneer de indeling van de werkzaamheden binnen een bedrijf — ten behoeve van de berekening van de ouderdomspensioenen — als arbeidsplaatsen waar werknemers niet worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden, rechtstreeks van invloed is op de indeling van dat bedrijf in de categorieën bedrijven die de lidstaten krachtens artikel 9, lid 2, van deze richtlijn moeten vaststellen, waardoor genoemd bedrijf zich in voorkomend geval kan onttrekken aan bepaalde uit genoemde richtlijn voortvloeiende verplichtingen.22.
41.
Het Hof heeft daaraan toegevoegd dat richtlijn 89/391 in Roemeens recht is omgezet, waarbij met name artikel 9, leden 1 en 2, en artikel 11, lid 6, van deze richtlijn zijn hernomen in wet nr. 319/2006, en dat uit artikel 39, lid 4, van deze wet volgt dat de nationale wetgever heeft voorzien in sancties wanneer de werkgever de in artikel 9, lid 1, onder a) en b), van richtlijn 89/391 bedoelde verplichtingen niet nakomt.23. Het Hof heeft echter geoordeeld dat, bij gebreke van enige aanwijzing in de verwijzingsbeslissing dat de omzetting van deze richtlijn in Roemeens recht onvolledig is of dat de nationale wettelijke regeling door de bevoegde autoriteiten wordt toegepast op een wijze die niet strookt met de vereisten van die richtlijn, of zelfs op een wijze die rechtstreeks van invloed is op de indeling van de werkgever in de categorieën bedrijven, een situatie als die in het hoofdgeding niet binnen de werkingssfeer van de bepalingen van diezelfde richtlijn valt.24.
42.
Hieruit volgt dat het Hof in het arrest Podilă e.a. een onderscheid heeft gemaakt tussen twee nationale rechtskaders die parallel van toepassing zijn op aan de werknemers toegekende rechten. Het eerste rechtskader vloeit voort uit richtlijn 89/391 en de omzetting daarvan in nationaal recht. Uit dat arrest blijkt dat, op grond van de informatie waarover het Hof beschikte, artikel 9, leden 1 en 2, en artikel 11, lid 6, van deze richtlijn op juiste wijze zijn omgezet in Roemeens recht. Het tweede rechtskader wordt gevormd door de indeling als arbeidsplaats waar werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden, dat Roemenië in de uitoefening van zijn nationale bevoegdheden heeft vastgesteld en dat geen verband houdt met richtlijn 89/391.25. Deze richtlijn ziet namelijk niet op de geldelijke rechten verbonden aan de indeling van arbeidsplaatsen naargelang van de risico's waaraan de werknemers worden blootgesteld.
43.
Volgens de verwijzende rechter onderscheidt de onderhavige zaak zich van die welke aanleiding heeft gegeven tot het arrest Podilă e.a., aangezien het door verzoekster in casu ingestelde beroep niet is gericht op de vaststelling van pensioenrechten, maar op de erkenning van de beroepsrisico's die specifiek zijn voor haar bijzondere arbeidsomstandigheden. Net als de Roemeense regering en de Commissie kan ik mij niet vinden in deze beoordeling. Hoewel verzoekster haar dienstbetrekking inderdaad nog steeds uitoefent, kan de door het Hof in het arrest Podilă e.a. gevolgde redenering mijns inziens namelijk volledig op de onderhavige zaak worden toegepast.
44.
Zo blijkt ten eerste uit de verwijzingsbeslissing dat verzoekster met haar beroep beoogt te verkrijgen dat haar functie wordt ingedeeld als arbeidsplaats waar zij wordt blootgesteld aan bijzondere omstandigheden en dat haar werkgever wordt veroordeeld tot betaling aan haar van het verschil in socialezekerheidsbijdragen met het oog op het verwerven van geldelijke rechten, namelijk een hoger bedrag aan ouderdomspensioen. In dit verband acht ik het nuttig te vermelden dat de Roemeense regering ter terechtzitting erop heeft gewezen dat er beroepswerkzaamheden bestaan die naar hun aard met zich brengen dat werknemers worden blootgesteld aan risicofactoren en om die reden minder aantrekkelijk zijn. Hoewel het aan de werkgever staat om alle uit richtlijn 89/391 voortvloeiende maatregelen te nemen, heeft de Roemeense wetgever voor dergelijke beroepswerkzaamheden voorzien in voordelen voor de werknemers, onder meer met betrekking tot de voorwaarden voor de toekenning van het ouderdomspensioen en de vaststelling van het bedrag daarvan, die een vorm van compensatie zijn voor de aan dergelijke werkzaamheden verbonden nadelen en de aantrekkelijkheid ervan beogen te vergroten. In die zin worden de betrokken rechten op het gebied van ouderdomspensioen, waarvan de toekenning afhankelijk is van de indeling als arbeidsplaats waar werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden, geregeld door wet nr. 263/2010 op het eenheidsstelsel van publieke pensioenen, en niet door de wetgeving inzake de veiligheid en de gezondheid van de werknemers.
45.
Wat ten tweede de op de werkgevers rustende verplichtingen inzake de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers betreft, volgt uit artikel 9, leden 1 en 2, van richtlijn 89/391 dat enerzijds de werkgevers met name moeten beschikken over een evaluatie van de risico's voor de veiligheid en de gezondheid op het werk, met inbegrip van de risico's voor de groepen werknemers met bijzondere risico's, alsook de te nemen beschermende maatregelen en, indien nodig, de te gebruiken beschermingsmiddelen moeten vastleggen, en anderzijds de lidstaten, rekening houdend met de aard van de activiteiten en de grootte van de bedrijven, de verplichtingen moeten bepalen waaraan de diverse categorieën bedrijven moeten voldoen voor wat betreft de opstelling van de in deze richtlijn bedoelde documenten.26. Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft aangegeven, legt richtlijn 89/391 noch enige andere richtlijn van de Unie betreffende de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk de lidstaten de verplichting op ervoor te zorgen dat de werkgevers de arbeidsplaatsen indelen naargelang van het bestaande risiconiveau of aan grotere beroepsrisico's blootgestelde werknemers compenserende voordelen van sociale aard toekennen.
46.
Wat ten derde de raadpleging en deelneming van de werknemers betreft, bepaalt artikel 11, lid 6, van richtlijn 89/391 dat de werknemers en/of hun vertegenwoordigers het recht hebben om zich, overeenkomstig de nationale wetten en/of praktijken, tot de bevoegde autoriteit op het gebied van de veiligheid en de bescherming van de gezondheid op het werk te wenden indien zij menen dat de door de werkgever genomen maatregelen en ingezette middelen niet toereikend zijn om de veiligheid en de gezondheid op het werk te verzekeren. De verwijzende rechter bevestigt dat artikel 9 en artikel 11, lid 6, van deze richtlijn, waarop zijn prejudiciële vragen betrekking hebben, in Roemeens recht zijn omgezet bij respectievelijk artikel 12 en artikel 18, lid 7, van wet nr. 319/2006. Bijgevolg genieten de werknemers de door genoemde richtlijn verleende rechten met betrekking tot, ten eerste, de op de werkgevers rustende verplichtingen, met name ter zake van de evaluatie van de risico's voor de veiligheid en de gezondheid op het werk en de te nemen beschermende maatregelen en, ten tweede, de raadpleging en deelneming van de werknemers, zonder dat deze rechten ondergeschikt zijn aan de indeling als arbeidsplaats waar werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt bovendien niet dat verzoekster is geconfronteerd met de onmogelijkheid om zich tot de bevoegde autoriteit op het gebied van de veiligheid en de gezondheid op het werk te wenden om zich te beklagen over de eventuele ontoereikendheid van de door haar werkgever genomen beschermende maatregelen.
47.
Ten vierde blijkt evenmin uit de verwijzingsbeslissing dat verzoekster in haar beroep heeft betoogd dat het ziekenhuis niet had voldaan aan de krachtens het nationale recht op hem rustende verplichting om haar veiligheid en gezondheid op het werk te verzekeren. Dienaangaande heeft de verwijzende rechter opgemerkt dat de indeling als arbeidsplaats waar bijzondere omstandigheden gelden pas wordt goedgekeurd indien de werkgever technische en organisatorische maatregelen heeft uitgevoerd overeenkomstig inzonderheid wet nr. 319/2006, waarbij richtlijn 89/391 is omgezet.
48.
Ten vijfde benadrukt de verwijzende rechter met betrekking tot artikel 18, lid 7, van wet nr. 319/2006 dat, hoewel de algemene nationale regel uitdrukkelijk voorziet in een recht voor werknemers om een beroep te doen op de bevoegde instanties, deze regel niet is overgenomen in de secundaire regelgeving betreffende de evaluatie van beroepsrisico's voor werknemers op middellange of lange termijn. Met betrekking tot artikel 12 van wet nr. 319/2006 is er bovendien, aldus deze rechter, ook geen latere handeling van lagere rang waarin de gevolgen zijn vastgesteld van de niet-nakoming van de verplichtingen inzake de evaluatie en controle van beroepsrisico's. Nochtans kan, zoals genoemde rechter vermeldt, niet-naleving van de in dit artikel 12 neergelegde verplichtingen met name leiden tot het opleggen van een administratieve boete aan de werkgever.27. Voorts legt dezelfde rechter niet uit hoe deze situatie tot gevolg heeft dat de indeling als arbeidsplaatsen waar bijzondere omstandigheden gelden binnen de werkingssfeer van richtlijn 89/391 valt.
49.
Ten zesde, en meer algemeen, beoogt richtlijn 89/391 de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk. De verhoging van het aantal punten voor de berekening van het pensioen heeft echter per definitie niets van doen met het beroepsleven, maar met de periode daarna. Daarbij komt dat, ook al genieten de aan bijzondere omstandigheden blootgestelde werknemers krachtens de nationale regeling het voordeel van een verlaging van de pensioenleeftijd, waardoor zij minder lang worden blootgesteld aan beroepsrisico's, deze verlaging evenmin verband houdt met de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk.
50.
Uit het voorgaande volgt dan ook dat, zoals in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Podilă e.a., de indeling als arbeidsplaats waar werknemers worden blootgesteld aan bijzondere omstandigheden, niet binnen de werkingssfeer van de bepalingen van richtlijn 89/391 valt voor wat betreft de voorwaarden voor de toekenning van het ouderdomspensioen en de vaststelling van het bedrag daarvan.
51.
In de onderhavige zaak geeft de verwijzende rechter aan dat de betrokken werknemers ook recht hebben op extra jaarlijkse vakantiedagen met behoud van loon. In antwoord op een ter terechtzitting gestelde vraag van het Hof heeft de Roemeense regering gepreciseerd dat dit recht op extra vakantiedagen niet noodzakelijkerwijs vereist dat de arbeidsplaats is ingedeeld als arbeidsplaats waar bijzondere omstandigheden gelden. Aangezien de verwijzende rechter in de verwijzingsbeslissing geen verband heeft aangetoond tussen dit recht op extra vakantiedagen en een dergelijke indeling, is het aan hem om na te gaan in hoeverre de toekenning van die vakantiedagen vereist dat de arbeidsplaats is ingedeeld als arbeidsplaats waar bijzondere omstandigheden gelden.
52.
Indien dat het geval is, wijs ik erop dat richtlijn 89/391 moet worden gelezen in samenhang met richtlijn 2003/8828., die beoogt minimumvoorschriften vast te stellen om de levens- en arbeidsomstandigheden van werknemers te verbeteren door hun — onder meer — minimumrusttijden te waarborgen.29. Zo wordt het begrip ‘passende rusttijd’ in artikel 2, punt 9, van laatstgenoemde richtlijn omschreven als ‘regelmatige, in tijdseenheden uitgedrukte rustperioden die voldoende lang en ononderbroken zijn om ervoor te zorgen dat de werknemers als gevolg van vermoeidheid wegens lange werktijden of andere onregelmatige werkroosters geen letsel toebrengen aan zichzelf, hun collega's of anderen en hun gezondheid op korte of op lange termijn niet schaden’. In die zin merkt de verwijzende rechter op dat de toekenning van extra jaarlijkse vakantiedagen ervoor zorgt dat de werknemer een langere periode van herstelrust kan genieten. Ik ben het ermee eens dat een dergelijke toekenning verband houdt met de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk.
53.
Afgezien daarvan moet worden uitgemaakt of het Unierecht aldus moet worden uitgelegd dat het de lidstaten verplicht om dergelijke extra jaarlijkse vakantiedagen toe te kennen aan werknemers die aan een beroepsrisico blootstaan. Mijns inziens moet die vraag klaar en duidelijk ontkennend worden beantwoord. Met betrekking tot jaarlijkse vakantie is in artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 namelijk bepaald dat de lidstaten de nodige maatregelen treffen opdat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken wordt toegekend, overeenkomstig de in de nationale wetten en/of gebruiken geldende voorwaarden voor het recht op en de toekenning van een dergelijke vakantie.
54.
In het onderhavige geval bepaalt artikel 147, lid 1, van het wetboek arbeidsrecht dat met name werknemers die in zware, gevaarlijke of schadelijke omstandigheden werken, recht hebben op een aanvullende jaarlijkse vakantie van minstens 3 werkdagen. In dit verband is het vaste rechtspraak van het Hof dat richtlijn 2003/88 niet in de weg staat aan nationale bepalingen die recht geven op een langere periode van jaarlijkse vakantie met behoud van loon dan de in artikel 7, lid 1, van die richtlijn voorgeschreven vier weken, dat wordt toegekend en verkregen onder de in het nationale recht vastgestelde voorwaarden. Uit de bewoordingen van artikel 1, lid 1, en lid 2, onder a), artikel 7, lid 1, en artikel 15 van richtlijn 2003/88 komt immers uitdrukkelijk naar voren dat deze richtlijn enkel tot doel heeft minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid op het gebied van de organisatie van de arbeidstijd vast te stellen, en het recht van de lidstaten om voor de bescherming van de werknemers gunstiger bepalingen toe te passen onverlet laat.30. Nog steeds volgens het Hof worden in een dergelijk geval de rechten op jaarlijkse vakantie met behoud van loon die verder gaan dan het bij artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 vereiste minimum, niet door deze richtlijn geregeld maar door het nationale recht, buiten het kader van het stelsel van die richtlijn om, met dien verstande dat dergelijke voor de werknemers gunstigere nationale bepalingen niet mogen worden aangewend ter compensatie van een eventuele aantasting van de door deze Unierechtelijke bepaling gewaarborgde minimumbescherming, zoals met name het geval zou zijn bij een verlaging van de vergoeding die verschuldigd is uit hoofde van de minimumperiode van jaarlijkse vakantie met behoud van loon die zij aldus waarborgt.31. Uit deze rechtspraak volgt dat de toekenning van extra jaarlijkse vakantiedagen met behoud van loon krachtens artikel 147 van het wetboek arbeidsrecht uitsluitend door het nationale recht wordt geregeld.
55.
Dienaangaande heeft de Roemeense regering ter terechtzitting betoogd dat er, na evaluatie door de werkgever van het risico waaraan de werknemer is blootgesteld, extra vakantiedagen kunnen worden toegekend als maatregel ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid op het werk en dat de werknemer zich in dat geval kan beroepen op artikel 18, lid 7, van wet nr. 319/2006 om zich bij de arbeidsinspectie te beklagen over de niet-toekenning van deze vakantiedagen of de ontoereikendheid van de genomen maatregel, om zich vervolgens tot de bevoegde nationale rechter te wenden indien deze bestuurlijke autoriteit nalaat om de nodige maatregelen te nemen.
56.
Uit al deze elementen leid ik af dat een situatie als die in het hoofdgeding niet binnen de werkingssfeer van de bepalingen van de richtlijnen 89/391 en 2003/88 valt.
57.
Bijgevolg geef ik in overweging om op de eerste prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 9 en artikel 11, lid 6, van richtlijn 89/391 alsmede richtlijn 2003/88 aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet van toepassing zijn op een nationale regeling, zoals die wordt uitgelegd door de nationale rechterlijke instanties, waarin procedures zijn vastgesteld volgens welke werknemers niet het recht hebben om zich te wenden tot de bevoegde autoriteit op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk, en evenmin tot de nationale rechterlijke instanties met het oog op de herziening of vaststelling van de indeling van de werkzaamheden van de werknemers in verschillende risicogroepen op grond waarvan er pensioenrechten aan deze werknemers alsook extra jaarlijkse vakantiedagen met behoud van loon die verder gaan dan het bij artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 vereiste minimum worden toegekend.
B. Tweede prejudiciële vraag
58.
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 11, lid 6, van richtlijn 89/391 rechtstreekse werking heeft en of deze bepaling, gelezen in samenhang met artikel 31, lid 1, en artikel 47 van het Handvest, werknemers het recht waarborgt op een effectieve rechterlijke bescherming indien de in de nationale wetgeving neergelegde verplichtingen niet worden nagekomen door degenen die daartoe rechtens zijn gehouden.
59.
Uit het door mij voorgestelde antwoord op de eerste prejudiciële vraag volgt dat richtlijn 89/391 niet van toepassing is op een indeling van arbeidsplaatsen zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is. Bijgevolg hoeft mijns inziens niet te worden onderzocht of artikel 11, lid 6, van deze richtlijn rechtstreekse werking heeft, aangezien het antwoord op deze vraag voor de verwijzende rechter niet nuttig is om uitspraak te kunnen doen in het bij hem aanhangige geding.
60.
Voor het geval het Hof mijn analyse niet deelt, breng ik in herinnering dat het vaste rechtspraak van het Hof is dat particulieren zich, in alle gevallen waarin de bepalingen van een richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, voor de nationale rechter op die bepalingen kunnen beroepen tegenover een lidstaat, wanneer deze heeft verzuimd de richtlijn tijdig in nationaal recht om te zetten, of dit op onjuiste wijze heeft gedaan.32. Zoals evenwel blijkt uit de verwijzingsbeslissing, is artikel 11, lid 6, van richtlijn 89/391 kennelijk op juiste wijze in nationaal recht omgezet bij artikel 18, lid 7, van wet nr. 319/2006. Bijgevolg is het antwoord op de vraag of deze bepaling rechtstreekse werking heeft, wederom van geen nut voor de verwijzende rechter om uitspraak te kunnen doen in het bij hem aanhangige geding.
61.
Hoe dan ook is het eveneens vaste rechtspraak van het Hof dat een bepaling van een richtlijn slechts kan worden geacht rechtstreekse werking te hebben indien zij inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is. Een bepaling is onvoorwaardelijk wanneer zij een verplichting oplegt die aan geen enkele voorwaarde is gebonden en die voor haar uitvoering of werking niet afhangt van een handeling van de instellingen van de Unie of van de lidstaten. Een bepaling is voldoende nauwkeurig om door een justitiabele te kunnen worden ingeroepen en door de rechter te kunnen worden toegepast, wanneer de erin vervatte verplichting in ondubbelzinnige bewoordingen is geformuleerd. Een richtlijn laat de lidstaten weliswaar een zekere beoordelingsmarge bij de vaststelling van de uitvoeringsmaatregelen daarvoor, maar een bepaling van deze richtlijn kan als onvoorwaardelijk en nauwkeurig worden beschouwd indien zij de lidstaten in ondubbelzinnige bewoordingen een nauwkeurige resultaatsverplichting oplegt waaraan geen voorwaarde is verbonden met betrekking tot de toepassing van de daarin vervatte regel.33.
62.
In dit verband wijst artikel 11, lid 6, van richtlijn 89/391 weliswaar de werknemers en/of hun vertegenwoordigers aan als de personen die het recht hebben om zich te wenden tot de bevoegde autoriteit op het gebied van de veiligheid en de bescherming van de gezondheid op het werk, maar deze bepaling stelt evenzeer dat dit recht moet worden uitgeoefend ‘overeenkomstig de nationale wetten en/of praktijken’. Bijgevolg stelt deze bepaling de toepassing ervan afhankelijk van de vaststelling van nationale maatregelen die de voorschriften en procedures voor de toepassing ervan regelen. Aangezien genoemde bepaling de tussenkomst van de lidstaten vereist en hun daarbij een aanzienlijke beoordelingsmarge toekent, kan zij inhoudelijk gezien dan ook niet worden geacht onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig te zijn, wat rechtstreekse werking ervan uitsluit.34.
63.
Wat tot slot artikel 31, lid 1, en artikel 47 van het Handvest betreft, waarnaar de verwijzende rechter in zijn tweede vraag verwijst, herinner ik eraan dat het toepassingsgebied van het Handvest, wat het optreden van de lidstaten betreft, is omschreven in artikel 51, lid 1, ervan, waarin staat dat de bepalingen van het Handvest tot de lidstaten zijn gericht uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Hieruit volgt dat de in de rechtsorde van de Unie gewaarborgde grondrechten van toepassing zijn in alle situaties die door het Unierecht worden beheerst, maar niet daarbuiten. Aangezien ik de mening ben toegedaan dat de hier aan de orde zijnde indeling niet door het Unierecht wordt beheerst, hoeft de tweede vraag dan ook niet in het licht van het Handvest te worden beantwoord. Hoewel het juist is dat artikel 47 van het Handvest, dat een herbevestiging vormt van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming, op zich volstaat en niet hoeft te worden gepreciseerd door bepalingen van Unierecht of van nationaal recht om particulieren een recht te verlenen dat als zodanig kan worden ingeroepen35., vooronderstelt de toepassing van dit artikel hoe dan ook dat de zaak binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt.
64.
In die omstandigheden en voor het geval het Hof zou oordelen dat richtlijn 89/391 van toepassing is op een indeling van arbeidsplaatsen als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, geef ik in overweging om op de tweede prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 11, lid 6, van deze richtlijn geen rechtstreekse werking heeft.
V. Conclusie
65.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van de Curte de Apel Iași te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
Artikel 9 en artikel 11, lid 6, van richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk, alsmede richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij niet van toepassing zijn op een nationale regeling, zoals die wordt uitgelegd door de nationale rechterlijke instanties, waarin procedures zijn vastgesteld volgens welke werknemers niet het recht hebben om zich te wenden tot de bevoegde autoriteit op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk, en evenmin tot de nationale rechterlijke instanties met het oog op de herziening of vaststelling van de indeling van de werkzaamheden van de werknemers in verschillende risicogroepen op grond waarvan er pensioenrechten aan deze werknemers alsook extra jaarlijkse vakantiedagen met behoud van loon die verder gaan dan het bij artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 vereiste minimum worden toegekend.
- 2)
Artikel 11, lid 6, van richtlijn 89/391
moet aldus worden uitgelegd dat
het geen rechtstreekse werking heeft.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 30‑04‑2025
Oorspronkelijke taal: Frans.
Richtlijn van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (PB 1989, L 183, blz. 1).
Arrest van 21 maart 2018 (C-133/17 en C-134/17, EU:C:2018:203; hierna: ‘arrest Podilă e.a.’).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB 2003, L 299, blz. 9).
Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 140 van 1 april 2000.
Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 114 van 6 maart 2001.
Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 72 van 5 februari 2003.
Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 646 van 26 juli 2006.
Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 169 van 9 maart 2007.
Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 852 van 20 december 2010.
Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 986 van 31 december 2015.
Buletinul Oficial al RS România, deel I, nr. 17–18 van 1 februari 1969.
Artikel 6, lid 3, van wet nr. 27/1966.
Buletinul Oficial al RS România, deel I, nr. 82 van 6 augustus 1977.
Overeenkomstig artikel 15 van regeringsbesluit nr. 261/2001 worden arbeidsplaatsen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit in arbeidsgroep II waren ingedeeld, in beginsel beschouwd als arbeidsplaatsen waar werkzaamheden onder bijzondere omstandigheden worden verricht.
Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 904 van 10 november 2016.
De verwijzende rechter geeft aan dat de Curte Constituțională a României (grondwettelijk hof, Roemenië) bij arrest van 6 december 2018 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 203 van 14 maart 2019), de aangevoerde exceptie van ongrondwettigheid ongegrond heeft verklaard en geoordeeld heeft dat de litigieuze bepalingen van de nationale regeling, zoals die zijn uitgelegd in arrest nr. 12 van 23 mei 2016 van de Înaltă Curte de Casație și Justiție, grondwettig waren ten aanzien van de aangevoerde grieven. In dat verband heeft de Curte Constituțională a României onder meer verwezen naar het arrest Podilă e.a.
Zie, voor een meer uitvoerige aanhaling van deze rechtspraak, arrest van 28 januari 2025, ASG 2 (C-253/23, EU:C:2025:40, punt 90 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest Podilă e.a. (punt 39).
Zie de punten 20 en 21 van deze conclusie.
Zie punt 22 van deze conclusie.
Arrest Podilă e.a. (punten 41 en 42).
Arrest Podilă e.a. (punt 43).
Arrest Podilă e.a. (punt 44).
Er zij aan herinnerd dat richtlijn 89/391 is vastgesteld op grond van artikel 118 A van het EEG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 153 VWEU), waarin is bepaald dat de Raad door middel van richtlijnen minimumvoorschriften vaststelt om de verbetering van met name de werkomgeving te bevorderen teneinde de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te beschermen.
Zie arrest Podilă e.a. (punt 40).
In haar schriftelijke opmerkingen heeft de Commissie aangegeven dat de nationale wetgeving tot uitvoering van richtlijn 89/391 voorziet in civielrechtelijke, bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sancties in geval van niet-naleving van de daarin vastgestelde maatregelen.
Zie in die zin arrest van 19 december 2024, Loredas (C-531/23, EU:C:2024:1050, punten 29 en 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest van 19 november 2019, TSN en AKT (C-609/17 en C-610/17, EU:C:2019:981, punten 33–35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arresten van 26 februari 1986, Marshall (152/84, EU:C:1986:84, punt 46), en 14 mei 2024, Stachev (C-15/24 PPU, EU:C:2024:399, punt 51).
Zie arrest van 21 december 2023, Papier Mettler Italia (C-86/22, EU:C:2023:1023, punten 76 en 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie naar analogie arrest van 4 oktober 2018, Link Logistik N&N (C-384/17, EU:C:2018:810, punten 51–53).
Zie arrest van 27 februari 2025, Krasiliva (C-753/23, EU:C:2025:133, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).